id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.005 Rolnummer: A. 242871/VII-42637 Zaak: Arrest 265005 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 27/11/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-04 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-15 06:42 Fiche Arrest nr 265.005 van 27 november 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.005 no lien 286475 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 265.005 van 27 november 2025 in de zaak A. 242.871/VII-42.637 In zake :
- M.E.
- G.M.
- D.A.
- G.F.
- J.L. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Ghysels en Yves Sacreas kantoor houdend te 1050 Brussel Marsveldplein 5, bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : het AGENTSCHAP PLANTENTUIN MEISE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Thomas Quintens kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 2 september 2024, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2324-0961 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 25 juli 2024 in de zaak 2223-RvVb-0874-A. VII-42.637-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 22 oktober
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Het Agentschap Plantentuin Meise heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 5 december
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 14 februari 2025 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 november
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Yves Sacreas, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Louis Warlop, die loco advocaten Steve Ronse en Thomas Quintens verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-42.637-2/15 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
- De deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant verleent aan de tussenkomende partij een omgevingsvergunning voor de renovatie van het stookgebouw, de realisatie van een nieuw logistiek gebouw, en de exploitatie van verschillende inrichtingen en activiteiten, in het domein van de Plantentuin Meise. 3.
- Met een beslissing van 17 mei 2023 verklaart de verwerende partij het bestuurlijk beroep van de verzoekende partijen tegen de deputatiebeslissing ongegrond, en verleent de omgevingsvergunning. 3.
- Het bestreden arrest verwerpt het beroep van de verzoekende partijen tot vernietiging van de beslissing van 17 mei
- IV. Onderzoek van de middelen tot nietigverklaring A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 14.4.4 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen’ (hierna: inrichtingsbesluit), van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, van de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek, en van artikel 149 van de Grondwet. VII-42.637-3/15
- Zij zetten uiteen dat zij in dit middel opkomen tegen volgende motieven van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) ter verwerping van het eerste middel tot nietigverklaring, dat de overeenstemming van de aanvraag met het planvoorschrift van toepassing in de parkgebieden, in samenhang met de motiveringsvereiste en beginselen van behoorlijk bestuur, bekritiseerde: “Uit [de motivering van het bestreden besluit] blijkt afdoende waarom de verwerende partij de kritiek van de verzoekende partijen over de strijdigheid van het beoogde project met de gewestplanbestemming niet volgt. Ze stelt uitdrukkelijk dat de aanvraag betrekking heeft op gebouwen en activiteiten die ten dienste staan van de uitbating en het onderhoud van de Plantentuin, en dat de aanvraag om die reden in overeenstemming is met de gewestplanbestemming. De verwerende partij motiveert dat verschillende technische functies, die op vandaag al verspreid over de Plantentuin aanwezig zijn, samengebracht zullen worden in het nieuwe gebouw. Eveneens stelt de verwerende partij dat de bundeling van de verschillende technische functies aan de rand van het domein zorgt voor een minimale circulatie binnen het domein, wat de belevingswaarde van het park verhoogt. Geen van deze motieven worden door de verzoekende partijen bekritiseerd in hun verzoekschrift. De verzoekende partijen, die in essentie betwisten dat de aanvraag ten dienste staat van de uitbating en daarmee eveneens de intentie van de tussenkomende partij in vraag stellen, dienen een dergelijke stelling bijzonder concreet aan te tonen. De loutere verwijzing naar de vermeldingen van events op de website van de tussenkomende partij of naar eventuele vacatures, volstaat allerminst om aan te tonen dat de oprichting van een nieuw logistiek gebouw niet ten dienste zou staan van de uitbating van de Plantentuin. De verzoekende partijen proberen die bewijslast al te gemakkelijk om te draaien in hun argumentatie, net zoals ze de motivering in de bestreden beslissing zonder meer wegzetten als ‘manifest onjuist’. Voor zover de verzoekende partijen stellen dat het nieuwe gebouw niet noodzakelijk is, uiten ze kritiek op de fundamentele opportuniteit van de aanvraag, wat buiten de beoordelingsbevoegdheid van de Raad valt.”
- De verzoekende partijen formuleren hiertegen volgende grieven: “Artikel 14.4.4 van het [inrichtingsbesluit stelt het volgende] wat betreft parkgebieden: ‘De parkgebieden moeten in hun staat bewaard worden of zijn bestemd om zodanig ingericht te worden, dat ze, in al dan niet verstedelijkte gebieden, hun sociale functie kunnen vervullen.’ [De RvVb heeft,] zoals verzoekende partijen daar in hun verzoekschrift voor de [RvVb] tevens naar hebben verwezen, daarover reeds als volgt […] geoordeeld:[…] VII-42.637-4/15 De term ‘parkgebied’ staat in de spraakgebruikelijke betekenis voor een terrein dat door beplanting met bomen en heesters tot een wandel- en rustplaats ingericht is. Parkgebieden moeten als dusdanig worden bewaard of ingericht, dat ze die functie voor de gehele bevolking kunnen vervullen. Enkel die handelingen kunnen worden vergund die behoren of bijdragen tot de inrichting van het parkgebied. [De] verzoekende partijen [hebben] in hun verzoekschrift voor de [RvVb] ook nog gesteld […] dat het niet kan worden betwist dat de gewestplanbestemming ‘parkgebied’ vergelijkbaar is met het onderdeel ‘6.2 Parkgebied’ van de categorie van gebiedsaanduiding ‘
- Overig groen’ opgenomen in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 april 2008 tot vaststelling van nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen en dat de standaardtypebepaling voor ‘park’ luidt als volgt […]: ‘Het gebied is bestemd voor de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van een park of parken. Dit gebied heeft ook een sociale functie. Binnen dit gebied zijn natuurbehoud, bosbouw, landschapszorg en recreatie nevengeschikte functies. Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor deze functies zijn toegelaten. De genoemde werken, handelingen en wijzigingen zijn toegelaten voor zover de ruimtelijke samenhang in het gebied, de cultuurhistorische waarden, horticulturele waarden, landschapswaarden en natuurwaarden in het gebied bewaard blijven…’ [Dienaangaande werd] ook nog naar de toelichting […] verwezen die het volgende vermeldt: ‘Het behoud van de ruimtelijke samenhang en de landschappelijke en cultuurhistorische waarde van het gebied wordt als randvoorwaarde ingeschreven. Recreatie moet hier verstaan worden in verhouding tot de andere functies van het gebied. Het is een nevengeschikte functie en geen enige functie noch de enige hoofdfunctie.’ [Verder werd ook nog verwezen] naar een ander arrest van de [RvVb] waarin het volgende gesteld wordt:[…] ‘Uit de aangehaalde standaardtypebepaling en de toelichting ervan volgt dat binnen een ‘parkgebied’ recreatie een nevengeschikte functie is en dat alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor deze functie toegelaten zijn, voor zover de ruimtelijke samenhang in het gebied en de cultuurhistorische waarden, de horticulturele waarden, de landschapswaarden en de natuurwaarden, bewaard blijven.’ [Op] basis van het gegeven dat de aanvraag betrekking heeft op gebouwen en activiteiten die ten dienste staan van de uitbating en het onderhoud van de Plantentuin [kan] dus niet zonder meer besloten […] worden dat er overeenstemming is met het planvoorschrift van toepassing in de parkgebieden. [Daartoe moet] dan ook de aard van deze activiteiten bekeken […] worden in het licht van het hogervermelde planvoorschrift, zoals verzoekende partijen zulks ook hadden duidelijk gemaakt in hun verzoekschrift voor de [RvVb]. [De] verzoekende partijen [hadden] in dat verband met verwijzing naar het Decreet van 6 december 2013 houdende de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.005 VII-42.637-5/15 oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap ‘agentschap Plantentuin Meise’ gesteld […] dat de Plantentuin Meise een botanische tuin is waar wetenschappelijk onderzoek wordt verricht. [De] verzoekende partijen [hadden] dan ook tevens gesteld […] dat het aanbieden van economische activiteiten in het kader van private evenementen geen activiteit is waarmee de parkgebieden hun publieke functie -en dus ten aanzien van de gehele bevolking- vervullen, en dat het al evenmin een activiteit is waarmee het parkgebied in zijn staat wordt bewaard of wordt bestemd om ingericht te worden om die sociale functie te vervullen, zoals zulks wordt vereist door artikel 14.4.4 van het [inrichtingsbesluit]. [De] verzoekende partijen [hadden] in hun verzoekschrift tevens gesteld […] dat uit de plannen van de vergunde aanvraag ook blijkt dat de grootste ruimte van het vergunde op te richten logistieke gebouw, zal worden ingedeeld als een werkplaats voor deze evenementen […]. [Het] betreden arrest [betrekt artikel 14.4.4 van het inrichtingsbesluit helemaal niet in zijn beoordeling en besluit] op grond van de overweging dat de aanvraag betrekking heeft op gebouwen en activiteiten die ten dienste staan van de uitbating en het onderhoud van de Plantentuin, een overweging die door verzoekende partijen naast andere overwegingen, weldegelijk werd bekritiseerd, dan ook ten onrechte […] tot de ongegrondheid van het eerste middel dat de verenigbaarheid met het bestemmingsvoorschrift van toepassing in de parkgebieden, bekritiseerde. [In] de mate het bestreden arrest stelt dat de in het arrest weergegeven overwegingen van het bestreden besluit niet bekritiseerd zouden zijn door verzoekende partijen en dat verzoekende partijen in essentie enkel de intentie van de vergunningsaanvrager in vraag zouden stellen, [miskent] het bestreden arrest daarmee dan ook tevens de bewijskracht van de stukken […], zijnde het verzoek tot vernietiging van verzoekende partijen voor de [RvVb] en hun wederantwoordnota, waardoor tevens de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek worden geschonden. [Door] op de door verzoekende partijen aangehaalde grieven niet of maar partieel te antwoorden, [miskent] het bestreden arrest tevens de rechterlijke motiveringsvereiste, zoals deze vervat ligt in artikel 149 van de Grondwet.” Beoordeling
- Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. In het middel wordt niet uiteengezet op welke wijze het bestreden arrest een VII-42.637-6/15 schending zou inhouden van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart
- Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
- Artikel 14.4.4 van het inrichtingsbesluit bepaalt dat de gronden die volgens een gewestplan gelegen zijn in parkgebied in hun staat bewaard moeten worden of bestemd zijn om zodanig ingericht te worden dat ze hun sociale functie kunnen vervullen. Constructies en activiteiten die erop gericht zijn een park toe te laten zijn op de gehele bevolking gerichte functie te vervullen, zijn verenigbaar met dit bestemmingsvoorschrift. De RvVb miskent dan ook niet de draagwijdte van deze bepaling wanneer hij oordeelt dat gebouwen en activiteiten die ten dienste staan van de uitbating en het onderhoud van een park kunnen worden toegestaan in parkgebied.
- Artikel 14, § 2, RvS-wet bepaalt dat de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt. Bijgevolg kan het cassatieberoep niet ertoe strekken de Raad van State te verplichten de feitelijke beoordeling van de RvVb over te doen. De RvVb oordeelt onaantastbaar of de vergunningverlenende overheid op grond van de feitelijke gegevens correct tot de vaststelling kon komen dat het voorwerp van de aanvraag verenigbaar is met het stedenbouwkundig voorschrift van artikel 14.4.4 van het inrichtingsbesluit, en met name of de aangevraagde werken en activiteiten ten dienste staan van de uitbating en het onderhoud van het park. In zoverre de verzoekende partijen de Raad van State uitnodigen om die beoordeling opnieuw te maken, is het middel niet ontvankelijk.
- De artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek verplichten de rechter de bewijskracht van akten te eerbiedigen. De RvVb miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, een verklaring toeschrijft die het geschrift niet bevat, dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. De rechter die uit een akte louter een feitelijk of juridisch gevolg trekt, miskent echter de bewijskracht van die akte niet. VII-42.637-7/15
- In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat het bestreden arrest de bewijskracht miskent van de wederantwoordnota die zij bij de RvVb hebben ingediend, duiden zij niet aan van welke passages van die nota de bewijskracht zou zijn miskend. Deze kritiek is niet ontvankelijk bij gebrek aan de vereiste precisie.
- In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat het bestreden arrest de bewijskracht miskent van het verzoekschrift tot vernietiging dat zij bij de RvVb hebben ingediend, door te overwegen dat de in het arrest weergegeven overwegingen van het bestreden besluit door de verzoekende partijen niet worden bekritiseerd, beperken de verzoekende partijen zich ertoe deze overweging tegen te spreken zonder aan te duiden van welke passages uit het verzoekschrift de bewijskracht zou zijn miskend. In zoverre mist het middel de vereiste precisie en is het niet ontvankelijk.
- In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat het bestreden arrest de bewijskracht miskent van het verzoekschrift tot vernietiging dat zij bij de RvVb hebben ingediend, door te overwegen dat de verzoekende partijen in essentie enkel de intentie van de vergunningsaanvrager in vraag zouden stellen, blijkt niet dat de in het middel hernomen argumenten die de verzoekende partijen in hun verzoekschrift tot nietigverklaring zouden hebben laten gelden, hiermee onverenigbaar zijn. Waar de verzoekende partijen hebben aangevoerd “dat het aanbieden van economische activiteiten in het kader van private evenementen geen activiteit is waarmee de parkgebieden hun publieke functie vervullen” en dat “uit de plannen van de vergunde aanvraag ook blijkt dat de grootste ruimte van het vergunde op te richten logistieke gebouw, zal worden ingedeeld als een werkplaats voor deze evenementen”, geeft het bestreden arrest hieraan geen uitlegging die hiermee onverenigbaar is wanneer het oordeelt dat de verzoekende partijen in essentie enkel de intentie van de vergunningsaanvrager in vraag stellen. De aangevoerde schending van de bewijskracht van het verzoekschrift tot nietigverklaring is in zoverre ongegrond. VII-42.637-8/15
- De in artikel 149 van de Grondwet ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd. Uit het geheel van de motieven moet blijken waarom het middel wordt aangenomen of verworpen. Argumenten van een partij kunnen op die wijze ook impliciet worden verworpen, met name wanneer die argumenten strijden met de motieven van het arrest. Het bestuursrechtscollege voldoet aan de motiveringsplicht wanneer de motieven de partijen en de Raad van State toelaten te begrijpen waarom de ermee strijdige argumenten niet worden aangenomen. Met de in het middel aangehaalde overwegingen antwoordt het bestreden arrest op de door de verzoekende partijen in het middel weergegeven argumenten van hun verzoekschrift. De motieven laten toe te begrijpen waarom de ermee strijdige argumenten van de verzoekende partijen worden verworpen. De aangevoerde schending van de rechterlijke motiveringsplicht kan niet worden aangenomen.
- In zoverre het ontvankelijk is, is het middel ongegrond. VII-42.637-9/15 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 2, 8°, 7, § 2, en 20, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet), van de artikelen 4.3.2 en 4.3.3 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), van artikel 2, § 6, van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 ‘houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage’ (hierna: MER-besluit), en van de bijlage III, rubriek 10 b), van het MER-besluit.
- Zij zetten uiteen dat zij in dit middel opkomen tegen de beslissing tot verwerping van het tweede middel tot nietigverklaring, waarin zij de schending hadden aangevoerd van artikel 7, § 2, van het omgevingsvergunningsdecreet. Het bestreden arrest stelt over die bepaling, onder verwijzing naar de parlementaire voorbereiding, dat zij ertoe strekt de integratie te bewerkstelligen van de stedenbouwkundige handelingen en de exploitatie van ingedeelde inrichtingen die onderdeel zijn van hetzelfde project. Het bestreden arrest stelt dat er, zoals bij de voorbeelden die in de memorie van toelichting worden gegeven, volgens de gegevens die onder het middel werden aangehaald, in voorliggend geval geen sprake is van onlosmakelijk met elkaar verbonden vergunningsplichtige aspecten die onderdeel zijn van hetzelfde project die ten onrechte afzonderlijk zouden zijn aangevraagd. Het bestreden arrest verklaart ook de kritiek van de verzoekende partijen dat het bestreden besluit de aanvraag ten onrechte niet als een stadsontwikkelingsproject heeft gekwalificeerd, ongegrond, en steunt daarvoor ook op zijn beoordeling inzake de toepassing van artikel 7, § 2, van het omgevingsvergunningsdecreet en stelt dienaangaande het volgende: VII-42.637-10/15 “Voor zover de verzoekende partijen hun betoog herhalen dat ook de parking aan de overzijde van de Nieuwelaan meegenomen had moeten worden, wordt verwezen naar de beoordeling onder randnummer 4.”
- De verzoekende partijen formuleren hiertegen volgende grieven: “Artikel 7, § 2, [van het omgevingsvergunningsdecreet bepaalt het volgende]: ‘Als het project elementen bevat die onderworpen zijn aan meerdere vergunnings- of meldingsplichten, bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, en die aspecten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, omvat de vergunningsaanvraag de betrokken aspecten op straffe van onontvankelijkheid als minstens één element van de aanvraag vergunningsplichtig is.’ [Op] grond van deze bepaling [volstaat het dus] dat het project elementen bevat die onderworpen zijn aan meerdere vergunnings- of meldingsplichten, bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, en die aspecten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, opdat de vergunningsaanvraag al deze betrokken aspecten bevat op straffe van onontvankelijkheid. [Wanneer] het bestreden arrest verwijst naar het begrip ‘project’, [wordt] dat begrip, zoals het bestreden arrest ook aanhaalt, gedefinieerd […] door artikel 2, 8° [van het omgevingsvergunningsdecreet]: ‘project: het geheel van volgende elementen of minstens één ervan die onderworpen zijn aan de vergunnings- of meldingsplicht, vermeld in artikel 5: a) stedenbouwkundige handelingen; b) de exploitatie van ingedeelde inrichtingen; c) de kleinhandelsactiviteiten; d) het wijzigen van de vegetatie; dan wel het verkavelen van gronden.’ [Het] begrip ‘project’ [wordt dus omschreven] als het geheel van volgende elementen of minstens één ervan […] die onderworpen zijn aan de vergunnings- of meldingsplicht, vermeld in artikel
- [Een] project [kan] dus even goed alleen maar stedenbouwkundige handelingen […] omvatten, die wanneer ze onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, op grond van artikel 7, § 2, [van het omgevingsvergunningsdecreet] dan ook weldegelijk middels eenzelfde vergunningsaanvraag moeten worden ingediend, en zulks op straffe van onontvankelijkheid. [De] parlementaire voorbereiding bij het vroegere artikel 18, tweede lid, van het Omgevingsvergunningsdecreet, dat de voorganger is van artikel 7, § 2, van het Omgevingsvergunningsdecreet, [kan,] voor zover zulks [al] de bedoeling zou zijn, dan ook geen afbreuk […] doen aan de duidelijke tekst van de betreffende decretale bepalingen, zijnde de artikelen 2, 8° en 7, § 2 [van het omgevingsvergunningsdecreet]. [Het] bestreden arrest [heeft dan ook,] met verwijzing naar voorbeelden uit de parlementaire voorbereiding […] - die telkens betrekking hebben op stedenbouwkundige handelingen en de exploitatie van ingedeelde inrichtingen die onderdeel zijn van hetzelfde project - […] ten onrechte geoordeeld dat er in voorliggend geval geen sprake is van onlosmakelijk met ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.005 VII-42.637-11/15 elkaar verbonden vergunningsplichtige aspecten die onderdeel zijn van hetzelfde project en die ten onrechte afzonderlijk werden aangevraagd. [Voor de RvVb werd dan ook niet] betwist dat de aanleg van de nieuwe personeelsparking aan de Nieuwelaan, die afzonderlijk werd vergund, een stedenbouwkundige handeling is in de zin van artikel 5 van het Omgevingsvergunningsdecreet. [De verzoekende partijen hadden voor de RvVb dan ook] ingeroepen dat deze onlosmakelijk verbonden is met het voorwerp van de aanvraag die middels het voor de [RvVb] aangevochten besluit werd vergund, zodat zij samen het voorwerp van dezelfde aanvraag hadden moeten [uitmaken]. [Het] bestreden arrest [heeft] er dan ook ten onrechte anders […] over geoordeeld. [Door] inzake de beoordeling van de vraag of er al dan niet sprake is van een stadsontwikkelingsproject mede te steunen op zijn beoordeling inzake het tweede middel onder randnummer 4 […], [worden] door het bestreden arrest tevens [artikel 20, eerste lid, van het omgevingsvergunningsdecreet], [de artikelen] 4.3.2 en 4.3.3 [DABM], artikel 2, § 6, van het MER-besluit en de bijlage III, rubriek 10 b) van het MER-besluit […] geschonden omdat mede op grond van deze beoordeling wordt geoordeeld dat het voor de [RvVb] aangevochten ministerieel besluit terecht zou hebben besloten dat het niet om een stadsontwikkelingsproject gaat en er dus tevens geen mer- screeningsplicht zou gelden.” Beoordeling
- Het bestreden arrest oordeelt: “Uit de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij het argument van de verzoekende partijen niet volgt dat de bouw van het logistieke gebouw onlosmakelijk samenhangt met de aanleg van de personeelsparking aan de overzijde van de Nieuwelaan. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat dit standpunt foutief is. De [RvVb] wijst er in dat opzicht op dat, opdat er sprake is van een onlosmakelijke verbondenheid in de zin van artikel 7, § 2, van het Omgevingsvergunningsdecreet, de aspecten die onderworpen zijn aan meerdere vergunningsplichten bij of krachtens de decreten vermeld in artikel 5 Omgevingsvergunningsdecreet moeten kaderen binnen hetzelfde ‘project’. Dit laatste begrip wordt in artikel 2, 8° Omgevingsvergunningsdecreet als volgt gedefinieerd: ‘project: het geheel van volgende elementen of minstens één ervan die onderworpen zijn aan de vergunnings- of meldingsplicht, vermeld in artikel 5: a) stedenbouwkundige handelingen; b) de exploitatie van ingedeelde inrichtingen; c) de kleinhandelsactiviteiten; d) het wijzigen van de vegetatie; dan wel het verkavelen van gronden.’ VII-42.637-12/15 Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding bij het vroegere artikel 18, tweede lid van het Omgevingsvergunningsdecreet (de voorganger van het huidige artikel 7, § 2, Omgevingsvergunningsdecreet) […], strekte deze bepaling er initieel toe om de integratie te bewerkstelligen van de stedenbouwkundige handelingen en de exploitatie van ingedeelde inrichtingen die onderdeel zijn van hetzelfde project. Later werd deze integratie ook uitgebreid naar de vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten en de vergunningsplichtige vegetatiewijzigingen. Al de onlosmakelijk met elkaar verbonden aspecten die onderdeel zijn van hetzelfde project moeten op straffe van onontvankelijkheid via één en dezelfde vergunningsaanvraag worden ingediend. Als voorbeeld wordt daarbij in de memorie van toelichting verwezen naar een zwembad en een stal voor dieren, waarbij één vergunningsaanvraag moet worden ingediend die alle vergunningsplichtige aspecten omvat waaraan deze projecten onderworpen zijn. In casu blijkt echter niet dat er, zoals bij de voorbeelden die worden gegeven in de memorie van toelichting, sprake is van onlosmakelijk met elkaar verbonden vergunningsplichtige aspecten die onderdeel zijn van hetzelfde project en die ten onrechte afzonderlijk werden aangevraagd. Het gegeven dat, zoals de verzoekende partijen stellen, er zonder de oprichting van het logistieke gebouw geen nood was aan een nieuwe personeelsparking, doet daarover niet anders besluiten. Dit gegeven maakt immers niet dat de oprichting van het logistieke gebouw en de aanleg van de parking onderdelen van hetzelfde project in de zin van artikel 2, 8° Omgevingsvergunningsdecreet zijn / worden. In de mate dat de verzoekende partijen zich aldus beroepen op de schending van artikel 7, § 2 Omgevingsvergunningsdecreet, mist hun betoog iedere grondslag.” Met deze beoordeling heeft de RvVb de draagwijdte van het begrip “onlosmakelijk verbonden” van artikel 7, § 2, van het omgevingsvergunningsdecreet niet verengd tot de gevallen die als voorbeeld zijn gegeven in de parlementaire voorbereiding, en niet uitgesloten dat een “project” in de zin van artikel 2, 8°, van het omgevingsvergunningsdecreet alleen maar stedenbouwkundige handelingen kan omvatten. Het betoog van de verzoekende partijen berust aldus op een verkeerde lezing van het bestreden arrest.
- De RvVb oordeelt onaantastbaar aan de hand van de feitelijke gegevens van de zaak of het vergunningverlenend bestuur terecht tot de bevinding is gekomen dat elementen die onderworpen zijn aan meerdere vergunnings- of meldingsplichten al dan niet onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden in de zin van artikel 7, § 2, van het omgevingsvergunningsdecreet. In zoverre de verzoekende ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.005 VII-42.637-13/15 partijen de Raad van State met de aangevoerde schending van de artikelen 2, 8°, en 7, § 2, van het omgevingsvergunningsdecreet uitnodigen om die beoordeling opnieuw te maken, vragen zij om de zaak zelf te beoordelen, wat hem niet toegelaten is (artikel 14, § 2, RvS-wet).
- De verzoekende partij maakt niet voldoende duidelijk hoe uit de door haar geformuleerde kritiek een schending zou kunnen worden afgeleid van artikel 20, eerste lid, van het omgevingsvergunningsdecreet, de artikelen 4.3.2 en 4.3.3 DABM, artikel 2, § 6, van het MER-besluit, en de bijlage III, rubriek 10 b), van het MER-besluit. In zoverre het de schending aanvoert van die bepalingen, is het middel niet ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 1.000 euro, elk voor een vijfde, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
- De te veel betaalde rolrechten met bijdrage ten bedrage van 1.024 euro dienen te worden terugbetaald aan de verzoekende partijen. VII-42.637-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig november tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.637-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.005 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div