id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.865 Rolnummer: A. 244626/XIV-39786 Zaak: Arrest 264865 - Overheidsopdrachten - 17/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-20 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-15 07:14 Fiche Arrest nr 264.865 van 17 november 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Opheffing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 264.865 van 17 november 2025 in de zaak A. 244.626/XIV-39.786 In zake: de BV D.S. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist, Alexander Van Eyck en Tom Bruyndonckx Dierck kantoor houdend te 2560 Kessel Torenvenstraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen. tegen: de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim Naudts en Kathleen De Hornois kantoor houdend te 1930 Zaventem Gateway Building Luchthaven Brussel Nationaal 1J bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep:
- Het beroep, ingesteld op 30 mei 2025, strekt tot de nietigverklaring van “het gunningsbesluit van de Universiteit Gent van 28 maart 2025 van de opdracht met betrekking tot de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking voor aanneming van diensten: Onderhoud poorten faculteit Diergeneeskunde”. XIV-39.786-1/6 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 263.260 van 12 mei 2025 is de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bevolen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Dit verslag, waarin wordt besloten om het beroep te verwerpen, werd te kennis gebracht van de partijen. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 10 september 2025 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 8 oktober
- Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Toepassing kortedebattenprocedure
- Op 28 mei 2025 beslist de verwerende partij tot intrekking van de bestreden beslising. XIV-39.786-2/6 Het voorliggende beroep heeft derhalve zijn voorwerp verloren, en is aldus doelloos geworden in de zin van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling). Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. IV. De kosten Standpunt van de partijen
- De verwerende partij verzoekt in haar brief van 14 juli 2025 het volgende: “Zoals de raadslieden van verzoekende partij zelf aangeven in dit schrijven, hebben wij hen voorafgaand aan het verstrijken van de termijn voor het indienen van een vernietigingsberoep (met name op 30 mei 2025) officieel gemeld dat de bestreden beslissing reeds werd ingetrokken door onze cliënt, verwerende partij in huidige procedure. De gerechtskosten en de gevorderde RPV dienen bijgevolg door de verzoekende partij te worden gedragen.”
- In die brief van 4 juli 2025 zette de verzoekende partij het volgende uiteen: “[…] De gerechtskosten en de gevorderde RPV dienen echter alsnog door verwerende partij te worden gedragen. Verwerende partij liet immers na het intrekkingsbesluit d.d. 28 mei 2025 tijdig aan verzoekende partij te bezorgen, ondanks meermaals aangemaand te zijn. Pas op 30 mei 2025 gebeurde een officiële melding door de raadslieden van verwerende partij dat de bestreden beslissing was ingetrokken […]. Het besluit tot intrekking zelf, werd echter nooit door de raadslieden per e-mail bezorgd. Verzoekende partij moest dit besluit zelf per post ontvangen op een latere datum. Het valt niet in te zien waarom de tekst van het intrekkingsbesluit niet per e-mail kon worden overgemaakt, onmiddellijk na XIV-39.786-3/6 het nemen van dat besluit, zodat een vernietigingsberoep vermeden kon worden. Het spreekt voor zich dat verzoekende partij diligent moest handelen, door het verzoek tot vernietiging alsnog in te dienen, bij gebreke aan de effectieve tekst van het intrekkingsbesluit. Zonder deze tekst, kan geen zekerheid bestaan over het bestaan en de inhoud van het intrekkingsbesluit. Verzoekende partij werd dus, door het talmen van verwerende partij, gedwongen om het verzoekschrift tot vernietiging veiligheidshalve neer te leggen.” Beoordeling
- Op grond van artikel 68, vijfde lid, van de algemene procedureregeling wordt “in ieder geval […] het geheel van de kosten […] ten laste gelegd van de partij die ten gronde in het ongelijk gesteld wordt”. Te dezen heeft de verwerende partij op onbetwistbare wijze de bestreden beslissing ingetrokken, waardoor het beroep zonder voorwerp en bijgevolg niet-ontvankelijk is geworden. Het teloorgaan van het voorwerp van het beroep volgt rechtstreeks uit de intrekking van de bestreden beslissing. Met toepassing van het leerstuk van de intrekking, moet worden aangenomen dat de verwerende partij oordeelde dat volgens haar de bestreden beslissing een onregelmatige rechtsverlenende rechtshandeling betreft die onder de voorwaarden van het leerstuk van de intrekking mocht worden ingetrokken. Ingevolge deze intrekking moet de verwerende partij worden beschouwd als de partij die ten gronde in het ongelijk werd gesteld en moeten de kosten haar ten laste worden gelegd.
- Het verzoek van de verwerende partij leidt niet tot een ander besluit. Los van het gegeven dat de verwerende partij niet aantoont dat op het ogenblik van het indienen van het voorliggende beroep tot nietigverklaring de verzoekende partij kennis had van de inhoud van de intrekkingsbeslissing, was deze intrekking hoe dan ook op dat tijdstip nog niet definitief. In deze omstandigheden kan het niet aan de verzoekende partij ten kwade worden geduid XIV-39.786-4/6 dat zij, ter vrijwaring van haar belangen, een beroep tot nietigverklaring indient van de bestreden beslissing waarvan zij de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan heeft bekomen
- Om dezelfde reden is er te dezen grond om overeenkomstig artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verzoekende partij een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen nu deze als de in het gelijk gestelde partij dient te worden beschouwd. De verzoekende partij heeft een beroep tot nietigverklaring ingediend na een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. In dat geval worden geen twee rechtsplegingsvergoedingen toegekend, maar wordt met toepassing van artikel 67, § 2, eerste lid, van de algemene procedureregeling het basis-, minimum- of maximumbedrag forfaitair verhoogd met een bedrag dat overeenstemt met 20 procent van dit bedrag, op voorwaarde dat de regeling vervat in artikel 67, § 2, derde lid, van de algemene procedureregeling geen toepassing vindt. Door de intrekking van de bestreden beslissing is het beroep tot nietigverklaring evenwel zonder voorwerp en doelloos geworden en zijn slechts korte debatten vereist. De in artikel 67, § 2, eerste lid, van de algemene procedureregeling vervatte verhoging van de rechtsplegingsvergoeding is te dezen derhalve niet verschuldigd. Aan de verzoekende partij is derhalve één
(1)rechtsplegingsvergoeding van 770 euro verschuldigd. BESLISSING
- De Raad van State heft de bij arrest nr. 263.260 van 12 mei 2025 bevolen schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid op.
- De Raad van State verwerpt het beroep. XIV-39.786-5/6
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 52 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeventien november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.786-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.865 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.260 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div