id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:20
§ 6
, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn, van de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), van artikel 16 van de Grondwet samengelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullende Protocol op het Verdrag ‘tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden’, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: EVRM), en van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel.
- Artikel 2, § 1, derde lid, van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) is op grond van artikel 4, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ van toepassing op een vordering tot schorsing waarin, zoals te dezen, het verzoekschrift tot nietigverklaring nog niet eerder is ingediend. XII-9926-5/17 De vordering moet bijgevolg een samenvatting van het middel bevatten als voor het middel een verdere uiteenzetting nodig is. Luidens voornoemd artikel 2, § 1, derde lid, van de algemene procedureregeling kan de ontstentenis van de samenvatting van de grief niet leiden tot de niet- ontvankelijkheid van het middel, maar luidens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 dat deze verplichting invoerde, heeft “die ontstentenis […] als enig mogelijk gevolg voor de verzoeker dat de draagwijdte van zijn grief niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest” (BS 26 juli 2023 (ed 2), 62630). Te dezen bevat het verzoekschrift weliswaar een uiteenzetting van het middel, maar geen samenvatting van de grieven in de zin van de voornoemde bepalingen, terwijl verzoekster wel aan de hand van omstandige toelichtingen concreter ingaat op de argumenten die volgens haar het middel ondersteunen. Uit wat voorafgaat, volgt dat, zeker in een kortgedingprocedure, verzoekster moet verdragen dat de Raad van State de grieven samenvat en begrijpt zoals hierna wordt gedaan.
- In essentie voert verzoekster aan dat de grondvoorwaarde opdat kan worden overgegaan tot de bestuurlijke maatregel tot overdracht van de volle eigendom van de dieren op basis van artikel 72, § 3, 3°, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn, niet is voldaan, daar er geen bewijs voorligt dat verzoekster zich schuldig heeft gemaakt aan dierenmishandeling. Volgens verzoekster kan een dergelijke bestuurlijke maatregel slechts worden getroffen wanneer er een strafrechtelijk gesanctioneerd misdrijf voorligt, zoals bedoeld in artikel 66 Vlaamse Codex Dierenwelzijn. Een misdrijf veronderstelt een materieel, een moreel en een wederrechtelijk element en volgens verzoekster is er te dezen geen sprake van een moreel element. Zij verwijst daartoe naar vier “dossierelementen”. Voorts voert verzoekster aan dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd, minstens het resultaat is van een onzorgvuldig onderzoek, alsook kennelijk onredelijk is, daar niet wordt stilgestaan bij de omstandigheden die XII-9926-6/17 hebben geleid tot de gedane vaststellingen noch bij de inspanningen van verzoekster om de vastgestelde toestand van haar woning en praktijk te verhelpen, en omdat niet wordt gemotiveerd waarom een minder verregaande bestuurlijke maatregel niet zou volstaan. Artikel 16 van de Grondwet samengelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullende Protocol op het EVRM zijn volgens verzoekster geschonden “gelet op het feit dat de bestreden beslissing onwettig is”. Beoordeling A. Exceptie van niet-ontvankelijkheid van het middel Uiteenzetting van de exceptie
- De verwerende partij werpt op dat het verzoekschrift niet ontvankelijk is. Verzoekster voert de schending aan van de artikelen 66 en 72 §
§ 6
van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn, van artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991, van artikel 16 Grondwet samengelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol op het EVRM, doch volgens de verwerende partij wordt dit inhoudelijk niet uitgewerkt. Beoordeling 12. Hoewel verzoekster niet expliciet alle onderdelen van artikel 72, §
§ 6
van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn betrekt in de uiteenzetting van het middel, kan wel worden begrepen in welke mate verzoekster de door de verwerende partij vermelde bepalingen geschonden acht. De exceptie wordt verworpen. XII-9926-7/17 B. Onderzoek van de ernst van het middel Eerste grief: schending van artikel 66 en artikel 72, §
§ 6, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn 13.
Verzoekster voert vooreerst aan dat een bestuurlijke maatregel in de zin van artikel 72, § 3, 3°, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn slechts kan worden getroffen wanneer er een strafrechtelijk gesanctioneerd misdrijf voorligt, zoals bedoeld in artikel 66 Vlaamse Codex Dierenwelzijn. 14. De door verzoekster geschonden geachte bepalingen van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn behoren tot het hoofdstuk “controle, handhaving en bestraffing”. Artikel 66 van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn luidt: “De persoon die handelt in strijd met de bepalingen van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan of de Europese verordeningen, beschikkingen en besluiten ter zake wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met een geldboete van 52 euro tot 100.000 euro, of met een van die straffen alleen.” Artikel 72, §
§ 6, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn luidt: “§ 1.
Als de personen, vermeld in artikel 64, § 1, eerste lid, 1° en 2°, een overtreding van dit decreet, de uitvoeringsbesluiten ervan of de Europese verordeningen, beschikkingen en besluiten ter zake vaststellen en die overtreding over levende dieren gaat, kunnen ze die dieren administratief in beslag nemen en als dat nodig is onderbrengen in een geschikte opvangplaats. De personen, vermeld in artikel 64, § 1, eerste lid, 1° en 2°, kunnen ook dieren in beslag nemen als die gehouden worden terwijl er een verbod of een beperking van toepassing is die is opgelegd met toepassing van artikel 68, 2° en 3°. Als de dieren die in beslag worden genomen met toepassing van deze paragraaf, worden opgevangen in een erkend dierenasiel, bezorgt het erkende dierenasiel aan het departement een overzicht van de dieren die zijn opgevangen en de tijdsduur waarin ze zijn opgevangen. Er wordt een vergoeding betaald aan het erkende dierenasiel voor de opvang en voor de kosten die verbonden zijn aan de opvang. Als de dieren niet worden opgevangen in een erkend dierenasiel, wordt die vergoeding betaald aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon in kwestie die instond voor de opvang. XII-9926-8/17 De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag van de vergoeding, vermeld in het vierde lid, en de nadere regels van de procedure, vermeld in het derde en vierde lid. § 2. In de gevallen, vermeld in paragraaf 1, wordt een kopie van het proces-verbaal bezorgd aan het departement. § 3. Het departement bepaalt de bestemming van het levende dier dat conform paragraaf 1 in beslag is genomen. De volgende bestemmingen kunnen conform het eerste lid worden bepaald: 1° het dier al dan niet onder voorwaarden teruggeven aan de verantwoordelijke van het in beslag genomen dier; 2° het dier verkopen; 3° het dier in volle eigendom geven aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon; 4° het dier slachten of het doden. § 4. Het beslag, vermeld in paragraaf 1, wordt van rechtswege opgeheven door de beslissing, vermeld in paragraaf 3, of, bij het uitblijven van de voormelde beslissing, na zestig dagen vanaf de datum van de inbeslagname. § 5. De personen, vermeld in artikel 64, § 1, eerste lid, 1° en 2°, kunnen de kadavers, het vlees of de voorwerpen die het voorwerp vormen van de overtreding of die gediend hebben om een overtreding te plegen of die bestemd waren om een overtreding te begaan, administratief in beslag nemen en eventueel vernietigen of laten vernietigen. § 6. De verantwoordelijke van het dier is een vergoeding verschuldigd voor de kosten die verbonden zijn aan de maatregelen die worden genomen met toepassing van paragraaf 1, 3 en 5. De Vlaamse Regering stelt de tarieven van de vergoedingen, vermeld in het eerste lid, vast. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels van de procedure, vermeld in het eerste en tweede lid, vast.” 15. Uit deze bepalingen blijkt prima facie dat de strafrechtelijke veroordeling bedoeld in artikel 66 en de bestuurlijke maatregelen bedoeld in artikel 72 van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn onafhankelijk van elkaar bestaan en kunnen worden opgelegd. In tegenstelling tot wat verzoekster aanneemt, blijkt uit deze bepalingen prima facie niet dat het opleggen van een bestuurlijke maatregel op grond van artikel 72, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn ondergeschikt zou zijn aan een strafrechtelijke vervolging en veroordeling noch dat een dergelijke maatregel slechts kan worden opgelegd, nadat een strafrechtelijk gesanctioneerd misdrijf werd vastgesteld. In de mate dat middel uitgaat van het tegendeel is het derhalve niet ernstig. Derhalve dienen de “dossierelementen” waaruit verzoekster de afwezigheid van een moreel element afleidt, niet te worden onderzocht. XII-9926-9/17 Tweede grief: schending van de formelemotiveringsplicht, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het redelijkheidsbeginsel 16. In wat als een tweede grief kan worden beschouwd, voert verzoekster aan dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd, minstens het resultaat is van een onzorgvuldig onderzoek, alsook kennelijk onredelijk is, daar niet wordt stilgestaan bij de omstandigheden die hebben geleid tot de gedane vaststellingen noch bij de inspanningen van verzoekster om de vastgestelde toestand van haar woning en praktijk te verhelpen, en omdat niet wordt gemotiveerd waarom een minder verregaande bestuurlijke maatregel niet zou volstaan. 17. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten het bestuur in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht moet voorts worden rekening gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn. XII-9926-10/17 18. Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich gedragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht om zorgvuldig tewerk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoekster toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van het bestuur niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoekster van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. 19. Een schending van het redelijkheidsbeginsel (of van het evenredigheidsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van
- is)als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat het bestuur bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel (en van het evenredigheidsbeginsel) kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een ander zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of het bestuur op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is XII-9926-11/17 kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van het bevoegde bestuur. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid of de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent. 20. De schending van het redelijkheidsbeginsel is enkel aan de orde als vaststaat dat de bestreden beslissing steunt op deugdelijke (materiële) gronden, zodat het past de ernst van het middel eerst te onderzoeken in de mate dat de schending van de formelemotiveringsplicht wordt aangevoerd. 21. De Raad van State stelt prima facie vast dat de formele motivering van de bestreden beslissing zes pagina’s beslaat. Die formele motivering verwijst uitgebreid naar de vaststellingen gedaan op 30 juni 2025, zoals ze blijken uit het opgestelde proces-verbaal en de daarbij gevoegde foto’s, naar het dierenartsenverslag van 1 juli 2025, naar de extra informatie over de toestand van dieren ontvangen van het asiel op 28 juli 2025, naar het verhoor van verzoekster op 20 augustus 2025, alsook naar de vaststellingen gedaan bij de hercontrole op 20 augustus 2025. Op basis van al die gegevens besluit de bestreden beslissing: “Uit bovenstaande blijkt dat: ➢ de katten niet werden gehouden volgens hun fysiologische en ethologische behoeften, waardoor hun welzijn ernstig werd geschaad: o de katten werden gehouden in erg onhygiënische omstandigheden, wat gezondheidsrisico’s kan inhouden; o er was permanent een onaangename ammoniakgeur aanwezig in de omgeving van de katten, wat een irriterend effect kan hebben op de slijmvliezen en de luchtwegen; o de katten konden zich kwetsen aan het aanwezige afval. ➢ betrokkene, ondanks dat zij als dierenarts over de nodige medische kennis beschikt, heeft nagelaten haar dieren de nodige (en urgente) medische zorgen te bieden waardoor de katten gedurende een ruime periode fysiek geleden hebben: ➢ betrokkene verscheidene gezondheidsproblemen niet opgemerkt had en niet op de hoogte was dat één van de tabby kattinnen drachtig was, wat wijst op onvoldoende aandacht voor de noden van haar katten. XII-9926-12/17 ➢ meerdere katten niet geïdentificeerd of correct geregistreerd waren; ➢ betrokkene zich niet gehouden heeft aan de sterilisatieplicht voor katten, met verschillende (ongewenste) nesten tot gevolg. ➢ de verklaring van betrokkene dat ze de week voor de controle de kattenbakken en de praktijk nog gekuist had niet strookt met de vastgestelde feiten, en daardoor weinig geloofwaardig is. ➢ betrokkene, ondanks de moeilijke situatie waarin ze zich bevond, de vondelingen bij zich gehouden heeft in plaats van deze af te staan aan een asiel. ➢ betrokkene beseft dat de situatie niet aanvaardbaar was en zij ondertussen hulp gezocht heeft ➢ bijna twee maanden na de inbeslagname de woning nog steeds niet voldoende opgeruimd is, en er opnieuw een kat in beslag genomen werd, wat erop wijst dat betrokkene onvoldoende inspanningen geleverd heeft om de leefomstandigheden van de katten te verbeteren. ➢ betrokkene vrijwillig afstand doet van 4 katten.” 22. De Raad van State stelt voorts prima facie vast dat verzoekster deze omstandige formele motivering in het geheel niet betrekt bij de uiteenzetting van haar grief dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd. Om de schending van de formelemotiveringsplicht aannemelijk te maken, kan verzoekster niet volstaan louter te verwijzen naar niet nader gepreciseerde en niet-gestaafde “omstandigheden” die tot de gedane vaststellingen zouden hebben geleid. In de mate dat verzoekster aanvoert dat de verwerende partij rekening moest houden met de inspanningen van verzoekster om de vastgestelde toestand in haar praktijk en woning te verhelpen, mist het middel feitelijke grondslag nu uit de bestreden beslissing blijkt dat de vaststellingen gedaan tijdens de hercontrole op 20 augustus 2005 wel degelijk in de beoordeling werden betrokken, maar de verwerende partij daarover besloot dat “bijna twee maanden na de inbeslagname de woning nog steeds niet voldoende opgeruimd is, en er opnieuw een kat in beslag genomen werd, wat erop wijst dat betrokkene onvoldoende inspanningen geleverd heeft om de leefomstandigheden van de katten te verbeteren”. Van de verwerende partij kan prima facie voorts niet worden verlangd, in tegenstelling tot wat verzoekster aanvoert, dat zij zou rekening houden met de inspanningen van verzoekster om de vastgestelde toestand in haar praktijk en woning te verhelpen die dateren van ná de bestreden beslissing. 23. In de mate dat verzoekster de formele motivering van de bestreden beslissing bekritiseert, omdat er niet uit zou blijken waarom een minder XII-9926-13/17 verregaande bestuurlijke maatregel niet mogelijk was, stelt de Raad van State prima facie vast dat verzoekster aan de formelemotiveringsplicht een draagwijdte geeft die er niet in vervat is. De formelemotiveringsplicht reikt te dezen niet zover dat ze de verwerende partij ertoe zou verplichten uitdrukkelijk te motiveren waarom geen andere bestuurlijke maatregel wordt opgelegd. Een positieve formele motivering volstaat, hetgeen inhoudt dat verzoekster in de tuchtbeslissing zelf de motieven moet kunnen terugvinden op grond waarvan een bepaalde bestuurlijke maatregel werd opgelegd, wat te dezen prima facie het geval is. In de mate dat verzoekster uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het middel prima facie in rechte. 24. Verzoekster voert ook de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aan, doch beperkt tot het standpunt dat er minstens sprake is van een “verregaand onzorgvuldig onderzoek”. Met dergelijke algemene bewering blijft verzoekster prima facie in gebreke om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van het bestuur niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. In de mate dat verzoekster de beweerde onzorgvuldigheid steunt op het niet in rekening brengen van de “omstandigheden” die tot de vaststellingen hebben geleid en van de door verzoekster gedane inspanningen, verwijst de Raad van State naar wat hiervoor in dat verband prima facie werd vastgesteld (zie supra, nr. 22). Alzo maakt verzoekster prima facie evenmin aannemelijk dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. 25. In de mate dat verzoekster verwijst naar dezelfde “omstandigheden” die tot de vaststellingen hebben geleid en de door haar gedane inspanningen, om daaruit de onredelijkheid van de bestreden beslissing af te leiden, verwijst de Raad van State eveneens naar wat hiervoor in dat verband prima facie werd vastgesteld (zie supra, nr. 22). Ook met de verwijzing naar het gegeven dat verzoekster niet gekend zou zijn “voor enige retroacten gekaderd in de problematiek van dierenmishandeling” en er desbetreffend evenmin deontologische maatregelen zijn getroffen door de Orde van Dierenartsen, en met de kritiek op de bestreden beslissing dat niet blijkt waarom geen minder XII-9926-14/17 verregaande bestuurlijke maatregel mogelijk zou zijn, toont verzoekster prima facie geen schending van het redelijkheidsbeginsel aan. Zij toont daarmee prima facie immers niet aan dat de bestreden beslissing inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen de motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een ander zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. Het loutere gegeven dat ook andere bestuurlijke maatregelen mogelijk zijn, maakt de bestreden beslissing niet onredelijk. Het is eigen aan de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid zoals te dezen, dat uiteenlopende beslissingen denkbaar zijn, die nochtans alle de toets aan het redelijkheidsbeginsel doorstaan. Derde grief: schending van artikel 16 van de Grondwet samengelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullende Protocol op het EVRM 26. In wat als een derde grief kan worden beschouwd, voert verzoekster aan dat artikel 16 van de Grondwet samengelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullende Protocol op het EVRM geschonden zijn “gelet op het feit dat de bestreden beslissing onwettig is”. 27. Een middel kan slechts ernstig worden bevonden indien het de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan verantwoorden. Dat brengt mee dat het middel, om als ernstig te kunnen worden aangemerkt, dermate duidelijk dient te zijn dat het bij eerste lezing meteen aannemelijk is dat daarop een nietigverklaring kan worden gesteund, zonder dat een doorgedreven onderzoek van het middel noodzakelijk is. Het respect voor het recht van verdediging in de procedure van het administratief kortgeding, waar die rechten door de procedure al beperkt zijn, en de summaria cognitio waarmee de Raad van State van vorderingen tot schorsing kennis neemt, gebieden dan ook dat een verzoekende partij, op straffe van haar middelen als niet ernstig verworpen te zien, zeer nauwkeurig moet aanvoeren welke precieze rechtsregel of welk rechtsprincipe zij geschonden acht en al even nauwkeurig moet vermelden waarin de schending precies bestaat. XII-9926-15/17 28. Te dezen stelt de Raad van State prima facie vast dat verzoekster nalaat in concreto aan te geven waarom de bestreden beslissing de vermelde rechtsnormen zou schenden. Verzoekster beperkt zich tot de loutere stelling dat de bestreden beslissing onwettig is. Verzoekster schiet hiermee prima facie tekort in haar stelplicht. In de mate dat verzoekster met de vermeende onwettigheid zou verwijzen naar de aangevoerde schending van de overige in het enige middel vermelde rechtsregels en beginselen van behoorlijk bestuur, volgt uit wat voorafgaat, prima facie dat het middel feitelijke grondslag mist. 29. Het enig middel is niet ernstig. VIII. Conclusie 30. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. XII-9926-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op een december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Ann Coolsaet XII-9926-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.027 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.452 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.486 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div