← België

Arrest 264935 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen - 21/11/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.935 Rolnummer: A. 246382/XII-9951 Zaak: Arrest 264935 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen - 21/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-27 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-06-15 06:59 Fiche Arrest nr 264.935 van 21 november 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.935 no lien 286297 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 264.935 van 21 november 2025 in de zaak A. 246.382/XII-9951 In zake: I.M. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Stroobants en Leonie Denooze kantoor houdend te 2550 Kontich Prins Boudewijnlaan 5 tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 12 november 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing, genomen door de Federale Commissie voor Toezicht op de Praktijkvoering in de Gezondheidszorg op 12 september 2025, betreffende de schorsing van het visum van [v]erzoeker”. XII-9951-1/11 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 13 november 2025 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 november 2025. De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Leonie Denooze, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Evi Degroodt, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 4 februari 2024 is verzoeker met zijn bromfiets onderweg wanneer hij door de politie wordt tegengehouden en gecontroleerd. Bij controle van de bromfiets stelt de politie vast dat in de zadelkoffer en de koffer achterop de bromfiets op onhygiënische wijze allerlei medisch en niet-medisch materiaal zit opgeslagen, waaronder gebruikt medisch materiaal en algemeen afval. Verzoeker verklaart aan de politie dat hij een thuisverpleger is en dat hij onderweg is naar zijn patiënten. XII-9951-2/11 3.2. Omdat de manier waarop verzoeker zijn medisch materiaal organiseert en verplaatst zeer onhygiënisch is, bericht de politie de Zorginspectie van haar vaststellingen per e-mail van 4 februari 2024 en voegt zij hierbij ook enkele foto’s. 3.3. De Zorginspectie bericht op haar beurt de inspectie van de Nederlandstalige multidisciplinaire kamer van de Federale Commissie voor toezicht op de praktijkvoering in de gezondheidszorg (hierna: de toezichtcommissie) van de naar aanleiding van de politiecontrole gedane vaststellingen. 3.4. Op 20 mei 2025 stelt de inspecteur van de toezichtcommissie een proces-verbaal op overeenkomstig de artikelen 49, 51, 52 en 53 van de wet van 22 april 2019 ‘inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg’ (hierna: wet van 22 april 2019). De inspecteur stelt vast dat verzoeker inbreuken heeft begaan op artikel 45, eerste lid, 2°, juncto artikel 11, 11/1 en 11/2 van de wet van 22 april 2019. De inspecteur baseert zich voor het vaststellen van de inbreuken op de vaststellingen gedaan door de politie en voegt hiervoor de ondersteunende bijlagen bij het proces-verbaal van 20 mei 2025 toe. 3.5. Het proces-verbaal van 20 mei 2025 wordt ter kennis gebracht aan verzoeker per aangetekend schrijven van 16 juni 2025. In dit schrijven wordt verzoeker erop gewezen dat de toezichtcommissie een vermoedelijke tekortkoming heeft vastgesteld op het vlak van artikel 45, tweede lid, 1°, 2° en 5°, van de wet van 22 april 2019. XII-9951-3/11 Het schrijven verduidelijkt verder dat:

  1. i)er nog een definitieve beslissing dient te worden genomen over deze vermoedelijke tekortkoming en dat verzoeker hieromtrent zijn gemotiveerde opmerkingen kan overmaken binnen een termijn van 30 dagen door een e-mail of aangetekend schrijven te versturen en hij de mogelijkheid heeft om binnen dezelfde termijn te verzoeken om gehoord te worden en
  2. ii)een maatregel kan worden opgelegd tegen verzoeker, zoals een intrekking of schorsing van het visum, het opleggen van voorwaarden voor het behoud van het visum, of het opleggen van een verbeterplan. Het voornoemde schrijven en het bijgevoegde proces-verbaal van 20 mei 2025 kunnen niet door de postbode aan verzoeker worden overhandigd. Verzoeker laat na om het aangetekend schrijven af te halen bij het Bpost- ophaalpunt zodat deze wordt teruggezonden aan de Federale Commissie voor toezicht op de praktijkvoering in de gezondheidszorg. Er wordt bijgevolg door de toezichtcommissie nooit enige reactie vanwege verzoeker ontvangen. Hij dient noch gemotiveerde opmerkingen in, noch verzoekt hij om gehoord te worden. 3.6. Op 12 september 2025 beslist de Nederlandstalige multidisciplinaire kamer van de Federale Commissie voor toezicht op de praktijkvoering in de gezondheidszorg om het visum van verzoeker te schorsen. Dit is de bestreden beslissing. 3.7. De bestreden beslissing wordt aan verzoeker ter kennis gebracht per brief van 15 september, die op 16 september 2025 aangetekend wordt verstuurd. Opnieuw kan de aangetekende zending niet aan verzoeker worden overhandigd en opnieuw laat hij na om de aangetekende zending af te halen. IV. Ontvankelijkheid van de vordering 4. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.935 XII-9951-4/11 onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 5. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van verzoeker 6. Verzoeker laat ter verantwoording van de hoogdringendheid in essentie gelden dat
  3. i)hij door de schorsing van zijn visum zijn beroepswerkzaamheid niet langer kan uitoefenen en dat de gevolgen van de schorsing van het RIZIV-nummer voor hem ernstig zijn nu het hem de mogelijkheid ontneemt om zijn diensten aan te rekenen en de bijbehorende vergoedingen te ontvangen, wat betekent dat hij niet langer kan factureren aan de verplichte ziekteverzekering en hij bijgevolg zijn inkomen verliest;
  4. ii)het voor zich spreekt dat de schorsing van het visum en het verlies van inkomen zeer verregaande gevolgen zullen hebben en hem een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel zullen toebrengen, waarbij de dringende aard van de situatie eveneens blijkt uit het feit ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.935 XII-9951-5/11 dat de gevolgen van de schorsing onmiddellijk intreden, met name: de inkomstenstroom wordt abrupt stopgezet, terwijl de vaste beroepskosten (verzekeringen, sociale bijdragen, enz.) blijven doorlopen. Hij benadrukt dat elke dag dat de schorsing van kracht blijft, zijn financieel en professioneel nadeel verergert, waardoor een uitspraak over het beroep tot nietigverklaring niet kan worden afgewacht omdat het intussen opgelopen nadeel onomkeerbaar zou zijn en iii) de gevolgen van deze situatie niet louter financieel van aard zijn, doch de kern van zijn beroepsuitoefening raken, nu hij niet enkel zijn bestaansmiddelen verliest, maar bovendien wordt geconfronteerd met het reële risico dat zijn beroepsintegriteit en reputatie ernstige schade lijden. Dit klemt volgens verzoeker des te meer, nu in een sector waarin vertrouwen en continuïteit essentieel zijn, een dergelijke onderbreking in de activiteit kan leiden tot verlies van patiënten, samenwerkingsverbanden en professionele geloofwaardigheid. Deze schade is volgens verzoeker niet louter hypothetisch, maar moeilijk, zo niet onmogelijk, volledig te herstellen, zelfs indien de Raad van State op een later tijdstip de bestreden beslissing zou vernietigen. Beoordeling 7. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. Het is om die reden dat, zoals overwogen in het arrest van de Algemene Vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, nr. 249.313 van 22 december 2020, de Raad van State met een zekere gestrengheid de voorwaarden beoordeelt die vervuld moeten zijn opdat deze vordering kan worden ingewilligd. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.935 XII-9951-6/11 zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Daarbij is overeenkomstig artikel 17, § 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereist dat “in het opschrift van de vordering vermeld is dat de zaak bij uiterst dringende noodzakelijkheid, en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, behandeld dient te worden”. Luidens artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij, zoals wordt aangegeven in de parlementaire voorbereiding, waarin wordt gesteld dat “[d]e procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid […] bovendien uitzonderlijk [moet] blijven en […] hoe dan ook alleen [mag] worden aangewend voor zaken waarin een verzoeker de noodzaak aantoont dat binnen een termijn van maximaal vijftien dagen moet worden opgetreden” (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022-2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 11-12), aan de hand van precieze, concrete en verifieerbare gegevens dient aan te tonen dat indien de zaak binnen een termijn van meer dan vijftien dagen zou worden behandeld, de uitspraak van de Raad van State onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. Alleen de elementen die zij in haar verzoekschrift aanvoert, kunnen in aanmerking worden genomen. Het is aan de verzoekende partij om in haar verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid de specifieke en concrete redenen te vermelden waarom de gewone vordering tot schorsing voorzien in artikel 17, § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet geschikt is om het door haar aangevoerde nadeel tijdig op te vangen of haar belangen tijdig veilig te stellen, rekening houdend met de in die bepaling vermelde behandelingstermijnen, en met de mogelijkheid voor de kamer die de zaak behandelt om een datum voor de zitting ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.935 XII-9951-7/11 te bepalen afhankelijk van de mate van urgentie die in het verzoek wordt aangevoerd. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure een verzoekende partij niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling haar volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan zou zijn, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. 8. Bij de concrete uitwerking van de uiterst dringende noodzakelijkheid moet een verzoekende partij er zich voor hoeden dat begrip niet op een algemene wijze te omschrijven. Algemene beschouwingen die niet worden ondersteund door concrete elementen kunnen niet in aanmerking worden genomen. Het bewijs van de uiterst dringende noodzakelijkheid mag zich niet beperken tot een theoretische uiteenzetting doch vereist het aanreiken van concrete, specifieke op de verzoekende partij betrekking hebbende en verifieerbare gegevens dat zij het resultaat van de gewone schorsingsprocedure zoals voorzien in artikel 17, § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige, onherroepelijke schadelijke gevolgen. XII-9951-8/11 9. Voorts dient, wie aanvoert redenen te hebben die een zodanige urgentie verantwoorden dat niet alleen niet de uitkomst van een beroep tot nietigverklaring kan worden afgewacht, maar zelfs niet een schorsing die volgens de gewone procedure zou worden bevolen, zich daar ook naar te gedragen. Dit wordt beoordeeld in het licht van de diligentie die de verzoekende partij bij het instellen van haar vordering, al dan niet, aan de dag heeft gelegd. Diligent optreden is derhalve vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid en het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing wordt mede afgemeten naar de haast die een verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. Een verzoekende partij die zonder afdoende reden talmt met het instellen van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, geeft er blijk van die uiterst dringende noodzakelijkheid zelf niet ernstig te nemen. Het is vanaf het ogenblik waarop de uiterst dringende noodzakelijkheid ontstaat, dat een verzoekende partij met passende voortvarendheid moet optreden. Dit ogenblik moet niet – maar kan nog wel – samenvallen met het ogenblik dat de verzoekende partij kennis krijgt van de bestreden rechtshandeling. Het valt evenwel aan een verzoekende partij toe om op heldere en overtuigende wijze de (nieuwe of veranderde) feiten en omstandigheden die tot gevolg hebben dat de zaak niet (langer) verenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing, uiteen te zetten, ze aannemelijk te maken en ze in de tijd te situeren. Dit laatste is van belang omdat deze feiten en omstandigheden het uitgangspunt vormen om de diligentie van de verzoekende partij te beoordelen. 10. De bestreden beslissing wordt aan verzoeker ter kennis gebracht per brief van 15 september 2025, die op 16 september 2025 aangetekend wordt verstuurd. Uit betreffend schrijven blijkt dat de met de bestreden beslissing opgelegde schorsing van zijn visum van gezondheidsbeoefenaar ingaat op 20 september 2025. Verzoeker heeft de voorliggende vordering pas op 12 november 2025 ingesteld. XII-9951-9/11 Nog daargelaten het gegeven dat verzoeker het aangetekend schrijven, waarmee hij op de hoogte werd gesteld van de bestreden beslissing, heeft verzuimd af te halen bij het Bpost-afhaalpunt, waarvoor door hem noch enige verklaring, laat staan overmacht wordt aangevoerd, kan niet worden aangenomen dat hij, tot op het ogenblik dat zijn raadsman per e-mailcorrespondentie van 30 en 31 oktober 2025 verhaal haalde bij de Federale Commissie voor toezicht op de praktijkvoering in de gezondheidszorg, in de onwetendheid verkeerde over de in zijn hoofde op 20 september 2025 ingegane schorsing van zijn visum. Het tijdsverloop van 53 dagen – dat bijna de gehele beroepstermijn van 60 dagen omvat – tussen de uitwerking van de bestreden beslissing en het indienen van het verzoekschrift, houdt de negatie in van de uiterst dringende noodzakelijkheid. Door verzoeker wordt dienaangaande geen argument aangevoerd dat zijn dralen kan goedmaken. Het doet immers niets af aan de hiervoor gestelde eis dat, indien volgens verzoeker de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing volgens de gewone procedure te laat zal komen omdat het nadeel door het verloop van de tijd onherstelbaar zal zijn geworden, hij het nodige moet doen om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. De uitermate hoge graad van urgentie die thans door verzoeker aan de zaak wordt toegeschreven, valt niet te verzoenen met het manifest gebrek aan diligentie in zijnen hoofde. Verzoeker diende dan ook vanaf het moment dat hij kennis had van de bestreden beslissing zijn vordering tot schorsing in te stellen, gelet op het ingaan van de schorsing op 20 september 2025, zijnde kortelings na het nemen van de thans bestreden beslissing. Het thans door verzoeker aangevoerde betoog ter verantwoording van de vermeende hoogdringendheid, nog daargelaten het gegeven dat hij zich beperkt tot een algemene, vage en hypothetische uiteenzetting zonder die te steunen op concrete gegevens, overtuigende argumenten en pertinente stavingsstukken ter zake, doet geen afbreuk aan de voorgaande vaststelling. XII-9951-10/11 11. Uit het voorgaande volgt dat verzoeker niet met de vereiste diligentie is opgetreden. Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering is niet aangetoond. Conclusie 12. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenentwintig november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Chantal Bamps XII-9951-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.935 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.