id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.046 Rolnummer: A. 243214/X-19005 Zaak: Arrest 265046 - Varia (openbaar ambt) - 03/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-04 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-15 06:29 Fiche Arrest nr 265.046 van 3 december 2025 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 265.046 van 3 december 2025 in de zaak A. 243.214/X-19.005 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Beelen kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 11 oktober 2024, strekt tot de nietigverklaring van: “- de beslissing van het evaluatiecomité van de [verwerende partij] van 30 april 2024 waarbij wordt beslist ‘dat de duur van de proeftijd niet volstaat om tot een gefundeerd evaluatieresultaat te komen, waardoor er momenteel noch een evaluatieresultaat ‘gunstig’, noch ‘ongunstig’ kan toegekend worden’ en ‘het aangewezen (
- is)om de proeftijd overeenkomstig art. 81bis RPR te verlengen met een duur van 12 maanden zodat er voldoende tijd is voor [de verzoekende partij] om te werken aan voormelde aandachtspunten’ (eerste bestreden beslissing); - de beslissing van de gemeenteraad van de [verwerende partij] van 27 mei 2024 waarbij wordt beslist om het voorstel van het evaluatiecomité te volgen en de proeftijd van de algemeen directeur te verlengen met twaalf maanden (tweede bestreden beslissing).” X-19.005-1/12 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Daniël Plas heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2025. Staatsraad David D’Hooghe heeft verslag uitgebracht. Advocaat Angélique Van de Meirssche, die loco advocaat Tom De Sutter verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Thomas Beelen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Daniël Plas heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 28 november 2022 stelt de gemeenteraad van de verwerende partij de verzoekende partij aan als algemeen directeur van de gemeente en het OCMW. X-19.005-2/12 Op 1 mei 2023 is de verzoekende partij vervolgens in dienst getreden als algemeen directeur op proef. Er is een proefperiode van 12 maanden van toepassing, die eindigt op 30 april 2024. 3.2. Het college van burgemeester en schepenen van de verwerende partij stelt op 4 maart 2024 een externe evaluator aan om de verzoekende partij te evalueren. 3.3. De externe evaluator stelt op 29 maart 2024 een gunstig tussentijds evaluatieverslag over de verzoekende partij op. Daarbij formuleert de externe evaluator in het ‘deel 4-besluit’ bij de algemene beoordeling van ‘gunstig’ de volgende opmerkingen: “Punten die moeten behandeld worden in een volgend functioneringsgesprek. Afspraken en verbeterpunten die zullen aangepakt worden. Nog meer aandacht hebben voor het creëren van een draagvlak voor verandering en zoeken naar een win-win in een veranderingsproces. In 1 on 1-momenten meer de rol van coach opnemen: nagaan welke ondersteuning sommige leden van het directieteam nodig hebben.” Het college van burgemeester en schepenen van de verwerende partij neemt op 8 april 2024 kennis van het tussentijdse evaluatieverslag. 3.4. In het eindevaluatieverslag van 18 april 2024 formuleert de externe evaluator als algemene eindbeoordeling over het functioneren van de verzoekende partij het advies ‘niet gunstig’. Na een hoorzitting op 29 april 2024, stelt het evaluatiecomité van de verwerende partij op 30 april 2024 aan de gemeenteraad voor om de proeftijd van de verzoekende partij met 12 maanden te verlengen. De argumentatie van het evaluatiecomité luidt als volgt: “ARGUMENTATIE X-19.005-3/12 [De verzoekende partij] werd op 1 mei 2023 op proef aangesteld in de functie van algemeen directeur van [de verwerende partij]. De proeftijd eindigt op 2 mei 2024, zodat de eindevaluatie van de proeftijd overeenkomstig art. 80 RPR ten laatste op 30 april 2024 dient te gebeuren. Overeenkomstig art. 194 DLB en art. 77 RPR werd er een externe deskundige aangesteld teneinde een voorbereidend rapport op te maken, […]. De externe deskundige maakte op 18 april 2024 het voorbereidend rapport over aan het evaluatiecomité, waarin geadviseerd wordt om te besluiten tot het evaluatieresultaat ‘niet gunstig’. Op 29 april 2024 vond er een gesprek plaats tussen het evaluatiecomité en [de verzoekende partij], daarin bijgestaan door haar raadsman. Daarbij werd door de raadsman van [de verzoekende partij] een nota neergelegd met bijlagen, die aan het evaluatiedossier worden toegevoegd. Uit het voorbereidend verslag blijkt dat [de verzoekende partij] voor de gedragscompetenties samenwerken, richting geven en coachen onder de norm scoort. Uit de vragenlijsten waren de scores in verband met coachen, mensgericht aansturen en communiceren het laagst. De scores van de vragenlijst geven aan dat het creëren van een openfeedback cultuur een belangrijk aandachtspunt is. Uit het voorbereidend verslag blijkt dat de kennis van [de verzoekende partij] met betrekking tot wetgeving en decreten nog niet helemaal naar de norm is, maar mensen zien dat ze dit vastpakt en daardoor ook sterk ingegroeid is in het afgelopen jaar. De scores op de resultaatgebieden van [de verzoekende partij] zijn matig tot zeer goed. De resultaten van de 360 graden vragenlijst waren globaal gezien minder goed, met een gemiddelde score van 2.80. Uit de vragenlijst blijkt dat [de verzoekende partij] gemiddeld globaal onder de norm scoorde. Volgens de externe deskundige stelt er zich een probleem omtrent de omgang van [de verzoekende partij] met de gegeven feedback. De suggesties die ze aangereikt krijgt wijst ze volgens de externe deskundige grotendeels af en ze legt veel zaken buiten zichzelf. In de nota die werd neergelegd tijdens het evaluatiegesprek van 29 april 2024 uit [de verzoekende partij] kritiek op verschillende aspecten van de evaluatieprocedure. Zij meent o.a. dat zij onvoldoende feedback en opvolging gekregen heeft. Tevens merkt zij op dat het tussentijds rapport dat op 29 maart 2024 werd overgemaakt positief was, terwijl het voorbereidend rapport op 18 april 2024 al afgewerkt was met de vermelding ‘ongunstig’. Nog volgens [de verzoekende partij] werden er geen voorafgaande afspraken gemaakt. Zij stelt ook nog dat het evaluatiedossier onvolledig zou zijn omdat de resultaten van de bevragingen van de functiehouder/respondenten alsook de verslagen van de interviews niet werden meegedeeld. X-19.005-4/12 Bij de nota die door de raadsman van [de verzoekende partij] werd neergelegd was ook een inhoudelijke weerlegging van het evaluatierapport gevoegd. Ondanks de procedurele opmerkingen die door [de verzoekende partij] werden gemaakt kan het evaluatiecomité de aandachtspunten die blijken uit het voorbereidend rapport en de daarbij gevoegde bijlage niet negeren. De aandachtspunten inzake samenwerken, richting geven, coachen en mensgericht aansturen zijn ook zeer belangrijk voor de werking van de diensten en de samenwerking tussen de algemeen directeur en het aan haar ondergeschikte personeel. [De verzoekende partij] slaagt er naar oordeel van het evaluatiecomité ook onvoldoende in om deze aandachtspunten inhoudelijk te weerleggen. De resultaten van de bevragingen van de functiehouders/respondenten blijken voldoende uit het voorbereidend rapport, het daarbij gevoegde evaluatieformulier en het daar eveneens bijgevoegde 360° feedback rapport dat bij het voorbereidend rapport is gevoegd en dat op gedetailleerde wijze de scores weergeeft die daaruit bleken, dit opgedeeld tussen de scores toegekend door: - Zelfevaluatie - Leden college/raad - Directieleden - Medewerkers Bij het 360° feedback rapport werd als bijlage ook een letterlijke weergave van wat de respondenten als feedback noteerden gevoegd. Het evaluatiecomité meent dat er geen reden is om te twijfelen aan de objectiviteit van de externe deskundige, noch aan de correctheid van de weergegeven scores en/of feedback. Gelet op dit alles kan er op dit ogenblik geen evaluatieresultaat ‘gunstig’ worden toegekend. Het selectiecomité meent evenwel dat uit het voorbereidend rapport, de daarbij gevoegde bijlagen en de door [de verzoekende partij] overgemaakte stukken blijkt dat de duur van de proeftijd niet volstaat om tot een gefundeerd evaluatieresultaat te komen, waardoor er momenteel noch een evaluatieresultaat ‘gunstig’, noch ‘ongunstig’ kan toegekend worden. [De verzoekende partij] dient volgens het evaluatiecomité meer tijd te krijgen om te werken aan de aandachtspunten die blijken uit het voorbereidend rapport. Mits deze bijkomende tijd en bijkomende opvolging acht het evaluatiecomité het immers nog steeds mogelijk dat [de verzoekende partij] alsnog de normen kan halen voor de functie van algemeen directeur. Het is volgens het evaluatiecomité dan ook aangewezen om de proeftijd overeenkomstig art. 81bis RPR te verlengen met een duur van 12 maanden, zodat er voldoende tijd is voor [de verzoekende partij] om te werken aan voormelde aandachtspunten.” Dit is de eerste bestreden beslissing. X-19.005-5/12 3.5. De gemeenteraad van de verwerende partij beslist op 27 mei 2024 om het voorstel van de evaluatiecommissie te volgen. Dit is de tweede bestreden beslissing. IV. Belang Standpunt van de partijen 4. De verzoekende partij argumenteert in haar verzoekschrift dat zij beschikt over een moreel belang bij het annulatieberoep tegen de beslissing om de proeftijd te verlengen. Dat geldt volgens de verzoekende partij des te meer omdat de beoordeling ook haar autoriteit als hoogste leidinggevende ambtenaar zou aantasten. Voorts zet de verzoekende partij uiteen dat een vaste aanstelling in statutair verband vereist dat de proeftijd wordt afgesloten met een gunstige evaluatie. De verwerende partij zou na een vernietigingsarrest opnieuw kunnen beslissen zonder uit de vernietiging te moeten afleiden dat de proeftijd reeds is verlopen. Een eventuele vernietiging van de evaluatie én van de verlenging van de proeftijd zou volgens de verzoekende partij impliceren dat zij opnieuw de kans krijgt om gunstig te worden geëvalueerd. Volgens de verzoekende partij zou zij eveneens de kans krijgen om retroactief vast benoemd te worden als algemeen directeur. 5. De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord het belang van de verzoekende partij bij haar beroep. De verwerende partij erkent dat de eerste tussentijdse evaluatie pas plaatsvond in maart 2024 en de verzoekende partij geen eerdere formele terugkoppeling gekregen heeft van aandachts- of werkpunten in haar functioneren. De verlenging van haar proeftijd had derhalve tot doel om haar alsnog de kans te geven om de vermelde aandachts- en werkpunten X-19.005-6/12 weg te werken tegen de definitieve evaluatie. De verwerende partij ziet derhalve niet in waarom deze verlenging voor verzoekende partij als een nadeel zou moeten worden aangemerkt. Zij krijgt door de bestreden beslissingen immers de kans om een overtuigende goede evaluatie te krijgen en vervolgens benoemd te worden tot algemeen directeur. Het beweerdelijk geleden nadeel wordt dus volgens de verwerende partij enkel veroorzaakt door de laattijdige tussentijdse evaluatie, niet door de bestreden beslissingen. De beoogde vernietiging kan dat nadeel ook niet ongedaan maken en deze laattijdigheid niet meer terugdraaien. Bovendien, zo vervolgt de verwerende partij, zal de proeftijd van de verzoekende partij de facto verlengd zijn en zal de verzoekende partij bij een eventuele vernietiging, die in voorkomend geval pas zal tussenkomen na het verstrijken van de verlengde proeftijd, opnieuw geëvalueerd moeten worden en dit op grond van haar functioneren tijdens die verlengde proeftijd. 6. De verzoekende partij deelt in de feitenuiteenzetting van haar memorie van wederantwoord mee dat zij op 18 december 2024 door de raad van bestuur van een vereniging werd benoemd als nieuwe algemeen directeur. Zij heeft dit dezelfde dag meegedeeld aan de verwerende partij en op 17 februari 2025 is zij bij die vereniging in dienst getreden. Voorts repliceert zij op de exceptie die door de verwerende partij wordt ingeroepen inzake een vermeend gebrek aan belang, dat de verwerende partij zich bezwaarlijk op haar eigen nalatigheid om tijdig te zorgen voor een tussentijdse evaluatie kan beroepen, om voor te houden dat zij geen belang zou hebben bij het vaststellen van de onwettigheid van de bestreden beslissingen. De verwerende partij gaat ook, zo vervolgt de verzoekende partij, voorbij aan de gunstige tussentijdse evaluatie en het gegeven dat de beperkte – voor zover juiste – aandachtspunten een gunstige evaluatie niet in de weg staan. Zij benadrukt dat haar nadeel uit de bestreden beslissingen volgt waarbij het gunstig evaluatieresultaat “zomaar op enkele dagen tijd wordt omgebogen in een ongunstige evaluatie” of “uiteindelijk een weigering om een gunstige evaluatie toe X-19.005-7/12 te kennen”. De vernietiging heeft dan ook volgens haar niet tot gevolg dat “de gunstige tussentijdse evaluatie moet worden overgedaan, maar wel dat de verwerende partij de argumentatie van de verzoekende partij minstens (eindelijk) deugdelijk beoordeelt en vervolgens samen met haar tot de vaststelling komt dat de definitieve evaluatie van de proeftijd enkel met een gunstig evaluatieresultaat kan worden afgesloten”. De verzoekende partij benadrukt nog dat de verwerende partij tijdens de periode van de verlenging van de proeftijd eveneens heeft nagelaten om tot een nieuwe deugdelijke (tussentijdse) evaluatie te komen en dat de laatstgenoemde partij heeft geweigerd om deel te nemen aan een bemiddelingstraject. Ten slotte doet de verzoekende partij gelden dat haar moreel belang is toegenomen. Gelet op haar nieuwe functie van algemeen directeur meent zij een bijkomend moreel belang te hebben om vastgesteld te zien worden dat zij wel degelijk naar behoren haar functie van algemeen directeur bij de verwerende partij heeft uitgeoefend en de verwerende partij op een onregelmatige wijze tot de verlenging van de proeftijd heeft beslist. 7. In de laatste memorie betwist de verzoekende partij dat zij, nu zij geen personeelslid van de verwerende partij meer is, “niet meer in aanmerking komt voor een evaluatie, minstens ze geen na- of voordelen (kan) ondervinden in de loopbaan ten gevolge van de toegekende evaluatie”. Zij benadrukt dat zij wel degelijk nog in aanmerking komt om gunstig te worden beoordeeld in het kader van de oorspronkelijke proeftijd. Het gegeven dat er geen verplichting zou bestaan om haar (oorspronkelijke) proeftijd gunstig te beoordelen dan wel haar retroactief in vast verband te benoemen, doet geen afbreuk aan de daadwerkelijke kans daarop die de vernietiging van de bestreden beslissing(
- en)met zich meebrengt. Een rechtsplicht tot een retroactieve vaste benoeming is niet vereist, de kans op een retroactieve vaste benoeming volstaat. X-19.005-8/12 Zij wijst ook op het (moreel) nadeel en de aanslag op haar autoriteit doordat de verwerende partij is teruggekomen op het gunstige tussentijdse evaluatieresultaat en door het verlengen van de proeftijd. Het (moreel) nadeel bestaat tot op heden, minstens tot op het moment van haar uitdiensttreding, en kan enkel worden goedgemaakt door een vernietiging van de bestreden beslissing. Bovendien meent de verzoekende partij dat het haar op basis van de aangehouden werkwijze van de verwerende partij niet kan worden kwalijk genomen dat zij door deze omstandigheden de facto werd gedwongen om ook uit te kijken naar een andere professionele uitdaging. Niet enkel is nagelaten een deugdelijke evaluatie van de (verlengde) proeftijd te organiseren, maar de verwerende partij heeft zelfs geweigerd om deel te nemen aan een bemiddelingstraject. Ten slotte benadrukt de verzoekende partij nog dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze mag worden toegepast. Beoordeling 8. Het belang, waarvan een verzoekende partij blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep en de verzoekende partij moet dat belang behouden tot aan de uitspraak. De aard van het belang kan weliswaar evolueren maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een direct en persoonlijk voordeel verschaft, hoe miniem ook. Het voordeel moet in beginsel ook méér zijn dan de morele genoegdoening die een verzoekende partij put uit het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing. Een dergelijk belang heeft in beginsel een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dat beoogde voordeel is immers niet X-19.005-9/12 verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen. 9. Te dezen staat vast dat de verzoekende partij niet langer werkzaam is bij de verwerende partij en bij een andere werkgever is tewerkgesteld. Zij meent niettemin nog een voordeel te ontwaren in de kans om bij een eventuele nietigverklaring gunstig te worden geëvalueerd. Zij meent dat zij in dat geval ook de kans heeft om retroactief vast benoemd te worden als algemeen directeur. Voorts meent zij dat zij ook een moreel belang bij het beroep tot nietigverklaring heeft. 10. De Raad van State treedt dit standpunt niet bij. De uitdiensttreding sinds 16 februari 2025 heeft immers tot gevolg dat de verzoekende partij niet langer een personeelslid van de verwerende partij is. Zelfs indien alsnog tot een gunstige evaluatie zou worden gekomen, en de verzoekende partij retroactief benoemd zou worden voor de periode dat zij bij de verwerende partij werkzaam is geweest, wordt niet aannemelijk gemaakt welk voordeel, anders dan de bevestiging van de ingeroepen onwettigheid, daarmee kan worden gerealiseerd. 11. De bestreden beslissingen kennen de verzoekende partij niet het evaluatieresultaat ongunstig toe. Integendeel ligt in de bestreden beslissingen enkel vervat dat er onvoldoende gegevens voorhanden zijn om de verzoekende partij te evalueren. De verzoekende partij overtuigt er niet van dat een dergelijke beoordeling griefhoudend is, en dat zij mede in het licht van haar uitdiensttreding nog nadelen van de betrokken evaluatie kan ondervinden. X-19.005-10/12 12. Dat het voor de verzoekende partij van belang is om ten aanzien van haar nieuwe werkgever te kunnen aantonen dat zij haar eerdere functie naar behoren heeft uitgeoefend, doet evenmin blijken van het rechtens vereiste belang, te meer nu de nieuwe werkgever in de bestreden beslissingen geen reden heeft gezien om de verzoekende partij niet in dienst te nemen. 13. De verzoekende partij overtuigt er dan ook niet van dat het eventuele morele nadeel dat zou volgen uit de bestreden beslissing van dien aard is dat zij een actueel belang bij het beroep tot nietigverklaring behoudt. 14. Het besluit is dat de verzoekende partij geen actueel belang heeft bij het beroep tot nietigverklaring. VI. Rechtsplegingsvergoeding 15. Aangezien de verwerende partij te dezen als de in het gelijk gestelde partij kan worden beschouwd, is er reden om haar verzoek tot het toekennen van een rechtsplegingsvergoeding in te willigen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij en van de verwerende partij niet bekendgemaakt. X-19.005-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drie december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Jan Clement X-19.005-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.046 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div