← België

Arrest 264846 - Wapens – exportvergunningen - 14/11/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.846 Rolnummer: A. 242726/IX-10518 Zaak: Arrest 264846 - Wapens – exportvergunningen - 14/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-20 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-18 04:01 Fiche Arrest nr 264.846 van 14 november 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens – exportvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 264.846 van 14 november 2025 in de zaak A. 242.726/IX-10.518 In zake : M.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kurt Vanthuyne kantoor houdend te 8870 Izegem Baronstraat 68 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 12 augustus 2024, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 31 juli 2024 houdende de weigering van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. IX-10.518-1/16 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2025. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de verwe- rende partij, is gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eens- luidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 2 mei 2023 dient verzoeker een aanvraag in tot het verkrijgen van een vergunning voor het voorhanden hebben van een vuurwapen. Als wettige reden vermeldt hij ‘jacht en/of faunabeheeractiviteiten’. 3.2. De lokale politie geeft op 5 mei 2023 een advies waarin wordt gesteld: “Politioneel gezien zijn er geen belastende feiten gekend die zouden moeten resulteren in een ontzegging wapenbezit. Het lijkt ons echter wel opportuun om advies te vragen aan het ambt van de heer Procureur des Konings West-Vlaanderen, afdeling Brugge, omwille van volgende feiten: - Op 15/03/2022 werd bij besluit van de gouverneur West-Vlaanderen het wapenbezit van betrokkene ingetrokken wegens ‘potentieel gevaar openbare IX-10.518-2/16 orde’. - Op 26/03/2023 neemt [verzoeker] hier kennis van, waarna hij zijn wapens overdraagt en 1 wapen afstaat voor vernietiging. - Op 27/04/2022 werd bij beslissing van de arrondissementscommissaris van Brugge zijn jachtverlof ingetrokken. - Op 03/10/2022 werd [verzoeker] door de correctionele rechtbank West- Vlaanderen, afdeling Kortrijk veroordeeld tot een werkstraf van 60 uur we- gens inbreuken op de wetgeving inzake bescherming van vogels.” 3.3. De procureur des Konings verleent op 25 juli 2023 een ongunstig advies met verwijzing naar het vonnis van de correctionele rechtbank te Kortrijk van 3 oktober 2022 waarbij verzoeker is veroordeeld tot een werkstraf van zestig uren of een vervangende geldboete van 4000 euro wegens inbreuken op het besluit van de Vlaamse regering van 15 mei 2009 ‘met betrekking tot soortenbescherming en soortenbeheer’, het jachtdecreet van 24 juli 1991 en het besluit van de Vlaamse regering van 25 april 2014 ‘houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend’. Verzoeker wordt schuldig bevonden aan het ge- bruik en bezit van verboden middelen, het bezit van beschermde vogels, het uitzet- ten van wild en jacht met niet-reglementaire kast- of kooivallen. 3.4. Op 3 augustus 2023 weigert de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen verzoekers aanvraag. 3.5. Verzoeker stelt op 25 oktober 2023 een beroep in tegen die be- slissing. 3.6. Op 26 oktober 2023 verleent de lokale politie een gunstig advies, waarvan de motivering luidt: “Betrokkene is politioneel niet gekend. Hij heeft geen inbreuken gepleegd tegen het strafrecht, noch tegen de wapenwet. Hij is in de politionele bestanden niet gekend en is niet negatief gekend in de politiezone, noch in zijn woonplaats.” 3.7. De procureur des Konings geeft op 7 november 2023 opnieuw een ongunstig advies met verwijzing naar het vonnis van 3 oktober 2022. IX-10.518-3/16 3.8. De minister van Justitie verwerpt op 31 juli 2024 het beroep van verzoeker. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt: “Uit het dossier is met name gebleken dat u bij vonnis van 3 oktober 2022 werd veroordeeld tot een werkstraf van 60 uren wegens inbreuken op de wet- geving inzake soortenbescherming (gebruik en bezit van verboden middelen, bezit van beschermde vogels), op het jachtdecreet (uitzetten van wild) en op het jachtvoorwaarden besluit (jacht met niet reglementaire kast- of kooival- len). Een veroordeling wegens inbreuken op de jachtwetgeving is opgenomen in artikel 5, § 4, 2°,

  1. k)van de wapenwet waardoor een aanvraag tot het verkrij- gen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen in bepaalde gevallen onontvankelijk moet worden verklaard. De minister van Justitie is immers van oordeel dat dergelijke feiten misdrij- ven betreffen die in de wapenwetgeving zijn opgenomen omdat het – in com- binatie met wapenbezit – een vermoeden creëert van potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Dergelijke feiten maken dat het noodzakelijk vertrouwen dat moet gesteld kunnen worden in hoofde van een wapenbezitter wordt ondermijnd. U pleegde deze feiten bovendien bewust en u gaf toe dat u op de hoogte was van het feit dat deze inbreuken zijn op de wetgeving inzake soortenbescher- ming en jachtwetgeving. De rechtbank stelt dan ook terecht dat deze feiten ernstig zijn en dat u boven- dien duidelijk blijk geeft van weinig respect voor de regels die het leefmilieu en de biodiversiteit beschermen. Bovendien heeft u als bijzonder veldwachter in deze hoedanigheid een voor- beeldfunctie te vervullen en bent u aangesteld om de naleving van die regels te verzekeren. De feiten dateren dan wel van meer dan drie jaar terug, doch ze werden we- tens en willens dus opzettelijk gepleegd en gelet op uw functie van bijzon- dere veldwachter is dit heel afkeurenswaardig.” IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 4. Het enige middel is genomen uit de schending van “het wette- lijkheidsbeginsel [en] het redelijkheidsbeginsel”. Verzoeker voert aan dat de verwerende partij het oordeel “dat er elementen aanwezig zijn die kunnen wijzen op een potentieel gevaar voor de open- bare orde en de veiligheid” enkel motiveert met verwijzing naar een correctionele IX-10.518-4/16 veroordeling voor feiten die niet gerelateerd zijn aan wapenbezit, die dateren van vier jaar geleden en waarvoor hem in 2022 een werkstraf is opgelegd. Volgens verzoeker volstaat het niet om louter naar een veroordeling uit het verleden te ver- wijzen. Er anders over oordelen zou impliceren dat zonder nadere motivering een wapenvergunning definitief en levenslang kan worden geweigerd omwille van een veroordeling, ongeacht van wanneer die dateert en de in acht genomen feiten. Ver- zoeker verwijst naar arrest nr. 235.047 van 14 juni 2016 waarin de Raad van State heeft geoordeeld dat de overheid in beginsel weliswaar rekening kan houden met feiten en gedragingen die niets te maken hebben met wapenbezit, maar niet zonder meer uit het feit dat dergelijke feiten werden gepleegd, mag afleiden dat wapenbe- zit een gevaar zou kunnen betekenen voor de openbare orde en veiligheid. Te dezen is, aldus verzoeker, enkel verwezen naar het bestaan van een veroordeling, zonder dat nog concrete elementen worden aangevoerd, waardoor de verwerende partij de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid te buiten is gegaan. Voorts voert verzoeker aan dat de verwerende partij het oordeel dat wapenbezit een gevaar kan opleveren, tracht te motiveren met verwijzing naar artikel 5, § 4, 2°, k), van de wet van 8 juni 2006 ‘houdende regeling van economi- sche en individuele activiteiten met wapens’ (“wapenwet”), waarbij zij overweegt dat een veroordeling wegens inbreuken op de jachtwetgeving de aanvraag tot het verkrijgen van een wapenvergunning in bepaalde gevallen onontvankelijk maakt. Daarmee gaat de verwerende partij, naar het oordeel van verzoeker, voorbij aan de in de wapenwet bepaalde voorwaarde dat een correctionele geldboete van meer dan 500 euro, een correctionele hoofdstraf onder elektronisch toezicht, een correctio- nele hoofdgevangenisstraf of een criminele straf moet zijn opgelegd voor de in- breuken op de jachtwetgeving opdat de vergunningsaanvraag onontvankelijk moet worden bevonden. Aan verzoeker is een werkstraf van zestig uren opgelegd, zodat deze motivering naast de kwestie is en een schending van de wet inhoudt. Hij heeft geen feiten gepleegd waarvoor hem één van de hiervóór vermelde straffen is op- gelegd. IX-10.518-5/16 Ten slotte voert verzoeker aan dat het mogelijke gevaar voor de openbare veiligheid nog actueel moet zijn op het ogenblik van de beslissing. Hij argumenteert dat hij 61 jaar is en, behoudens een veroordeling in 2016 wegens geïntoxiceerd en dronken sturen waarvoor hem probatieopschorting is verleend, nooit eerder is veroordeeld. Tussen de feiten en de bestreden beslissing zijn bijna vier jaar verstreken zonder dat zich nieuwe feiten hebben voorgedaan. Verzoeker verwijst naar arrest nr. 250.709 van 27 mei 2021 waarin de Raad van State heeft geoordeeld dat de tijd die is verlopen sinds het feit dat erop wijst dat het voorhan- den hebben van wapens de openbare orde kan verstoren, moet worden meegewo- gen in de beoordeling van deze mogelijke verstoring en dat in het algemeen oorde- len dat de feiten onaanvaardbaar zijn voor een wapenbezitter niet volstaat. Verzoe- ker stelt dat hij in zijn beroepschrift heeft gewezen op het tijdsverloop sedert de feiten en op het gegeven dat zich geen enkel nieuw feit heeft voorgedaan, maar dat de verwerende partij daarop op geen enkele manier heeft geantwoord. In zoverre de verwerende partij verwijst naar het bijzonder laakbaar karakter van de feiten omdat verzoeker bijzonder veldwachter was, stelt verzoeker dat dit een beoorde- ling is die de feitenrechter dient te maken en geen argument om ondanks het ver- strijken van een bepaalde termijn alsnog het gevaar voor de veiligheid te motive- ren. Dat hij de feiten “bewust” en “wetens en willens” heeft gepleegd en dat de inbreuken “ernstig waren” en “afkeurenswaardig”, zijn volgens verzoeker overwe- gingen die destijds bij de beoordeling door de strafrechter relevant waren, maar die geheel naast de kwestie zijn om het actueel gevaar voor de openbare orde te moti- veren. Verzoeker verwijst ook nog naar arrest nr. 232.274 van 22 september 2015 waarin de Raad van State heeft geoordeeld dat zelfs aangenomen dat de feiten re- delijk zwaarwichtig zijn en dus gelet op het tijdsverloop nog mogen worden mee- gewogen in de beoordeling van het potentieel gevaar voor de openbare orde, het aan de verwerende partij toevalt om op grond van een individueel onderzoek van de betrokken feiten aannemelijk te maken dat in de gegeven omstandigheden deze feiten nog steeds voldoende recent zijn opdat ze een bedreiging kunnen vormen voor de openbare orde. Verzoeker stelt dat dit te dezen niet is gebeurd. De verwe- rende partij wijst er enkel op dat de feiten wetens en willens en dus opzettelijk zijn gepleegd en dat dit gelet op verzoekers functie van bijzonder veldwachter heel af- keurenswaardig is. Volgens verzoeker is dit geen reden om een weigering op grond IX-10.518-6/16 van gevaar voor de openbare orde te rechtvaardigen. De opzettelijkheid of de af- keurenswaardigheid van feiten in het verleden duidt op zich immers niet op een gevaar voor nieuwe feiten. 5. In zoverre de verwerende partij in de memorie van antwoord om- trent het actueel karakter van de mogelijke verstoring van de openbare orde op- merkt dat de feiten niet eenmalig waren aangezien ze hebben plaatsgevonden ge- durende een volledig jachtseizoen en er diverse inbreuken waren, repliceert ver- zoeker in de memorie van wederantwoord dat alle inbreuken te herleiden zijn tot het bezit van onwettige vangtuigen en het onwettig uitzetten van patrijzen. Sedert de vaststelling van de feiten heeft verzoeker geen enkele patrijs of ander dier meer uitgezet en geen vangtuig meer in zijn bezit gehad, noch enige andere overtreding begaan. Voorts stelt verzoeker dat de verwerende partij op geen enkele wijze nader toelicht waarin het potentieel gevaar voor de openbare orde en veilig- heid actueel nog zou bestaan, behoudens dat hij jaren geleden is veroordeeld. Meer nog, het gunstige advies van de lokale politie steunt op het ontbreken van actuele negatieve elementen in hoofde van verzoeker. De verwerende partij legt dit advies naast zich neer, louter op grond van het bestaan van een eerdere veroordeling, het- geen de facto erop neerkomt dat bij eender welke eerdere veroordeling een rechts- onderhorige nooit nog een wapen zou mogen bezitten. Verzoeker onderstreept ook dat hij geen misdrijven heeft gepleegd waarbij wapens zijn gebruikt of waarbij op een of andere manier agressief werd gehandeld, zodat er des te minder reden is om aan te nemen dat zijn wapenbezit een potentieel gevaar zou inhouden voor de open- bare orde. De inbreuk had betrekking op het uitzetten van vogels en het voorhanden hebben van onwettige vangtuigen, waaraan geen wapen te pas is gekomen. 6. In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat de lokale politie bij het verlenen van haar advies van 5 mei 2023 uiteraard kennis had van het vonnis van 3 oktober 2022, maar te kennen gaf dat er geen (andere) strafbare feiten in hoofde van verzoeker bekend waren. IX-10.518-7/16 Voorts laat verzoeker gelden dat uit arrest nr. 256.057 van 17 maart 2023 geen algemene regel van een zogenaamde “wachttijd” van vijf jaar kan worden afgeleid, temeer omdat de betrokkene in die zaak inmiddels bijko- mende feiten had gepleegd en daarvoor was veroordeeld. Verzoeker is van mening dat het actueel karakter van een veroordeling niet plots dag op dag vijf jaar na de veroordeling ophoudt te bestaan, maar gradueel vermindert vanaf de datum van de uitspraak. Volgens verzoeker kan in redelijkheid niet worden aangenomen dat hij die in 2022 is veroordeeld voor feiten uit 2021, sedertdien geen enkel nieuw feit heeft gepleegd en een gunstig advies heeft gekregen van de lokale politie, in die mate een gevaar zou opleveren voor de openbare orde dat hem een wapenvergun- ning moet worden ontzegd. Beoordeling 7. Verzoeker put zijn enige middel naar de letter uit de schending van “het wettelijkheidsbeginsel [en] het redelijkheidsbeginsel”. In zijn toelichting bij het middel betoogt verzoeker dat de ver- werende partij ten onrechte tot het besluit is gekomen dat zijn wapenbezit de open- bare orde kan verstoren aangezien zij (
  2. i)enkel verwijst naar een veroordeling uit het verleden, voor niet-wapengerelateerde feiten, zonder nog concrete elementen aan te halen waaruit blijkt dat zijn wapenbezit de openbare orde kan verstoren en (
  3. ii)de feiten uit 2021 nog steeds actueel acht zonder een individueel onderzoek van de relevantie ervan en haar motivering hieromtrent naast de kwestie is. Daarmee voert verzoeker aan dat de in aanmerking genomen feiten het oordeel dat zijn wa- penbezit een gevaar kan inhouden voor de openbare orde niet in rechte kunnen verantwoorden. Uit die toelichting blijkt dat wat verzoeker aanvoert niet zozeer een schending van de beide voormelde beginselen is, maar wel een schending van de materiëlemotiveringsplicht. De aangevoerde schending van het legaliteitsbegin- sel lijkt in dat verband te moeten worden gelezen in het licht van de grieven die IX-10.518-8/16 betrekking hebben op het gegeven dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar artikel 5, § 4, 2°, k), van de wapenwet. Het middel wordt in dat opzicht beoordeeld. 8. Verzoekers grief dat de verwerende partij niet heeft geantwoord op zijn argumentatie in het beroepschrift inzake het tijdsverloop sedert de feiten uit 2021 en het gegeven dat zich sedertdien geen enkel nieuw feit heeft voorgedaan, houdt dan weer verband met de formele motivering van de bestreden beslissing. In het enige middel heeft verzoeker evenwel geen schending aangevoerd van de for- melemotiveringsplicht. Hoe dan ook mag worden vastgesteld dat de verwerende partij heeft voldaan aan de op haar rustende formelemotiveringsplicht, die niet vereist dat zij op elk argument van verzoeker antwoordt en dit weerlegt. Het volstaat dat verzoeker in de bestreden beslissing de redenen vindt die de verwerende partij ertoe brengen hem het vuurwapenbezit te ontzeggen. Uit de hiervóór aangehaalde motivering van de bestreden beslis- sing blijkt om welke reden verzoekers vergunningsaanvraag wordt geweigerd. De verwerende partij overweegt dat verzoeker inbreuken heeft gepleegd op de wetge- ving inzake soortenbescherming en de jachtwetgeving, waarvoor hij door de cor- rectionele rechtbank bij vonnis van 3 oktober 2022 is veroordeeld tot een werkstraf van zestig uren. Zij stipt daarbij aan dat verzoeker de feiten bewust heeft gepleegd, dat de feiten ernstig zijn en dat verzoeker duidelijk blijk geeft van weinig respect voor de regels die het leefmilieu en de biodiversiteit beschermen. Bovendien heeft verzoeker als bijzonder veldwachter een voorbeeldfunctie en is hij aangesteld om de naleving van die regels te verzekeren. Uit de overweging “[d]e feiten dateren dan wel van meer dan drie jaar terug, doch ze werden wetens en willens dus opzettelijk gepleegd en gelet op uw functie van bijzondere veldwachter is dit heel afkeurenswaardig” blijkt IX-10.518-9/16 bovendien dat de verwerende partij wel degelijk heeft geantwoord op verzoekers argumentatie. Er kan geen schending van de formelemotiveringsplicht worden vastgesteld. 9. In de bestreden beslissing overweegt de verwerende partij dat “[e]en veroordeling wegens inbreuken op de jachtwetgeving is opgenomen in arti- kel 5, § 4, 2°,
  4. k)van de wapenwet waardoor een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen in bepaalde geval- len onontvankelijk moet worden verklaard”. Met deze verwijzing naar een zogenaamde interdicerende ver- oordeling heeft de verwerende partij enkel het belang willen onderstrepen dat aan de door verzoeker begane inbreuken moet worden gehecht. Zij stelt daaromtrent terecht dat inbreuken op de jachtwetgeving misdrijven betreffen die in de wapen- wetgeving zijn opgenomen omdat ze – in combinatie met wapenbezit – een ver- moeden creëren van potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid en dat dergelijke feiten maken dat het noodzakelijke vertrouwen dat in een wapenbezitter moet kunnen worden gesteld, wordt ondermijnd. Terecht stelt verzoeker dat de in artikel 5, § 4, 2°, k), van de wapenwet bedoelde inbreuken slechts aanleiding geven tot de onontvankelijkheid van een aanvraag voor een wapenvergunning indien de betrokkene als dader of medeplichtige is veroordeeld tot een andere correctionele hoofdstraf dan een geldboete van ten hoogste vijfhonderd euro en dat hij in casu niet in dat geval verkeert aangezien hem een werkstraf van zestig uren is opgelegd. Dit belet echter niet dat de in artikel 5, § 4, 2°, k), van de wapenwet bedoelde misdrijven die geen aanleiding hebben gegeven tot een dergelijke veroordeling ook in aanmerking mogen worden genomen bij de afweging van het risico dat wapen- bezit kan inhouden voor de openbare orde. Anders dan verzoeker betoogt is deze motivering derhalve niet “naast de kwestie” en houdt ze evenmin een schending in van de wapenwet. IX-10.518-10/16 10.1. Verzoeker merkt terecht op dat de feiten uit 2021 waarvoor hij op 3 oktober 2022 is veroordeeld geen verband houden met wapenbezit of agressie, maar wel met de miskenning van de regelgeving inzake de soortenbescherming en de jacht. De verwerende partij mag evenwel bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren, in beginsel ook rekening houden met feiten en gedragingen die niets te maken heb- ben met het wapenbezit, op voorwaarde dat deze feiten en gedragingen genoeg- zaam vaststaan en de beslissing om het wapenbezit te ontzeggen naar recht kunnen verantwoorden. De verwerende partij mag daarbij niet zonder nader en individueel onderzoek van de relevantie ervan, uit het loutere gegeven dat verzoeker dergelijke feiten en gedragingen heeft gepleegd, besluiten dat verzoekers wapenbezit een ge- vaar zou kunnen betekenen voor de openbare orde en veiligheid. 10.2. Anders dan verzoeker aanvoert, blijkt uit de bestreden beslissing dat de veroordeling van 3 oktober 2022 op zichzelf niet leidt tot de conclusie dat het voorhanden hebben van een vuurwapen in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan inhouden, maar dat deze conclusie wordt verbonden aan de ernst van de feiten. De verwerende partij wijst er daarbij op dat verzoeker de feiten bewust heeft gepleegd, wel wetende dat het inbreuken zijn op de wetgeving inzake soortenbescherming en de jachtwetgeving. Zij bena- drukt dat de rechtbank terecht heeft gesteld dat de feiten ernstig zijn en dat verzoe- ker duidelijk blijk geeft van weinig respect voor de regels die het leefmilieu en de biodiversiteit beschermen. Als bijzonder veldwachter heeft verzoeker bovendien een voorbeeldfunctie te vervullen en is hij aangesteld om de naleving van die regels te verzekeren. 10.3. In tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, blijkt aldus dat de verwerende partij wél concrete elementen aanhaalt ter staving van het feit dat de veroordeling van 3 oktober 2022, ook al heeft die geen betrekking op een misdrijf dat verband houdt met wapenbezit of agressie, tot het besluit noopt dat wapenbezit IX-10.518-11/16 in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar inhoudt voor de openbare orde en veiligheid. 11.1. Zoals verzoeker aanvoert, moet de mogelijke verstoring van de openbare orde nog actueel zijn op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, wat inhoudt dat de tijd die is verlopen sinds het feit dat volgens de ver- werende partij erop wijst dat het voorhanden hebben van wapens de openbare orde kan verstoren, moet worden meegewogen in de beoordeling van deze mogelijke verstoring. De verwerende partij mag bij haar onderzoek rekening houden met minder recente feiten ten laste van verzoeker, wanneer zij ook steunt op recen- tere feiten die erop wijzen dat het voorhanden hebben van wapens door verzoeker de openbare orde kan verstoren. Uit die recentere feiten kan immers blijken dat aan de minder recente feiten niet ieder belang moet worden ontzegd. Maar ook de loutere omstandigheid dat de verwerende partij en- kel steunt op oudere of minder recente feiten om de mogelijke verstoring van de openbare orde te staven, zónder nieuwe recentere feiten in aanmerking te nemen, verhindert niet noodzakelijk dat die oudere feiten nog steeds kunnen doen blijken van het actueel karakter van de mogelijke verstoring van de openbare orde door het voorhanden hebben van wapens door verzoeker. De eis dat de mogelijke verstoring van de openbare orde nog actueel moet zijn op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing belet immers op zich niet dat oudere of minder recente feiten waarop de bestreden beslissing steunt, na een nader en individueel onderzoek van de relevantie ervan door de verwerende partij, nog steeds wijzen op het actueel karakter van het risico op verstoring van de openbare orde door het voorhanden hebben van wapens door verzoeker. In dat geval zijn deze oudere feiten immers nog steeds te beschouwen als voldoende recent en relevant zodat ze een bedreiging kunnen vormen voor de openbare orde. 11.2. Of een feit voldoende actueel is in de zin als hiervóór is gesteld om in aanmerking te worden genomen, staat ter beoordeling van de verwerende IX-10.518-12/16 partij. Zij beschikt dienaangaande over een discretionaire beoordelingsbevoegd- heid. Het valt aan de Raad van State in het kader van zijn wettigheids- toezicht niet toe om zelf te beoordelen of een feit voldoende actueel is. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. 11.3. Blijkens de hiervóór aangehaalde motivering van de bestreden beslissing steunt de verwerende partij haar beslissing op het vonnis van 3 okto- ber 2022 waarbij verzoeker is veroordeeld voor inbreuken op de regelgeving in- zake soortenbescherming en de jacht die zijn gepleegd in 2021. De verwerende partij is van oordeel dat die feiten uit 2021 nog steeds actueel zijn op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing. 11.4. Zoals hiervóór is uiteengezet, vermag de verwerende partij lou- ter te steunen op minder recente feiten om iemand het wapenbezit te ontzeggen. Dat vereist dan wel dat na een nader en individueel onderzoek van de relevantie ervan, blijkt dat die feiten op zich nog steeds een voldoende actueel karakter heb- ben. In tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, is het dus geenszins zo dat een veroordeling uit een meer of minder ver verleden ipso facto leidt tot een levens- lange uitsluiting van het wapenbezit. De actualiteitswaarde en de relevantie van de feiten moeten telkens (opnieuw) worden beoordeeld op het ogenblik van een (nieuwe) beslissing. 11.5. De vereiste van een nader en individueel onderzoek impliceert ook dat er geen welbepaalde termijn bestaat waarna feiten hun actueel karakter verliezen. Terecht stelt verzoeker dat uit arrest nr. 256.057 van 17 maart 2023 geenszins kan worden afgeleid dat de Raad van State een termijn IX-10.518-13/16 van vijf jaar normconform handelen voorop zou stellen. De verwerende partij dient daarentegen voor elk geval afzonderlijk te onderzoeken of de feiten nog een actueel karakter hebben. Daarbij wordt bedacht dat hoe ernstiger de feiten zijn, hoe langer ze een actueel karakter kunnen blijven vertonen. 11.6. In tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, heeft de verwerende partij wél een nader en individueel onderzoek van de relevantie van de feiten uit- gevoerd. Uit de bestreden beslissing blijkt immers dat de verwerende partij de con- clusie dat de feiten uit 2021 nog actueel zijn, steunt op de ernst van de feiten. De verwerende partij overweegt in dat verband dat verzoeker de feiten “bewust” en “wetens en willens” heeft gepleegd en heeft toegegeven dat het inbreuken zijn op de wetgeving inzake soortenbescherming en de jachtwetgeving. Zij benadrukt dat de rechtbank terecht heeft gesteld dat de feiten ernstig zijn en dat verzoeker duide- lijk blijk geeft van weinig respect voor de regels die het leefmilieu en de biodiver- siteit beschermen. Als bijzonder veldwachter heeft verzoeker bovendien een voor- beeldfunctie te vervullen en is hij aangesteld om de naleving van die regels te ver- zekeren. De feiten dateren dan wel van meer dan drie jaar geleden, ze werden we- tens en willens en dus opzettelijk gepleegd en gelet op verzoekers functie als bij- zonder veldwachter is dit heel “afkeurenswaardig”. 11.7. Anders dan verzoeker stelt, mag de verwerende partij wél op deze elementen steunen om het actueel gevaar voor de openbare orde te motiveren en betreft het niet louter elementen die relevant waren bij de beoordeling door de strafrechter. Gelet op de omstandigheid dat de feiten relatief recent zijn – ze dateren van 2021 – en dat ze ernstig zijn, mede gelet op de niet-betwiste omstandigheid dat verzoeker de inbreuken bewust heeft gepleegd, wetende dat het inbreuken zijn op de regelgeving inzake soortenbescherming en de jacht en het feit dat verzoeker als bijzonder veldwachter net is aangesteld om de naleving van die regels te verzeke- ren, acht de Raad van State het niet onredelijk dat de verwerende partij oordeelt dat de feiten drie jaar later nog steeds een voldoende actueel en relevant karakter heb- ben om er een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid uit af te leiden. IX-10.518-14/16 12. Wat ten slotte het redelijkheidsbeginsel betreft, kan de Raad van State in de toelichting bij het middel geen daarop toegespitst betoog lezen, zodat het middel in zoverre onontvankelijk is. Pas in zijn laatste memorie en dus laattijdig, schrijft verzoeker, zeer summier: “Er kan niet in redelijkheid voorgehouden worden dat verzoekende partij, die in 2022 veroordeeld werd voor feiten die zich in 2021 voordeden, sedertdien geen enkel nieuw feit heeft gepleegd en een gunstig advies kreeg van de lo- kale politie, in die mate een gevaar zou opleveren voor de openbare orde dat hem het bezit van een wapenvergunning voor de jacht dient ontzegd.” Verzoeker toont hoe dan ook niet aan dat het ondenkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstan- digheden tot dezelfde beslissing zou komen. 13. Het enige middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de ver- werende partij. IX-10.518-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op veertien november tweeduizend vijfen- twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.518-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.846 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.