← België

Arrest 264911 - Uitleveringen - 19/11/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.911 Rolnummer: A. 246441/VII-43084 Zaak: Arrest 264911 - Uitleveringen - 19/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-20 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-15 07:03 Fiche Arrest nr 264.911 van 19 november 2025 Vreemdelingen - Uitleveringen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 264.911 van 19 november 2025 in de zaak A. 246.441/VII-43.084 In zake: S.A. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Abderrahim Lahlali kantoor houdend te 9000 Gent Kortrijksesteenweg 731 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrik De Maeyer en Daisy Daniels kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 19 november 2025 een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de minister van Justitie van 11 september 2025 waarbij de uitlevering van verzoeker aan de regering van Servië wordt toegestaan. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. VII-43.084-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 november 2025, om 15 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Abderrahim Lahlali, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Patrik De Maeyer, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Pierrot T’Kindt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten
  3. Met een verzoek van 26 juli 2024, verzonden met een diplomatieke nota van 7 augustus 2024, vraagt de Servische overheid de uitlevering van verzoeker, van Tunesische nationaliteit, wegens feiten gepleegd te Belgrado, van 30 januari 2020 tot 5 februari 2020 die naar Servisch recht zijn omschreven als deelneming aan of mededaderschap van mensensmokkel met verzwarende omstandigheden volgens artikel 350, § 2 en § 3, van het Servische Wetboek van Strafrecht, naar Belgisch recht strafbaar gesteld door de artikelen 77bis, eerste, tweede en vierde lid, en 77sexies, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’. Met een beschikking van 30 augustus 2024 van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, wordt het door het Gerechtshof van Belgrado op 15 september 2020 uitgevaardigde internationaal aanhoudingsmandaat ten laste van verzoeker uitvoerbaar verklaard. VII-43.084-2/7 Verder brengt de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Gent op 5 juni 2025 een gunstig advies uit over het verzoek tot uitlevering van verzoeker. Op 11 september 2025 staat de minister van Justitie de uitlevering toe van verzoeker aan de regering van Servië. Er wordt vastgesteld dat het specialiteitsbeginsel van toepassing is. Dit is de bestreden beslissing. IV. Grondvoorwaarden voor een schorsing
  4. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de RvS-wet kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
  5. Na een theoretische uiteenzetting over de uiterst dringende noodzakelijkheid voert verzoeker concreet het volgende aan: “Ingevolge de bestreden beslissing wordt door verwerende partij de uitlevering van verzoekende partij aan Servië toegestaan. Tussen de dag na het indienen van huidig verzoekschrift (18 november 2025) en de datum waarop voormeld uitleveringsbesluit ingaat (19 november 2025) zitten slechts enkele uren. Rekening houdende met de behandelingstermijn van een gewone schorsingsprocedure komt een schorsing van de tenuitvoerlegging ingevolge de gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat om het nadeel dat verzoekende partij ondergaat vanaf 19 november 2025 op 29 november 2025 VII-43.084-3/7 op te vangen. Een UDN-procedure dringt zich om die reden alleen al op. De onmiddellijke uitvoering van de bestreden beslissing veroorzaakt een moeilijk te herstellen ernstig nadeel (MTHEN) voor verzoekende partij. De schade of het nadeel van verzoekende partij bevindt zich in de gevolgen van het bestreden besluit. Met name dat hij op 19 november 2025 wordt overgedragen aan de federale politie teneinde op dezelfde dag uitgeleverd te worden aan de Servische autoriteiten, terwijl zijn termijn om beroep aan te tekenen tegen het bestreden besluit bij de Raad van State nog loopt tot en met 29 november
  6. De mogelijkheid om een verweermiddel uit te putten wordt verzoekende partij gewoonweg ontnomen. Dit terwijl verzoekende partij en zijn raadsman van plan waren om een beroepsprocedure aan te wenden tegen het bestreden besluit en hieraan tot op heden aan het werken waren. De onmogelijkheid om deze beroepsmogelijkheid uit te putten, houdt in hoofde van verzoekende partij een groot nadeel in. Bij een schorsing van de tenuitvoerlegging verdwijnt dit nadeel. Het uiterst dringend noodzakelijk karakter van de vordering tot schorsing mag dan ook duidelijk zijn gelet op de verregaande gevolgen van het bestreden besluit voor verzoekende partij. […] Verzoekende partij heeft bovendien diligent gehandeld. De beslissing werd aan verzoekende partij betekend op 3 oktober
  7. Echter werd de brief van het parket aan de gevangenisdirecteur dd. 30 oktober 2025 […] nooit aan verzoekende partij betekend en werd verzoekende partij hierover pas op 18 november 2025 mondeling […] in kennis gesteld slechts 1 dag voordat het uitvoeringsbesluit zou worden uitgevoerd en huidig verzoekschrift wordt neergelegd. Verzoekende partij lichtte na de mondelinge kennisgeving op 18 november 2025 door de gevangenisdirectie van zijn effectieve uitlevering op 19 november 2025 onmiddellijk zijn raadsman in. Daarop ondernam zijn raadsman onmiddellijk de nodige stappen. Hij zond op 18 november 2025 een e-mail met hoge urgentie […] naar het parket met daarin de vraag om de beslissing in te trekken of minstens uit te stellen tot na verloop van de beroepstermijn of desgevallend na een arrest van de Raad van State. Het gegeven dat verzoekende partij pas op 18 november 2025 door de gevangenisdirectie mondeling werd ingelicht van zijn effectieve uitlevering naar Servië op 19 november 2025, wordt door het parket in de mailcorrespondentie van 18 november 2025 met de raadsman van verzoekende partij niet betwist […]. De werkwijze van de gevangenisdirectie van de gevangenis van Oudenaarde waarbij ze pas op 18 november 2025 verzoekende partij in kennis stelt van zijn uitlevering naar Servië op 19 november 2025 is in elk geval niet deze van een zorgvuldig handelend bestuur gelet op het gegeven dat het parket Oost-Vlaanderen reeds op 30 oktober 2025 meedeelde aan de gevangenisdirectie om verzoekende partij in kennis te stellen van zijn uitlevering op 19 november 2025 […]. Ook weigerde het parket op het verzoek van de raadsman van verzoekende partij om de uitlevering uit te stellen in afwachting van de termijn om een beroep in te stellen bij de raad VII-43.084-4/7 van state tegen de bestreden beslissing […]. Door deze werkwijze van de Belgische Staat is verzoekende partij dan ook genoodzaakt om een vordering tot schorsing van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzaak in te stellen bij uw Raad. Verzoekende partij heeft dan ook diligent gehandeld, zodat ook in deze context het uiterst dringend noodzakelijk karakter i.h.k.v. de schorsing voorhanden is en blijft.” Beoordeling
  8. De procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid mag slechts worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstotelijke wijze wordt aangetoond. Deze procedure houdt immers een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. Naar luid van artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. De verzoekende partij moet aan de hand van precieze, pertinente en concrete gegevens aannemelijk maken dat de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en zelfs niet gedurende de doorlooptijd van een gewone vordering tot schorsing. Bovendien moet een verzoekende partij diligent optreden bij het inleiden van een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid. Diligent optreden – dit wil zeggen dat de eisende partij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State – is een vereiste die vervat is VII-43.084-5/7 in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid.
  9. Uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing op 3 oktober 2025 aan verzoeker ter kennis werd gebracht. Het is juist dat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet volgt uit de kennisgeving op zich van die beslissing. Uit het administratief dossier blijkt echter ook, hetgeen desgevraagd ter terechtzitting wordt bevestigd door de partijen, dat verzoeker eveneens op 3 oktober 2025 werd opgesloten in de gevangenis van Oudenaarde met het oog op uitlevering. Nu verzoeker op 3 oktober 2025 definitief werd opgesloten met het oog op uitlevering, heeft hij geen blijk gegeven van diligent en alert handelen door slechts op 18 november 2025, nadat hij naar eigen zeggen kennis kreeg van het feit dat de daadwerkelijke uitlevering zou doorgaan op 19 november, een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen. Net door de opsluiting met het oog op uitlevering kon verzoeker zich verwachten aan een nakende tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en kon hij er zich niet toe beperken een afwachtende houding aan te nemen totdat hij in extremis kennis kreeg van de daadwerkelijke uitlevering met een vertrek van de luchthaven van Brussel op 19 november 2025 om 20.25 uur. Verzoeker heeft in de concrete omstandigheden van de zaak niet diligent gehandeld zodat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet is aangetoond. V. Conclusie
  10. Uit wat voorafgaat volgt dat niet is voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 4, van de RvS-wet opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen. VII-43.084-6/7 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-43.084-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.911 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.109 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.