id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.893 Rolnummer: A. 238286/IX-10202 Zaak: Arrest 264893 - O.C.M.W. - 19/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-01 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-15 07:05 Fiche Arrest nr 264.893 van 19 november 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 264.893 van 19 november 2025 in de zaak A. 238.286/IX-10.202 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN ZOUTLEEUW bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonas De Wit kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 30 januari 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de algemeen directeur van de stad Zoutleeuw van 23 september 2022 waarbij aan verzoeker als ordemaatregel wordt opgelegd “om gedurende zijn lopend re-integratietraject, minstens tot na afhandeling van de lopende klachten bij ABB, telewerk te verrichten”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. IX-10.202-1/16 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 oktober
- Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sander Kaïret, die loco advocaat Tom De Sutter verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Anton Geerts, die loco advocaat Jonas De Wit verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is op 1 april 1993 in dienst getreden als secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) van Zoutleeuw. Ten tijde van de bestreden beslissing is hij, met toepassing van artikel 589, § 1, van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ (hierna: decreet lokaal bestuur), aangesteld in de ‘passende functie’ van directeur privaat patrimonium. De beslissing daartoe bestrijdt verzoeker met een annulatieberoep bij de Raad van State (A. 232.699/IX-9825). 3.
- Na een lange periode van afwezigheid wegens ziekte, vraagt verzoeker in juli 2022 om voor hem een re-integratietraject op te starten. IX-10.202-2/16 Op 20 september 2022 stemt verzoeker in met het door het vast bureau van de verwerende partij vastgestelde re-integratieplan. De werkhervatting wordt voorzien op 23 september
- 3.
- Op 22 september 2022 worden het vast bureau van de verwerende partij en het college van burgemeester en schepenen van de stad Zoutleeuw ervan in kennis gesteld dat verzoeker bij de toezichthoudende overheid een klacht heeft ingediend tegen beslissingen van het vast bureau (heraanstelling van de beleidscoördinator ‘mens’, toekenning van weddeschaal A9b aan de financieel beheerder en aanstelling van de beleidscoördinator ‘beleid en organisatie’) en het college van burgemeester en schepenen (aanstelling van een deskundige ‘financiële dienst’). 3.
- Op 23 september 2022 treft de algemeen directeur van de stad Zoutleeuw een besluit waarbij aan verzoeker wordt opgelegd om “bij wijze van ordemaatregel, […] gedurende zijn lopend re-integratietraject, minstens tot na afhandeling van de lopende klachten bij ABB, telewerk te verrichten”. Dit is de bestreden beslissing. Ze is als volgt gemotiveerd: “In navolging van eerdere openbaarheidsverzoeken tot het bekomen van onderstaande besluiten vanwege [verzoeker], ontvingen het Vast Bureau van OCMW Zoutleeuw en het College van Burgemeester en Schepenen van Stad Zoutleeuw een schrijven van het Agentschap Binnenlands Bestuur, de toezichthoudende overheid, betreffende klachten aangaande volgende besluitvorming: Besluit van 16 september 2021 van het Vast Bureau over de heraanstelling van [G.V.] als beleidscoördinator mens; Besluit van 29 juli 2021 van het Vast Bureau over de toekenning in het personeelsplan van de weddeschaal A9b aan [N.D.] (financieel beheerder); Besluit van 16 september 2021 van het Vast Bureau over de aanstelling van [S.T.] als beleidscoördinator beleid en organisatie. Besluit van 4 maart 2021 van het College van Burgemeester en Schepenen over de aanstelling van [K.M.] als deskundige financiële dienst (B1-B3) voor onbepaalde duur. Deze klachten veroorzaken thans heel wat ongerustheid en spanningen op de werkvloer. Overwegende dat de titularissen van de functies, die in de klacht naar voren komen, zich allen – op één na – op A-niveau situeren – net zoals de functie IX-10.202-3/16 van [verzoeker] – en zij normaliter in alle sereniteit zouden moeten kunnen samenwerken. Overwegende dat de titularissen van de functies zich, ingevolge de klachten tegen hun (her-)aanstelling dan wel de toekenning van een weddeschaal, geviseerd voelen; dat daarbij minstens de perceptie bestaat dat [verzoeker] aan de oorzaak van deze klachten ligt, gezien deze als enige deze dossiers heeft opgevraagd; Overwegende dat hierdoor momenteel een gespannen en conflictueuze situatie bestaat binnen de organisatie, de betrokken diensten en in hoofde van de betrokken titularissen van de functies ten aanzien van [verzoeker]; dat dit in die mate is dat een normale samenwerking onmogelijk wordt bevonden op dit ogenblik; Dergelijke omstandigheden verantwoorden een ordemaatregel, zonder zich over de gegrondheid van de klachten uit te spreken, om aan deze gespannen toestand een einde te maken. Overwegende dat de algemeen directeur ook verwijst naar de discussie die reeds ontstaan is over het eenvoudig toewijzen van een bureel aan [verzoeker] en de beslissing van het vast bureau d.d. 22/09/2022 dienaangaande; Overwegende dat met het oog op het verzekeren van een verdere vlotte werking van de diensten en samenwerking tussen de personeelsleden onderling, de algemeen directeur [aan] [verzoeker] – bij wijze van ordemaatregel – oplegt om gedurende zijn lopend re-integratietraject telewerk te verrichten. Overwegende dat een ordemaatregel een maatregel is die de goede werking van de dienst beoogt te herstellen of te verzekeren, zonder enige schuldvraag te stellen of enige intentie tot bestraffing. Doorgaans is de maatregel gericht tegen een bepaald persoon, waardoor deze aldus verder gaat dan loutere maatregelen van inwendige orde (deze beogen immers louter de goede materiële organisatie en werking van de dienst […]). Echter, ingeval van ordemaatregelen is er geen sprake van enige bestraffing. Overwegende dat de verstoring van de goede werking van de dienst weliswaar kan voortvloeien uit het gedrag van een betrokkene. Het is echter niet het laakbaar vinden van dit gedrag, maar wel het gedrag op zich dat de algemeen directeur brengt tot het nemen van de beschreven ordemaatregel (o.m. RvS 19 februari 2009, nr. 190.637, […]; RvS[…] 13 november 2009, nr. 197.778, […]). De vaststelling dat het gedrag van het betrokken personeelslid aan de grondslag ligt van de genomen ordemaatregel ontneemt zodoende het karakter van een ordemaatregel niet (RvS 25 november 2020, nr. 249.038, […]). Overwegende dat de ordemaatregel aan betrokkene niet meer lasten oplegt dan nodig voor de goede werking van de diensten, zodat de maatregel aldus in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. Dat voor de keuze en proportionaliteit van de maatregel moet worden vastgesteld dat het telewerken door één personeelslid, halftijds, minder impact kent dan een alternatieve maatregel waardoor de verschillende betrokken personeelsleden hetzelfde zou worden opgelegd. IX-10.202-4/16 Overwegende dat de ordemaatregel dermate hoogdringend is vermits [verzoeker] op 23 september 2022 terugkeerde naar de werkvloer ingevolge het re-integratietraject, in die mate dat aan betrokkene geen mogelijkheid geboden wordt om zijn standpunt uiteen te zetten. Het is immers pas op 22 september 2022 dat kennis werd genomen van de door het personeelslid ingediende klachten en de impact ervan op de organisatie en betrokken personen. Dit in combinatie met de aangekondigde terugkeer van het personeelslid in kwestie, reden waarom deze ordemaatregel noodzakelijk is om de rust te laten terugkeren en de werking van de diensten te vrijwaren.” 3.
- Tegen deze beslissing dient verzoeker een klacht in bij de toezichthoudende overheid. Op 14 december 2022 laat de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant aan verzoeker en het bestuur weten dat hij “niet verder [tussenkomt] in deze zaak”. 3.
- Als gevolg van een verzoek tot formele psychosociale interventie met een hoofdzakelijk collectief karakter in de zin van de artikelen I.3- 13 juncto I.3-16, eerste lid, van de codex over het welzijn op het werk, beslist het vast bureau van de verwerende partij op 16 januari 2023 om aan verzoeker “in het kader van artikel I.3-20 Codex Welzijn op het Werk, volgende maatregelen op te leggen bij wijze van bewarende preventiemaatregel en dit minstens tot de afhandeling van de formele psychosociale interventie met een hoofdzakelijk collectief karakter: • Telewerk; • Alle communicatie wordt uitsluitend via de algemeen directeur gevoerd”. 3.
- Midden februari 2023 dient verzoeker zelf eveneens een verzoek in tot formele psychosociale interventie voor geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag. 3.
- Op 31 maart 2023 beslist de algemeen directeur de thans bestreden beslissing op te heffen, daarbij “[o]verwegende dat het besluit van de algemeen directeur van 23/09/2022 door de beslissing van het vast bureau [van] 16/01/2023 zonder voorwerp is geworden”. IX-10.202-5/16 3.
- Het sub 3.6 vermelde verzoek tot formele psychosociale interventie met een hoofdzakelijk collectief karakter leidt tot een adviesverslag voor de werkgever van 31 maart
- Als ‘eindbesluit’ vermeldt dit verslag wat volgt: “Uit al het onderzoek van de PAPS’en blijkt dat het gedrag van [verzoeker], één persoon dus, een groot gevaar betekent voor het welzijn en de gezondheid van verschillende personen (stress, overspanning, burn-out en conflicten). Deze stresstoestand wordt gekoppeld aan ervaringen in het verleden, het heden en aan een vrees voor de toekomst. Een huidige en toekomstige samenwerking met de betreffende persoon wordt uiterst stressvol ervaren. Een eventuele herstelde benoeming in een gezagspositie (waarvoor een reële kans bestaat wegens gevoerde procedures voor de Raad van State) leidt eveneens tot zeer ernstige stressgevoelens en symptomen. Uit het onderzoek blijkt dat ook de bewarende maatregel voor [verzoeker], met name thuiswerk, niet afdoende is om de negatieve impact van zijn gedrag te verminderen. Hij brengt nog steeds ernstige gezondheidsschade toe en heeft een negatieve impact op het welzijn van verschillende medewerkers. [Verzoeker] blijft immers zijn destructief en niet-coöperatief gedrag verderzetten en zal dit ook in de toekomst blijven doen. Bijgevolg is het aan de werkgever om zijn medewerkers, zowel in het OCMW als in de stad, tegen dit grote gevaar van het gedrag van [verzoeker] afdoende en permanent te beschermen, zowel in het heden als in de toekomst. De grootte van dit gevaar en risico vraagt directe en doortastende maatregelen, die blijvend moeten gecontinueerd worden, ook als er een politieke bestuurswissel is. Het is geen optie meer om thuiswerk en re- integratie aan [verzoeker] (in gelijk welke functie) terug toe te staan. Tevens is er een groot gezondheids- en welzijnsgevaar voor [verzoeker]: het is ook in zijn belang dat de blootstelling aan de stad en het OCMW vlug en definitief wordt beëindigd. Tevens vragen de PAPS’en van [verzoeker] een stopzetting van alle huidige en mogelijke toekomstige (juridische) procedures tegen de stad/OCMW en hun medewerkers, gezien de grote negatieve impact ervan op hun gezondheid en welzijn, en het ‘normale’ functioneren van de organisatie. De PAPS’en concluderen ook dat er enkel herstelgericht kan gewerkt worden met de medewerkers.” 3.
- Over het sub 3.7 vermelde verzoek tot formele psychosociale interventie wordt op 22 augustus 2023 een adviesverslag opgesteld. Het besluit daarvan luidt als volgt: “De PAPS aanvaardde het verzoek tot formele psychosociale interventie wegens pesterijen van [verzoeker] onder andere omdat hij gewag maakte IX-10.202-6/16 van een scheldpartij in 2019 en ernstige verbale agressie vanwege de toenmalige burgemeester. Zoals hierboven aangehaald, moet er volgens de welzijnswet sprake zijn van een ‘onrechtmatig geheel van meerdere gelijkaardige of uiteenlopende gedragingen (…) die tot doel of als gevolg hebben dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een persoon wordt aangetast, dat zijn betrekking in gevaar wordt gebracht of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.’ Zoals hierboven geanalyseerd en beargumenteerd, kan de PAPS niet vaststellen dat er sprake was van een dergelijk onrechtmatig geheel van gedragingen ten aanzien van [verzoeker]. Hij wordt niet weerhouden als slachtoffer van pesterijen op het werk. Bijvoorbeeld een scheldpartij in de bewuste vergadering van 2019 zou er volgens de aangeklaagden, volgens getuigen en volgens een schriftelijke weerslag van de vergadering niet geweest zijn. Dit element samen met de andere feiten die de verzoeker aanhaalt als grensoverschrijdend gedrag en waarop de aangeklaagden telkens kunnen repliceren, geeft de indruk dat de verzoeker de formele psychosociale interventie voor geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag vooral opstartte om ook dit recht als werknemer te doen gelden en zich niet bewust is van de negatieve impact op de andere betrokkenen en de organisatie. In tegenstelling tot ongepast gedrag van de aangeklaagden, stelt de PAPS net vast dat de aangeklaagden telkens op zoek gegaan zijn naar een manier om de competenties en de ervaring van [verzoeker] ten goede in te schakelen in het lokaal bestuur van Zoutleeuw. Uit de analyse blijkt bijvoorbeeld dat [verzoeker] in eerste instantie mondeling akkoord lijkt te gaan met voorstellen die hem gedaan worden, maar achteraf schriftelijk op gemaakte afspraken terugkomt en meerdere juridische procedures aanspant ten aanzien van het lokaal bestuur, waardoor de samenwerking bemoeilijkt wordt. Daarenboven kreeg de PAPS verschillende meldingen over grensoverschrijdend gedrag en toxisch leiderschap vanwege [verzoeker]. De impact van het gedrag van [verzoeker] op het psychosociaal welzijn van anderen lijkt de diverse en uitzonderlijke maatregelen die de werkgever treft om de medewerkers te beveiligen, te rechtvaardigen. Zoals hierboven geanalyseerd, is er duidelijk sprake van een psychosociaal risico. Dat betekent dat een constructieve terugkeer van [verzoeker] naar de werkvloer of naar een leidinggevende positie binnen [het] lokaal bestuur [van] Zoutleeuw als onmogelijk wordt beschouwd. De PAPS kan vaststellen dat de mogelijkheid dat [verzoeker] zou terugkeren naar de werkvloer door verschillende bevraagde personen als bedreigend wordt ervaren.” IX-10.202-7/16 3.
- Op 3 november 2023 beslist het vast bureau om de statutaire aanstelling van verzoeker “onmiddellijk en zonder opzegging om dringende reden met ingang van heden te beëindigen”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
- In haar laatste memorie werpt de verwerende partij onder meer op dat verzoeker geen actueel belang meer heeft bij het beroep, omdat hij op 3 november 2023 om dringende reden werd ontslagen met toepassing van artikel 194/1 van het decreet lokaal bestuur juncto artikel 35 van de wet van 3 juli 1978 ‘betreffende de arbeidsovereenkomsten’. Daardoor heeft verzoeker volgens de verwerende partij “definitief, vaststaand en onherroepelijk” de hoedanigheid van statutair personeelslid verloren. Dit ontslag is uitsluitend aanvechtbaar bij de arbeidsgerechten. Het ontslag kan niet worden vernietigd en een re-integratie van verzoeker in het lokaal bestuur is volgens haar eveneens uitgesloten. De arbeidsgerechten kunnen hoogstens een opzeggingsvergoeding of een bijkomende schadevergoeding aan het personeelslid toekennen. De voormelde ontslagbeslissing verhindert bijgevolg de terugkeer van verzoeker naar het betrokken lokaal bestuur. Alsdan kan verzoeker volgens de verwerende partij “geen enkel direct of persoonlijk voordeel” meer halen uit de eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing.
- Met betrekking tot deze exceptie doet verzoeker in zijn laatste memorie gelden wat volgt (met weglating van twee voetnoten): “2.5.1 In haar verslag van 30.12.2024 stelt de Eerste auditeur correct dat het ontslag van verzoeker niets afdoet van het feit dat de bestreden maatregel gesteund is op het persoonlijk gedrag van de verzoeker, en hij dienvolgens zijn belang bij het beroep behoudt. […] Verzoekende partij heeft er een moreel belang bij dat de bestreden beslissing wordt vernietigd omwille van het persoonlijk karakter ervan; hij IX-10.202-8/16 heeft een moreel belang om een maatregel gebaseerd op zijn persoonlijk gedrag uit het rechtsverkeer te zien verdwijnen. 2.5.2 Het ontslag om dringende reden van verzoekende partij steunt zich bovendien op het ‘Decreet van 16 juni 2023 tot wijziging van het Provinciedecreet van 9 december 2005 en het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft de beëindiging van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid’; dit decreet werd op 10.07.2023 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd, en het is in werking getreden op 1.10.
- Verzoekende partij (en anderen) hebben een beroep tot nietigverklaring van dit decreet ingediend bij het Grondwettelijk Hof […]. Gelet hierop, mede op de inhoud van het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State naar aanleiding van dit voorontwerp van decreet (advies 72.556/3 van 16.01.2023) en de maatschappelijke gevolgen van de inhoud ervan, is er de kans – en is het zelfs zeer reëel – dat dit ook effectief de nietigverklaring van dit decreet tot gevolg heeft, eventueel zonder overgangsbepalingen door het Grondwettelijk Hof opgelegd. In voorkomend geval verdwijnt ab initio de rechtsgrond waarop dit ontslag om dringende reden zich steunt, en is het mogelijk dat verzoekende partij opnieuw personeelslid wordt van het OCMW van Zoutleeuw. Een kans volstaat om blijk te geven van het vereiste belang, zelfs al is die gering, wat in casu niet eens zo is […]. Verzoekende partij heeft er belang bij dat de bestreden beslissing hem dan niet meer kan grieven ingevolge een nietigverklaring ervan. 2.5.3 De door de Raad van State uitgesproken nietigverklaring en vastgestelde onwettigheden moeten – onverminderd een succesvol beroep bij het Grondwettelijk Hof ten aanzien van het Ontslagdecreet – op zijn minst worden meegenomen in de procedure die door verzoeker bij de Arbeidsrechtbank is ingeleid tegen zijn ontslag om dringende reden met ingang van 3.11.
- Verzoeker mag niet verstoken blijven van enige nuttige rechtsbescherming. Het voordeel nagestreefd met een eis tot vernietiging van de bestreden beslissing kan gecombineerd worden met het voordeel nagestreefd met een door de justitiële rechter te beoordelen eis (Administratieve rechtsbibliotheek, Raad van State,
- Ontvankelijkheid, die Keure, 1996, RN 314 e.v.).” Beoordeling
- Luidens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van diezelfde wetten, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. IX-10.202-9/16 Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: zij moet door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel lijden en de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling moet haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen. Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient evenwel erover te waken dat de belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast.
- Het belang, waarvan een verzoekende partij blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het instellen van het annulatieberoep en zij moet dat belang behouden tot aan de uitspraak. De aard van het belang kan weliswaar evolueren maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet voordeel oplevert. Dit voordeel moet in beginsel meer zijn dan de genoegdoening, verbonden met het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing. Voorts ligt het op de weg van een verzoekende partij, wanneer zij wordt geconfronteerd met een exceptie van gebrek aan belang en er bijgevolg twijfel rijst omtrent haar actueel belang, om daarover klaar en duidelijk standpunt in te nemen en om, indien zij de exceptie betwist, aan de Raad van State de precieze redenen daarvoor te doen kennen en, meer bepaald, het belang dat zij met haar beroep gediend wil zien, zo nauwkeurig en volledig mogelijk te omschrijven. 8.
- In zoverre verzoeker betoogt dat het beroep tot vernietiging van het decreet van 16 juni 2023 ‘tot wijziging van het Provinciedecreet van 9 december 2005 en het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft de beëindiging van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid’ dat hij bij het Grondwettelijk Hof heeft ingediend mogelijk voor gevolg heeft dat “de rechtsgrond waarop dit ontslag om dringende reden zich steunt [ab initio IX-10.202-10/16 verdwijnt]” en dat hij “opnieuw personeelslid wordt van het OCMW van Zoutleeuw”, valt de Raad van State hem niet bij. 8.
- Artikel 8 van het voormelde decreet van 16 juni 2023 heeft een artikel 194/1 ingevoegd in het decreet lokaal bestuur. Deze bepaling luidde ten tijde van het ontslag van verzoeker als volgt: “Met behoud van de toepassing van artikel 194, vierde lid, van dit decreet zijn voor de beëindiging van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid artikel 15 en titel I, hoofdstuk IV, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, met uitzondering van artikel 33, 37, § 1, vijfde lid, § 2 tot en met § 4, artikel 37/3, 37/5, 37/7, 37/11, 38 en 39bis, van overeenkomstige toepassing. De beëindiging van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid mag niet kennelijk onredelijk zijn. De beëindiging is gebaseerd op redenen die verband houden met het gedrag of de geschiktheid van het personeelslid of berusten op noodwendigheden voor de werking van het bestuur. Het mag geen beëindiging zijn waartoe nooit beslist zou zijn door een normaal en redelijk handelend lokaal bestuur. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de beëindiging van het statutaire dienstverband.” Met artikel 9 van hetzelfde decreet van 16 juni 2023 werd een artikel 194/2 ingevoegd, dat als volgt luidde: “De rechtbanken, vermeld in artikel 578 en 607 van het Gerechtelijk Wetboek van 10 oktober 1967, zijn bevoegd voor geschillen over de beëindiging van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid, vermeld in artikel 194/1 van dit decreet.” 8.
- Verzoeker heeft juist voorvoeld dat het voormelde decreet van 16 juni 2023 door het Grondwettelijk Hof zou worden vernietigd. Dit is gebeurd bij arrest nr. 85/2025 van 5 juni
- 8.
- Anders evenwel dan verzoeker had vermoed én verhoopt, heeft het Grondwettelijk Hof de gevolgen van het vernietigde decreet tot de datum van uitspraak van het arrest – 5 juni 2025 – gehandhaafd “[t]eneinde rechtsonzekerheid te vermijden als gevolg van de volledige vernietiging van het decreet van 16 juni IX-10.202-11/16 2023 en rekening te houden met de organisatorische moeilijkheden die uit deze vernietiging kunnen voortvloeien” (overweging B.32.4). Dit betekent voor de zaak van verzoeker dat de rechtsgrond van zijn ontslagbeslissing wordt gehandhaafd en dat de door verzoeker aangehaalde kans op re-integratie in het betrokken lokaal bestuur niet eens als “gering”, maar als onbestaande moet worden beschouwd. 8.
- De uitkomst van verzoekers beroep bij het Grondwettelijk Hof tegen het voormelde decreet van 16 juni 2023 is alvast niet van aard om het actueel belang van verzoeker bij het voorliggende beroep te staven.
- Het ontslag van verzoeker en de daarmee gepaard gaande en hiervóór vastgestelde onmogelijkheid tot re-integratie in het betrokken lokaal bestuur hebben alleszins tot gevolg dat een gebeurlijke vernietiging van de hem opgelegde maatregel hem niet meer in dezelfde toestand als vóór deze beslissing zal kunnen terugplaatsen. Die vaststelling maakt de vraag meer dan gewettigd welk voordeel verzoeker nog kan halen uit de gevraagde nietigverklaring. 10.
- Voor zover verzoeker aanvoert dat hij een “moreel belang” heeft “omwille van het persoonlijk karakter” van de bestreden beslissing, namelijk omdat die beslissing “gebaseerd [is] op zijn persoonlijk gedrag”, moet hem het volgende worden tegengeworpen. 10.
- Verzoeker noemt de door hem bestreden beslissing meermaals een ordemaatregel. Nergens in zijn verzoekschrift voert hij aan dat het wezenlijk om een (verkapte) tuchtmaatregel zou gaan. Een wezenskenmerk van de ordemaatregel is dat deze uitsluitend is bedoeld om de goede werking van de dienst te verzekeren en niet om het IX-10.202-12/16 betrokken personeelslid te straffen voor schuldig gedrag. De verstoring van de goede werking van de dienst mag volgens de bestreden beslissing dan wel gelegen zijn in de klachten die verzoeker heeft ingediend bij de toezichthoudende overheid tegen aanstellingen van andere personeelsleden binnen het betrokken lokaal bestuur en de toekenning van een weddeschaal aan een collega – verzoeker betwist de materialiteit van die klachten overigens niet – de bestreden beslissing neemt geen enkel standpunt in over de vraag of die handelwijze van verzoeker hem als een tekortkoming moet worden aangerekend. Het bestuur heeft met andere woorden iedere schuldvraag weggelaten. Daarom ook moet worden aangenomen dat de voorliggende maatregel geen aantasting inhoudt van de reputatie van het betrokken personeelslid. Dit geldt hier des te minder nu niet valt in te zien hoe de vaststelling dat verzoeker verschillende klachten die betrekking hebben op zijn collega’s bij de toezichthoudende overheid heeft ingediend, een zodanige smet werpt op verzoekers naam dat hij daaraan een voldoende gekwalificeerd moreel belang ontleent om de nietigverklaring van de maatregel te vorderen terwijl hij om andere redenen reeds definitief en zonder mogelijkheid tot re-integratie de hoedanigheid van statutair personeelslid bij de verwerende partij heeft verloren. 10.
- De door verzoeker aangehaalde arresten van de Raad van State doen niet anders besluiten. In de arresten nrs. 153.705 van 12 januari 2006, 199.545 van 15 januari 2010 en 201.597 van 5 maart 2010 wordt weliswaar aangenomen dat een ambtenaar een moreel belang heeft bij het verwijderen uit de rechtsorde van een maatregel van preventieve schorsing die werd genomen op grond van zijn gedrag. Verzoeker verliest daarbij uit het oog dat hij niet langer de hoedanigheid van statutair personeelslid bij de verwerende partij geniet en dat zijn situatie minstens op dat vlak verschilt van de toestand van de verzoekende partijen in de door hem gesignaleerde zaken. In de zaak waarin arrest nr. 203.567 van 3 mei 2010 werd uitgesproken, werd de verzoekende partij herplaatst in afwachting van een IX-10.202-13/16 “gerechtelijke eindbeslissing” over strafbare feiten – opzettelijke slagen en verwondingen. Een ordemaatregel gesteund op dergelijke feiten laat zich in het geheel niet vergelijken met de maatregel van telewerk om reden dat enkele klachten van verzoeker bij de toezichthoudende overheid voor een “gespannen en conflictueuze situatie […] binnen de organisatie” zorgen.
- Tot slot ziet de Raad van State niet in hoe de in deze zaak volgens verzoeker vast te stellen onwettigheden “moeten […] worden meegenomen in de procedure die door [hem] bij de Arbeidsrechtbank is ingeleid tegen zijn ontslag om dringende reden”. Beide beslissingen steunen op verschillende motieven. De thans bestreden beslissing vindt haar grondslag in de zo-even vermelde “gespannen en conflictueuze situatie” bij de verwerende partij als gevolg van de klachten die verzoeker bij de toezichthoudende overheid had ingediend tegen aanstellingen van collega’s en de toekenning van een weddeschaal aan een andere collega. Het ontslag daarentegen is ingegeven door – onder meer – feiten als het “[r]oepen en tieren tegen medewerkers en na een fout medewerkers angst aanjagen of repercussies nemen die grensoverschrijdend zijn. De verbale agressie is ook leesbaar in talrijke mails waaruit de opvliegende communicatie van betrokkene blijkt: mail volledig in bold en hoofdletters”, “[h]et opvragen van wachtwoorden van mailaccounts”, “[m]achtsmisbruik: • [o]pdragen aan personeelsleden om privé-opdrachten te doen (verkoop van zijn oude woning/aankoop nieuwe woning, het opmaken van een huurovereenkomst voor verhuur van een woning in zijn privésfeer, nieuwe huurovereenkomst opmaken, privéreis laten uitstippelen door medewerker); • [e]xamens waarvoor betrokkene was aangesteld in de selectiecommissie van een ander bestuur liet hij door medewerkers verbeteren”, “[i]n het Dijkdossier werden tal van aanwijzingen gevonden van een systematische schending van de discretieplicht door betrokkene IX-10.202-14/16 door informatie door te spelen aan een derde ten einde de beslissingen van het bestuur te kunnen ondermijnen” en het “op eigen initiatief, zonder goedkeuring van het bestuur, adviezen en ontwerpbesluiten [opvragen]” bij een raadsman over de opmaak van een beheersovereenkomst tussen de verwerende partij en een op te richten welzijnsvereniging, “om nadien onder misleidende naam de ereloonstaten goed te laten keuren door het bestuur zodoende dat de erelonen worden betaald door het bestuur”. Zonder nadere toelichting kan verzoeker de Raad van State niet ervan overtuigen dat een onderzoek van de grond van de voorliggende zaak en een gebeurlijke nietigverklaring hem tot voordeel strekken in zijn zaak bij de arbeidsgerechten tegen zijn ontslag.
- Bijgevolg moet worden besloten dat verzoeker niet erin slaagt met zijn argumentatie de twijfels over zijn actueel belang weg te nemen. De exceptie is gegrond. Het beroep is onontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.202-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Patricia De Somere, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.202-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.893 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.