id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.003 Rolnummer: A. 239650/VII-42138 Zaak: Arrest 265003 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-01 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-15 06:42 Fiche Arrest nr 265.003 van 27 november 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.003 no lien 286473 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 265.003 van 27 november 2025 in de zaak A. 239.650/VII-42.138 In zake :
- het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE EVERGEM
- de GEMEENTE EVERGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Boullart kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306a bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV ASPIRAVI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2000 Antwerpen Bouwmeestersstraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 24 juli 2023, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2223-0987 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 15 juni 2023 in de zaak 1920-RvVb-0574-A. VII-42.138-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 7 september
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Aspiravi heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 9 november
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 28 februari 2025 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 november
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Wouter De Rycke, die loco advocaat Sven Boullart verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Gregory Verhelst, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-42.138-2/10 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen verleent aan de tussenkomende partij een omgevingsvergunning voor de bouw en exploitatie van twee windturbines te Evergem. 3.
- Onder meer de verzoekende partijen stellen bestuurlijk beroep in tegen deze vergunningsbeslissing. Bij besluit van 26 februari 2020 willigt de verwerende partij de beroepen niet in en verleent zij de omgevingsvergunning. 3.
- Het bestreden arrest verwerpt het beroep van de verzoekende partijen tegen het besluit van 26 februari
- IV. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep A. Hoedanigheid van de eerste verzoekende partij
- De tussenkomende partij werpt op dat de eerste verzoekende partij bij gebreke aan rechtspersoonlijkheid niet beschikt over de vereiste hoedanigheid om een cassatieberoep in te stellen, zodat haar cassatieberoep niet ontvankelijk is.
- De eerste verzoekende partij was als partij betrokken in het geding voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb). Zij beschikt dan ook van rechtswege over de vereiste hoedanigheid om cassatieberoep in te stellen tegen het arrest van de RvVb. De omstandigheid dat zij niet over rechtspersoonlijkheid beschikt, is daarbij niet van belang. De exceptie wordt verworpen. VII-42.138-3/10 B. Belang van de verzoekende partijen
- De tussenkomende partij wijst erop dat de eerste verzoekende partij namens de tweede verzoekende partij het Europese ‘Convenant of Mayors 2030’ heeft ondertekend, dat de ondertekenaars verplicht om acties te ondernemen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Ook hebben de verzoekende partijen een klimaatactieplan opgemaakt dat maatregelen en acties omvat voor het tegengaan van de klimaatverandering en het omgaan met de effecten ervan. De houding die de verzoekende partijen aannemen met het instellen van het cassatieberoep, druist volgens de tussenkomende partij in tegen het lokaal klimaatbeleid dat zij op grond van die instrumenten wensen te voeren, zodat zij niet beschikken over het rechtens vereiste belang bij dat beroep.
- De voorwaarde van het belang bij het cassatieberoep bestaat hierin dat de verzoekende partij, na een gebeurlijke vernietiging van de door haar bestreden jurisdictionele beslissing, enig voordeel moet kunnen putten uit een gebeurlijk nieuw onderzoek van de zaak door het administratief rechtscollege. Het bestreden arrest verwerpt het vernietigingsberoep dat de verzoekende partijen hebben ingesteld tegen de beslissing om aan de tussenkomende partij de omgevingsvergunning te verlenen. Een nieuw onderzoek van het beroep door de RvVb kan de verzoekende partijen het door hen gewenste voordeel verlenen dat de vergunning, die de eerste verzoekende partij ongunstig heeft geadviseerd, wordt vernietigd, en uiteindelijk, na heronderzoek door de verwerende partij, wordt geweigerd. Deze vaststellingen volstaan opdat de verzoekende partijen zouden getuigen van het vereiste belang bij het cassatieberoep. De eventuele omstandigheid dat het bestrijden van het project van de tussenkomende partij zou ingaan tegen de voormelde convenant en het voormelde klimaatactieplan, kan hieraan geen afbreuk doen. De exceptie wordt verworpen. VII-42.138-4/10 V. Onderzoek van de middelen tot nietigverklaring A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 4.3.1, § 1, eerste lid, gelezen in samenhang met § 2, eerste lid, 1° en 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO). Zij zetten uiteen dat uit deze bepalingen volgt dat de aanvraag maar aan de goede ruimtelijke ordening kan worden getoetst indien de vergunningsaanvraag een duidelijk bepaald voorwerp omvat, alsook dat het voorwerp van een vergunningsaanvraag voor constructies die in de vergunningsaanvraag worden omschreven door maximale afmetingen op te geven het de vergunningverlenende overheid niet mogelijk kan maken om de vergunningsaanvraag aan de goede ruimtelijke ordening te toetsen. Daaraan doet volgens de verzoekende partijen geen afbreuk een eventuele praktijk om bij de beoordeling van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening uit te gaan van een nog niet nader bepaald type windturbine waarbij de vergunningverlenende overheid de verenigbaarheid toetst aan de worstcasescenario’s met de maximale afmetingen en het maximale vermogen van het aangevraagde. Met volgende beoordeling in het bestreden arrest: “Uit een samenlezing van de beschrijvende nota en de lokalisatienota kan de verwerende partij voldoende duidelijk het voorwerp van de aanvraag inschatten. Dat er nog geen definitief type windturbine wordt bepaald, doet aan voorgaande vaststelling geen afbreuk. De maximale technische kenmerken liggen immers vast en worden concreet beschreven. Minstens tonen de verzoekende partijen niet aan dat de verwerende partij door het louter vermelden van de maximale technische kenmerken in de bestreden beslissing niet met voldoende kennis van zaken over de gevraagde afmetingen zou hebben kunnen oordelen bij het beoordelen van de aanvraag. De verwijzing door de verzoekende partij naar het arrest van de [RvVb] van 11 oktober 2016 met nummer A/1617/0155 doet aan het voorgaande geen ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.003 VII-42.138-5/10 afbreuk. Samen met de verwerende partij en de tussenkomende partij stelt de [RvVb] immers vast dat de praktijk om bij de beoordeling van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening uit te gaan van een nog niet nader bepaald type windturbine in de rechtspraak wordt aanvaard op voorwaarde dat ze de verenigbaarheid toetst aan de worstcasescenario’s met de maximale afmetingen en het maximale vermogen. Te dezen heeft de verwerende partij deze voorwaarde vervuld, wat overigens door de verzoekende partijen niet wordt betwist.” gaat de RvVb volgens de verzoekende partijen uit van een verkeerde rechtsopvatting en schendt het de voormelde bepalingen. Beoordeling
- Artikel 4.3.1, § 1, eerste lid, 1°, d), VCRO bepaalt dat een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen moet geweigerd worden indien het aangevraagde onverenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening. De overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van de beginselen die worden vermeld in artikel 4.3.1, § 2, eerste lid, VCRO. Deze bepalingen schrijven niet voor dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor de oprichting van windturbines in zijn aanvraag alle technische kenmerken, zoals de afmetingen en het vermogen, van de windturbines precies zou vermelden, en laten toe dat hij zich ertoe beperkt de maximale waarden op te geven van de parameters die relevant zijn voor de beoordeling van de overeenstemming van het project met een goede ruimtelijke ordening. Het behoort het vergunningverlenend bestuur in dergelijk geval om de verenigbaarheid van het project met een goede ruimtelijke ordening te toetsen aan de hand van het zogenaamde worstcasescenario, waarbij uitgegaan wordt van de windturbines die binnen de in de aanvraag opgegeven maximale waarden de meeste impact hebben op de ruimtelijke omgeving, en waarbij de beginselen vermeld in artikel 4.3.1, § 2, eerste lid, VCRO in acht worden genomen. VII-42.138-6/10
- Het middel gaat uit van een andere rechtsopvatting, en is derhalve ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, doordat het bestreden arrest de in het tweede annulatiemiddel aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur niet beantwoordt, terwijl het gaat om een middel met een afzonderlijke juridische betwisting in vergelijking tot de andere aangevoerde middelen van het beroep. Beoordeling
- De in artikel 149 van de Grondwet ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd. Uit het geheel van de motieven moet blijken waarom het middel wordt aangenomen of verworpen. Argumenten van een partij kunnen op die wijze ook impliciet worden verworpen, met name wanneer die argumenten strijden met de motieven van het arrest. Het bestuursrechtscollege voldoet aan de motiveringsplicht wanneer de motieven de partijen en de Raad van State toelaten te begrijpen waarom de ermee strijdige argumenten niet worden aangenomen. VII-42.138-7/10
- Uit het bestreden arrest blijkt dat de verzoekende partijen de in het tweede annulatiemiddel aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur als volgt hebben uiteengezet: “De verzoekende partijen stellen bovendien dat de verwerende partij niet met kennis van zaken heeft kunnen oordelen, omdat niet vast staat dat de windturbines een rotordiameter van 126 m en een tiphoogte van 180 m zullen hebben. Gezien de lokalisatienota uitgaat van louter maximale waarden is de verwerende partij niet kunnen uitgaan van juiste feitelijke gegevens.” Het bestreden arrest zet in de beoordeling van het tweede annulatiemiddel uiteen: “Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat een vergunningverlenend bestuursorgaan, zoals de verwerende partij, haar beslissing op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden en dus moet steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De zorgvuldigheid verplicht de verwerende partij onder meer om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de bestreden beslissing en ervoor te zorgen dat de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk onderzocht worden, zodat ze met kennis van zaken kan beslissen. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt dus voor de verwerende partij onder meer de plicht in van een correcte feitenvinding. Het komt daarbij in de eerste plaats toe aan de vergunningsaanvrager om het voorwerp van het aangevraagde af te bakenen. Daarna is het de taak van de vergunningverlenende overheid om in het kader van beide toetsen de door de aanvrager gemaakte kwalificatie na te gaan, en indien nodig, het voorwerp van het aangevraagde te herkwalificeren. […] In de bestreden beslissing omschrijft de verwerende partij het voorwerp van de aanvraag tot omgevingsvergunning als volgt: ‘De aanvrager wil twee nieuwe windturbines oprichten met een vermogen van maximaal 3,6 MW met een bijhorende transformator van maximaal 4.200 kVA. De windturbines hebben een masthoogte van 120 m, een rotordiameter van 126 m, een tiphoogte van 180 m en een geluidsemissie van 104,9 dB(A) …’ […] Deze beschrijving van de technische kenmerken van de aangevraagde windturbines stemt overeen met de omschrijving uit het aanvraagdossier. […] Uit een samenlezing van de beschrijvende nota en de lokalisatienota kan de verwerende partij voldoende duidelijk het voorwerp van de aanvraag inschatten. Dat er nog geen definitief type windturbine wordt bepaald, doet ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.003 VII-42.138-8/10 aan voorgaande vaststelling geen afbreuk. De maximale technische kenmerken liggen immers vast en worden concreet beschreven. Minstens tonen de verzoekende partijen niet aan dat de verwerende partij door het louter vermelden van de maximale technische kenmerken in de bestreden beslissing niet met voldoende kennis van zaken over de gevraagde afmetingen zou hebben kunnen oordelen bij het beoordelen van de aanvraag.” Deze motieven laten de partijen en de Raad van State toe te begrijpen waarom de RvVb de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur niet heeft aangenomen.
- Het middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-42.138-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.138-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.003 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div