← België

Arrest 264978 - Niet begeleide minderjarigen - 26/11/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.978 Rolnummer: A. 246051/VII-43039 Zaak: Arrest 264978 - Niet begeleide minderjarigen - 26/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-01 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-15 06:50 Fiche Arrest nr 264.978 van 26 november 2025 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 264.978 van 26 november 2025 in de zaak A. 246.051/VII-43.039 In zake: D.T. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Juliette Richir kantoor houdend te 5000 Namen Rue Patenier 52 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Onze-Lieve-Vrouwstraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 6 oktober 2025 een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 4 augustus 2025 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De beschikking van 7 oktober 2025 stelt de procedurekalender vast. VII-43.039-1/15 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft op 4 november 2025 een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 november 2025, om 11 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ignace Oger, die loco advocaat Juliette Richir verschijnt voor verzoeker, en advocaat Filip Stouthuysen, die loco advocaat Ine De Cneudt verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. Verzoeker komt België binnen en hij wordt op 28 juli 2025 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Hij heeft verklaard van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 1 mei
  5. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoekers voorgehouden leeftijd. VII-43.039-2/15 In het Universitair Ziekenhuis Pellenberg te Leuven ondergaat verzoeker op 31 juli 2025 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “op datum van 31-07-2025 een leeftijd heeft van 21,5 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Op 4 augustus 2025 beslist de dienst Voogdij verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat hij geen voogd zal krijgen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden
  6. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. V. Ernst van de middelen Uiteenzetting van het middel
  7. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet), van artikel 7, § 1 en 3, van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, VII-43.039-3/15 Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: koninklijk besluit van 22 december 2003), van de artikelen 27 en 28 van de wet van 16 juli 2004 ‘houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht’ (hierna: WIPR), van de materiëlemotiveringsplicht, van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, van artikel 14 van verordening (EU) 2016/1191 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 ‘inzake de bevordering van het vrije verkeer van burgers door vereenvoudigde overlegging van bepaalde openbare documenten in de Europese Unie en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012’ (hierna: verordening 2016/1191), gelezen in het licht van overwegingen 3 en 31, van het beginsel van loyale samenwerking, zoals vervat in artikel 4, § 3, van het verdrag ‘betreffende de Europese Unie’ (hierna: VEU), en van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM).
  8. In een eerste middelonderdeel wijst verzoeker op de stereotiepe motivering in de bestreden beslissing over de redenen waarom geen rekening wordt gehouden met zijn verklaringen omtrent zijn leeftijd en waarom het resultaat van het medisch onderzoek waaruit een leeftijd van 21,5 jaar blijkt, primeert. Aangezien deze stereotiepe motivering verzoeker niet in staat stelt te begrijpen waarom hij wordt beschouwd als ouder dan 18 jaar, meer bepaald 21,5 jaar, is te dezen de formelemotiveringsplicht geschonden en is er sprake van een motiveringsgebrek. Verzoeker acht de motivering in de bestreden beslissing dat hij ouder is dan 18 jaar en niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 5 van de voogdijwet, gebrekkig, stereotiep, onvolledig, ontoereikend en onjuist. Verzoekers dossier en bij uitbreiding de problematiek van de identificatie van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen in het algemeen, werd niet op ernstige wijze onderzocht. Bovendien vermeldt de bestreden beslissing niet waarom verzoekers leeftijd in twijfel werd getrokken. Ze gaat evenmin in op de resultaten van de verschillende deelonderzoeken, doch ze is uitsluitend gebaseerd op de conclusie VII-43.039-4/15 van het medisch verslag, die manifest ontoereikend en onjuist is, zonder dat wordt vermeld dat uit bepaalde deelonderzoeken voortvloeit dat verzoeker minderjarig kan zijn en dat daarover twijfel bestaat. Verzoeker stelt in dit verband nog dat uit de bestreden beslissing niet blijkt welke informatie hem werd meegedeeld om zijn toestemming met het medisch onderzoek te bekomen. Verder schendt de bestreden beslissing artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003, nu de dienst Voogdij geen informatie heeft ingewonnen bij de consulaire of diplomatieke posten van verzoekers land van herkomst of een persoonlijk onderhoud heeft georganiseerd met verzoeker, die thans aangeeft over bepaalde documenten te beschikken die kunnen aantonen dat hij jonger is dan 18 jaar, namelijk een kopie van zijn taskara en een kopie van zijn geboorteakte, en die hij zou hebben overgelegd bij zijn verzoek om internationale bescherming. Daarnaast legt hij thans nog een kaart neer, afgeleverd door het opvangcentrum voor minderjarigen waar verzoeker in Griekenland verbleef, alsook een verslag van zijn sociaal assistent. Anders dan de bestreden beslissing laat uitschijnen, betreft het resultaat van het medisch onderzoek slechts één relevant element naast andere voor de leeftijdsschatting, aldus verzoeker. Ten slotte stelt verzoeker de betrouwbaarheid van medische leeftijdstesten in het algemeen in vraag en verwijst daartoe naar het standpunt van de Orde der artsen, een verslag van het Platform kinderen op de vlucht en een verslag van de Raad van Europa.
  9. In een tweede middelonderdeel verwijst verzoeker naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 6 maart 2025 in de zaak 47836/21 F.B. tegen België, alsook naar een arrest van de Raad van State van 27 mei 2025, waarin naar voormeld arrest van het EHRM wordt verwezen, en laat hij gelden dat het besluitvormingsproces dat leidde tot de bestreden beslissing niet was omringd met voldoende waarborgen in het licht van artikel 8 van het EVRM. Het EHRM overweegt in voormeld arrest enerzijds dat de betrokkene behoorlijk moet worden geïnformeerd over zijn rechten in het kader VII-43.039-5/15 van de uitvoering van het drievoudig medisch leeftijdsonderzoek en moet worden ingelicht over de noodzaak van zijn instemming met het medisch leeftijdsonderzoek, en anderzijds dat medische leeftijdsonderzoeken omwille van hun ingrijpend karakter slechts in laatste instantie uitgevoerd horen te worden, wanneer andere middelen om de twijfel over de leeftijd van de betrokkene weg te nemen geen uitsluitsel hebben geboden. Verzoeker stelt dat te dezen aan geen van beide voorwaarden is voldaan. Beoordeling
  10. De schending van artikel 62 van de vreemdelingenwet kan niet dienstig worden aangevoerd tegen de bestreden beslissing, die met toepassing van de voogdijwet is genomen en dus niet met toepassing van de vreemdelingenwet. Waar verzoeker in het opschrift van het middel een schending aanvoert van de artikelen 27 en 28 van het WIPR, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van artikel 14 van verordening 2016/1191, gelezen in het licht van overwegingen 3 en 31 van die verordening en van het beginsel van loyale samenwerking, zoals vervat in artikel 4, § 3, van het VEU, lijkt hij noch in het eerste, noch in het tweede middelonderdeel uiteen te zetten op welke wijze deze bepalingen zouden zijn geschonden.
  11. Het enige middel is in die mate prima facie niet ontvankelijk. Eerste onderdeel van het enige middel
  12. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten VII-43.039-6/15 volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Op het eerste gezicht lijkt verzoeker geen belang te hebben bij het opwerpen van deze schending, minstens blijkt de doelstelling van de formelemotiveringsplicht te zijn bereikt. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de beslissing wordt vermeld. Het is niet vereist dat wordt aangegeven welke medische onderzoeken werden uitgevoerd. Evenmin is het vereist dat het verslag van het medisch onderzoek aan verzoeker werd meegedeeld alvorens de bestreden beslissing werd genomen. Te dezen vermeldt de bestreden beslissing dat en waarom de dienst Vreemdelingenzaken twijfel heeft geuit over verzoekers voorgehouden leeftijd, dat verzoeker geen documenten kon voorleggen die zijn leeftijd kunnen bewijzen en er geen elementen waren die de twijfel over zijn leeftijd konden wegnemen, dat verzoeker schriftelijk akkoord ging met het medisch onderzoek, en geeft ze de conclusie van het leeftijdsonderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Bovendien maakt het verslag van het medisch onderzoek deel uit van het administratief dossier en vermeldt de bestreden beslissing uitdrukkelijk de mogelijkheid om dat verslag te raadplegen. Verzoeker voert niet aan en toont a fortiori niet aan dat hij er geen kennis van kon nemen. Verzoeker lijkt overigens kennis te hebben van de resultaten van de drie uitgevoerde onderzoeken, te weten het orthopantomogram, het onderzoek van de sleutelbeenderen en de handpolsradiografie die in het medisch verslag van 31 juli 2025 zijn opgenomen, vermits hij in het middel onder meer stelt dat te dezen uit de resultaten van bepaalde medische deelonderzoeken volgt dat hij minderjarig zou kunnen zijn.
  13. Waar verzoeker in het middel kritiek uit op het eindresultaat van VII-43.039-7/15 de medische leeftijdstest, stellende dat dit manifest fout en ondeugdelijk is omdat bij de eindconclusie geen rekening werd gehouden met het feit dat uit de resultaten van bepaalde deelonderzoeken volgt dat verzoeker minder dan 18 jaar oud zou kunnen zijn, werpt hij in wezen een schending van de materiëlemotiveringsplicht op. Deze houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Zoals uit de beoordeling van het tweede middelonderdeel infra zal blijken, lijkt de dienst Voogdij prima facie te hebben onderzocht of de twijfel omtrent verzoekers minderjarigheid kon worden weggenomen met minder ingrijpende middelen dan een medisch onderzoek. In de bestreden beslissing wordt de reden weergegeven waarom werd overgegaan tot het medisch onderzoek, namelijk omdat verzoeker geen documenten kan voorleggen die zijn leeftijd kunnen aantonen en er geen elementen aanwezig zijn die de twijfel omtrent zijn leeftijd zouden kunnen wegnemen. De bestreden beslissing wordt vervolgens gedragen door het motief omtrent het resultaat van dat medisch onderzoek, dat uitdrukkelijk in die beslissing wordt vermeld. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan achttien jaar. Artikel 7, § 2 van die wet bepaalt dat, indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de betrokkene jonger is dan 18 jaar en mits voldaan is aan enkele voorwaarden, een voogd wordt aangewezen. Indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de persoon in kwestie de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, dan vervalt de plaatsing onder de hoede van de dienst Voogdij van rechtswege. Het medisch onderzoek is aldus door VII-43.039-8/15 de wet zelf ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld, lijkt geen schending van de materiëlemotiveringsplicht of het zorgvuldigheidsbeginsel te volgen uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Bovendien was de dienst Voogdij er op het eerste gezicht niet toe gehouden om verzoekers verklaringen omtrent zijn leeftijd te laten primeren op de resultaten van het medisch onderzoek. Verder lijkt verzoeker niet concreet te onderbouwen dat het te dezen uitgevoerde medisch onderzoek op ondeskundige wijze is verlopen en dat het resultaat van de leeftijdsanalyse onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Concreet wordt in het medisch verslag met betrekking tot de handpolsradiografie toegelicht “dat er een volledige fusie is van de distale diaphyse en epiphyse van de radius, wat overeenkomt met een biologisch matuur skelet, onafhankelijk van de gebruikte VII-43.039-9/15 methode, en wat neer komt op een leeftijd van minstens 18 jaar”. Eerder in het medisch verslag staat wat dit betreft te lezen dat indien de skeletale groei beëindigd is, de betrokkene biologisch gezien matuur is, wat voor jongens impliceert dat zij ouder zijn dan 18 jaar en voor meisjes dat zij ouder zijn dan 16 jaar, zonder dat op basis van de handpolsradiografie kan worden bepaald hoeveel ouder zij zouden zijn. Aangezien niet kan worden bepaald hoeveel tijd er verstreek sinds de volledige beëindiging van de skeletale groei, telt het resultaat van de handpolsradiografie in dergelijke gevallen niet mee voor de eigenlijke leeftijdsschatting, zodat de resultaten van de andere twee radiologische onderzoeken determinerend zijn. Dit neemt niet weg dat de handpolsradiografie wel degelijk onderdeel uitmaakt van het meervoudig onderzoek. Uit het medisch verslag blijkt verder dat op basis van de radiografie van de tanden wordt vastgesteld dat “alle tanden volledig afgevormd zijn” en dat alle wijsheidstanden aanwezig zijn en zich in ontwikkelingsstadium 10 bevinden. De arts besluit dat “[g]ezien dit gegeven bekomt men volgens onze eigen ontwikkelde techniek een leeftijd van 23,0 jaar. Het 95 % predictie-interval is 18,8 – 25,0 jaar met een kans van 99 % dat deze persoon ouder is dan 18 jaar”. Ten slotte toont het radiologisch onderzoek van het sternoclaviculaire gewricht volgens het medisch verslag dat “de mesiale epiphyse van beide sleutelbeenderen slechts partieel verbeend is in combinatie met de aanwezigheid van een zichtbare frissuur, wat volgens het onderzoek van Schmeling et al. […] overeenkomt met stadium type
  14. Volgens dit onderzoek stemt stadium 3 overeen met een gemiddelde leeftijd van rond de 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Verzoekers kritiek dat uit de resultaten van bepaalde medische deelonderzoeken kan worden afgeleid dat hij minder dan 18 jaar oud is, lijkt op basis van het voorgaande feitelijke grondslag te missen. Dat er verschillen bestaan tussen de resultaten van de deelonderzoeken, doet geen afbreuk aan het feit dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid. Te dezen is de eindconclusie dat verzoeker “op datum van 31-07-2025 een leeftijd heeft van 21,5 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Zoals hoger reeds werd opgemerkt, heeft de wetgever met de medische leeftijdstest niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene VII-43.039-10/15 te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Zoals hoger eveneens werd opgemerkt, is de eindconclusie op grond van de verschillende deelonderzoeken van belang voor het bepalen van de jongste leeftijd. Verzoeker toont prima facie niet aan dat de eindconclusie in strijd is met de bevindingen van de deelonderzoeken,
  15. Naar luid van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 “[gaat] de dienst Voogdij […] over tot de identificatie van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en controleert zijn verklaringen betreffende zijn naam, nationaliteit en leeftijd inzonderheid door middel van zijn officiële documenten of van de inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of van doorvoer, of van elke andere inlichting […]”. Deze bepaling verzet er zich niet tegen dat in geval van twijfel aan de opgegeven leeftijd wordt overgegaan tot een leeftijdsonderzoek dat, zoals hoger reeds is aangehaald, door de wet zelf is ingesteld. Gelet op de duidelijke conclusie van het leeftijdsonderzoek was de verwerende partij er niet toe gehouden om informatie in te winnen via de diplomatieke of consulaire posten van verzoekers land van herkomst. Uit de bespreking van het tweede middelonderdeel infra blijkt overigens dat verzoeker wel degelijk een persoonlijk onderhoud had met een ambtenaar van de dienst Voogdij.
  16. Verzoeker weidt nog uit over de voorgehouden onbetrouwbaarheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling, doch hij onderbouwt prima facie niet concreet dat het te dezen uitgevoerde onderzoek op ondeskundige wijze zou zijn verlopen en dat het resultaat van de leeftijdsanalyse onbetrouwbaar of niet correct zou zijn. Met zijn algemene kritiek doet verzoeker wel blijken van een eigen standpunt of visie omtrent de opportuniteit van de keuze van de tripletest als wijze waarop het wettelijk vereiste medisch onderzoek gebeurt, maar hij doet evenwel niet blijken dat de in concreto gehanteerde onderzoeksmethode niet objectief is of niet is gericht op het op wetenschappelijk verantwoorde wijze verkrijgen van de relevante en juiste gegevens nodig voor het bepalen van de vraag of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. VII-43.039-11/15 Verzoeker ontkracht op het eerste gezicht aldus niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd noch dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Verzoeker lijkt evenmin aannemelijk te maken dat de verwerende partij in verband met de beoordeling van de vraag of hij meer dan 18 jaar oud is, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de haar op grond van het voormelde artikel 7 van de voogdijwet toegekende beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan. Verder komt het de Raad van State niet toe zijn eigen interpretatie van de onderzoeksresultaten in de plaats te stellen van deze in het deskundig verslag.
  17. Het eerste onderdeel van het enige middel is niet ernstig. Tweede onderdeel van het enige middel
  18. In het arrest F.B. tegen België van 6 maart 2025 heeft het EHRM het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot een beslissing van de dienst Voogdij in die zaak om de betrokkene te beschouwen als ouder dan 18 jaar en hem geen voogd toe te wijzen, getoetst aan artikel 8 van het EVRM. Het Hof overweegt in die zaak in de eerste plaats dat de betrokkene behoorlijk moet worden geïnformeerd over zijn rechten in het kader van de uitvoering van het drievoudig medisch leeftijdsonderzoek, hetgeen des te belangrijker is indien de betrokkene, die nog wordt geacht een niet-begeleide minderjarige te zijn en een verzoeker om internationale bescherming is, niet wordt vergezeld door een vertegenwoordiger of een raadsman. De betrokkene moet worden ingelicht over de noodzaak van zijn instemming met het medisch leeftijdsonderzoek. Het EHRM oordeelt in de tweede plaats dat medische leeftijdsonderzoeken omwille van hun ingrijpend karakter slechts in laatste instantie uitgevoerd horen te worden, wanneer andere middelen om de twijfel over de leeftijd van de betrokkene weg te nemen geen uitsluitsel hebben geboden. Volgens het EHRM zou een voorafgaand onderhoud met een daartoe speciaal opgeleide ambtenaar van de dienst Voogdij deze laatste in voorkomend geval kunnen toelaten enerzijds na te gaan of de twijfel over de VII-43.039-12/15 leeftijd van de minderjarige kan worden opgeheven door minder ingrijpende middelen dan een leeftijdsonderzoek, en anderzijds zich ervan te vergewissen dat de betrokkene alle nodige informatie heeft ontvangen om zijn rechten op afdoende wijze te kunnen laten gelden.
  19. Te dezen blijkt prima facie dat verzoeker de nodige informatie heeft gekregen over het medisch leeftijdsonderzoek en dat hem expliciet werd gevraagd of hij instemde met dat onderzoek, met de verduidelijking dat hij het recht had te weigeren en dat de dienst Voogdij in geval van weigering een beslissing zou nemen op basis van de elementen in het dossier. Naast de “fiche niet-begeleide minderjarige vreemdeling” van 28 juli 2025, waaruit slechts blijkt dat verzoeker werd geïnformeerd over de geuite twijfel, dat hij een document heeft ontvangen dat hem informeert over het verloop van de leeftijdstest en dat hij zich niet heeft verzet tegen de uitvoering van het medisch onderzoek, voegt verzoeker zelf namelijk een document bij zijn verzoekschrift van dezelfde datum “[a]ccord pour la réalisation d’un test médical d’évaluation de l’âge”, opgesteld door de dienst Voogdij en ondertekend door verzoeker, waarin voormelde elementen aan bod komen. Verzoeker lijkt op het eerste gezicht op vrije en geïnformeerde wijze te hebben ingestemd met het medisch onderzoek.
  20. Verder bevat het administratief dossier een document met als titel “[f]iche Mineur Non Accompagné Étranger” waaruit blijkt dat aan verzoeker enkele vragen werden gesteld. Zo werd hem gevraagd of hij over identiteitsdocumenten beschikt. Verzoeker antwoordde dat hij enkel over een document uit Griekenland beschikt, dat hij zijn taskara is verloren en dat hij op zijn gsm een kopie heeft bewaard van een geboortebewijs, afgeleverd door het ziekenhuis waar hij geboren is. Aangezien verzoeker niet over enig document beschikt dat zijn leeftijd kan bewijzen, acht de dienst Voogdij een medisch onderzoek noodzakelijk om de twijfel omtrent verzoekers leeftijd te kunnen wegnemen. In de mate dat verzoeker aanvoert dat had moeten worden besloten dat hij minder dan 18 jaar oud is op basis van de door hem overgelegde stukken, stelt de Raad vast dat de verwerende partij pas op 9 oktober 2025 een kopie van VII-43.039-13/15 verzoekers geboorteakte, een kopie van zijn taskara, de kaart, afgeleverd door het opvangcentrum voor minderjarigen waar verzoeker in Griekenland verbleef, alsook het verslag van zijn sociaal assistent in ontvangst mocht nemen, dus op het ogenblik dat de bestreden beslissing reeds was genomen. Bijgevolg kan verzoeker zich niet op de voormelde documenten beroepen om te besluiten tot de onwettigheid van de bestreden beslissing. Bovendien toont verzoeker niet aan dat hij op het ogenblik van het onderhoud met de dienst Voogdij in het bezit was van (een kopie van) zijn taskara of enig ander identiteitsbewijs, noch dat hij de dienst Voogdij er attent op maakte dat hij hiervan voor de uitvoering van het medisch onderzoek in het bezit kon komen. Anders dan verzoeker het ziet, lijkt de dienst Voogdij aldus te hebben onderzocht of de twijfel omtrent verzoekers leeftijd kon worden weggenomen met minder ingrijpende middelen dan een medisch onderzoek. Aangezien verzoeker geen identiteitsdocumenten kon overleggen, achtte de dienst Voogdij een medisch onderzoek te dezen noodzakelijk. Dit blijkt eveneens uit de bestreden beslissing. Op het eerste gezicht lijkt ook te zijn voldaan aan de tweede voorwaarde, gesteld door het EHRM in zijn arrest van 6 maart 2025, F.B. tegen België.
  21. Het tweede onderdeel van het enige middel is niet ernstig. Conclusie
  22. Het ontbreekt het enige middel aan de vereiste ernst. Bij gebreke aan minstens één ernstig middel waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord, wordt niet voldaan aan één van de voorwaarden die gesteld worden in artikel 17, §1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opdat de vordering tot schorsing kan worden toegewezen. VII-43.039-14/15 Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.039-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.978 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.