id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.947 Rolnummer: A. 246197/XIV-39902 Zaak: Arrest 264947 - Overheidsopdrachten - 24/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-11-27 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-15 06:56 Fiche Arrest nr 264.947 van 24 november 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.947 no lien 286425 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 264.947 van 24 november 2025 in de zaak A. 246.197/XIV-39.902 In zake: de BV R. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tim Van Cauter kantoor houdend te 8790 Waregem Zultseweg 101 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE VERVOERSMAATSCHAPPIJ DE LIJN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Maeyaert kantoor houdende te 1000 Brussel Koloniënstraat 18-24 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de BV V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Van Heuven kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 22 oktober 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van onbepaalde datum van de raad van bestuur van de Vlaamse Vervoersmaatschappij De Lijn [die] de offerte van Verzoekende Partij onregelmatig bevindt en weert”. XIV-39.902-1/14 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 23 oktober 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Met een verzoekschrift van 4 november 2025 heeft de bv V. gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 november 2025, om 12:00 uur. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tim Van Cauter, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Eline Schepens, die loco advocaat Stijn Maeyaert verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Dirk Van Heuven, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht uit voor de aanneming van werken met als voorwerp ‘Raamovereenkomst wegenis Antwerpen kleine en middelmatige onderhouds- en vernieuwingsprojecten in de spoorzone’. XIV-39.902-2/14 3.
- De opdracht wordt nationaal en Europees bekendgemaakt. Als plaatsingsprocedure wordt gekozen voor een openbare procedure met de prijs als enig gunningscriterium. 3.
- Blijkens het bestek dat op de opdracht van toepassing is, wordt de opdracht geraamd op “een totaal van 7 300 000 euro voor de volledige looptijd”, en heeft de raamovereenkomst een initiële looptijd van 1 jaar, doch verlengbaar met telkens 1 jaar, met een maximum aantal verlengingen van 3 keer. 3.
- De verzoekende partij, de bv V. en de nv S. dienen een offerte in. De verzoekende partij heeft als enige inschrijver geen prijs ingevuld voor de post 1 ‘Globale prijs voor het afsluiten van een verzekeringspolis ‘Alle bouwplaatsrisico’s’, volgens 1-4’. 3.
- Een gunningsverslag wordt opgesteld op 12 mei 2025, waarin de offerte van de verzoekende partij onregelmatig wordt verklaard op basis van artikel 84, §2, van koninklijk besluit van 18 juni 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de speciale sectoren’ (hierna: het koninklijk besluit plaatsing van 18 juni 2017), en wordt voorgesteld de opdracht te gunnen aan de bv V. De verzoekende partij stelt een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en nietigverklaring in tegen de voormelde gunningsbeslissing. Deze gunningsbeslissing wordt op 11 juli 2025 ingetrokken. Bij arrest nr. 264.360 van 29 september 2025 wordt de vordering tot schorsing en tot nietigverklaring bijgevolg verworpen. 3.
- Met een brief van 29 juli 2025 deelt de verwerende partij aan de bv V. mee dat uit nazicht van haar offerte blijkt dat de eenheidsprijzen voor een XIV-39.902-3/14 aantal posten van de opdracht aanleiding geven tot een “prijsbevraging”. Op 8 augustus 2025 verstrekt de bv V. een prijsverantwoording. 3.
- Op 29 september 2025 wordt een nieuw gunningsverslag opgesteld. Onder punt 6 ‘Rekenkundig nazicht’ wordt het volgende gesteld: bv V. bv R. XIV-39.902-4/14 nv S. bv V. bv R. nv S. bv V. bv V. bv V. bv V. V. bv Bv V. bv V. bv V. […] XIV-39.902-5/14 bv V. bv V. S. nv bv V. bv V. nv S. bv R. ” Op basis van de eindrangschikking wordt (opnieuw) voorgesteld de opdracht te gunnen aan de bv V. 3.
- Op 7 oktober 2025 beslist G.L., directeur Techniek van de verwerende partij om de opdracht te gunnen aan de bv V. Onder punt 4 ‘Marktraadpleging’ wordt gesteld: “Rekenkundig nazicht De offertes van inschrijvers [bv V.] en [nv S.] zijn conform en bevatten geen abnormale totaal- of eenheidsprijzen. Voor de offerte van inschrijver [bv V.] werd op 30 juli 2025 een verzoek prijsverantwoording uitgestuurd dat op 9 augustus tijdig beantwoord werd. De offerte van [de bv R.] word[t] op basis art. 84 §2 van het KB Plaatsing van 18 juni 2017 onregelmatig verklaard. Besluit De beoordeling aan de hand van de gunningcriteria geeft volgend resultaat: Inschrijver bedrag (excl. BTW) 1 [bv V.] € 1.669.931,50 2 [nv S.] € 2.959.433,90 Verdere details zijn terug te vinden in het gunningverslag. De beoordelingscommissie stelt voor de opdracht te gunnen aan [de bv V.]” XIV-39.902-6/14 Dit is de bestreden gunningsbeslissing. 3.
- Met een e-mailbericht en een aangetekende brief van 7 oktober 2025 wordt de verzoekende partij ervan in kennis gesteld dat haar offerte onregelmatig is bevonden en wordt geweerd. De motieven voor deze wering die opgenomen zijn in het gunningsverslag worden in de kennisgevingsbrief opgenomen. Ook aan de gekozen inschrijver wordt met een aangetekende brief van 7 oktober 2025 meegedeeld dat zijn offerte voor de opdracht is gekozen, met als bijlage het gunningsverslag. IV. Tussenkomst
- De bv V. blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg wordt haar verzoek tot tussenkomst ingewilligd. V. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Op 11 november 2025 legt de verzoekende partij een pleitnota neer waarin zij een nieuw middel ontwikkelt. Op 12 november 2025, enkele uren voor de terechtzitting, legt de verwerende partij bijkomende stukken neer.
- Het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ voorziet niet in de mogelijkheid tot het indienen van een dergelijke pleitnota en bijkomende stukken. XIV-39.902-7/14 Indien een middel al zou mogen worden aangebracht in een pleitnota, mag zulks enkel gebeuren indien de daarin aangevoerde onrechtmatigheid evident lijkt en bijgevolg over alle aspecten ervan ter terechtzitting debat kan worden gevoerd. Tevens lijkt te kunnen worden verwacht dat een dergelijke nota met een nieuw middel zo spoedig mogelijk na kennisname van de gegevens waarop dat nieuwe middel steunt aan de Raad van State en de verwerende partij wordt bezorgd.
- Vastgesteld dient te worden dat de verzoekende partij het nieuw middel in de pleitnota steunt op gegevens die zij pas kon kennen na inzage van ‘stuk 12’ van het administratief dossier, zijnde het vertrouwelijk stuk 9 ‘Gemotiveerde gunningsbeslissing dd. 29 september 2025 en kennisgeving aan overige inschrijvers dd. 7 oktober 2025’, dat de verwerende partij, op vraag van het auditoraat, op 7 november 2025 als een niet-vertrouwelijk stuk heeft neergelegd. Voorts blijkt dat zij haar pleitnota op 11 november 2025, na kennisname van dat betrokken stuk, aan de overige partijen en de Raad heeft bezorgd. Blijft de vraag of de in het nieuwe middel aangevoerde onrechtmatigheden evident lijken en bijgevolg over alle aspecten ervan ter terechtzitting debat kon worden gevoerd, vraag die te dezen lijkt samen te vallen met een onderzoek van het ernstig karakter ervan. VI. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken
- De verzoekende partij en de verwerende partij vragen om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door hen neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduiden en waarbij zij de redenen opgeven waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vragen. Er zijn geen gronden aangevoerd door de partijen om het aangevoerde vertrouwelijk karakter ervan, althans in deze fase van het geding, te XIV-39.902-8/14 lichten. De Raad van State mag overigens deze stukken in zijn beoordeling betrekken. VII. Ontvankelijkheid van de vordering
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VIII. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. IX. Onderzoek van de middelen A. (Oorspronkelijk) enig middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert in een enig middel de schending aan van artikel 4, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: de wet van 17 juni 2016), artikel 74, §§1 en 2, en artikel 84, § 2, van het koninklijk besluit van 18 juni 2017, artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.947 XIV-39.902-9/14 wet van 29 juli 1991), de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheids- en het proportionaliteitsbeginsel, “Doordat Verwerende Partij omwille van het voorhanden zijn van 1 leemte, de offerte van Verzoekende Partij zonder meer als substantieel onregelmatig heeft verklaard; Terwijl Verwerende Partij wanneer een inschrijver voor een willekeurige post van de samenvattende opmeting geen prijs heeft vermeld, de aanbestedende entiteit de offerte kan behouden door de leemte aan te vullen met behulp van de formule bepaald in art. 84 § 2 van het KB van 18/06/2017; Terwijl Verwerende Partij aanbestedende overheid bij de regelmatigheidsbeoordeling van de offertes steeds gehouden is het gelijkheids-, redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel in acht te nemen.” Beoordeling
- De verzoekende partij heeft in dit middel kritiek op de onregelmatig verklaring van haar offerte.
- Blijkens het gunningsverslag van 29 september 2025 worden evenwel alle offertes, de offerte van de verzoekende partij inbegrepen – ook al was die eerder onregelmatig verklaard –, gerangschikt op basis van het enig gunningscriterium ‘prijs’, en wordt haar offerte als tweede gerangschikt, na de offerte van de bv V., de uiteindelijk gekozen inschrijver. De Raad van State stelt bijgevolg ambtshalve vast dat, zelfs indien het middel ernstig zou worden bevonden en de offerte van de verzoekende partij niet als onregelmatig diende te worden beschouwd, zij in de eindrangschikking nog steeds slechts als tweede inschrijver zou zijn gerangschikt. De verzoekende partij zet althans zelf niet uiteen hoe een herbeoordeling van de regelmatigheid van haar offerte ertoe zou kunnen leiden dat haar offerte alsnog voor gunning van de opdracht in aanmerking zou komen, zodat zij op het eerste gezicht geen belang heeft bij het middel.
- Het (enig) middel wordt verworpen. XIV-39.902-10/14 B. Tweede (nieuw) middel Uiteenzetting van het middel
- In de voormelde pleitnota voert de verzoekende partij in een “bijkomend middel” de schending aan van artikel 105 van de Grondwet, de “onbevoegdheid van de steller van de administratieve rechtshandeling”, artikel 5 van de wet van 17 juni 2013, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel, “Doordat Verwerende Partij blijkbaar het nemen van de gunningsbeslissing overgelaten heeft aan een zekere dhr. [K.D.] waarvan geenszins kan worden aangenomen dat deze bevoegd is om deze beslissing namens Verwerende Partij te nemen; Doordat de brief dd. 7/10/2025 van dhr. [K.D.], waarin er wordt meegedeeld dat de offerte van de weerhouden inschrijver wordt gekozen, niet verwijst naar het gunningsverslag dd. 29/09/2025 noch stelt dat de motieven die hierin zijn opgenomen, de gunningsbeslissing dragen; Terwijl een gunningsbeslissing of een beslissing die een offerte van een inschrijver als onregelmatig weert slechts wettig is genomen wanneer zij van het wettelijk aangewezen orgaan uitgaat; Terwijl een gunningsbeslissing niet enkel de naam van de gekozen inschrijver moet bevatten, maar ook de juridische en feitelijke motieven, waaronder de kenmerken en relatieve voordelen van de gekozen offerte;” De verzoekende partij voert in essentie aan dat niet blijkt dat K.D., die de kennisgevingsbrieven van 7 oktober 2025 heeft ondertekend, “zonder enige aanduiding van titel of functie”, bevoegd is om de bestreden gunningsbeslissing en beslissing tot wering van haar offerte te nemen, alsook dat in die brieven niet wordt verwezen naar het voornoemd gunningsverslag, noch wordt gesteld dat de keuze voor de bv V. gesteund is op de motieven opgenomen in het gunningsverslag. Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 5, 8°, van de wet van 17 juni 2013 bevat de gemotiveerde gunningsbeslissing de namen van de inschrijvers van wie de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.947 XIV-39.902-11/14 offerte onregelmatig is bevonden en de juridische en feitelijke motieven voor hun wering, alsook, overeenkomstig artikel 5, 9°, van dezelfde wet, de namen van de gekozen inschrijver(s) en van de inschrijvers van wie de regelmatige offerte niet werd gekozen, alsook de juridische en feitelijke motieven, waaronder de kenmerken en relatieve voordelen van de gekozen offerte(s). Luidens artikel 8, § 1, eerste lid, 2°, van de wet van 17 juni 2013 wordt, eenmaal de gunningsbeslissing is genomen, aan de inschrijvers waarvan de offerte onregelmatig is verklaard, enkel de motieven van hun wering, in de vorm van een uittreksel van de gemotiveerde beslissing, ter kennis gebracht.
- Overeenkomstig deze bepaling worden aan de verzoekende partij de motieven voor de wering van haar offerte ter kennis gebracht met een brief van 7 oktober 2025 van de verwerende partij, ondertekend door K.D. Zoals hoger gesteld (zie supra, punt 7) heeft de verwerende partij, op vraag van het auditoraat, op 7 november 2025 het vertrouwelijk stuk 9 ‘Gemotiveerde gunningsbeslissing dd. 29 september 2025 en kennisgeving aan overige inschrijvers dd. 7 oktober 2025’, als een niet-vertrouwelijk stuk 12 in het administratief dossier bijgevoegd. Het betreft de kennisgeving aan de overige inschrijvers met als bijlage het gunningsverslag. In antwoord op de pleitnota heeft de verwerende partij het administratief dossier voorts nog aangevuld met de eigenlijke gunningsbeslissing genomen door G.L., directeur Techniek, ondertekend op 1 oktober 2025, alsook de delegatiebeslissing van de raad van bestuur van 19 februari 2025 en een nota aan de raad van bestuur van 19 februari 2025, ondertekend door haar voorzitter. Uit dit delegatiebesluit van de raad van bestuur van de verwerende partij van 19 februari 2025 blijkt op het eerste gezicht dat zowel aan de directeur-generaal als aan de directeur Techniek & SCM de bevoegdheid is verleend om, met betrekking tot deze concrete opdracht, individueel handelend “alle administratieve en juridische handelingen (zoals daar zijn maar niet beperkt ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.947 XIV-39.902-12/14 tot selectiebeslissing, noodzakelijke bestekaanpassingen,…) te stellen tot en met de gunnings- en vastleggingsbeslissing zolang het gunningsbedrag de raming met niet meer dan 40% overschrijdt”.
- Voor zover in het nieuw middel wordt aangevoerd dat K.D., zijnde de ondertekenaar van de kennisgevingsbrief, niet bevoegd is om de bestreden gunningsbeslissing te nemen, lijkt het middel op het eerste gezicht uit te gaan van het verkeerd uitgangspunt dat K.D. de eigenlijke gunningsbeslissing zou hebben genomen. De bestreden gunningsbeslissing, hierin begrepen de beslissing tot wering van de offerte van de verzoekende partij, lijkt daarentegen op het eerste gezicht rechtsgeldig te zijn genomen door G.L., directeur Techniek, daartoe bevoegd bij delegatie verleend bij een beslissing van de raad van bestuur van de verwerende partij van 19 februari
- Voor zover in het nieuw middel voorts nog wordt aangevoerd dat in die (kennisgevings)brieven niet wordt verwezen naar het voornoemd gunningsverslag, noch wordt gesteld dat de keuze voor de bv V. gesteund is op de motieven opgenomen in het gunningsverslag, blijkt dat in de voornoemde gunningsbeslissing genomen door de directeur Techniek wel wordt verwezen naar het gunningsverslag, dat ook als bijlage is gevoegd.
- Het middel is niet ernstig. BESLISSING
- Het verzoek van de bv V. tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vordering. XIV-39.902-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vierentwintig november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Patricia De Somere, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Patricia De Somere XIV-39.902-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.947 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.185 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.