id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.888 Rolnummer: A. 242803/IX-10526 Zaak: Arrest 264888 - Wapens – exportvergunningen - 19/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-01 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-06-15 07:06 Fiche Arrest nr 264.888 van 19 november 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens – exportvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 264.888 van 19 november 2025 in de zaak A. 242.803/IX-10.526 In zake : Y.M. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Karen Niesten en Alexis Lefebvre kantoor houdend te 3001 Leuven Ubicenter Philipssite 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 25 augustus 2024, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 25 juni 2024 houdende de intrekking van verzoekers vergunningen tot het voorhanden houden van acht vuurwapens. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. IX-10.526-1/20 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 oktober
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Pierre Piret, die loco advocaten Karen Niesten en Alexis Lefebvre verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Michel van Die- voet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eens- luidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker bezit acht vergunde vuurwapens. 3.
- Op 9 maart 2020 trekt de gouverneur van de provincie Vlaams- Brabant verzoekers wapenvergunningen in omdat de wettige reden ‘sportief en re- creatief schieten’ onvoldoende is aangetoond en de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde erop heeft gewezen dat verzoeker deel uitmaakt van een vooron- derzoek inzake fiscale fraude. 3.
- Verzoeker stelt op 27 mei 2020 een beroep in tegen die beslis- sing. IX-10.526-2/20 3.
- Op 18 december 2020 verwerpt de minister van Justitie dat be- roep. Nadat verzoeker de nietigverklaring ervan vordert bij de Raad van State trekt de verwerende partij op 10 februari 2022 haar beslissing van 18 de- cember 2020 in. Dientengevolge verwerpt de Raad van State bij arrest nr. 253.694 van 9 mei 2022 het door verzoeker ingestelde beroep. 3.
- Na de intrekking van de beslissing van 18 december 2020 vraagt de verwerende partij om nieuwe adviezen. Op 29 maart 2022 verleent de lokale politie een ongunstig ad- vies, waarvan de motivering luidt: “Gezien de vaststellingen gebeurd in processen-verbaal BR.26.LL.085618/2020 en BR.36.LG.085602/2020 hebben onze diensten twijfel over de werkelijke reden waarom [verzoeker] een vergunning voor een vuurwapen aanvraagt. Tevens getuigt het aantreffen in zijn voertuig van een geseind vuurwapen waar [verzoeker] niet eens de eigenaar van is van een grote non[…]chalance op vlak van vuurwapenveiligheid en minachting voor de wet.” De procureur des Konings adviseert op 1 april 2022 eveneens ongunstig met de volgende motivering: “In antwoord op uw brief van 16 februari 2022 inzake het beroep ingesteld door [verzoeker], wonende te […], tegen de weigering van een vergunning tot het mogen dragen van een vuurwapen voeg ik als bijlage het proces-ver- baal van inlichtingen evenals het strafregister van betrokkene. [Verzoeker] is gekend voor meerdere feiten van illegaal wapenbezit. In het dossier HVBR36.LL.85602-2020, waarvan een afschrift in bijlage, betaalde betrokkene een minnelijke schikking van 250,00 euro. Bovendien is op het parket van Brussel nog een vooronderzoek lopende in het dossier met referte BR36.LL.85618-
- Bijgevolg is mijn advies negatief.” IX-10.526-3/20 3.
- De minister van Justitie verwerpt op 25 juni 2024 het beroep van verzoeker. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt: “Uit uw dossier blijkt dat er in uw hoofde tegenindicaties bestaan omtrent uw geschiktheid en betrouwbaarheid als wapenbezitter. Op basis van de stukken aanwezig in het administratieve dossier kan worden vastgesteld dat er zich problemen hebben voorgedaan die zouden kunnen wijzen op een gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Concreet kan verwezen worden naar de vaststellingen die werden gedaan naar aanleiding van de controle van uw voertuig waarin een geladen vuurwa- pen werd aangetroffen. Bovendien ging het om een vuurwapen waarvan het serienummer was uitgewist en dat gesignaleerd stond als gestolen in
- Het voorhanden hebben van vergunningsplichtige vuurwapens zonder ver- gunning is een inbreuk op de wapenwet. Het maakt daarvoor niet uit of de vuurwapens effectief bruikbaar zijn of niet, of ze een sentimentele waarde hebben of niet. Op grond van artikel 11, § 3, 2° juncto artikel 5, § 4, 2°, a) mag een vergun- ning tot het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen niet worden verleend aan personen die veroordeeld zijn (weliswaar met een hoger dan de wettelijk bepaalde minimale strafdrempel) wegens inbreuken op de wapenwet. In casu werd u niet veroordeeld voor het illegaal in bezit zijn van vergun- nin[g]splichtige vuurwapens, doch rekening houdend met de bedoeling van de wetgever om geen vergunningen af te leveren aan personen die werden veroordeeld wegens voornoemde inbreuken, kan worden aangenomen dat wanneer onomstotelijk vaststaat dat iemand dergelijke inbreuken heeft ge- pleegd, ook voldoende reden is om de vergunning en/of het recht om vuur- wapens voorhanden te houden te weigeren en/of in te trekken. Ook de Raad van State heeft in zijn arrest nr. 193.442 d.d. 19 mei 2009 uit- drukkelijk bepaald dat een bestuur bij de beoordeling van het gevaar dat ie- mands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren, ook rekening gehouden mag worden met feiten die niet tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid. In iemand die de wapenwetgeving niet respecteert kan bezwaarlijk het ver- trouwen gesteld worden om het bezit van vergunningsplichtige vuurwapens toe te staan. U had niet alleen een gestolen vuurwapen voorhanden (en dus zonder geldige vergunning en waarvoor de feiten werden gekwalificeerd als bedrieglijke he- ling), maar u had het in bezit in strijd met de veiligheidsmaatregelen voor de opslag van wapens. Het vuurwapen werd geladen aangetroffen in het handschoenkastje van uw wagen. Tevens bevond daar zich ook een lader met maar liefst 13 kogels. Op grond van al deze elementen is het niet onredelijk om te besluiten dat een preventieve maatregel inzake uw wapenbezit aangewezen is ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. De overheid kan u geen vuurwapens meer toevertrouwen omdat ze in u niet het vertrouwen kan stellen dat moet kunnen worden gesteld in een IX-10.526-4/20 wapenbezitter.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Het eerste middel is genomen uit de schending van “de Wapen- wet juncto het […] zorgvuldigheids-, rechtszekerheids- en materieel motiverings- beginsel”. Verzoeker voert aan dat hij met toepassing van het rechtszeker- heidsbeginsel ervan mocht uitgaan dat – na de intrekking van de beslissing van de minister van Justitie van 18 december 2020 – op grond van de reeds verleende adviezen, een gunstige nieuwe beslissing zou worden genomen. Omdat de verwe- rende partij koste wat het kost zijn vergunningen wil intrekken, heeft zij nieuwe adviezen gevraagd aan de lokale politie en de procureur des Konings. Daarmee is de verwerende partij haar boekje te buiten gegaan. Zij had perfect een nieuwe be- slissing kunnen nemen op grond van de op dat ogenblik voorhanden zijnde gege- vens. De nieuwe adviezen waren plots negatief omwille van vermeende nieuwe feiten. Die feiten zijn evenwel geseponeerd. Vervolgens steunt de verwerende par- tij haar beslissing enkel op een geseponeerd proces-verbaal. Daarenboven zijn er, aldus verzoeker, geen gegevens voorhan- den die doen aannemen dat hij een gevaar zou vormen voor de openbare orde. Uit het moraliteitsonderzoek blijkt dat hij niet agressief of gewelddadig is, er geen dronkenschap is vastgesteld, hij geen gokker is, er geen moeilijkheden zijn bij zijn gezin en er nog geen inbreuken zijn vastgesteld in de zin van artikel 11, § 3, lid 1, 2° en 3°, iuncto artikel 5, § 4, 2°, van de wet van 8 juni 2006 ‘houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (“wapenwet”). Er wordt enkel gesteld dat hij de wapenwet zou hebben overtreden door het bezit van een IX-10.526-5/20 illegaal wapen, maar het louter overtreden van de wapenwet is onvoldoende om aan te nemen dat hij een gevaar zou vormen voor de openbare orde. Verzoeker wijst erop dat hij geen strafrechtelijk verleden heeft en dat hij zijn vuurwapens reeds jarenlang bewaart op de schietstand. Bovendien zijn de feiten inzake illegaal wapenbezit geseponeerd. Verzoeker is er niet voor vervolgd en wordt dus geacht onschuldig te zijn. De vermeende feiten zijn overigens reeds vastgesteld op 23 au- gustus 2020, dus ruimschoots vόόr de beslissing van de minister van Justitie van 18 december
- Verzoeker betoogt dat de verwerende partij niet motiveert waarom die feiten plots wél in aanmerking worden genomen, terwijl ze in de be- slissing van de minister van Justitie van 18 december 2020 niet worden vermeld. Indien hij werkelijk een gevaar voor de openbare orde zou zijn, moest dit naar het oordeel van verzoeker ook destijds reeds zijn meegedeeld. Dit is echter niet ge- beurd. Volgens verzoeker gaat de verwerende partij ook voorbij aan het feit dat hij niet is vervolgd voor de feiten en dat hij sinds zijn vijftiende actief is in de schiet- club. Nooit is hij veroordeeld voor of zijn hem feiten ten laste gelegd die van aard kunnen zijn dat hij een gevaar zou vormen voor de openbare orde. De verwerende partij maakt derhalve niet aannemelijk dat zij de vermeende feiten op correcte wijze heeft beoordeeld, rekening houdend met de feitelijke gegevens van het dos- sier.
- In de memorie van wederantwoord onderstreept verzoeker dat het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden daar hij ervan mocht uitgaan dat op grond van de adviezen die initieel voorlagen een gunstige nieuwe beslissing zou worden genomen. Hoewel de verwerende partij geen enkele reden had om nieuwe adviezen te vragen, heeft zij dit toch gedaan. Volgens verzoeker zijn de adviezen ook niet van aard om te oor- delen dat hij een gevaar zou vormen voor de openbare orde en vervolgens een der- gelijke verregaande maatregel te nemen. Hij argumenteert dat het moraliteitson- derzoek positief was en dat hij geen strafrechtelijk verleden heeft. Indien hij wer- kelijk een gevaar zou vormen, zouden hiervan in het verleden sporen te vinden zijn. Die zijn er absoluut niet. Bovendien dateren de feiten van 2020 – meer dan IX-10.526-6/20 vierenhalf jaar geleden – en zijn ze geseponeerd. Hij wordt dus geacht onschuldig te zijn. Indien er voldoende bewijzen voorhanden zouden zijn geweest dat hij wer- kelijk een gevaar zou vormen, was hij ongetwijfeld vervolgd voor de correctionele rechtbank. Dit is niet gebeurd. Beoordeling a. ontvankelijkheid van het middel
- Verzoeker voert de schending aan van “de Wapenwet”, evenwel zonder te preciseren welke bepalingen hij geschonden acht. In de toelichting bij het middel citeert hij artikel 32 van de wapenwet. Voorts stelt hij dat artikel 11 van de wapenwet voorziet in een principiële vereiste van een vergunning voor het voor- handen hebben van wapens en de daarbij horende munitie en citeert hij artikel 11, § 3, van de wapenwet. Verzoeker verduidelijkt echter op geen enkele wijze hoe, naar zijn oordeel, die bepalingen zijn geschonden. Het middel is dan ook niet ont- vankelijk in zoverre de schending wordt aangevoerd van de wapenwet.
- Tevens citeert verzoeker in de toelichting bij het middel artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 december 2006 ‘tot uitvoering van sommige be- palingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en indi- viduele activiteiten met wapens’. Verzoeker heeft echter geen schending van die bepaling aangevoerd en hij licht ook niet toe hoe de bestreden beslissing die bepa- ling zou miskennen. Het middel is in die mate eveneens niet ontvankelijk. b. gegrondheid van het middel 8.
- Het rechtszekerheidsbeginsel houdt in dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk moet zijn, zodat de burger moet kunnen uitma- ken welke gevolgen een bepaalde handeling naar redelijkheid zal hebben en dat de overheid niet zonder objectieve en redelijke verantwoording mag afwijken van de beleidslijnen die zij bij de toepassing van de reglementering aanhoudt. IX-10.526-7/20 8.
- Verzoeker acht het rechtszekerheidsbeginsel geschonden door- dat de verwerende partij, na de intrekking van de beslissing van de minister van Justitie van 18 december 2020, nieuwe adviezen heeft ingewonnen bij de lokale politie en de procureur des Konings. Volgens verzoeker had de verwerende partij de reeds verleende adviezen moeten gebruiken en zou dat hebben geleid tot een gunstige beslissing. Die zienswijze wordt niet bijgevallen. Na de intrekking van haar beslissing van 18 december 2020 dient de verwerende partij een nieuwe beslissing te nemen over het door verzoeker in- gestelde administratief beroep tegen de beslissing van de provinciegouverneur van 9 maart
- Daarbij moet zij rekening houden met de feitelijke en juridische ge- gevens zoals ze zich aandienen op het moment van het nemen van de beslissing en een inschatting maken van de actualiteit en de relevantie van eventueel in het dos- sier opgenomen oude of alleszins minder recente feiten. Hoewel niet uitdrukkelijk wordt bepaald dat in het kader van de nieuw te nemen beslissing nieuwe adviezen moeten worden ingewonnen, getuigt het net van een zorgvuldige feitenvinding dat de verwerende partij de lokale politie en de procureur des Konings bevraagt over de actuele stand van zaken. Verzoeker toont niet aan dat de verwerende partij een beleidslijn hanteert waarbij na een intrekking van de beslissing een nieuwe beslissing wordt genomen op grond van de reeds verleende adviezen. Integendeel blijkt dat de ver- werende partij zich ertoe heeft bepaald om na een intrekkingsbeslissing steeds nieuwe adviezen te vragen aan de lokale politie en de procureur des Konings ten- einde een actuele evaluatie van de moraliteit met het oog op wapenbezit mogelijk te maken rekening houdend met het reeds verstreken tijdsverloop. 8.
- Het eerste middel is niet gegrond in zoverre verzoeker aanvoert dat het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden doordat de verwerende partij om nieuwe adviezen heeft gevraagd. IX-10.526-8/20
- De materiëlemotiveringsplicht houdt in casu in dat de bestreden beslissing moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte verantwoorden dat het voorhanden hebben van wapens de openbare orde kan verstoren. De wapenwet bepaalt niet op grond van welke feiten, noch op grond van welke criteria, de vraag moet worden beoordeeld of het voorhanden heb- ben van een vuurwapen de openbare orde kan verstoren. De minister van Justitie beschikt over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het vlak van het bewezen verklaren van de feiten waarop hij steunt om tot dit oordeel te komen, als op het vlak van de kwalificatie van die feiten als gronden tot het beoordelen van de verstoring van de openbare orde. Aangezien de wapenwet inzake het bewezen verklaren van de feiten geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de minister ook op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het dossier om tot zijn overtuiging te komen. Hij mag daarbij niet alleen steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen of vermoedens. Het valt aan de Raad van State in het kader van zijn wettigheids- toezicht niet toe om zelf te beoordelen of het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. De Raad van State is enkel bevoegd om desge- vraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de toe- passelijke wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar be- sluit is gekomen.
- Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslis- sing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvul- digheid zijn vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. IX-10.526-9/20
- Uit de motivering van de bestreden beslissing (aangehaald sub 3.6) blijkt dat de verwerende partij van oordeel is dat verzoeker het wapenbezit moet worden ontzegd omdat in hem niet het vertrouwen kan worden gesteld dat in een wapenbezitter moet kunnen worden gesteld. Ter staving verwijst zij naar de vaststellingen die zijn gedaan naar aanleiding van een controle van verzoekers voertuig waarbij een geladen vuurwapen werd aangetroffen, waarvan bovendien het serienummer was uitgewist en dat gesignaleerd stond als gestolen in
- De verwerende partij neemt aan dat verzoeker een onvergund vuurwapen voorhanden had, dat bovendien als gestolen stond gesignaleerd en dat hij de veiligheidsmaat- regelen voor de opslag van wapens niet heeft nageleefd. Om die reden meent zij dat een preventieve maatregel inzake verzoekers wapenbezit is aangewezen ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid en trekt zij verzoekers vergunningen voor het voorhanden houden van acht vuurwapens in. Uit de bestreden beslissing en het administratief dossier blijkt dat de voornoemde vaststellingen zijn vervat in proces-verbaal BR.36.LL.085602/2020 dat is opgesteld nadat bij een controle van verzoekers auto op 23 augustus 2020 een onvergund vuurwapen in het handschoenkastje is gevon- den met een lader waarin dertien kogels zaten. Bij nader onderzoek is vastgesteld dat het serienummer op het wapen was uitgewist. Aan de hand van de kolf kon het wapen worden geïdentificeerd en is gebleken dat het gesignaleerd stond als gesto- len in
- Voor dat feit is navolgend proces-verbaal BR.28.LL.085618/2020 op- gesteld wegens frauduleuze heling. 12.
- Verzoeker voert aan dat hij niet vervolgd is voor de feiten en dat hij dus wordt geacht onschuldig te zijn. 12.
- Uit het dossier blijkt dat proces-verbaal BR.36.LL.085602/2020 is geklasseerd nadat verzoeker een minnelijke schikking van 250 euro heeft be- taald. Proces-verbaal BR.28.LL.085618/2020 is geseponeerd wegens overschrij- ding van de redelijke termijn voor de uitoefening van vervolging. IX-10.526-10/20 12.
- Bij de beoordeling of er al dan niet sprake is van een mogelijke verstoring van de openbare orde, mag de minister van Justitie steunen op feiten die niet tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid. De loutere omstandigheid dat een proces-verbaal zonder gevolg wordt geklasseerd of geseponeerd, houdt niet in dat de feiten die in het proces- verbaal worden vermeld zich niet hebben voorgedaan, noch dat uit deze feiten door de verwerende partij niet mocht worden afgeleid dat het voorhanden hebben van wapens een gevaar kan opleveren voor de openbare orde. De seponering op zich sluit dus evenmin uit dat de minister bij de uitoefening van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid, de door de politie in een proces-verbaal opgenomen verklaringen en vaststellingen in aanmerking neemt en de inhoud ervan bewezen acht. Het strafrechtelijk vermoeden van onschuld staat daaraan niet in de weg. Het proces-verbaal heeft evenwel geen bijzondere bewijs- waarde, zodat de verwerende partij bij de feitenvinding de overige gegevens uit het dossier met betrekking tot deze feiten, eveneens in aanmerking dient te nemen bij de beoordeling van de bewijswaarde van de in het proces-verbaal vervatte feiten. 12.
- Zowel proces-verbaal BR.36.LL.085602/2020 als proces-ver- baal BR.28.LL.085618/2020 steunt op eigen, objectieve vaststellingen van de po- litie, die bij de feiten aanwezig was. Uit het dossier blijkt dat die vaststellingen in de processen-verbaal door geen enkel gegeven worden tegengesproken. Verzoeker heeft ook zelf op geen enkel moment het bestaan van de feiten ontkend, noch tij- dens het gerechtelijk onderzoek, noch tijdens de administratieve beroepsprocedure, noch in het kader van voorliggend beroep. In die omstandigheden mocht de ver- werende partij tot het besluit komen dat de feiten bewezen zijn en dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan het bezit van een onvergund vuurwapen, dat ge- signaleerd stond als gestolen en dat hij de veiligheidsvoorschriften voor de opslag van wapens niet heeft nageleefd. IX-10.526-11/20
- Verzoeker stelt dat de feiten dateren van vόόr de beslissing van de minister van Justitie van 18 december 2020 en dat er in die beslissing geen mel- ding van wordt gemaakt. Hij wijst evenwel geen bepaling of beginsel aan dat eraan in de weg zou staan dat de minister thans, in zijn nieuwe beslissing, op feiten steunt die niet zijn vermeld in een andere, voorheen ingetrokken beslissing.
- Na de intrekking van de beslissing van 18 december 2020 dient de verwerende partij een nieuwe beslissing te nemen over het door verzoeker in- gestelde administratief beroep tegen de beslissing van de provinciegouverneur van 9 maart
- Zij doet daarbij het onderzoek van het dossier over en kan rekening houden met alle feitelijke en juridische gegevens zoals ze zich aandienen op het moment van het nemen van de beslissing. Niets belet dat de verwerende partij ver- zoeker het wapenbezit ontzegt op grond van andere feiten dan die waarop de inge- trokken beslissing steunt, ook al dateren die feiten van vóór de ingetrokken beslis- sing en is er daarvan in die beslissing geen melding gemaakt. 15.
- In zoverre verzoeker met de argumentatie dat de feiten reeds da- teren van 23 augustus 2020 zou aanvoeren dat deze feiten niet meer voldoende recent zijn, wordt opgemerkt hetgeen volgt. De mogelijke verstoring van de openbare orde moet nog actueel zijn op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, wat inhoudt dat de tijd die is verlopen sinds het feit dat volgens de verwerende partij erop wijst dat het voorhanden hebben van wapens de openbare orde kan verstoren, moet worden meegewogen in de beoordeling van deze mogelijke verstoring. De verwerende partij mag bij haar onderzoek rekening houden met minder recente feiten ten laste van verzoeker, wanneer zij ook steunt op recen- tere feiten die erop wijzen dat het voorhanden hebben van wapens door verzoeker de openbare orde kan verstoren. Uit die recentere feiten kan immers blijken dat aan de minder recente feiten niet ieder belang moet worden ontzegd. IX-10.526-12/20 Maar ook de loutere omstandigheid dat de verwerende partij en- kel steunt op oudere of minder recente feiten om de mogelijke verstoring van de openbare orde te staven, zónder nieuwe recentere feiten in aanmerking te nemen, verhindert niet noodzakelijk dat die oudere feiten nog steeds kunnen doen blijken van het actueel karakter van de mogelijke verstoring van de openbare orde door het voorhanden hebben van wapens door verzoeker. De eis dat de mogelijke verstoring van de openbare orde nog actueel moet zijn op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing belet immers op zich niet dat oudere of minder recente feiten waarop de bestreden beslissing steunt, na een nader en individueel onderzoek van de relevantie ervan door de verwerende partij, nog steeds wijzen op het actueel karakter van het risico op verstoring van de openbare orde door het voorhanden hebben van wapens door verzoeker. In dat geval zijn deze oudere feiten immers nog steeds te beschouwen als voldoende recent en relevant opdat ze een bedreiging kunnen vormen voor de openbare orde. 15.
- Of een feit voldoende actueel is in de zin als hiervóór is gesteld om in aanmerking te worden genomen, staat ter beoordeling van de verwerende partij. Zij beschikt dienaangaande over een discretionaire beoordelingsbevoegd- heid. Het valt aan de Raad van State in het kader van zijn wettigheids- toezicht niet toe om zelf te beoordelen of een feit voldoende actueel is. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. 15.
- Blijkens de hiervóór aangehaalde motivering van de bestreden beslissing steunt de verwerende partij haar beslissing op de feiten van 23 augus- tus 2020 waarbij is vastgesteld dat verzoeker in het bezit was van een onvergund vuurwapen, dat gesignaleerd stond als gestolen en dat hij de veiligheidsvoorschrif- ten voor de opslag van wapens niet heeft nageleefd. IX-10.526-13/20 De verwerende partij is van oordeel dat die feiten uit 2020 nog steeds actueel zijn op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing. 15.
- Zoals hiervóór is uiteengezet, vermag de verwerende partij lou- ter te steunen op minder recente feiten om iemand het wapenbezit te ontzeggen. Dat vereist dan wel dat na een nader en individueel onderzoek van de relevantie ervan, blijkt dat die feiten op zich nog steeds een voldoende actueel karakter heb- ben. Daarbij wordt bedacht dat hoe ernstiger de feiten zijn, hoe langer ze een actu- eel karakter kunnen blijven vertonen. 15.
- Te dezen zijn de feiten onmiskenbaar ernstig. Terecht overweegt de verwerende partij bij het onderzoek van de relevantie van de feiten in dat ver- band dat verzoeker “niet alleen een gestolen vuurwapen voorhanden [had] (en dus zonder geldige vergunning en waarvoor de feiten werden gekwalificeerd als be- drieglijke heling), maar [hij] had het in bezit in strijd met de veiligheidsmaatrege- len voor de opslag van wapens” en dat “[i]n iemand die de wapenwetgeving niet respecteert […] bezwaarlijk het vertrouwen gesteld [kan] worden om het bezit van vergunningsplichtige vuurwapens toe te staan”. 15.
- Gelet op de omstandigheid dat de feiten uit 2020 op het ogenblik van de bestreden beslissing nog relatief recent zijn en dat ze ernstig zijn, acht de Raad van State het niet onredelijk dat de verwerende partij oordeelt dat de feiten nog steeds een actueel karakter hebben.
- De feiten van 23 augustus 2020 waarbij is vastgesteld dat ver- zoeker in het bezit was van een onvergund wapen, dat gesignaleerd stond als ge- stolen en dat hij de veiligheidsvoorschriften voor de opslag van wapens niet heeft nageleefd, nopen de verwerende partij tot het oordeel dat wapenbezit in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid inhoudt. Verzoeker ontkent dat hij (lees: zijn wapenbezit) een gevaar zou vormen voor de openbare orde. Het louter overtreden van de wapenwet volstaat IX-10.526-14/20 volgens verzoeker niet om tot dat besluit te komen. Hij wijst er ook op dat bij het moraliteitsonderzoek bepaalde gunstige gegevens zijn vastgesteld, dat hij niet voor de feiten van 23 augustus 2020 is vervolgd, dat hij helemaal geen strafrechtelijk verleden heeft en hem nooit feiten ten laste zijn gelegd waaruit een gevaar voor de openbare orde kan worden afgeleid, dat hij zijn vuurwapens reeds jarenlang op de schietclub bewaart en dat hij al vanaf zijn vijftiende actief is in de schietclub. Met deze argumentatie geeft verzoeker weliswaar blijk van een andere feitelijke beoordeling van de zaak dan de minister van Justitie, maar ver- zoeker maakt hiermee niet aannemelijk dat deze in verband met de beoordeling van de feiten en de kwalificatie ervan als een mogelijk gevaar voor de openbare orde, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan. Daarbij wordt in herinnering gebracht dat de finaliteit van de wapenwet er niet in bestaat om te bestraffen, maar om preventief op te treden om misbruik van of on- gelukken met vuurwapens te voorkomen. Er is niet vereist dat de openbare orde daadwerkelijk wordt verstoord. Het bestaan van feiten en gedragingen die doen vrezen dat het voorhanden hebben van vuurwapens de openbare orde kán verstoren en die genoegzaam vaststaan, is voldoende.
- Er kan geen schending van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel worden vastgesteld.
- Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel is genomen uit de schending van het “moti- veringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel juncto proportionaliteitsbeginsel”. IX-10.526-15/20 Verzoeker voert aan dat in de bestreden beslissing niet wordt gemotiveerd waarom de vergunningen meteen worden ingetrokken en geen schor- sing of beperking is overwogen. Voorts is verzoeker van oordeel dat de verwerende partij, door te kiezen voor een definitieve intrekking, onredelijk heeft gehandeld en de haar toegekende discretionaire bevoegdheid onjuist heeft gebruikt. Hij wijst er daarbij op dat het dossier al een lange voorgeschiedenis heeft. Reeds in 2020 heeft de verwerende partij getracht om zijn vergunningen in te trekken omwille van een beweerd onvoldoende regelmatig naar de schietclub te zijn geweest. Na het instel- len van een annulatieberoep – en het verslag van de auditeur waarin verzoekers stelling werd bijgevallen dat de verwerende partij op die manier een voorwaarde aan de wet heeft toegevoegd – heeft de verwerende partij haar beslissing ingetrok- ken. Zij wil echter koste wat het kost verzoekers vergunningen intrekken en zij zal steeds een andere reden zoeken om haar doel te bereiken. Verzoeker merkt op dat het moraliteitsonderzoek positief is, los van de feiten uit 2020 die zonder gevolg werden geklasseerd. Hij is reeds sinds jaar en dag actief in de schietclub en bergt er ook zijn wapens op. Er hebben zich nooit problemen voorgedaan. De verwe- rende partij heeft onvoldoende rekening gehouden met al die positieve elementen. Het was perfect mogelijk om de vergunning zo nodig tijdelijk te beperken of te schorsen, desnoods door het opleggen van enkele voorwaarden. De verwerende partij gaat echter volledig voorbij aan deze mogelijkheid en motiveert niet waarom zij die mogelijkheid niet benut. De beslissing tot intrekking is dan ook volstrekt buiten proportie.
- In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat het hem nog altijd een raadsel is waarom zijn vergunningen meteen zijn ingetrokken terwijl de beperking of de schorsing zelfs niet in overweging is genomen. De verwerende partij kan bezwaarlijk argumenteren dat zij haar beslissing grondig heeft gemoti- veerd. Zij rept hierover met geen woord. Het argument dat rekening is gehouden met de adviezen en de processen-verbaal overtuigt volgens verzoeker niet. Er blijkt immers duidelijk dat geen strafvervolging heeft plaatsgevonden en dat de klacht is geseponeerd. Verzoeker kan derhalve onmogelijk worden beticht van de handelin- gen die hem in het proces-verbaal ten laste worden gelegd. Voor verzoeker is de IX-10.526-16/20 werkelijke beweegreden van de verwerende partij maar al te duidelijk. Zij wil se- dert 2020 koste wat het kost zijn vergunningen intrekken, zonder gegronde reden. Eerst ging het om onvoldoende schietbeurten, nu zou hij plots een gevaar vormen voor de openbare orde terwijl dit uit geen enkel objectief stuk blijkt. Meer nog, de strafvervolging is geseponeerd. Louter stellen dat de adviezen zijn bijgevallen, is onvoldoende om aan te tonen waarom een beperking of schorsing niet is overwo- gen. Beoordeling 21.
- Verzoekers argumentatie dat in de bestreden beslissing niet wordt gemotiveerd waarom zijn vergunningen meteen zijn ingetrokken en geen schorsing of beperking van zijn wapenbezit is overwogen, houdt verband met de formele motivering van de bestreden beslissing. Het “motiveringsbeginsel” waar- van verzoeker de schending aanvoert, moet dan ook worden begrepen als de for- melemotiveringsplicht zoals voorgeschreven door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- lingen’. 21.
- De door voornoemde bepalingen voorgeschreven formelemoti- veringsplicht moet verzoeker toelaten de concrete redenen te achterhalen die de verwerende partij tot haar beslissing hebben geleid. Het volstaat met andere woor- den dat verzoeker in de bestreden beslissing de redenen vindt die de verwerende partij ertoe brengen hem het wapenbezit te ontzeggen. 21.
- Te dezen kan worden vastgesteld dat de verwerende partij heeft voldaan aan de op haar rustende formelemotiveringsplicht. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat verzoekers wapenvergunningen worden ingetrok- ken omwille van de feiten van 23 augustus 2020 waarbij is vastgesteld dat verzoe- ker in het bezit was van een onvergund wapen dat als gestolen stond gesignaleerd en dat hij de veiligheidsvoorschriften inzake de opslag van wapens en munitie niet heeft nageleefd. IX-10.526-17/20 21.
- De formelemotiveringsplicht reikt niet zover dat de verwerende partij in de bestreden beslissing ook zou moeten motiveren waarom de schorsing of de beperking van verzoekers wapenbezit niet kan volstaan. 22.
- Verzoeker acht het tot slot onredelijk dat de verwerende partij meteen heeft gekozen voor de intrekking van zijn vergunningen in plaats van zijn wapenbezit te schorsen of te beperken. 22.
- Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen begin- sel van behoorlijk bestuur – of van het proportionaliteitsbeginsel dat er een bijzon- dere toepassing van is – veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslis- sing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorg- vuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden be- slissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of proportionaliteitsbe- ginsel miskent. 22.
- Gelet op de ernst van de vaststaande feiten waaruit blijkt dat verzoeker in het bezit was van een onvergund wapen dat als gestolen stond gesignaleerd en dat hij de veiligheidsvoorschriften voor de opslag van wapens en munitie niet heeft nageleefd, treedt de verwerende partij de perken van de redelijkheid niet te buiten met het oordeel dat een preventieve maatregel inzake verzoekers wapenbezit noodzakelijk is ter vrijwaring van de openbare orde en dat verzoekers wapenvergunningen moeten worden ingetrokken. De omstandigheid IX-10.526-18/20 dat het dossier al een lange voorgeschiedenis heeft waarbij de verwerende partij een eerste beslissing om hem het wapenbezit te ontzeggen heeft ingetrokken, het moraliteitsonderzoek gunstig is indien abstractie wordt gemaakt van de feiten van 23 augustus 2020, verzoeker voor de feiten niet is vervolgd en hij sedert jaar en dag actief is in de schietclub en er ook zijn wapens opbergt, doet aan die conclusie geen afbreuk. Verzoeker toont niet aan dat het ondenkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot dezelfde beslissing zou komen.
- Het tweede middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de ver- werende partij. IX-10.526-19/20 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien november tweeduizend vijfen- twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.526-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.888 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div