← België

Arrest 265004 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/11/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.004 Rolnummer: A. 242556/VII-42598 Zaak: Arrest 265004 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-01 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-15 06:42 Fiche Arrest nr 265.004 van 27 november 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.004 no lien 286474 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 265.004 van 27 november 2025 in de zaak A. 242.556/VII-42.598 In zake :

  1. de GEMEENTE OPWIJK
  2. het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE OPWIJK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Filip De Preter en Bert Van Herreweghe kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
  3. de NV BUILPROM
  4. de NV SOLID REAL ESTATE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Yves Loix en Anton Rombaut kantoor houdend te 2600 Berchem Borsbeeksebrug 36, bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  5. Het cassatieberoep, ingesteld op 23 juli 2024, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2324-0809 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 13 juni 2024 in de zaak 2324-RvVb-0308-A. II. Verloop van de rechtspleging
  6. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 9 september
  7. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. VII-42.598-1/15 Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 12 december 2024 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 november
  8. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bert Van Herreweghe, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Annelies Geerts, die loco advocaten Yves Loix en Anton Rombaut verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  9. III. Feiten 3.
  10. De verwerende partijen vragen op 18 september 2023 een omgevingsvergunning aan voor de ontwikkeling van een voormalige industriële site, waarbij wordt voorzien in de oprichting op één kadastraal perceel van enerzijds vier meergezinswoningen door de tweede verwerende partij, en anderzijds van één meergezinswoning door de eerste verwerende partij. VII-42.598-2/15 3.
  11. Met een beslissing die op 20 november 2023 in het omgevingsloket wordt opgeladen, verklaart de tweede verzoekende partij de aanvraag onontvankelijk. 3.
  12. De verwerende partijen stellen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) een beroep in tegen deze beslissing. Het bestreden arrest verwerpt de excepties van niet-ontvankelijkheid die door de verzoekende partijen werden opgeworpen, en vernietigt de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de tweede verzoekende partij
  13. Hoewel de “nota korte debatten” voor de RvVb werd ingediend namens beide verzoekende partijen, heeft het bestreden arrest enkel de eerste verzoekende partij aangeduid als verwerende partij in de procedure voor de RvVb. De verzoekende partijen ontwikkelen geen cassatiemiddel tegen de aanduiding van de verwerende partij in de procedure voor de RvVb. Het cassatieberoep is dan ook niet ontvankelijk in zoverre het uitgaat van de tweede verzoekende partij. Hierna wordt met “de verzoekende partij” enkel de eerste verzoekende partij bedoeld. V. Onderzoek van de middelen tot nietigverklaring A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  14. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 32, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC), en de artikelen 19, 21, 52 en 105, § 1, 1°, van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet). VII-42.598-3/15 Zij komt in dit middel op tegen de verwerping door het bestreden arrest van de door haar opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid wat het voorwerp van het beroep betreft. De RvVb verwerpt deze exceptie op grond van de beoordeling dat de bestreden beslissing een voor de RvVb aanvechtbaar besluit uitmaakt omdat het gaat om een in laatste bestuurlijke aanleg genomen beslissing waartegen geen bestuurlijk beroep kan worden ingesteld. De verzoekende partij laat hiertegen gelden dat: - uit artikel 105, § 1, 1°, van het omgevingsvergunningsdecreet volgt dat de beroepsmogelijkheid bij de RvVb enkel openstaat voor beslissingen betreffende een omgevingsvergunningsaanvraag genomen in laatste bestuurlijke aanleg; - uit artikel 52, derde lid, van het omgevingsvergunningsdecreet volgt dat een tweede bestuurlijke aanleg openstaat bij de deputatie ten aanzien van alle uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste bestuurlijke aanleg; - artikel 21 van het omgevingsvergunningsdecreet de bestuurlijke beroepsmogelijkheid inzake beslissingen betreffende omgevingsvergunningen enkel inperkt ten aanzien van beslissingen van de bevoegde overheid waarin wordt vastgesteld dat er een milieueffectrapport moet worden opgesteld en dus geenszins een algemene inperking van de administratieve beroepsmogelijkheid voorziet ten aanzien van alle beslissingen inzake de ontvankelijkheid en volledigheid van aanvragen tot omgevingsvergunningen; - de bestreden beslissing tot niet-ontvankelijkheid van de aanvraag tot omgevingsvergunning geen grondslag vindt in het ontbreken van een milieueffectrapport; - overeenkomstig artikel 149 van de Grondwet rechterlijke uitspraken met redenen omkleed dienen te zijn en overeenkomstig artikel 32 DBRC elk arrest van een Vlaams bestuursrechtscollege met redenen wordt omkleed, en leidt hieruit af dat het bestreden arrest “stoelt op een verkeerde lezing van artikel 21 [van het omgevingsvergunningsdecreet], waardoor niet alleen deze bepaling ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.004 VII-42.598-4/15 wordt geschonden maar tevens de bevoegdheid van de deputatie zoals gestipuleerd door artikel 52, derde lid[, van het omgevingsvergunningsdecreet] en het materieelrechtelijk ontvankelijkheidsvereiste inzake beroepen bij de [RvVb] zoals gestipuleerd door artikel 105, § 1, 1°[, van het omgevingsvergunningsdecreet], en dat het bestreden arrest “behept is met een schending van de motiveringsplicht die conform artikel 149 [van de Grondwet] op de [RvVb] rust door voorbij te gaan aan het feit dat artikel 21 [van het omgevingsvergunningsdecreet] geen algemene inperking van de administratieve beroepsmogelijkheid inzake beslissingen betreffende omgevingsvergunningsaanvragen bevat, hoewel dit uitdrukkelijk door [de verzoekende partij] werd opgeworpen in [haar] nota korte debatten”.
  15. In de memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij voor dat de Raad van State een prejudiciële vraag zou richten aan het Grondwettelijk Hof aangaande de verenigbaarheid van artikel 52, derde lid, van het omgevingsvergunningsdecreet met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 9 van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 ‘betreffende de toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden’, voor het geval de Raad van State toch zou oordelen dat een beslissing over de ontvankelijkheid die genomen wordt in het kader van het ontvankelijkheidsonderzoek, niet te beschouwen is als een beslissing in eerste bestuurlijke aanleg waartegen bestuurlijk beroep kan worden ingesteld. Beoordeling
  16. Artikel 105, § 1, van het omgevingsvergunningsdecreet bepaalt dat de beslissingen betreffende een omgevingsvergunningsaanvraag, genomen in laatste bestuurlijke aanleg, kunnen worden bestreden bij de RvVb.
  17. Artikel 19, eerste lid, van het omgevingsvergunningsdecreet bepaalt dat de bevoegde overheid de vergunningsaanvraag op haar “ontvankelijkheid en volledigheid” onderzoekt. Het resultaat van dat onderzoek VII-42.598-5/15 moet op grond van artikel 21, eerste lid, van het omgevingsvergunningsdecreet aan de aanvrager worden meegedeeld. Artikel 21, vierde lid, van het omgevingsvergunningsdecreet vervolgt: “Tegen de beslissing dat er een milieueffectrapport moet worden opgesteld, de vergunningsaanvraag onvolledig en zonder voorwerp is en tegen de stopzetting van de procedure, kan geen administratief beroep als vermeld in hoofdstuk 3 worden ingesteld.” Anders dan de verzoekende partij dit ziet, heeft deze bepaling niet enkel betrekking op de beslissingen dat er een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Deze bepaling onderscheidt immers verschillende soorten beslissingen, waaronder “de stopzetting van de procedure”. Nu de beslissing dat een milieueffectrapport moet worden opgesteld van rechtswege de onvolledigheid van de vergunningsaanvraag en de stopzetting van de vergunningsprocedure tot gevolg heeft (artikel 21, tweede lid, van het omgevingsvergunningsdecreet), zou het niet nodig geweest zijn om uitdrukkelijk nogmaals de “stopzetting van de procedure” te vermelden in artikel 21, vierde lid, van het omgevingsvergunningsdecreet wanneer de toepassing ervan beperkt zou zijn tot de beslissing dat een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Artikel 21, vierde lid, van het omgevingsvergunningsdecreet heeft dan ook een ruimer toepassingsgebied dan de beslissingen dat een milieueffectrapport moet worden opgesteld.
  18. Uit de gezamenlijke lezing van de artikelen 19 en 21, alsook uit de wijze waarop de vergunningsprocedure wordt georganiseerd door het omgevingsvergunningsdecreet, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de fase van het “ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek” (artikelen 18 tot 22 en 37 tot 41) en de fase van het “onderzoek van het project” (artikelen 23 tot 31 en 42 tot 45), volgt dat ook de beslissing om de aanvraag niet ontvankelijk te verklaren, genomen in het kader van het ontvankelijkheids- en VII-42.598-6/15 volledigheidsonderzoek, beschouwd moet worden als een beslissing tot stopzetting van de procedure in de zin van artikel 21, vierde lid, van het omgevingsvergunningsdecreet. Wanneer het onderzoek van de vergunningsaanvraag op haar ontvankelijkheid en volledigheid, in de zin van artikel 19 van het omgevingsvergunningsdecreet, resulteert in de beslissing dat de vergunningsaanvraag niet ontvankelijk is, kan tegen die beslissing dan ook geen bestuurlijk beroep worden ingesteld. Het gaat om een beslissing in laatste bestuurlijke aanleg, waartegen op grond van artikel 105, § 1, van het omgevingsvergunningsdecreet beroep kan worden ingesteld bij de RvVb. Het is daarbij niet relevant of de beslissing genomen wordt door het college van burgemeester en schepenen dan wel door de gemeentelijke omgevingsambtenaar. In beide gevallen gaat het om een beslissing in laatste bestuurlijke aanleg.
  19. Artikel 52, derde lid, van het omgevingsvergunningsdecreet doet niet anders besluiten, nu hierin enkel wordt gesteld dat de deputatie in laatste bestuurlijke aanleg bevoegd is voor beroepen tegen beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste bestuurlijke aanleg. Uit voorgaande bepalingen volgt dat het hier gaat om een beslissing in laatste bestuurlijke aanleg, zodat artikel 52, derde lid, van het omgevingsvergunningsdecreet hierop niet van toepassing is.
  20. De in artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.004 VII-42.598-7/15 of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. Het bestreden arrest antwoordt op het argument van de verzoekende partij dat artikel 21 van het omgevingsvergunningsdecreet geen algemene inperking bevat van de bestuurlijke beroepsmogelijkheid, door erop te wijzen dat zij artikel 21 foutief leest, nu uit die bepaling niet volgt “dat er geen andere gronden zijn [dan de beslissing dat een milieueffectrapport moet worden opgesteld] op basis waarvan [de overheid] kan besluiten dat de vergunningsaanvraag onvolledig of onontvankelijk is en de procedure wordt stopgezet”. In zoverre de verzoekende partij het arrest verwijt niet op haar argument te hebben geantwoord, mist de kritiek dan ook feitelijke grondslag. In zoverre de verzoekende partij de schending van artikel 149 van de Grondwet afleidt uit de omstandigheid dat het bestreden arrest een verkeerde invulling geeft aan artikel 21 van het omgevingsvergunningsdecreet, gaat zij uit van een verkeerd begrip van de rechterlijke motiveringsplicht, en is haar kritiek ongegrond.
  21. De grondwettigheidskritiek op grond waarvan de verzoekende partij voorstelt om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, werd pas voor het eerst in de memorie van wederantwoord opgeworpen, en dus niet in het verzoekschrift tot cassatie. Die kritiek is laattijdig, zodat de voorgestelde prejudiciële vraag niet dient gesteld te worden.
  22. Het middel is ongegrond. VII-42.598-8/15 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  23. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 32, tweede lid, DBRC, de artikelen 4.2.15 en 6.2.1, eerste lid, 1°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 8.18 van het Burgerlijk Wetboek, en het principe van de miskenning van de bewijskracht van geschreven stukken. Zij komt in dit middel op tegen de verwerping door het bestreden arrest van de exceptie van niet-ontvankelijkheid waarin zij opwierp dat de verwerende partijen niet beschikken over een rechtmatig belang bij hun beroep omdat de vordering ertoe strekt een bouwproject dat onderworpen is aan een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, te kunnen realiseren zonder die vergunning. De RvVb verwerpt deze exceptie op grond van de beoordeling dat uit de voorliggende vergunningsaanvraag geen intentie kan worden afgeleid tot het begaan van onwettigheden. De verzoekende partij laat hiertegen gelden dat: - artikel 4.2.15 VCRO stipuleert dat niemand zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden een grond mag verkavelen, en artikel 6.2.1, eerste lid, 1°, VCRO de niet-naleving van deze vergunningsplicht strafbaar stelt; - om beroep in te stellen bij de RvVb, een partij dient te beschikken over een geoorloofd belang, hetgeen manifest afwezig is indien dit belang bestaat uit het nastreven van een bouwproject dat aan de vergunningsplicht inzake het verkavelen van gronden is onderworpen zonder voorafgaande verkavelingsvergunning; - de intentie van de verwerende partijen tot het verkavelen van een stuk grond zonder voorafgaande verkavelingsvergunning onmiskenbaar blijkt uit de brief van de sociale huisvestingsmaatschappij van 15 september 2023 die de RvVb niet bij zijn beoordeling betrekt, ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.004 VII-42.598-9/15 en leidt hieruit af dat het arrest een manifest foutieve beoordeling heeft gemaakt van het al dan niet voldaan zijn aan de vereiste inzake de aanwezigheid van een geoorloofd belang in hoofde van de verwerende partijen. In de toelichting bij het middel laat de verzoekende partij nog gelden dat de RvVb volledig is voorbijgegaan aan haar argumentatie, en in het bijzonder heeft nagelaten de brief van 15 september 2023 in zijn beoordeling te betrekken. Het bestreden arrest zou om die reden behept zijn met een manifeste schending van de bewijskracht van een onderhandse akte zoals gestipuleerd door artikel 8.18 van het Burgerlijk Wetboek. Hierdoor zou de RvVb ten onrechte geoordeeld hebben dat er vooralsnog geen duidelijkheid bestaat omtrent de intentie van de aanvragers om zonder verkavelingsvergunning over te gaan tot de realisatie van hun project. Vanuit dat opzicht zou ook de stelling van de RvVb dat “een potentiële miskenning van artikel 6.2.1 VCRO het gevolg is van het uitvoeren van verkavelingsvergunningsplichtige handelingen zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden” rechtens verkeerd zijn, omdat een intentie tot verkavelen volstaat om onderworpen te zijn aan de in artikel 4.2.15 VCRO bedoelde verkavelingsplicht, en een miskenning van die verkavelingsplicht strafbaar is. Aangezien die intentie duidelijk blijkt uit de brief van 15 september 2023 miskent het bestreden arrest volgens de verzoekende partij artikel 6.2.1 VCRO. De verzoekende partij vervolgt dat het bestreden arrest “omwille van deze redenen” tevens de motiveringsplicht van artikel 149 van de Grondwet en artikel 32, tweede lid, DBRC, schendt. Beoordeling
  24. Het bestreden arrest overweegt: “De [verzoekende partij in cassatie] kan […] niet gevolgd worden waar ze stelt dat de [verwerende partijen in cassatie] geen rechtmatig belang hebben omdat de aanvraag de verkavelingsvergunningsplicht miskent en strijdig zou zijn met de openbare orde. Ze geeft daarbij zelf aan dat een potentiële miskenning van artikel 6.2.1 VCRO het gevolg is van ‘het uitvoeren van’ verkavelingsvergunningsplichtige handelingen zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden. Het oordeel over de wettigheid van de bestreden beslissing brengt voor de [verwerende ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.004 VII-42.598-10/15 partijen in cassatie] echter geen enkel uitvoeringsrecht met zich mee. Evenmin blijkt daaruit dat een omgevingsvergunning kan worden verleend, waarvoor een voorafgaande verkavelingsvergunning vereist is. De [RvVb] wijst verder op de mogelijkheid voorzien in artikel 20 van het decreet van 11 mei 2012 houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en wijziging van de regelgeving wat de opheffing van het agentschap Ruimtelijke Ordening betreft. In het licht van die bepaling valt niet bij voorbaat uit te sluiten dat [de verwerende partijen in cassatie] doorheen het vergunningstraject afdoende duidelijk maken dat geen overdracht zal plaatsvinden voordat de constructies volledig zijn opgericht. Uit de voorliggende aanvraag kan dan ook vooralsnog niet de intentie tot het begaan van een onwettigheid worden afgeleid, en kan niet worden vastgesteld dat het belang van de [verwerende partijen in cassatie] onrechtmatig zou zijn.” De RvVb overweegt aldus dat het in het licht van de mogelijkheid die wordt voorzien in artikel 20 van het genoemde decreet van 11 mei 2012 niet bij voorbaat valt uit te sluiten dat de verwerende partijen doorheen het vergunningstraject afdoende duidelijk maken dat geen overdracht zal plaatsvinden voordat de constructies volledig zijn opgericht, en leidt hieruit af dat uit de voorliggende aanvraag vooralsnog niet de intentie tot het begaan van een onwettigheid kan worden afgeleid. Het besluit dat de verwerende partijen niet getuigen van een onrechtmatig belang bij het beroep wordt voldoende geschraagd door dit op artikel 20 van het genoemde decreet van 11 mei 2012 gebaseerde motief, waartegen de verzoekende partij geen kritiek laat gelden. Het middel wordt aldus gericht tegen overtollige motieven van het bestreden arrest, en kan niet tot cassatie leiden. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  25. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 32, tweede lid, DBRC, en artikel 19 van het omgevingsvergunningsdecreet. VII-42.598-11/15 Zij komt op tegen het oordeel van het bestreden arrest dat de vergunningsplicht inzake het verkavelen van gronden geen element kan vormen in het kader van het onderzoek van de ontvankelijkheid van een aanvraag tot omgevingsvergunning en dat, bij schending van de vergunningsplicht, aanleiding kan geven tot het niet ontvankelijk verklaren van de vergunningsaanvraag. Zij brengt hiertegen in dat het ontvankelijkheidsonderzoek van artikel 19 van het omgevingsvergunningsdecreet beoogt een antwoord te bieden op de vraag of op basis van het dossier de vergunningsaanvraag ten gronde in behandeling zal kunnen worden genomen, anders geformuleerd: of het dossier kan dienen als beslissingsgrondslag. Volgens de verzoekende partij brengt de miskenning van de verkavelingsplicht met zich mee dat de vergunningsaanvraag onmogelijk kan dienen als beslissingsgrondslag en dient die miskenning aanleiding te geven tot de niet-ontvankelijkheid van de vergunningsaanvraag. Het bestreden arrest zou bijgevolg artikel 19 van het omgevingsvergunningsdecreet schenden en tevens geen afdoende motivering bevatten zoals vereist door artikel 149 van de Grondwet en artikel 32, tweede lid, DBRC. Beoordeling
  26. Het bestreden arrest overweegt: “Uit [de] motivering [van de bestreden beslissing] blijkt dat de [verzoekende partij in cassatie] van oordeel is dat het aangevraagde project onderworpen is aan de verkavelingsvergunningsplicht en daardoor niet voor vergunning in aanmerking komt en de aanvraag niet verder behandeld kan worden. Artikel 4.2.15 VCRO met de daarin opgenomen bepaling dat niemand zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden een stuk grond mag verkavelen voor woningbouw is één van de decretale beoordelingsgronden die in overweging dient genomen te worden bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning. Deze beoordeling betreft in principe een onderdeel van het onderzoek ten gronde van de aanvraag en niet van het onderzoek van de ontvankelijkheid ervan, zoals bepaald in artikel 19 van het Omgevingsvergunningsdecreet. Het argument van de [verzoekende partij in cassatie] dat de huidige zaak te onderscheiden valt van de rechtspraak van de [RvVb] waarin gesteld wordt dat de beoordeling van de overeenstemming van de aanvraag met stedenbouwkundige voorschriften geen grond kan vormen voor ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.004 VII-42.598-12/15 onvolledigheid / onontvankelijkheid, overtuigt niet. Ook in het hypothetische geval dat een aanvraag behept is met een onoverkomelijke legaliteitsbelemmering omdat een voorafgaande verkavelingsvergunning vereist is, maakt de concrete beoordeling hiervan deel uit van het onderzoek ten gronde en niet van onderzoek naar volledigheid / ontvankelijkheid. De [verzoekende partij in cassatie] heeft de aanvraag van de [verwerende partijen in cassatie] dan ook niet op goede gronden onontvankelijk verklaard.”
  27. Met de organisatie van een ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek als eerste fase in de vergunningsprocedure, heeft het omgevingsvergunningsdecreet de systematiek overgenomen zoals deze voorheen bestond in het decreet van 18 mei 1999 ‘houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening’. Waar er aanvankelijk enkel sprake was van een volledigheidsonderzoek, werd het ontvankelijkheidsonderzoek hieraan toegevoegd met het decreet van 27 maart 2009 ‘tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid’. In de parlementaire voorbereiding wordt hierover gesteld: “Het volledigheidsonderzoek wordt uitgebreid met een ontvankelijkheidsonderzoek. Een volledig dossier houdt immers niet steeds in dat het dossier ook als beslissingsgrondslag kan dienen; te denken valt bvb. aan een formeel volledig dossier, waarbij de door de aanvrager zelf getekende plannetjes echter ‘onleesbaar’ zijn, of waarbij het fotomateriaal compleet wazig is. Om die reden wordt bepaald dat men een dossier kan afwijzen indien het ofwel onvolledig is, ofwel geen onderzoek ten gronde toelaat. Er wordt ook bepaald dat de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar het eerder formele volledigheids- en ontvankelijkheidsonderzoek kan opdragen aan een daartoe gemachtigde ambtenaar.” (Memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid, Parl.St. Vl.Parl. 2008-09, nr. 2011/1, 179) Behoudens het onderzoek naar de gevallen waarin het decreet uitdrukkelijk voorziet in een grond van niet-ontvankelijkheid van de aanvraag, strekt het ontvankelijkheidsonderzoek dat wordt bedoeld in artikel 19 van het omgevingsvergunningsdecreet, aldus enkel ertoe de aanvragen te weren die om “eerder formele” redenen (zoals onleesbare plannetjes en compleet wazige foto’s) “geen onderzoek ten gronde [toelaten]”. VII-42.598-13/15
  28. Het bestuur kan bijgevolg op basis van het in artikel 19 van het omgevingsvergunningsdecreet bedoelde ontvankelijkheidsonderzoek niet besluiten dat de aanvraag tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning niet ontvankelijk is om de enkele reden dat voor het aangevraagde project voorafgaand een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden is vereist. De beslissing van het bestreden arrest dat het gaat om een beoordeling die een onderdeel uitmaakt van het onderzoek ten gronde van de aanvraag, en niet van het onderzoek van de ontvankelijkheid in de zin van artikel 19 van het omgevingsvergunningsdecreet, is dan ook naar recht verantwoord.
  29. De verzoekende partij leidt de schending van artikel 149 van de Grondwet en artikel 32, tweede lid, DBRC af uit de loutere omstandigheid dat het bestreden arrest “geen afdoende motivering” zou bevatten door haar standpunt niet bij te vallen. Zij gaat aldus uit van een verkeerd begrip van de rechterlijke motiveringsplicht, zodat de aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet en artikel 32, tweede lid, DBRC eveneens ongegrond is.
  30. Het middel is ongegrond. BESLISSING
  31. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  32. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 24 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen. VII-42.598-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.598-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.004 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.