← België

Arrest 265083 - Niet begeleide minderjarigen - 05/12/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.083 Rolnummer: A. 246090/VII-43046 Zaak: Arrest 265083 - Niet begeleide minderjarigen - 05/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-12 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-06-15 06:21 Fiche Arrest nr 265.083 van 5 december 2025 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.083 no lien 286542 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 265.083 van 5 december 2025 in de zaak A. 246.090/VII-43.046 In zake: M.T. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Vanessa Sedziejewski kantoor houdend te 1000 Brussel Dageraadstraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Onze-Lieve-Vrouwstraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 8 oktober 2025 een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 7 oktober 2025 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De beschikking van 10 oktober 2025 stelt de procedurekalender vast. VII-43.046-1/10 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft op 13 november 2025 een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 november 2025, om 11 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Katinka Verbeken, die loco advocaat Vanessa Sedziejewski verschijnt voor verzoeker, en advocaat Filip Stouthuysen, die loco advocaat Ine De Cneudt verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker komt België binnen en hij wordt op 27 maart 2025 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door Caritas bij de dienst Voogdij. Hij heeft verklaard van Ivoriaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 30 december
  5. Op 16 april 2025 beslist de dienst Voogdij een voogd aan te stellen voor verzoeker. VII-43.046-2/10 3.
  6. Verzoeker dient op 23 mei 2025 een verzoek om internationale bescherming in bij de dienst Vreemdelingenzaken, die verzoeker aanmeldt bij de dienst Voogdij als niet-begeleide minderjarige vreemdeling. Verzoeker verklaart opnieuw van Ivoriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op 30 december
  7. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoekers voorgehouden leeftijd. 3.
  8. De dienst Vreemdelingenzaken deelt op 12 juni 2025 aan de dienst Voogdij mee dat verzoeker in Spanje geregistreerd staat als meerderjarige met als geboortedatum 30 december 2002 en verzoekt de dienst Voogdij om op basis van deze informatie prioritair een medisch leeftijdsonderzoek uit te voeren. In het Algemeen Ziekenhuis Sint-Jan te Brugge ondergaat verzoeker op 17 juni 2025 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “[o]p basis van het voorgaande onderzoek […] ouder [is] dan 18 jaar, vermoedelijk 20,70 jaar, met een standaarddeviatie van 1,59 jaar”. 3.
  9. Op 1 juli 2025 bezorgt verzoekers voogd aan de dienst Voogdij de originele documenten waarover verzoeker beschikt, namelijk een geboorteakte en een Ivoriaans nationaliteitsbewijs. De dienst Voogdij verzoekt de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken om advies over de echtheid van verzoekers documenten, doch beslist op 7 oktober 2025, zonder dit advies te hebben verkregen, om verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en de voogdij te beëindigen. Hij geeft aan dat hij verzoekers documenten niet aanvaardt, omdat het verschil tussen de resultaten van het medisch onderzoek en de leeftijd die blijkt uit de voorgelegde documenten, dat te dezen 3,7 jaar bedraagt, te groot is. Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden
  10. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.083 VII-43.046-3/10 worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. V. Ernst van het enige middel Standpunt van de partijen
  11. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM), van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) en van artikel 7 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: voogdijwet).
  12. Verzoeker verwijst naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 6 maart 2025 in de zaak 47836/21 F.B. tegen België, alsook naar een arrest van de Raad van State van 27 mei 2025, waarin naar voormeld arrest van het EHRM wordt verwezen, en hij laat gelden dat het besluitvormingsproces dat leidde tot de bestreden beslissing, niet was omringd met voldoende waarborgen in het licht van artikel 8 van het EVRM. Het EHRM overweegt in voormeld arrest enerzijds dat de betrokkene behoorlijk moet worden geïnformeerd over zijn rechten in het kader van de uitvoering van het drievoudig medisch leeftijdsonderzoek en moet worden ingelicht over de noodzaak van zijn instemming met het medisch leeftijdsonderzoek, en anderzijds dat medische leeftijdsonderzoeken omwille van hun ingrijpend karakter slechts in laatste instantie uitgevoerd horen te worden, wanneer andere middelen om de twijfel over de leeftijd van de betrokkene weg te nemen geen uitsluitsel hebben geboden. Verzoeker stelt dat te dezen aan geen van beide voorwaarden is voldaan. VII-43.046-4/10 Concreet voert verzoeker aan dat het administratief dossier geen enkel door hem ondertekend formulier of document bevat waaruit blijkt dat zijn rechten als patiënt zijn gerespecteerd in het kader van de uitvoering van het medisch onderzoek. Er is niet aangetoond dat verzoeker zijn vrije en geïnformeerde toestemming heeft gegeven. Verder onderzocht de ambtenaar van de dienst Voogdij tijdens het gesprek met verzoeker, dat plaatsvond op 23 mei 2025, niet of de twijfel over zijn leeftijd kon worden weggenomen met minder ingrijpende middelen dan een medisch onderzoek. Nu verzoeker reeds bij zijn verzoek om internationale bescherming zijn geboorteakte en nationaliteitsbewijs voorlegde, had dit de dienst Voogdij reeds moeten aansporen om te onderzoeken of de twijfel omtrent zijn leeftijd kon worden weggenomen met minder ingrijpende middelen dan een medisch onderzoek. Niettemin werden deze documenten pas na het medisch onderzoek overgelegd aan de dienst Voogdij. Deze laatste erkent bovendien dat hij om advies heeft gevraagd over de echtheid van verzoekers documenten, zij het na de uitvoering van het medisch onderzoek, maar geen reactie heeft ontvangen. Indien er voor het uitvoeren van het medisch onderzoek een voorafgaand gesprek had plaatsgevonden met een daartoe speciaal opgeleide ambtenaar van de dienst Voogdij, had de dienst Voogdij verzoekers documenten kunnen onderzoeken alvorens een medisch onderzoek uit te voeren.
  13. In de nota met opmerkingen stelt de verwerende partij vooreerst dat verzoeker zich niet in dezelfde situatie bevindt als de verzoekende partij in de zaak F.B. tegen België en dat verzoeker niet aantoont dat artikel 8 van het EVRM en de rechtspraak van het EHRM op hem van toepassing is. Uit de bestreden beslissing en het administratief dossier blijkt te dezen dat de dienst Voogdij, anders dan verzoeker het ziet, niet onmiddellijk is overgegaan tot een medisch onderzoek, dat verzoeker op 23 mei 2025 een persoonlijk onderhoud had met de dienst Voogdij, dat uit dit gesprek geen andere elementen naar boven kwamen die de twijfel omtrent verzoekers leeftijd konden wegnemen, dat verzoeker ontkennend heeft geantwoord op de herhaalde vraag of hij originele documenten kon voorleggen en dat hij eveneens ontkennend antwoordde op de vragen over de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.083 VII-43.046-5/10 informatie die uit Spanje werd verkregen dat hij geregistreerd staat als zijnde ouder dan 18 jaar, en dat verzoeker op dezelfde dag, in aanwezigheid van een tolk, schriftelijk zijn toestemming gaf voor het medisch onderzoek.
  14. Verder merkt de verwerende partij nog op dat verzoeker heeft nagelaten om uiteen te zetten op welke wijze artikel 3 van het IVRK en artikel 7 van de voogdijwet worden geschonden door de bestreden beslissing. Beoordeling
  15. Verzoeker lijkt niet uiteen te zetten op welke wijze artikel 3 van het IVRK en artikel 7 van de voogdijwet zouden zijn geschonden met de bestreden beslissing.
  16. Het enige middel is in die mate prima facie niet ontvankelijk.
  17. In het arrest F.B. tegen België van 6 maart 2025 heeft het EHRM het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot een beslissing van de dienst Voogdij in die zaak om de betrokkene te beschouwen als ouder dan 18 jaar en hem geen voogd toe te wijzen, getoetst aan artikel 8 van het EVRM. Het Hof overweegt in die zaak in de eerste plaats dat de betrokkene behoorlijk moet worden geïnformeerd over zijn rechten in het kader van de uitvoering van het drievoudig medisch leeftijdsonderzoek, hetgeen des te belangrijker is indien de betrokkene, die nog wordt geacht een niet begeleide minderjarige te zijn en een verzoeker om internationale bescherming is, niet wordt vergezeld door een vertegenwoordiger of een raadsman. De betrokkene moet worden ingelicht over de noodzaak van zijn instemming met het medisch leeftijdsonderzoek. Het EHRM oordeelt in de tweede plaats dat medische leeftijdsonderzoeken omwille van hun ingrijpend karakter slechts in laatste instantie uitgevoerd horen te worden, wanneer andere middelen om de twijfel over de leeftijd van de betrokkene weg te nemen geen uitsluitsel hebben geboden. Volgens het EHRM zou een voorafgaand onderhoud met een daartoe speciaal opgeleide ambtenaar van de dienst Voogdij deze laatste in voorkomend geval kunnen toelaten enerzijds na te gaan of twijfel over de leeftijd ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.083 VII-43.046-6/10 van de minderjarige kan worden opgeheven door minder ingrijpende middelen dan een leeftijdsonderzoek, en anderzijds zich ervan te vergewissen dat de betrokkene alle nodige informatie heeft ontvangen om zijn rechten op afdoende wijze te kunnen laten gelden.
  18. Uit het administratief dossier blijkt te dezen prima facie dat verzoeker de nodige informatie heeft gekregen over het medisch leeftijdsonderzoek en dat hem expliciet werd gevraagd of hij instemde met dat onderzoek, met de verduidelijking dat hij het recht had te weigeren en dat de dienst Voogdij in geval van weigering een beslissing zou nemen op basis van de elementen in het dossier. Zo bevat het administratief dossier een document van 23 mei 2025 “[a]ccord pour la réalisation d’un test médical d’évaluation de l’âge”, opgesteld door de dienst Voogdij en ondertekend door verzoeker, waarin voormelde elementen aan bod komen. Daarnaast vermeldt het document “[g]esprek met de dienst Voogdij” van dezelfde datum dat verzoeker is “geïnformeerd over de gevolgen van weigering (vereiste EVRM)”. Verzoeker lijkt op het eerste gezicht op vrije en geïnformeerde wijze te hebben ingestemd met het medisch onderzoek.
  19. Op 23 mei 2025 werden aan verzoeker enkele vragen gesteld tijdens een gesprek met de dienst Voogdij. Zo werd hem gevraagd of hij over identiteitsdocumenten beschikte. Verzoeker antwoordde dat hij geen originele documenten bij zich had, dat zijn geboorteakte bij zijn moeder in Ivoorkust was, dat hij er in januari 2025 wel een foto van heeft genomen en dat dat de eerste keer was dat hij zijn geboorteakte heeft gezien. De dienst Voogdij lijkt hier niet verder op in te gaan. Het verslag dat naar aanleiding van dit gesprek werd opgesteld bevat wel bijkomende vragen: “[w]elke”, “[d]atum en plaats van afgifte?”, “[i]s het per post opgestuurd? Door Wie? Wanneer?, “[w]eet je waar je een duplicaat van deze documenten kan aanvragen?”, “[h]oe lang zou het duren om er één te verkrijgen?” en “[k]en je de exacte geboorteplaats?”, doch vermeldt geen antwoorden op deze vragen. Uit dit verslag lijkt niet te kunnen worden afgeleid dat deze vragen daadwerkelijk aan verzoeker werden gesteld. De ambtenaar van de dienst Voogdij concludeert evenwel dat een medisch onderzoek noodzakelijk is, omdat verzoeker ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.083 VII-43.046-7/10 niet beschikt over originele identiteitsdocumenten en omdat getwijfeld wordt over verzoekers leeftijd op basis van zijn verhaal en uiterlijk. Dit medisch onderzoek wordt uitgevoerd op 18 juni 2025, doch reeds op 1 juli 2025 bezorgt verzoekers voogd zijn originele documenten aan de dienst Voogdij. Uit het administratief dossier blijkt prima facie niet dat de dienst Voogdij is nagegaan of verzoeker originele identiteitsdocumenten in zijn bezit had of hiervan in het bezit kon komen. Zoals reeds werd vastgesteld, lijkt de dienst Voogdij tijdens het gesprek van 23 mei 2025 geen bijkomende vragen te hebben gesteld aan verzoeker omtrent zijn documenten. Verder vermeldt de op 27 maart 2025 door Caritas ingevulde fiche “mineur étranger non accompagné” dat verzoeker op dat moment originele documenten bij zich had, namelijk een geboorteakte en een nationaliteitsbewijs, die overigens als kopie werden gevoegd bij deze fiche en waarnaar expliciet wordt verwezen in de begeleidende e-mail van 27 maart 2025 waarmee de fiche met bijlagen aan de dienst Voogdij werd bezorgd. Deze laatste wist of behoorde bijgevolg te weten dat verzoeker wel degelijk beschikt over originele documenten. Bovendien bezorgt verzoekers voogd op 1 juli 2025, amper 13 dagen nadat het medisch onderzoek plaatsvond, verzoekers originele documenten aan de dienst Voogdij. Op het eerste gezicht lijkt de dienst Voogdij niet te hebben onderzocht of de twijfel omtrent verzoekers leeftijd kon worden weggenomen met minder ingrijpende middelen dan een medisch onderzoek. Dat verzoeker in Spanje geregistreerd staat als zijnde ouder dan 18 jaar, hetgeen op 12 juni 2025, na het gesprek met verzoeker, aan de dienst Voogdij werd gecommuniceerd, lijkt geen afbreuk te doen aan deze vaststelling. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat verzoekers originele documenten pas werden overgelegd aan de dienst Voogdij nadat het medisch onderzoek werd uitgevoerd. In de huidige stand van het geding lijkt het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot de bestreden beslissing derhalve niet de vereiste waarborgen te bieden in het licht van artikel 8 van het EVRM. VII-43.046-8/10
  20. Het enige middel is ernstig wat de voorgehouden schending van artikel 8 van het EVRM betreft. VI. Spoedeisendheid Standpunt van de partijen
  21. Om de vereiste spoedeisendheid aan te tonen, voert verzoeker aan dat hij ingevolge de bestreden beslissing wordt beschouwd als ouder dan 18 jaar, waardoor hij geen bijstand van een voogd kan genieten. Verzoeker verwijst naar de in de voogdijwet verankerde opdracht van een voogd en somt enkele aangelegenheden op waarvoor hij de bijstand van een voogd zou kunnen genieten indien hij niet als meerderjarige zou worden beschouwd. Verzoeker wijst nog op de gunstige status van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen voor wat betreft hun verblijf en op de gevolgen voor zijn asielaanvraag en benadrukt dat het feit dat hij door de bestreden beslissing niet kan genieten van de garanties en beschermingsmaatregelen die gelden voor minderjarigen, hem een ernstig nadeel oplevert.
  22. De verwerende partij bespreekt de vereiste van de spoedeisendheid niet in de nota met opmerkingen. Beoordeling
  23. De tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing heeft tot gevolg dat verzoeker wordt beschouwd als ouder dan achttien jaar en geen bijstand van een voogd meer kan genieten. Uit het onderzoek van het enige middel blijkt echter dat de dienst Voogdij prima facie niet aantoont dat hij rechtmatig heeft beslist dat verzoeker ouder is dan achttien jaar, zodat de bestreden beslissing verzoekers belangen ernstig schaadt. Verzoeker houdt immers voor een niet- begeleide minderjarige te zijn, doch kan hij gelet op de bestreden beslissing niet genieten van de beschermende maatregelen en voordelen waarop minderjarigen in VII-43.046-9/10 België aanspraak kunnen maken, en met name van het voordeel van de bijstand van een voogd zoals voorzien in de artikelen 9 en volgende van de voogdijwet. Deze vaststelling volstaat om te besluiten dat te dezen aan de vereiste van spoedeisendheid is voldaan. VII. Conclusie
  24. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
  25. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 7 oktober 2025 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.046-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.083 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.074 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.