id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.917 Rolnummer: A. 245913/VII-43024 Zaak: Arrest 264917 - Arbeids- en beroepskaarten - 21/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-02 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-06-15 07:00 Fiche Arrest nr 264.917 van 21 november 2025 Economische zaken - Arbeids- en beroepskaarten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 264.917 van 21 november 2025 in de zaak A. 245.913/VII-43.024 In zake : B.T. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nathalie Malanda kantoor houdend te 1020 Laken Dieudonné Lefèvrestraat 17 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Devloo kantoor houdend te 8500 Kortrijk Koning Alberstraat 24/1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- Met een enig verzoekschrift, ingediend op 19 september 2025, vordert verzoeker de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring van de beslissing van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs, Justitie en Handhaving van 22 juli 2025 inzake het beroep tegen een weigering van een beroepskaart. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 26 september 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. VII-43.024-1/8 Eerste auditeur Pierrot T’Kindt heeft een verslag opgesteld, met toepassing van artikel 17 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 november 2025, om 11.00 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ignace Oger, die loco advocaat Nathalie Malanda verschijnt voor verzoeker, en advocaat Louise Delbeke, die loco advocaat Rik Devloo verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Pierrot T’Kindt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de RvS-wet. III. Feiten 3.
- Verzoeker heeft op 12 februari 2024 een beroepskaart gekregen, geldig van 20 februari 2024 tot 19 februari 2025, voor computerconsultancy- activiteiten. Deze beroepskaart vermeldt als bijzondere voorwaarde dat verzoeker bij een toekomstige hernieuwing ten minste één Vlaamse klant moet aantonen aan de hand van facturen, contracten, samenwerkingsovereenkomsten en dergelijke. 3.
- Verzoeker dient op 3 januari 2025 een aanvraag in voor de hernieuwing van reeds uitgeoefende beroepsactiviteiten en voor bepaalde nieuwe activiteiten op het gebied van informatietechnologie en computer. VII-43.024-2/8 De dienst Economische Migratie van het departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie weigert de gevraagde beroepskaart met een beslissing van 18 maart
- Op 17 april 2025 tekent verzoeker administratief beroep aan tegen de voormelde weigeringsbeslissing. Met een beslissing van 22 juli 2025 verklaart de bevoegde Vlaamse minister het beroep ongegrond en bevestigt zij de weigeringsbeslissing van 18 maart
- Dit is de bestreden beslissing. IV. Grondvoorwaarden voor een schorsing
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de RvS-wet kan de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en dat de nietigverklaring van die beslissing prima facie kan verantwoorden. Uiteenzetting van de spoedeisendheid
- Verzoeker merkt eerst op dat het instellen van een beroep tot nietigverklaring de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing niet schorst, zodat die beslissing uitvoerbaar blijft gedurende het procesverloop. Bovendien bepaalt artikel 13, tweede lid, eerste zin, van het decreet van 15 oktober 2021 ‘over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen’ dat bij een beslissing tot weigering of intrekking van de beroepskaart, de buitenlandse onderdaan gedurende één jaar vanaf de kennisgeving van de weigerings- of intrekkingsbeslissing geen nieuwe aanvraag kan indienen voor dezelfde zelfstandige beroepsactiviteit. Verzoeker is als natuurlijke persoon werkzaam als zelfstandige/freelancer in de IT-sector en hij heeft blijkens door hem VII-43.024-3/8 bezorgde stukken lopende overeenkomsten met cliënten, die hij zelf moet blijven honoreren, vermits het gaat om contracten intuitu personae. Het afwachten van de behandeling van het beroep tot nietigverklaring zou dit echter onmogelijk maken, gezien de te verwachten duur van die procedure. Verzoeker zou zijn activiteiten dienen te staken en geen inkomsten meer kunnen genereren noch nieuwe klanten kunnen werven, terwijl hij ondertussen wel kosten zoals huur zou moeten blijven dragen, zodat de bestreden beslissing hem financiële schade doet oplopen. Verzoeker verblijft in België op grond van gezinshereniging met zijn echtgenote, met wie hij twee minderjarige, schoolgaande kinderen heeft. Samen met zijn echtgenote heeft hij een huis gekocht, waarvoor het koppel een hypothecaire lening moet afbetalen. De echtgenote en verzoeker zelf hebben een jaarinkomen van respectievelijk ongeveer 73.000 en 41.500 euro, zodat het wegvallen van verzoekers inkomsten een aanzienlijke terugval van de levensstandaard van het gezin zou betekenen. Verzoeker kan onmogelijk het verlies becijferen en compenseren indien na een aantal jaren alsnog tot een vernietiging wordt overgegaan. Het nadeel dat de verzoeker riskeert te ondervinden is duidelijk ernstig en moeilijk te herstellen. Door het tijdsverloop zou hij in een onomkeerbare situatie worden geplaatst, zodat een eventueel uiteindelijk vernietigingsarrest een louter theoretisch effect zou hebben. De bestreden beslissing verhindert de verderzetting van verzoekers activiteit en belet hem gedurende minstens één jaar om voor die activiteit een nieuwe beroepskaart aan te vragen, terwijl hij zonder die beslissing maandelijks tussen de 4.500 en 5.200 euro aan inkomsten heeft uit de activiteit. Het voortbestaan en evenwicht van verzoekers onderneming wordt zo door de bestreden beslissing ernstig in gevaar gebracht. De winstderving die verzoeker zal lijden, kan niet precies worden vastgelegd. Volgens verzoeker moet de bestreden beslissing worden geschorst, omdat het nadeel, net omdat de omvang ervan moeilijk exact te bepalen is, moeilijker herstelbaar zal zijn. Wel acht verzoeker het duidelijk dat minstens een jaar stopzetting van zijn activiteit door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hem op een faillissement zou doen VII-43.024-4/8 afstevenen en hij daardoor te maken zou krijgen met een serieuze vermindering van zijn levensstandaard. Tot slot refereert verzoeker aan kortgedingrechtspraak waarin de Raad van State het belang erkent van een vermindering van de levensstandaard en een ingrijpende wijziging van de sociale situatie van een verzoekende partij of van een financieel nadeel dat het voortbestaan van die partij in het gedrang brengt. Beoordeling
- Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Het doel is dan ook het kort geding te hanteren wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne opgelost kan worden. Naar luid van artikel 17, § 2, van de RvS-wet moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan een verzoekende partij toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, gelet op de nadelige gevolgen die een - voortdurende - tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaken. De spoedeisendheid wordt niet vermoed. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden ingesteld “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties te willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (Parl. St. VII-43.024-5/8 Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, van de RvS-wet). Uit wat voorafgaat, volgt dat het niet zal volstaan te wijzen op de afwezigheid van een schorsend karakter van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State of te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. Tot slot moet een schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing ook een nuttig effect hebben. Ze dient een verzoekende partij te behoeden van de gevreesde schade.
- In de mate dat verzoeker wijst op het gebrek aan schorsend karakter van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State en zonder meer stelt dat de te verwachten doorlooptijd van de rechtspleging betreffende dat beroep te lang is of dat het resultaat van die rechtspleging niet kan worden afgewacht, toont hij dan ook geen spoedeisendheid aan. Om de spoedeisendheid aan te tonen, volstaat op zich evenmin de verwijzing naar de decretaal opgelegde wachttijd van één jaar om na een beslissing tot weigering of intrekking van een beroepskaart een nieuwe aanvraag in te dienen voor een beroepskaart voor dezelfde zelfstandige beroepsactiviteit.
- Verzoeker beroept zich op de financiële gevolgen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, waarvoor hij verwijst naar inkomstenverlies terwijl de kosten voor zijn onderneming verder lopen, het verlies van perspectieven op nieuwe klanten en omzet, een daling van zijn levensstandaard en de hypothecaire afbetaling van de gezinswoning. Uit de door verzoeker bijgebrachte stukken inzake de aanslagen in de personenbelasting, blijkt dat de voorgehouden gevolgen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor de levensstandaard van VII-43.024-6/8 verzoekers gezin moeten worden gerelativeerd. Het aandeel van verzoekers echtgenote in het gezinsinkomen was de voorbije twee jaar door de uitoefening van haar eigen beroepsactiviteit immers substantieel groter dan verzoekers eigen aandeel. Verzoekers belastbare beroepsinkomsten als zelfstandige bedroegen voor de inkomstenjaren 2023 en 2024 respectievelijk 32.147 en 41.455,77 euro, terwijl de belastbare inkomsten van zijn echtgenote als werkneemster respectievelijk 63.781,90 en 73.331,14 euro bedroegen. Verzoeker verwijst naar kosten voor zijn beroepsactiviteit die verder zouden lopen, doch hij brengt dienaangaande geen stavingsstukken of nadere gegevens bij. De aanslagen in de personenbelasting brengen evenmin verduidelijking vermits verzoeker qua beroepskosten blijkt te hebben gekozen voor het wettelijk forfait. Dit wijst alleszins slechts op een beperkt bedrag aan kosten. Wat de hypothecaire lening betreft, vermeldt verzoeker geen enkel bedrag, noch van de lening zelf of van de maandelijkse aflossingen, en brengt hij ook geen enkel stuk bij.
- In de mate dat verzoeker het verlies aanhaalt van de mogelijkheid nieuw cliënteel te werven en zijn onderneming verder uit te bouwen, gaat het hoogstens om een indicatie dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing in de weg staat aan een bescheiden mogelijke vooruitgang door de uitvoering van een occasionele opdracht voor één Vlaamse klant. Deze mogelijkheid is te onzeker en te beperkt om de spoedeisendheid te kunnen aantonen. Verzoeker toont bovendien geenszins aan dat de inkomsten die zijn activiteit nog zou kunnen opleveren, volledig zouden wegvallen als gevolg van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Verzoeker heeft namelijk pas op 12 februari 2024 een beroepskaart gekregen. Zijn belastbare beroepsinkomsten bedroegen in 2023, zonder beroepskaart, 32.147 euro, terwijl ze in 2024, met een beroepskaart met ingang van 20 februari 2024, 41.455 euro bedroegen. Derhalve is het niet aannemelijk dat verzoeker in afwachting van de uitspraak over zijn beroep tot nietigverklaring geen inkomsten zou kunnen verwerven, noch dat hij een dermate groot inkomstenverlies zou lijden dat dit een faillissement teweeg zou brengen. VII-43.024-7/8
- Uit het voorgaande blijkt dat verzoeker niet aantoont ingevolge de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een dermate zwaar financieel- economisch (of ander) nadeel te lijden dat het verloop van de procedure tot nietigverklaring niet kan worden afgewacht zonder onherstelbare schade te berokkenen. Bijgevolg is de spoedeisendheid niet aangetoond. Conclusie
- Aangezien de in artikel 17, § 1, derde lid, van de RvS-wet bedoelde spoedeisendheid niet is aangetoond, is niet voldaan aan ten minste één van de in die bepaling gestelde voorwaarden die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenentwintig november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-43.024-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.917 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.