id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.922 Rolnummer: A. 242646/VII-42612 Zaak: Arrest 264922 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 21/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-27 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-15 07:00 Fiche Arrest nr 264.922 van 21 november 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 264.922 van 21 november 2025 in de zaak A. 242.646/VII-42.612 In zake : M.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gaël Bedert kantoor houdend te 2560 Kessel (Nijlen) Torenvenstraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Verbist kantoor houdend te 3550 Heusden-Zolder Pastoor Pacqualaan 184 tegen : het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE HAACHT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Swerts en advocaat Alisa Konevina kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 2 augustus 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. RvVb-A-2324-0869 van 27 juni 2024 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) in de zaak 2223-RvVb-0570-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 16.062 van 22 oktober
- VII-42.612-1/14 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 oktober
- Staatsraad Frédéric Vanneste heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gaël Bedert, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Alisa Konevina, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is eigenaar van een onroerend goed op het perceel gelegen te 3150 Wespelaar (Haacht), […], met als kadastrale omschrijving […]. VII-42.612-2/14 3.
- Op 15 maart 2021 vraagt verzoeker de opname als “vergund geacht” in het vergunningenregister van een onroerend goed met woonfunctie (‘woonhuis’) gelegen te 3150 Wespelaar (Haacht), […]. 3.
- De verwerende partij beslist op 20 mei 2021 om het ‘woonhuis’ gelegen aan de […] te Haacht niet op te nemen als “vergund geacht” in het vergunningenregister. 3.
- Tegen deze beslissing stelt verzoeker op 29 juni 2021 een beroep tot vernietiging in bij de RvVb. De RvVb vernietigt met arrest RvVb-A-2223-0211 van 3 november 2022 de beslissing van 20 mei 2021 en beveelt de verwerende partij een nieuwe beslissing te nemen over de aanvraag van verzoeker en dit binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de dag na de dag van de betekening van dit arrest. 3.
- De verwerende partij beslist op 23 februari 2023 om het ‘woonhuis’ gelegen aan de […] opnieuw niet op te nemen als “vergund geacht” in het vergunningenregister (hierna: aanvankelijk bestreden beslissing). 3.
- Arrest nr. RvVb-A-2324-0869 van 27 juni 2024 verwerpt het beroep van verzoeker dat gericht is tegen deze beslissing van de verwerende partij van 23 februari
- Dit is het bestreden arrest IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Verzoeker heeft in zijn “verzoek tot voortzetting ten einde te worden gehoord” schriftelijk gerepliceerd op het verslag van de eerste auditeur. Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een schriftelijke repliek in te dienen. Wanneer de auditeur concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen, VII-42.612-3/14 kan de verzoeker luidens artikel 18 van het cassatieprocedurebesluit vragen dat de procedure wordt voortgezet. Het “verzoek tot voortzetting ten einde te worden gehoord” van verzoeker wordt slechts als procedurestuk aanvaard in zoverre hierin de vraag wordt gesteld om de procedure voort te zetten teneinde te worden gehoord. In zoverre het stuk een schriftelijke voorbereiding vormt van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, wordt het beschouwd als een loutere inlichting. V. Ontvankelijkheid
- De memorie van antwoord gaat uit van zowel het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Haacht als van de gemeente Haacht. De partijen in een cassatieprocedure voor de Raad van State zijn dezelfde partijen als deze die in het geding waren voor het bestuursrechtscollege waarvan de beslissing het voorwerp uitmaakt van het cassatieberoep. De aanwijzing van de verwerende partij in cassatie volgt van rechtswege uit de hoedanigheid die deze partij voor het bestuursrechtscollege had als tegenpartij van de verzoekende partij in cassatie. Aangezien de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het bestreden arrest het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Haacht heeft aangeduid als enige verwerende partij, is het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Haacht de enige verwerende partij in de cassatieprocedure. VI. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een enig middel de schending aan van de artikelen 4.2.14, § 1 en 5.1.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) en “het onweerlegbaar vermoeden van vergunning”. VII-42.612-4/14 Verzoeker zet uiteen dat het betoog van de verwerende partij, daarin bevestigd door de RvVb, volledig gesteund is op het feit dat er een doorgang zou bestaan tussen het woonhuis (lees: hoofdgebouw) waarop het verzoek tot opname in het vergunningenregister betrekking heeft en het aangrenzende gedeelte dat – na het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning op 9 juni 1980 – werd bijgebouwd. Echter het verzoek tot opname in het vergunningenregister had enkel betrekking op het woonhuis (lees: hoofdgebouw), niet op alle bijgebouwen/aanhorigheden op het perceel. De verwerende partij betrekt volgens haar ook ten onrechte het later aangebouwde deel in haar beoordeling, hoewel niet relevant gelet op de omvang van het verzoek tot opname in het vergunningenregister. De verwerende partij erkent dat het woonhuis reeds werd opgericht in
- Zij benoemt dit als “het oudere deel van de constructie” om het te doen voorkomen alsof het woonhuis één geheel uitmaakt met het bijgebouw, maar het verzoek tot opname in het vergunningenregister had uitsluitend betrekking op het woonhuis, dat op vandaag nog volledig bestaat, los van de aanbouwen. Dat er een doorgang werd gecreëerd van het woonhuis naar de bijgebouwen impliceert immers niet dat het woonhuis niet langer zou bestaan, zoals opgericht voor
- Het voorzien van een doorgang is ook niet vergunningsplichtig. Dat het woonhuis is opgericht in 1935 staat niet ter discussie. Het woonhuis is zichtbaar op luchtfoto’s van voor 22 april 1962 en ook de verwerende partij erkent zelf uitdrukkelijk dat het woonhuis rond die periode is opgericht en alleszins voor de scharnierdatum van 22 april
- Aangezien het woonhuis reeds werd opgericht in 1935, geldt dat op dit woonhuis het onweerlegbaar vermoeden van vergunning van toepassing is. Met andere woorden geldt dat de verwerende partij geen tegenbewijs kan of mag leveren om het vermoeden van vergunning tegen te spreken. Anders oordelen zou impliceren dat het concept van een onweerlegbaar vermoeden volledig wordt uitgehold. Daarnaast geldt dat de verwerende partij het verzoek tot opname niet VII-42.612-5/14 kon weigeren, gelet op de bewoordingen van artikel 5.1.3, § 1, VCRO. Immers stelt deze bepaling dat de constructie wordt opgenomen in het vergunningenregister wanneer wordt aangetoond dat ze werd gebouwd voor 22 april 1962, hetgeen hier het geval is. In het aanvankelijk bestreden besluit wordt volgens verzoeker eveneens op grond van een tegenbewijs de opname van de constructie in het vergunningsregister geweigerd. Het gaat uiteraard niet op om eerst formeel te stellen dat het woonhuis (het zogenaamde “oude deel”) werd opgericht in 1935 en dus het onweerlegbaar vermoeden van vergunning te aanvaarden, om vervolgens een tegenbewijs aan te grijpen en de opname in het vergunningenregister te weigeren, zoals de verwerende partij doet in de voor de RvVb bestreden beslissing. De RvVb meent thans dat het woonhuis (lees: hoofdgebouw) van verzoeker niet voor een opname in het vergunningenregister in aanmerking komt, omdat het woonhuis - weliswaar gebouwd voor 1962 - op vandaag niet langer zou bestaan zoals het werd opgericht voor
- De RvVb stelt dat er geen sprake zou zijn van “tegenbewijzen”, doch wel elementen waaruit zou blijken dat er geen sprake is van een onweerlegbaar vermoeden, meer concreet doordat het woonhuis niet langer zou bestaan zoals opgericht voor 1962 (lees: ingevolge de deuropening naar – en de aanbouwen). Met betrekking tot de redenering van de verwerende partij merkt verzoeker vooreerst op dat het woonhuis als zodanig op zichzelf staat, los van enig bijgebouw. Het woonhuis kan letterlijk en figuurlijk geheel worden afgezonderd van de bijgebouwen die op latere datum werden opgericht. Het woonhuis kent daarbij een zelfstandige woonfunctie, die sinds de oprichting ervan onveranderd en onaangeroerd is gebleven. Het mag volgens verzoeker duidelijk zijn dat er een onderscheid bestaat tussen het woonhuis van 1935 en de latere bijgebouwen die tegen of rondom het woonhuis werden gebouwd. De verwerende partij heeft in het bestreden besluit overigens zelf aangegeven dat de constructie van het woonhuis in 1935 werd opgericht, zodat daaruit slechts kan worden afgeleid dat deze constructie op zichzelf staat. Los daarvan geldt dat de aanwezigheid van een deur, VII-42.612-6/14 zelfs al zou deze later zijn aangebracht in het woonhuis, geen onlosmakelijke verbondenheid creëert tussen het woonhuis en het achterliggende bijgebouw en nog minder een verval van het vermoeden van vergunning met zich brengt. De RvVb oordeelde bovendien ook in die zin in zijn eerste vernietigingsarrest van 3 november
- Het bijgebouw waarvan sprake, en waarvan de verwerende partij ten onrechte beweert dat het samen met het woonhuis één geheel zou uitmaken, werd pas opgericht na 8 juni
- Pas op dat moment werd de vergunning afgeleverd voor het oprichten van het bijgebouw, zodat er van enige “onlosmakelijke verbondenheid” tussen beide geen sprake is. Het woonhuis werd opgericht in 1935, het bijgebouw na
- Enkel het eerste maakt deel uit van het verzoek tot opname in het vergunningenregister, het tweede allerminst. Wanneer het woonhuis, zoals opgericht in 1935, op vandaag wordt bekeken, kan slechts worden geconcludeerd dat de constructie nog identiek dezelfde is als in
- Dat de verwerende partij meent dat er een doorgang werd gemaakt tussen het woonhuis en het achterliggende deel, doet daaraan geen afbreuk. Het woonhuis als zodanig is volgens verzoeker in ieder geval bestaand en bestaat nog steeds op zichzelf, en de verwerende partij komt met geen enkele ernstige motivering die het tegendeel aantoont. Aangezien de constructie van het woonhuis sinds 1935 onveranderd is gebleven, dient deze volgens verzoeker wel degelijk als bestaand te worden beschouwd en diende ze bijgevolg te worden opgenomen in het vergunningenregister. De enige vraag is of de constructie zoals opgericht voor 22 april 1962 op heden nog bestaand is en zich als zodanig manifesteert. Het enige antwoord dat volgens verzoeker op die vraag kan worden gegeven is “ja”. Er is geen enkel element uit het betoog van de verwerende partij dat het tegendeel aantoont: het woonhuis is nog steeds het woonhuis. Zodoende geldt volgens verzoeker een onweerlegbaar vermoeden van vergunning. VII-42.612-7/14 Met het bestreden arrest schendt de RvVb volgens verzoeker de artikelen 4.2.14, § 1 en 5.1.3 VCRO welke voorzien in de zogenaamde decretale vermoedens van vergunning. De RvVb voegt als het ware een voorwaarde toe aan het decreet door te stellen dat de constructie nog dient te bestaan zoals die werd opgericht voor
- Dit wordt niet bepaald in artikel 4.2.14, § 1 VCRO. De RvVb interpreteert volgens verzoeker artikel 4.2.14 § 1 VCRO juncto artikel 5.1.3 VCRO verkeerd, minstens past hij voormelde bepalingen verkeerd toe op onderhavige casus. Het criterium waarmee rekening dient te worden gehouden bij de beoordeling van het eventueel verval van het vermoeden van vergunning is het “bestaand” karakter van het gebouw waarvan de opname wordt verzocht. De verwerende partij heeft vastgesteld dat het woonhuis reeds in 1935 werd opgericht, i.e. voor de scharnierdatum van 22 april 1962, zodat zij en in navolging de RvVb ingevolge voormelde bepalingen diende over te gaan tot vaststelling van het onweerlegbaar vermoeden van vergunning enerzijds en de opname van het woonhuis in het vergunningenregister anderzijds. Zij heeft dit evenwel niet gedaan, en beperkt zich tot de bewering dat het woonhuis één geheel vormt met het achterliggende bijgebouw, zodat het woonhuis niet langer het vermoeden van vergunning zou genieten. Nochtans staat vast dat het woonhuis an sich nog steeds op eenzelfde manier aanwezig is als in
- De RvVb heeft derhalve volgens verzoeker een onwettig arrest geveld wegens overtreding van de wet, reden waarom het bestreden arrest dient te worden gecasseerd.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel. Hij voegt toe dat het verzoek tot opname in het vergunningsregister zich slechts beperkt tot het woonhuis. Waar de verwerende partij voorhoudt dat onder de “constructie” thans het samengestelde gebouw (oude én nieuwe gedeelte) zou dienen te worden beoordeeld, is dit volgens verzoeker manifest foutief. Ten eerste is de zogenoemde VII-42.612-8/14 wasplaats nooit een wasplaats geweest voor de bewoners in het woonhuis. De wasbak in de aanbouw dateert van de jaren tachtig en diende voor het wassen van de handen of materiaal na bijvoorbeeld het slachten van dieren in de nieuwe stal. Dit is ook duidelijk te zien aan de haken aan het plafond waar de dieren werden opgehangen. Het woonhuis an sich is altijd hetzelfde gebleven sinds de oprichting zonder WC, zonder wasplaats, zonder waterleiding en zonder centrale verwarming. Ten tweede, kan de loutere aanwezigheid van de zogenaamde doorgang tussen het woonhuis en de stal niet zomaar doen besluiten dat er sprake zou zijn van een onlosmakelijk verbonden constructie. Het woonhuis an sich bestaat nog steeds op zichzelf. Er is nooit een vermenging geweest tussen beide. Verzoeker verwijst in dat verband ook nog naar de rechtspraak van de RvVb. Het vermoeden van vergunning komt niet zomaar te vervallen zodra er niet vergunde bouwwerken worden uitgevoerd. Verzoeker stelt dat hij niet aan louter opportuniteitskritiek doet. De verwerende partij voegt volgens verzoeker een voorwaarde toe aan de bepalingen van artikel 4.2.14, § 1, VCRO en artikel 5.1.3 VCRO. Door voor te houden dat de loutere deuropening en de aanwezigheid van een wasbak in de stal ertoe leidt dat het woonhuis en de stal als een onlosmakelijk geheel zou moeten worden beschouwd, en zodoende het woonhuis an sich niet langer zou bestaan, zoals opgericht voor 1962, wordt door de RvVb een voorwaarde toegevoegd. Doordat het woonhuis gebouwd werd vóór 1962 en an sich nog steeds bestaand is, moet worden vastgesteld dat het woonhuis het onweerlegbaar vermoeden van vergunning geniet. Er kan dan ook geen tegenbewijs worden geleverd. Het relevant criterium is of het woonhuis gebouwd werd voor 1962 en nog bestaat. De aanbouw van 1980 kan er perfect van worden gescheiden en desgevallend zelfs afgebroken. VII-42.612-9/14 Beoordeling
- Vooreerst dient opgemerkt te worden dat in het cassatiemiddel kritiek wordt geuit op de aanvankelijk bestreden beslissing. Aangezien dergelijke kritiek niet gericht is tegen het bestreden arrest, is die kritiek niet ontvankelijk.
- Verder wordt er aan herinnerd dat de RvVb op onaantastbare wijze oordeelt over de feitelijke toedracht van de zaak en dat deze beoordeling door de Raad van State, optredend als cassatierechter, niet kan worden overgedaan. Het bestreden arrest stelt onaantastbaar vast dat het college in alle redelijkheid kon besluiten dat het hoofdgebouw waarvan de opname in het vergunningenregister wordt gevraagd een onlosmakelijk geheel uitmaakt met de bijgebouwen en niet meer bestaat zoals het werd opgericht vóór
- Kritiek op deze beoordeling is bijgevolg evenmin ontvankelijk.
- Verzoeker betoogt in het middel verder in essentie dat de RvVb “een voorwaarde toe[voegt] aan het decreet door te stellen dat de constructie nog dient te bestaan zoals die werd opgericht voor 1962”. Dit standpunt kan om de hierna volgende redenen niet onderschreven worden. Artikel 4.2.14 VCRO luidt: “§
- Bestaande constructies waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd werden vóór 22 april 1962, worden voor de toepassing van deze codex te allen tijde geacht te zijn vergund. §
- Bestaande constructies waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, worden voor de toepassing van deze codex geacht te zijn vergund, tenzij het vergund karakter wordt tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie. Het tegenbewijs, vermeld in het eerste lid, kan niet meer worden geleverd eens de constructie één jaar als vergund geacht opgenomen is in het VII-42.612-10/14 vergunningenregister. 1 september 2009 geldt als eerste mogelijke startdatum voor deze termijn van één jaar. Deze regeling geldt niet indien de constructie gelegen is in een ruimtelijk kwetsbaar gebied. §
- Indien met betrekking tot een vergund geachte constructie handelingen zijn verricht die niet aan de voorwaarden van § 1 en § 2, eerste lid, voldoen, worden deze handelingen niet door de vermoedens, vermeld in dit artikel, gedekt. §
- Dit artikel heeft nimmer voor gevolg dat teruggekomen wordt op in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen die het vergund karakter van een constructie tegenspreken.” Artikel 5.1.3 VCRO luidt in de historisch toepasselijke versie: “§
- Bestaande constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen of uithangborden, waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel in de zin van boek III, titel III, hoofdstuk VI van het Burgerlijk Wetboek is aangetoond dat ze gebouwd werden vóór 22 april 1962, worden in het vergunningenregister opgenomen als « vergund geacht », onverminderd artikel 4.2.14, § 3 en §
- Op de gemeentelijke overheid rust ter zake een actieve onderzoeksplicht. De vaststelling van de aanwezigheid van een geldig bewijs dat de bestaande constructie vóór 22 april 1962 gebouwd werd, en de omschrijving van de aard van dat bewijs, geldt als motivering voor de beslissing tot opname als « vergund geacht ». De vaststelling van het feit dat de constructie niet meer bestaat, van de afwezigheid van enig bewijsmiddel, of van het feit dat het voorhanden zijnde bewijsmiddel aangetast is door uitdrukkelijk aangegeven onregelmatigheden, geldt als motivering voor de weigering tot opname als « vergund geacht ». Een weigering tot opname als « vergund geacht », wordt per beveiligde zending aan de eigenaar betekend. §
- Bestaande constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen of uithangborden, waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel in de zin van boek III, titel III, hoofdstuk VI van het Burgerlijk Wetboek is aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, en waarvan het vergund karakter door de overheid niet is tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie, worden in het vergunningenregister opgenomen als « vergund geacht », onverminderd artikel 4.2.14, § 3 en §
- Op de gemeentelijke overheid rust ter zake een actieve onderzoeksplicht. Het vergunningenregister vermeldt de datum van opname van de constructie als « vergund geacht ». VII-42.612-11/14 De vaststelling van het feit dat bij de overheid geen geldig tegenbewijs bekend is, geldt als motivering voor een opname als « vergund geacht ». De vaststelling dat bij de overheid een geldig tegenbewijs bekend is, en de omschrijving van de aard daarvan, geldt als motivering voor de weigering tot opname als « vergund geacht ». Een weigering tot opname als « vergund geacht », wordt per beveiligde zending aan de eigenaar betekend. Deze mededelingsplicht geldt niet ten aanzien van die constructies waarvoor reeds een gemotiveerde mededeling werd verricht bij de opmaak van het ontwerp van vergunningenregister. §
- De opname of de weigering tot opname van een constructie als « vergund geacht » in het vergunningenregister kan worden bestreden met een beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, overeenkomstig en met inachtneming van de regelen, vermeld in hoofdstuk VIII van titel IV en het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges. Artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is van overeenkomstige toepassing.”
- Anders dan verzoeker meent, wordt geen voorwaarde toegevoegd aan de in het geding zijnde bepalingen. Uit artikel 4.2.14, § 1 VCRO volgt dat hij die zich beroept op het vermoeden dient aan te tonen dat de constructie werd gebouwd vóór de vermelde referentiedatum en dat het nog steeds gaat om dezelfde constructie. Daaruit volgt dat indien de constructie zodanig is gewijzigd of aangepast dat ze niet langer kan worden beschouwd als een bestaande constructie, het vermoeden van vergunning niet kan worden ingeroepen. De RvVb oordeelt onaantastbaar of de constructie zodanig is gewijzigd of aangepast dat die niet langer te beschouwen is als een bestaande constructie. De RvVb kan bij die beoordeling rekening houden met verbouwingen aan of uitbreidingen van de constructie. De Raad van State gaat wel na of de RvVb uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen. Uit de vaststelling dat er een doorgang werd gecreëerd tussen het oudere en het nieuwere gedeelte en uit de vaststelling van het gezamenlijk gebruik van de wasplaats leidt de RvVb af dat er sprake is van een onlosmakelijk geheel waardoor het hoofdgebouw niet meer bestaat zoals het werd opgericht voor
- Daarmee leidt VII-42.612-12/14 de RvVb geen gevolgen af die geen verband houden met zijn vaststellingen of die op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
- In zoverre verzoeker het onwettig gebruik van tegenbewijzen in de aanvankelijk bestreden beslissing aanvecht, is deze kritiek, zoals eerder opgemerkt, niet ontvankelijk. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen oordeelt dat de vermelding van ‘tegenbewijzen’ door de verwerende partij niet zozeer doelt op de in artikel 4.2.14, § 2, VCRO limitatief opgesomde bewijsmiddelen, maar betrekking heeft op de bewijsmiddelen die ontkrachten dat de constructie zoals ze vandaag bestaat, werd opgericht voor
- Verzoeker toont niet aan dat deze vaststelling onwettig is.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-42.612-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenentwintig november tweeduizend vijfentwintig door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Frédéric Vanneste staatsraad, met bijstand van Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.612-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.922 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div