← België

Arrest 264873 - Overheidsopdrachten - 18/11/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.873 Rolnummer: A. 245011/XIV-39817 Zaak: Arrest 264873 - Overheidsopdrachten - 18/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-21 Raadplegingen: 172 - laatst gezien 2026-06-18 23:51 Fiche Arrest nr 264.873 van 18 november 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 264.873 van 18 november 2025 in de zaak A. 245.011/XIV-39.817 In zake: H.W. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Desrumaux en Mattias Van Schel kantoor houdend te 8500 Kortrijk Doorniksewijk 66 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bert Van Herreweghe en Damien Verhoeven kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 5 juni 2025, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Vlaams Energie & Klimaatagentschap van 8 april 2025 over de aanvraag van een rentesubsidie. II. Verloop van de rechtspleging 2. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Dit verslag, waarin wordt besloten om het beroep te verwerpen, werd te kennis gebracht van de partijen. XIV-39.817-1/9 Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 7 augustus 2025 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 8 oktober 2025. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Op 8 april 2025 weigert het Vlaams Energie & Klimaatagentschap (hierna: VEKA) de aanvraag van verzoeker van een rentesubsidie. Luidens de motivering ervan is de aanvraag afgekeurd op grond van de volgende motief: “Op basis van de ons ter beschikking gestelde gegevens die u bevestigd hebt, is uw aanvraag afgekeurd. Om de volgende redenen kunnen we u geen rentesubsidie verlenen: De basis voor het renteloos renovatiekrediet is het EPC zoals beschikbaar op moment van het afsluiten van het hoofdkrediet. Het renteloos renovatiekrediet wordt immers geattesteerd op basis van het beschikbare EPC. Het vermeld EPC attest in uw aanvraag werd voor een appartement ingediend. Met een EPC voor een appartement is een kredietaanvraag voor een ééngezinswoning niet toegestaan.” Dit is de bestreden beslissing. XIV-39.817-2/9 IV. Toepassing kortedebattenprocedure Ontvankelijkheid – Ambtshalve exceptie inzake rechtsmacht Standpunt van de partijen 4. In zijn verslag werpt het auditoraat ambtshalve op dat de Raad van State op grond van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zonder rechtsmacht is om van het voorliggende beroep tot nietigverklaring kennis te nemen, in essentie omdat aan geen van beide connexe voorwaarden is voldaan die moeten vervuld zijn opdat de Raad van State over de vereiste rechtsmacht zou beschikken om van de voorliggende zaak kennis te nemen. Aan geen van beide connexe voorwaarden is voldaan, eensdeels, omdat het VEKA krachtens de toepasselijke regelgeving inzake de toekenning van de betrokken rentesubsidies slechts over een volledig gebonden bevoegdheid beschikt en, anderdeels, omdat evenmin is voldaan aan de tweede connexe voorwaarde nu verzoeker met het in het verzoekschrift aangevoerde middel in wezen beoogt de (volgens hem) correcte interpretatie én toepassing van de aangevoerde reglementaire bepaling te verkrijgen waardoor hij wel aanspraak kan maken – wat meteen het door verzoeker beoogde voordeel en zijn belang is bij het voorliggende beroep – op de gevraagde steun. Hij wil er aldus de Raad van State toe brengen zich uit te spreken over een schending van een regel van materieel recht die de gebonden bevoegdheid van de verwerende partij en dus het daarmee overeenstemmende subjectief recht van verzoeker vestigt. XIV-39.817-3/9 Beoordeling A. Vooraf: de principes inzake rechtsmacht 5. Uit de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten – altijd, wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft, en in principe, wat de geschillen over politieke rechten betreft – tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook zonder rechtsmacht om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Wat de beoordeling van het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van een voor de Raad van State gebracht geschil betreft, is op grond van de voornoemde artikelen 144 en 145 van de Grondwet, de Raad van State zonder rechtsmacht wanneer de vordering strekt tot de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling waarbij (

  1. i)een administratieve overheid weigert om een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht waarover de verzoekende partij meent te beschikken en (
  2. ii)het ingeroepen annulatiemiddel steunt op een regel van materieel recht die deze verplichting in het leven roept en het geschil inhoudelijk bepaalt (Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 en de conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier (ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201127); zie eveneens Cass. (verenigde kamers) 8 september 2016, C.11.0455.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 en de conclusie van advocaat-generaal Th. Werquin (ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160908.8). In zijn arresten nrs. 257.891, 257.892 en 257.893 van 14 november 2023 heeft de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak deze rechtspraak bijgetreden. Hieruit volgt derhalve dat de Raad van State zonder rechtsmacht is wanneer aan twee (connexe) voorwaarden is voldaan waarbij niet alleen acht moet worden geslagen op het voorwerp van de vordering (het petitum) maar ook XIV-39.817-4/9 op het aangevoerde middel (de causa petendi). De eerste voorwaarde houdt verband met het voorwerp van het beroep, met datgene wat wordt gevorderd, namelijk de erkenning of de vaststelling van het bestaan van een subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende, aangezien hij voldoet aan alle voorwaarden waarvan het objectief recht deze aanspraak afhankelijk maakt. De eerste voorwaarde is alleen maar vervuld wanneer de bevoegdheid van de administratie volledig gebonden is (zie de conclusie van advocaat-generaal Th. Werquin voor Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. 418 (ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100611.6); conclusie van eerste advocaat- generaal R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2). De tweede voorwaarde heeft betrekking op de middelen die tot staving van het annulatieverzoek worden aangevoerd. De Raad van State heeft geen rechtsmacht wanneer het aangevoerde annulatiemiddel wordt afgeleid uit de schending van de rechtsregel welke die verplichting vestigt (zie de conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2). 6. Er wordt bij de navolgende beoordeling van het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering dan ook acht geslagen op zowel het voorwerp van de vordering (het petitum), dit is de eerste connexe voorwaarde, als op de aangevoerde middelen (de causa petendi), dit is de tweede connexe voorwaarde. B. De eerste connexe voorwaarde (het petitum) – toepassing in casu 7. In het auditoraatsverslag wordt vastgesteld dat het VEKA bij het onderzoek of verzoeker voldoet aan de voorwaarden om een rentesubsidie voor niet-energiezuinige woningen te bekomen, zoals bepaald in artikel 7.15.2 van het Energiebesluit van 19 november 2010, louter over een gebonden bevoegdheid beschikt. Het VEKA heeft geen discretionaire beoordelingsbevoegdheid bij het nagaan of de aanvrager in aanmerking komt voor een rentesubsidie, noch bij de omvang hiervan. In het te dezen toepasselijke artikel 7.15.2 van het Energiebesluit XIV-39.817-5/9 van 19 november 2010 worden de voorwaarden bepaald waaronder de betrokken subsidie kan worden verleend. Daaruit blijkt dat het VEKA bij het onderzoek of verzoeker voldoet aan de voorwaarden om een rentesubsidie voor niet- energiezuinige woningen te bekomen, zoals bepaald in de voormelde bepaling, louter over een gebonden bevoegdheid beschikt. In de bestreden weigeringsbeslissing stelt het VEKA te dezen vast dat het aangeleverde EPC-attest voor een appartement werd ingediend. Met een EPC voor een appartement mag er geen rentesubsidie worden toegekend voor een woning. De discussie tussen verzoeker en de verwerende partij is dat het ingediende EPC-attest opgesteld voor een appartement, eigenlijk betrekking heeft op een woning gelegen op twee adressen. De vraag of dit EPC-attest gebruikt kan worden voor de aanvraag van een rentesubsidie voor de renovatie van een woning, doet er niet aan af dat het VEKA, gelet op de toepasselijke regelgeving, bij de beoordeling van de aanvraag slechts over een gebonden bevoegdheid beschikt. Tot slot wordt in het auditoraatsverslag nog opgemerkt dat de omstandigheid dat de verwerende partij bij de kennisgeving van haar beslissing aan verzoeker heeft vermeld dat een annulatieberoep bij de Raad van State kon worden ingesteld, geen invloed heeft op de beoordeling van de rechtsmacht van de Raad van State. De regels die de respectieve bevoegdheden van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde en van de Raad van State vaststellen, vloeien immers voort uit de Grondwet en de partijen kunnen daarvan niet afwijken. 8. De Raad van State ziet wat deze voorwaarde betreft, geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, na eigen onderzoek, aldus het auditoraatsverslag bijvallend, dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing over een volledig gebonden bevoegdheid beschikt en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de door de regelgever vastgestelde XIV-39.817-6/9 voorwaarde vervat in de voornoemde bepaling, zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld was. C. De tweede connexe voorwaarde (de causa petendi) – toepassing in casu 9. Het auditoraat stelt, wat deze tweede voorwaarde betreft, in zijn verslag vast dat in de voorliggende verzoeker als enige middel aanvoert dat de aanvraag tot rentesubsidie foutief en onzorgvuldig werd beoordeeld, wat volgens hem een schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 7.15.2 van het Energiebesluit van 19 november 2010 en de beginselen van behoorlijk bestuur (met name het transparantiebeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht). De weigering van de rentesubsidie louter omdat het EPC-attest “appartement” vermeldt terwijl beide adressen één woning vormen, is volgens de verzoekende partij juridisch en feitelijk onjuist, onzorgvuldig gemotiveerd en schendt diverse beginselen van behoorlijk bestuur en de toepasselijke regelgeving. Aldus betoogt verzoeker in wezen de (volgens hem) correcte interpretatie én toepassing van die reglementaire bepaling te verkrijgen waardoor hij wel aanspraak kan maken – wat meteen het door verzoeker beoogde voordeel en zijn belang is bij het voorliggende beroep – op de gevraagde steun. Hij wil er aldus de Raad van State toe brengen zich uit te spreken over een schending van een regel van materieel recht die de gebonden bevoegdheid van de verwerende partij en dus het daarmee overeenstemmende subjectief recht van verzoeker vestigt. 10. De Raad van State ziet wat deze voorwaarde betreft, evenmin reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, na eigen onderzoek, aldus het auditoraatsverslag bijvallend, dat geen middel is aangevoerd waarover de Raad van State zich zou kunnen uitspreken (de causa petendi). XIV-39.817-7/9 Conclusie 11. Uit wat voorafgaat volgt dat de Raad van State op grond van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zonder rechtsmacht is. 12. De ambtshalve exceptie is in de aangegeven mate gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk. 13. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. V. Kosten 14. Aangezien in de bestreden beslissing de Raad van State als het bevoegde rechtscollege werd aangewezen, past het om de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. XIV-39.817-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.817-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.873 Gerelateerde publicatie(
  3. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100611.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160908.8 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.