id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.044 Rolnummer: Zaak: Arrest 265044 - Monumenten en Landschappen - 03/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-04 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-15 06:30 Fiche Arrest nr 265.044 van 3 december 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 265.044 van 3 december 2025 in de zaken A. 242.351/X-18.724 (I) A. 242.354/X-18.725 (II) In zake: I + II de NV E. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Günther L’Heureux en Arne Van Audenhove kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: I + II het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- De beroepen, ingesteld op 3 juli 2024, strekken tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister voor Financiën en Begroting, Wonen en Onroerend Erfgoed van 26 april 2024 ‘tot vaststelling van de inventaris bouwkundig erfgoed in de provincie West-Vlaanderen’, in zoverre dit betrekking heeft op: - ‘Radio Maritieme diensten: gebouwen en bepaalde installaties’ te Wingene (zaak sub I) en - de ‘Elektriciteitscentrale voorheen Société de l’Electricité de l' Ouest de la Belgium’ te Zwevegem (zaak sub II). X-18.724-1/6 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft in beide zaken een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft in beide zaken een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft in beide zaken een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft in beide zaken een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft in beide zaken een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 oktober
- Kamervoorzitter Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Günther L’Heureux, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Brent Van Sande, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-18.724-2/6 III. Feiten 3.
- De verzoekende partij is eigenaar van een perceel te Wingene met daarop een hoogspanningspost en van een perceel te Zwevegem met daarop een hoogspanningspyloon (hierna: verzoekers percelen). Verzoekers percelen zijn opgenomen in de perimeters van het bij ministerieel besluit van 14 maart 2000 beschermde monument ‘Radio Maritieme diensten: gebouwen en bepaalde installaties’ en van het bij ministerieel besluit van 3 mei 2012 beschermde monument ‘Elektriciteitscentrale voorheen Société de l’Electricité de l' Ouest de la Belgique’. 3.
- Van 1 april 2023 tot 30 mei 2023 organiseert de verwerende partij een openbaar onderzoek over het ontwerp van een nieuwe inventaris van het bouwkundig erfgoed in de provincie West-Vlaanderen. In dit ontwerp zijn de beschermde monumenten ‘Radio Maritieme diensten: gebouwen en bepaalde installaties’ en ‘Elektriciteitscentrale voorheen Société de l’Electricité de l' Ouest de la Belgique’ opgenomen. De verzoekende partij dient een bezwaarschrift in. 3.
- Met het bestreden besluit stelt de bevoegde Vlaamse minister de inventaris van het bouwkundig erfgoed vast. De beschermde monumenten ‘Radio Maritieme diensten: gebouwen en bepaalde installaties’ en ‘Elektriciteitscentrale voorheen Société de l’Electricité de l' Ouest de la Belgique’ worden erin opgenomen. X-18.724-3/6 3.
- Het bezwaarschrift van de verzoekende partij wordt voor beide beschermde monumenten als volgt beantwoord: “Er wordt niet ingegaan op de vraag om de afbakening van het object […] te wijzigen. De afbakening die voorligt voor de opname in de vastgestelde inventaris bouwkundig erfgoed is identiek aan de afbakening van de [sinds 2000 respectievelijk sinds 2012] als monument beschermde [objecten]. […] De opname van deze percelen in de vastgestelde inventaris bouwkundig erfgoed voegt geen rechtsgevolgen toe aan de rechtsgevolgen gekoppeld aan de bescherming als monument [en] wijzigt deze rechtsgevolgen niet. De bescherming als monument primeert daarenboven.” IV. Samenvoeging
- De zaken zijn dermate samenhangend dat het past ze samen te voegen en er in één arrest uitspraak over te doen. V. Ontvankelijkheid Standpunten van de partijen
- De verwerende partij werpt als exceptie op dat de beroepen onontvankelijk moeten worden verklaard omdat de betrokken onroerende goederen als monument beschermd zijn en de opname in de inventaris van het bouwkundig erfgoed aan die bescherming geen voor de verzoekende partij nadelige rechtsgevolgen toevoegt.
- In haar memorie van wederantwoord in beide zaken repliceert de verzoekende partij dat de bestreden beslissing wel degelijk rechtsgevolgen heeft. Zij stelt dat het voordeel van de vernietiging zou zijn dat haar eigendom niet in de inventaris wordt opgenomen en dat de opname in de inventaris en de bescherming als monument als afzonderlijke rechtsfiguren met eigen rechtsgevolgen te beschouwen zijn, waardoor een gebeurlijke opheffing van de bescherming de opname in de inventaris onverlet zou laten. X-18.724-4/6
- In haar laatste memories verwijst de verzoekende partij naar haar vorige procedurestukken en benadrukt zij dat de opname van een goed in de inventaris van het bouwkundig erfgoed zowel wat de finaliteit betreft als op het vlak van rechtsgevolgen fundamenteel verschilt van de bescherming van een onroerend goed als monument. Waar inventarissen dienen als basis voor strategische beleidsvoering en daartoe een feitelijk overzicht geven van het voorkomen van onroerenderfgoedwaarden in Vlaanderen, strekt de bescherming van een goed (als monument) ertoe om waardevol onroerend erfgoed te beschermen en te bewaren voor toekomstige generaties. Nadat de Raad van State de gevorderde nietigverklaringen van de erfgoedinventaris zal hebben uitgesproken, zullen verzoekers percelen niet meer dienen als basis voor de strategische beleidsvoering inzake onroerend erfgoed. Beoordeling
- De beroepen zijn gericht tegen de opname in de inventaris van beschermde monumenten. Terecht wijst de verwerende partij erop dat de bestreden opname van verzoekers percelen in de inventaris van het bouwkundig erfgoed geen voor de verzoekende partij nadelige rechtsgevolgen toevoegt aan de rechtsgevolgen van de bescherming als monument en de laatstgenoemde rechtsgevolgen niet wijzigt. Anders dan de verzoekende partij blijkbaar meent, zouden de erfgoedwaarden van verzoekers percelen ook na een gebeurlijke vernietiging van de opname in de inventaris van het bouwkundig erfgoed blijven dienen als basis voor de (strategische) beleidsvoering inzake onroerend erfgoed, gelet op de ministeriële beschermingsbesluiten van 14 maart 2000 en 3 mei
- Dat de verzoekende partij voordeel zou hebben bij de gevorderde nietigverklaring als er in de toekomst zou worden beslist tot een opheffing van de beschermingsbesluiten van 14 maart 2000 en 3 mei 2012 is al te hypothetisch om er in het kader van deze procedure een voldoende belang aan te kunnen ontlenen. X-18.724-5/6
- De aangevoerde exceptie is gegrond. De beroepen zijn niet ontvankelijk. BESLISSING
- De zaken A. 242.351/X-18.724 en A. 242.354/X-18.725 worden samengevoegd.
- De Raad van State verwerpt de beroepen.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de beroepen tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 48 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 1540 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drie december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Jan Clement X-18.724-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.044 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div