← België

Arrest 264892 - O.C.M.W. - 19/11/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.892 Rolnummer: A. 238869/IX-10238 Zaak: Arrest 264892 - O.C.M.W. - 19/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-24 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-15 07:05 Fiche Arrest nr 264.892 van 19 november 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 264.892 van 19 november 2025 in de zaak A. 238.869/IX-10.238 In zake : het ACV OPENBARE DIENSTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen
  2. het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN OOSTENDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Christophe Lemmens en Dimitri Verhoeven kantoor houdend te 3000 Leuven Mechelsestraat 107-109 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de AUTONOME VERZORGINGSINSTELLING H.S. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Christophe Lemmens en Dimitri Verhoeven kantoor houdend te 3000 Leuven Mechelsestraat 107-109 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- IX-10.238-1/15 I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 13 april 2023, strekt tot de nietigverklaring van: “
  4. [h]et [m]inisterieel [b]esluit d.d. 1 maart 2023 houdende goedkeuring van de beslissing van de [r]aad voor [m]aatschappelijk [w]elzijn van OCMW Oostende van 28 november 2022 tot oprichting van vzw- ziekenhuisvereniging AZ Oostende. […]
  5. [d]e beslissing van de [r]aad voor [m]aatschappelijk [w]elzijn van OCMW Oostende van 28 november 2022 tot oprichting van vzw- ziekenhuisvereniging AZ Oostende.” II. Verloop van de rechtspleging
  6. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De autonome verzorgingsinstelling H.S. heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 19 november
  7. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij, de verwerende partijen en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 oktober
  8. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. IX-10.238-2/15 Advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Sander Defoort, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de eerste verwerende partij en advocaat Dimitri Verhoeven, die verschijnt voor de tweede verwerende partij en de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  9. III. Feiten 3.
  10. De verzoekende partij is een door de overheid erkende representatieve vakorganisatie in de zin van de wet van 19 december 1974 ‘tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel’. 3.
  11. Op 28 november 2022 keurt de raad voor maatschappelijk welzijn van Oostende “de oprichting van de vzw-ziekenhuisvereniging AZ Oostende” goed. Het betreft een ziekenhuisvereniging in de zin van artikel 501 van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’. De raad voor maatschappelijk welzijn hecht tevens zijn goedkeuring aan de “bijhorende oprichtingsakte met statuten” en de “motivatienota”. Met hetzelfde besluit stemt hij in “met de beslissing van de AV [H.S.] om de vzw-ziekenhuisvereniging AZ Oostende mee op te richten en er lid van te zijn”. Dit is de tweede bestreden beslissing. IX-10.238-3/15 In dit besluit worden “[a]anleiding en context” als volgt geschetst: “Vanwege een wijzigend ziekenhuislandschap en wijzigende overheidsnormering werd in het bestuursakkoord vooropgesteld om te evolueren naar één ziekenhuis in Oostende ter verbetering van het ziekenhuisaanbod en in het belang van de Oostendse patiënten. Op de zitting van 25 oktober 2021 werden de tekst van het pre-fusieakkoord dat werd gesloten met de vzw AZ Damiaan, alsook de beslissing van de raad van bestuur van de AV [H.S.] van 14 oktober 2021 om uit te treden uit de AV AZ Sint-Jan Brugge-Oostende, bekrachtigd. Op de zitting van 20 december 2021 werden het princiepsakkoord hospital governance AZ Oostende, alsook de afvaardiging van leden in het integratiebureau en de integratiestuurgroep, bekrachtigd.” Voorts wordt geargumenteerd wat volgt: “Na het sluiten van het pre-fusieakkoord en het princiepsakkoord hospital governance AZ Oostende werd de vooropgestelde samenwerking met de vzw AZ Damiaan verder uitgediept. De volgende stap in dit proces is de oprichting van een vzw-ziekenhuisvereniging in de zin van Deel 3, titel 4, hoofdstuk 4 Decreet Lokaal Bestuur, AZ Oostende genaamd. Overeenkomstig artikel 501, lid 1 Decreet Lokaal Bestuur kan een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn om een ziekenhuis of ziekenhuisgebonden activiteiten geheel of gedeeltelijk te exploiteren, een vzw als vermeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen oprichten, al dan niet met een of meer andere openbare centra voor maatschappelijk welzijn, gemeenten, of verenigingen, opgericht overeenkomstig hoofdstuk 2 of 3 van deel 3, titel 4, of andere openbare besturen, samen met een of meer andere rechtspersonen die zonder winstoogmerk een belangeloos doel nastreven of met rechtspersonen erkend als een sociale onderneming als vermeld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. De vzw-ziekenhuisvereniging wordt opgericht samen met de AV [H.S.] en de vzw AZ Damiaan en zal tot doel hebben om de ziekenhuizen AZ Damiaan en [H.S.] uit te baten. In een latere fase zal er een fusie van de beide ziekenhuizen doorgevoerd worden. Overeenkomstig artikel 501, lid 2, 2° Decreet Lokaal Bestuur is de oprichting van de vzw-ziekenhuisvereniging noodzakelijk om het ziekenhuisaanbod van de regio te optimaliseren of om betere economische voorwaarden te realiseren. In de aanloop naar de oprichting van deze vzw-ziekenhuisvereniging werd overlegd met het Agentschap Binnenlands Bestuur, werd een motivatienota opgesteld overeenkomstig artikel 502, § 2, lid 2 Decreet Lokaal Bestuur, met daarin een uitgebreide toelichting van de redenen voor de oprichting IX-10.238-4/15 van de vzw-ziekenhuisvereniging, en werd een oprichtingsakte met statuten opgesteld overeenkomstig artikel 503 Decreet Lokaal Bestuur en de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen zoals die op verenigingen zonder winstoogmerk van toepassing zijn. Overeenkomstig artikel 502, §1, lid 1 Decreet Lokaal Bestuur is het met redenen omklede besluit van de raad of raden voor maatschappelijk welzijn tot oprichting van de vzw-ziekenhuisvereniging onderworpen aan de goedkeuring van de Vlaamse Regering. Daarnaast is overeenkomstig artikel 507 Decreet Lokaal Bestuur de instemming van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn als deelgenoot van de AV [H.S.] vereist voor de beslissing van de AV [H.S.] om de vzw-ziekenhuisvereniging mee op te richten en er lid van te zijn. De instemming van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is onderworpen aan dezelfde goedkeuring van de Vlaamse Regering. De raad van bestuur van de AV [H.S.] heeft in zijn vergadering van 15 november 2022 beslist om de vzw-ziekenhuisvereniging mee op te richten en er lid van te zijn, alsook om de oprichtingsakte met statuten en motivatienota goed te keuren. De voormelde motivatienota, oprichtingsakte met statuten en de beslissing van de raad van bestuur van de AV [H.S.] worden als bijlagen aan deze beslissing toegevoegd, zodat ze er integraal deel van uitmaken en zodat de inhoud ervan hier als integraal hernomen beschouwd dient te worden.” 3.
  12. Onder meer de verzoekende partij dient een klacht in bij de toezichthoudende overheid. 3.
  13. Op 1 maart 2023 keurt de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen het voormelde besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van Oostende van 28 november 2022 houdende oprichting van ziekenhuisvereniging AZ Oostende goed, evenals de bijhorende statuten en de bijlagen die er krachtens de statuten deel van uitmaken. Dat is de eerste bestreden beslissing. IX-10.238-5/15 IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Exceptie in verband met het ontbreken van een ontvankelijk middel Standpunt van de verwerende partijen
  14. De verwerende partijen betogen in hun memorie van antwoord dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift weliswaar verwijst naar de volgens haar geschonden rechtsregels, maar niet aangeeft op welke wijze deze rechtsregels concreet worden miskend. Dat maakt volgens hen het enige middel onontvankelijk. Beoordeling
  15. De Raad van State valt deze exceptie niet bij. In het enige middel voert de verzoekende partij de schending aan van zekere bepalingen van de wet van 19 december 1974 ‘tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel’ en van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 ‘tot aanwijzing van de grondregelingen in de zin van artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel’. Zij betoogt voorts dat er “tussen de betrokken partijen geen betwisting [bestaat] dat de oprichting van de ziekenhuisvereniging AZ Oostende onder het toepassingsgebied van artikel 2 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel valt en dat er hieromtrent vooraf onderhandeld diende te worden met de representatieve vakorganisaties”, dat de tweede bestreden beslissing “immers beschouwd [moet] worden als grondregelingen in verband met het administratief statuut, als grondregelingen in verband met de bezoldigingsregeling en als grondregelingen in verband met de pensioenregeling in de zin van de artikelen 3, 4 en 5 van het KB van 29 augustus 1985 tot aanwijzing van de grondregelingen in IX-10.238-6/15 de zin van artikel 2, § 1, 1° van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden” en dat er “op geen enkel ogenblik voorafgaandelijk [werd] onderhandeld”. Daargelaten of de verzoekende partij terecht voorhoudt dat er tussen de partijen geen betwisting bestaat over de toepasselijkheid van de door haar als geschonden aangevoerde rechtsregels, moet in elk geval worden vastgesteld dat de verzoekende partij zelf de mening is toegedaan dat die bepalingen van toepassing zijn, dat ze impliceren dat de bestreden beslissingen maar konden worden genomen na de voorgeschreven onderhandelingen en dat dergelijke onderhandelingen niet voorafgaandelijk werden gevoerd. Aldus heeft de verzoekende partij op afdoende wijze uiteengezet in welke mate de door haar aangevoerde rechtsregels concreet zouden zijn overtreden. Dat zij daarbij niet nader ingaat, zoals de eerste verwerende partij betoogt, op de “expliciete motivering” die in dat verband in de eerste bestreden beslissing staat vermeld, doet geen afbreuk aan wat voorafgaat. B. Exceptie in verband met de procesbekwaamheid van de verzoekende partij Standpunt van de verwerende partijen
  16. De verwerende partijen merken voorts op dat de verzoekende partij een feitelijke vereniging is en bijgevolg in beginsel niet de vereiste rechtsbekwaamheid geniet om voor de Raad van State op te treden. Dat is, zo gaan de verwerende partijen voort, slechts uitzonderlijk anders, bijvoorbeeld wanneer deze vereniging door de overheid is erkend, bij de werking van de openbare dienst is betrokken en in zoverre het belang waarvoor zij met haar beroep opkomt, verband houdt met het erkend betrokken zijn bij de werking van de overheid, zoals ter vrijwaring van haar erkende prerogatieven en bevoegdheden. IX-10.238-7/15 Voor de bestreden beslissingen achten de verwerende partijen de prerogatieven van de verzoekende partij (nog) niet in het geding, omdat van een overdracht van personeel of het vastleggen van enige grondregeling daaromtrent “absoluut (nog) geen sprake is”. De verwerende partijen zijn van oordeel dat deze exceptie hoe dan ook samenhangt met de grond van de zaak. Beoordeling 7.
  17. De verzoekende partij is een feitelijke vereniging. Een dergelijke vereniging heeft in beginsel niet de vereiste rechtsbekwaamheid om voor de Raad van State in rechte te treden, ook niet met het oog op de behartiging van de collectieve belangen van haar leden die zij zich tot doel zou hebben gesteld. Uitzonderlijk vermag een feitelijke vereniging toch ontvankelijk een bestuurshandeling met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State te bestrijden, namelijk voor zover de wetgever daarin heeft voorzien – wat in casu niet het geval is – maar ook, volgens vaste rechtspraak van de Raad, in de mate dat zij door de overheid is erkend en bij de werking van de openbare dienst is betrokken én in zoverre het belang waarvoor zij met haar beroep opkomt, verband houdt met dit erkend betrokken zijn bij de werking van de overheid, zoals ter vrijwaring van haar erkende prerogatieven en bevoegdheden. Aldus kan haar beroep ontvankelijk zijn voor zover zij middelen aanvoert waarin zij doet gelden dat prerogatieven en bevoegdheden die zij ontleent aan haar erkende betrokkenheid bij de werking van de openbare dienst, zijn miskend. 7.
  18. In het enige door de verzoekende partij aangevoerde middel wordt, zoals gezien, de schending aangevoerd van zekere bepalingen van de wet van 19 december 1974 ‘tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de IX-10.238-8/15 vakbonden van haar personeel’ en van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 ‘tot aanwijzing van de grondregelingen in de zin van artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel’. De verzoekende partij is van oordeel dat de betrokken overheid onterecht met haar niet heeft onderhandeld voorafgaand aan de tweede bestreden beslissing. Aldus beroept de verzoekende partij zich bijgevolg wel degelijk op een prerogatief dat zij aan de voormelde regelgeving ontleent. Dat volstaat om tot de vereiste procesbekwaamheid te besluiten. De vraag of zij zich terecht op dit prerogatief beroept – en dus de vraag of de bestreden beslissingen een onderhandelingsmaterie vormen in de zin van de door de verzoekende partij aangevoerde bepalingen – betreft uitsluitend de grond van de zaak. 7.
  19. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  20. Het enige middel is geput uit de schending van “de verplichting tot voorafgaande onderhandelingen met de representatieve vakorganisaties”, van artikel 2 van de wet van 19 december 1974 ‘tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel’ (hierna: de wet van 19 december 1974) en van de artikelen 3, 4 en 5 van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 ‘tot aanwijzing van de grondregelingen in de zin van artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel’ (hierna: het koninklijk besluit van 29 augustus 1985). IX-10.238-9/15 Volgens de verzoekende partij bestaat er tussen de betrokken partijen geen betwisting dat de oprichting van ziekenhuisvereniging AZ Oostende onder het toepassingsgebied van artikel 2 van de wet van 19 december 1974 valt en dat er bijgevolg vooraf moest worden onderhandeld met de representatieve vakorganisaties. De tweede bestreden beslissing moet volgens haar als “grondregelingen in verband met het administratief statuut, als grondregelingen in verband met de bezoldigingsregeling en als grondregelingen in verband met de pensioenregeling in de zin van de artikelen 3, 4 en 5 van het KB van 29 augustus 1985” worden beschouwd. Evenwel werd, steeds volgens de verzoekende partij, “op geen enkel ogenblik voorafgaandelijk onderhandeld”, noch werd enig protocol afgesloten tussen de betrokken partijen. Nochtans zijn deze onderhandelingen met de representatieve vakorganisaties een substantieel vormvoorschrift, zo doet de verzoekende partij nog gelden. De verzoekende partij wijst voorts erop dat de Raad van State in eerdere zaken van oordeel was dat de overheid een maatregel waarover onderhandeld moet worden slechts kan uitvaardigen na kennis te hebben genomen van de conclusies van de onderhandelingen, zoals die worden vermeld in het definitief protocol en dat de omstandigheid dat de overheid reeds voordien wist dat een vakorganisatie niet akkoord ging met de tekst waarover werd onderhandeld, niet belet dat de overheid het bestreden besluit slechts mocht nemen nadat de vakorganisaties de mogelijkheid hadden gekregen om hun bemerkingen bij het ontwerp-protocol te maken. Beoordeling 9.
  21. De verzoekende partij beschouwt de oprichting van ziekenhuisvereniging AZ Oostende als “grondregelingen in verband met het administratief statuut, als grondregelingen in verband met de bezoldigingsregeling en als grondregelingen in verband met de pensioenregeling in de zin van de artikelen 3, 4 en 5 van het KB van 29 augustus 1985”. IX-10.238-10/15 Daarmee refereert zij aan artikel 2, § 1, lid 1, 1°, litterae a), b) en c), van de wet van 19 december 1974 en de voormelde bepalingen van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 waarbij die grondregelingen nader worden bepaald. 9.
  22. Deze bepalingen luiden als volgt: - Artikel 2, § 1, van de wet van 19 december 1974: “Behoudens in de door de Koning bepaalde spoedgevallen en in de andere door Hem bepaalde gevallen, kunnen de bevoegde administratieve overheden niet dan na onderhandeling met de representatieve vakorganisaties in de daartoe opgerichte comités vaststellen: 1° grondregelingen ter zake van: a) het administratief statuut, met inbegrip van de vakantie- en verlofregeling; b) de bezoldigingsregeling; c) de pensioenregeling; d) de betrekkingen met de vakorganisaties; e) de organisatie van de sociale diensten. De Koning wijst de grondregelingen aan, met opgaaf, hetzij van de daarin behandelde stof, hetzij van de daarin opgenomen bepalingen. Aan de daartoe vast te stellen besluiten gaan de in dit artikel voorgeschreven onderhandelingen vooraf. De grondregelingen die de Koning ter uitvoering van de punten a), b) en c), van het eerste lid heeft bepaald en die alleen van toepassing zijn op de personeelsleden die onder statutaire regels vallen, zijn van overeenkomstige toepassing op de bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personeelsleden. 2° verordeningsbepalingen welke zij uitvaardigen, algemene maatregelen van inwendige orde en algemene richtlijnen, met het oog op de latere vaststelling van de personeelsformatie of inzake arbeidsduur en organisatie van het werk. De Koning bepaalt wat onder organisatie van het werk dient te worden verstaan in de zin van deze wet. Aan de daartoe vast te stellen besluiten gaan de in dit artikel voorgeschreven onderhandelingen vooraf.” - Artikel 3 van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985: “Als grondregelingen in verband met het administratief statuut worden beschouwd, de regels tot vaststelling van: IX-10.238-11/15 1° de voorwaarden waaraan men moet voldoen om als personeelslid te worden aangeworven, tot de stage toegelaten of benoemd, met inbegrip van de deelnemingsvoorwaarden voor de eventueel eraan voorafgaande vergelijkende examens, examens of proeven en de regels volgens welke de examens worden georganiseerd en de examenprogramma’s worden vastgesteld; 2° de aard en de duur van het dienstverband waarin de personeelsleden staan; 3° de rechten en de plichten van de personeelsleden, de onverenigbaarheden en verbodsbepalingen, evenals de regeling inzake cumulaties met andere ambten, betrekkingen of bezigheden; 4° de tuchtregeling; 5° de maatregelen van orde; 6° de aansprakelijkheid van de personeelsleden; 7° de regeling inzake beoordeling, waardebepaling of enig ander gelijkwaardig rapport; 8° de bepaling, de indeling, de rangschikking en de gelijkwaardigheid van de graden, ambten of functies; 9° de regeling inzake overplaatsing, mobiliteit of enig andere vorm van wedertewerkstelling of beziging van de personeelsleden in andere overheidsdiensten dan die waartoe zij behoren, alsook de regeling van toepassing op personeelsleden die met een opdracht worden belast; 10° de anciënniteitsstelsels; 11° de regeling inzake bevordering, verandering van graad of verhoging in graad, bevordering door overgang naar het hoger niveau en enig ander stelsel van opbouw van de loopbaan, de overgang naar andere al dan niet gespecialiseerde functies, de uitoefening van een hoger ambt en voor het onderwijs, de regeling van de selectie; 12° de administratieve standen, de omstandigheden waardoor ze worden bepaald en hun gevolgen op de toestand van de personeelsleden, met inbegrip van de regeling inzake vakantie, verlof of ter beschikkingstelling; 13° de regeling van de deeltijdse arbeid; 14° de regeling volgens welke het dienstverband van de personeelsleden kan worden beëindigd of volgens welke dat dienstverband kan worden onderbroken.” - Artikel 4 van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985: “Als grondregelingen in verband met de bezoldigingsregeling worden beschouwd: 1° betreffende de wedden, bezoldigingen, lonen of weddetoelagen van de personeelsleden, de regels tot vaststelling van: a) het recht op wedde, bezoldiging, loon of weddetoelage, met inbegrip van het recht op verhoging in wedde; b) de wedde, bezoldiging, loon of weddetoelage, met inbegrip van de vaststelling van de weddeschalen, en de berekening van het bedrag ervan, met inbegrip van de voor hun vaststelling in aanmerking komende periodes; IX-10.238-12/15 c) de toekenning van een gewaarborgde wedde, bezoldiging, loon of weddetoelage; d) de bescherming van de wedde, bezoldiging, loon of weddetoelage; e) de modaliteiten van de koppeling van de wedde, bezoldiging, loon of weddetoelage aan het indexcijfer van de consumptieprijzen of aan enige andere standaard; 2° betreffende de aan de personeelsleden toegekende toelagen, vergoedingen van alle aard en voordelen in natura, de regels tot vaststelling van: a) de begunstigden; b) hun toekenningsvoorwaarden; c) hun bedrag; d) hun bescherming; e) de modaliteiten van de koppeling aan het indexcijfer van de consumptieprijzen of aan enige andere standaard.” - Artikel 5 van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985: “Als grondregelingen in verband met de pensioenregeling worden beschouwd, de regels tot vaststelling van: 1° het toepassingsveld; 2° de categorieën rechthebbenden; 3° de pensioengerechtigde leeftijd; 4° de voorwaarden tot opening van het recht op pensioen; 5° de berekeningswijze van het pensioenbedrag, met inbegrip van het in aanmerking te nemen inkomen, de tantièmes en de in aanmerking komende periodes; 6° de bescherming van de pensioenen; 7° de modaliteiten van de koppeling aan het indexcijfer van de consumptieprijzen of aan enige andere standaard; 8° de regeling inzake arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk en beroepsziekten.”
  23. In het auditoraatsverslag heeft de verzoekende partij kunnen vernemen dat de auditeur-verslaggever van oordeel is dat de tweede bestreden beslissing beperkt blijft tot de oprichting van een rechtspersoon, dat de mede goedgekeurde oprichtingsakte geen enkele bepaling in verband met het personeel bevat, dat deze beslissing als een reorganisatie van de diensten moet worden beschouwd waarvan de beoordeling van de opportuniteit uitsluitend bij het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ligt en bijgevolg niet binnen het toepassingsgebied van de in het middel aangevoerde bepalingen kan worden IX-10.238-13/15 gebracht en de goedkeuring van deze beslissing door de eerste bestreden beslissing bijgevolg evenmin.
  24. In haar laatste memorie bepaalt de verzoekende partij zich ertoe te stellen dat zij “zich niet kan aansluiten bij het verslag van de Auditeur”. Nadere toelichting laat zij achterwege.
  25. Na een eigen onderzoek van de zaak, ziet de Raad van State dan weer geen reden om de conclusie van het auditoraatsverslag op dat vlak en de beredeneerde wijze waarop die conclusie tot stand is gekomen, niet bij te vallen. Het enige middel is niet gegrond. VI. Verzoek tot handhaving van de gevolgen
  26. Gelet op het ongegrond bevinden van het enige middel, moet over het verzoek van de tweede verwerende partij en de tussenkomende partij om, in geval van vernietiging van de bestreden beslissingen, met toepassing van artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de gevolgen ervan voorlopig te handhaven, geen uitspraak worden gedaan. BESLISSING
  27. De Raad van State verwerpt het beroep.
  28. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 1540 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen, elk voor de helft. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. IX-10.238-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.238-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.892 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.