← België

Arrest 265084 - Niet begeleide minderjarigen - 05/12/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.084 Rolnummer: A. 244446/VII-42831 Zaak: Arrest 265084 - Niet begeleide minderjarigen - 05/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-08 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-06-15 06:21 Fiche Arrest nr 265.084 van 5 december 2025 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.084 no lien 286543 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 265.084 van 5 december 2025 in de zaak A. 244.446/VII-42.831 In zake : A.H. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sophie Buysse kantoor houdend te 2018 Antwerpen Korte Van Ruusbroecstraat 48 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Onze-Lieve-Vrouwstraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 19 maart 2025, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 14 februari 2025 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van VII-42.831-1/12 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de VIIe kamer bij beschikking van 13 oktober 2025 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 27 november
  3. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoeker komt België binnen en hij wordt op 30 januari 2025 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Hij heeft verklaard van Somalische nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 6 juni
  6. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoekers voorgehouden leeftijd. In het Jessa Ziekenhuis te Hasselt ondergaat verzoeker op 12 februari 2025 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “op datum van 12/02/2025 een leeftijd heeft van ouder dan 18 jaar, waarbij 20.8 jaar met een standaarddeviatie van een 1.7 jaar een goede schatting is”. VII-42.831-2/12 Op 14 februari 2025 beslist de dienst Voogdij verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  7. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 7 van titel XIII, hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: koninklijk besluit van 22 december 2003), van “de motiveringsplicht” vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, van artikel 25 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)’ (hierna: richtlijn 2013/32), van artikel 24.2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en van artikel 17 van het Europees Sociaal Handvest. Hij licht dit toe als volgt: “Artikel 25.5 van de procedurerichtlijn bepaalt als waarborg voor niet- begeleide minderjarigen dat wanneer een medisch onderzoek wordt verricht, de niet-begeleide minderjarige in een taal die hij begrijpt of kan worden aangenomen dat hij ze begrijpt, in kennis wordt gesteld van de mogelijkheid dat een medisch onderzoek zal worden verricht en om welke reden. Er wordt dan uitgelegd op welke wijze dit onderzoek zal geschieden, wat de mogelijke gevolgen zijn voor de lopende asielprocedure en wat er zou kunnen gebeuren mocht hij het onderzoek weigeren. In casu blijkt dat verzoeker werd geïnformeerd maar uit geen enkel stuk blijkt dat er een formele toestemming werd gegeven en hij in een taal die hij VII-42.831-3/12 machtig is werd op de hoogte gebracht. Er kan dus niet worden aangetoond of verzoeker met kennis van zaken heeft kunnen handelen. Artikel 25.5 heeft directe werking. De toestemming van verzoeker is nochtans essentieel. Uit het medisch onderzoek blijkt niet dat verzoeker werd geïnformeerd over het doel, de contra-indicaties en de mogelijke risico’s van de test. Zodoende schendt de beslissing a quo de motiveringsplicht en artikel 25.5 van de procedurerichtlijn. Er werden bij verzoeker volgende testen gedaan: Orthopantomogram Handpolsradiografie Radiografie sleutelbeen Deze medische technieken zijn nog steeds omstreden, en kennen een grote foutenmarge. De botleeftijdsbepaling laat enkel toe de leeftijd van het skelet te bepalen ten opzichte van de chronologische leeftijd, niet omgekeerd. Maar diverse factoren kunnen de groei van de persoon beïnvloeden, (etnische, genetische, sociaal-economische…) De tabellen die als referentie dienen om de botleeftijd te bepalen zijn gebaseerd op de westerse, blanke bevolking. In casu hebben we te maken met een onderdaan van Somalië. Om correcte informatie te bekomen, zou men statistieken moeten volgen enkel voor jongeren van Afrikaanse origine en niet deze die thans voorliggen. Wat betreft het onderzoek en radiografie van de tanden is er geen vaste manier om de resultaten te interpreteren. Wel baseert men zich op bepaalde scores, maar er kan kritiek worden geuit op de geldigheid van deze resultaten voor jongeren van andere origine zoals in casu voor Somaliërs. De wijsheidstanden kunnen bijvoorbeeld op verschillende uiteenlopende leeftijden uitgroeien zodat het risico bestaat op overschatting van de leeftijd. Er zijn studies gedaan waaruit blijkt dat deze overschatting zelfs verscheidene jaren kan bedragen. Aangezien vast staat dat voormelde onderzoeken voor discussie vatbaar zijn, had men ook moeten rekening houden met de achtergrond van verzoeker. Bovendien is de leeftijd die voorligt 20,8 jaar met een deviatie van 1,7 jaar totaal buiten proportie. Uit de geboorteakte blijkt dat verzoeker 15 jaar oud is, hetgeen meer overeenstemt met zijn uiterlijk. Het feit dat er een weinige baardgroei is, is voor een 15 jarige ook niet abnormaal. Overeenkomstig art. 3 laatste lid van het KB van 22 december 2003 dient het medisch onderzoek niet alleen radiografisch onderzoek te zijn, maar dienen er ook andere tests, bv. psycho-affectieve tests te worden uitgevoerd. Deze zijn helaas niet uitgevoerd. Een simpel gesprek met verzoeker zal al snel duidelijk maken dat we niet te maken hebben met een twintiger, zelfs niet met een meerderjarige. Door het gebrek aan andere tests, is de zorgvuldigheidsplicht geschonden. Verder werd artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 geschonden omdat de motivering niet afdoende is, geen motieven worden opgenomen en de vaststellingen van de radioloog niet werden meegedeeld. VII-42.831-4/12 De belangrijkste reden van de motiveringsplicht bestaat erin om de rechtszoekende de mogelijkheid te geven om de beslissing te kunnen verifiëren en eventueel te laten beoordelen door een tweede arts. De beslissing a quo dient te worden vernietigd.” Beoordeling
  8. Waar verzoeker in het opschrift van het middel een schending aanvoert van artikel 7 van de voogdijwet, van artikel 24.2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van artikel 17 van het Europees Sociaal Handvest en van het redelijkheidsbeginsel, zet hij niet uiteen op welke wijze deze bepalingen zouden zijn geschonden met de bestreden beslissing.
  9. Het enige middel is in die mate niet ontvankelijk.
  10. Naar luid van artikel 25.5, eerste lid, van richtlijn 2013/32 kunnen “de lidstaten […] in het kader van de behandeling van een verzoek om internationale bescherming besluiten om door middel van een medisch onderzoek de leeftijd van een niet-begeleide minderjarige vast te stellen, wanneer zij, nadat er een algemene verklaring is afgelegd of ander relevante aanwijzingen zijn overgelegd, twijfels hebben over diens leeftijd”. Daargelaten de vraag naar de rechtstreekse werking van deze bepaling, kan er geen verplichting uit worden afgeleid om aan de vreemdeling, nadat deze laatste een verklaring heeft afgelegd, mee te delen welke de redenen zijn om te twijfelen aan de door de vreemdeling opgegeven leeftijd. Te dezen blijkt uit de op 30 januari 2025 opgestelde “[f]iche ‘Mineur étranger non accompagné’” betreffende verzoeker dat de twijfel aan de door verzoeker opgegeven leeftijd is gesteund op zijn fysieke verschijning, het verhaal dat hij vertelde, alsmede op de afwezigheid van identiteitsdocumenten en dat hem die twijfel werd meegedeeld. Naar luid van artikel 25.5, derde lid, a), van richtlijn 2013/32, zorgen de lidstaten ervoor dat “de niet-begeleide minderjarige, voordat het verzoek om internationale bescherming wordt behandeld, in een taal die hij begrijpt of ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.084 VII-42.831-5/12 waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat hij deze begrijpt, in kennis wordt gesteld van het feit dat mogelijk een medisch onderzoek zal worden verricht om zijn leeftijd vast te stellen” en wordt daarbij “onder meer informatie verstrekt over de onderzoeksmethode en over de mogelijke gevolgen van het medische onderzoek voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, alsook over de gevolgen indien de niet-begeleide minderjarige weigert het medische onderzoek te ondergaan”. Verzoeker acht voormelde bepaling geschonden omdat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat verzoeker de nodige informatie ontving over het medisch onderzoek, namelijk de wijze waarop het zou verlopen en het doel, de contra-indicaties en mogelijke risico’s ervan, de gevolgen voor verzoekers asielprocedure en wat de gevolgen zouden zijn van een eventuele weigering om het medisch onderzoek te ondergaan. Zoals infra ook zal blijken bij de beoordeling van de opgeworpen schending van de formelemotiveringsplicht, is het niet vereist dat in de bestreden beslissing wordt vermeld dat aan verzoeker voorafgaand aan het medisch onderzoek informatie werd verstrekt over de onderzoeksmethoden en de gevolgen van het medisch onderzoek. Verder betwist verzoeker op zich niet en bevestigt hij zelfs dat hij, zoals de verwerende partij evenzeer aanvoert in de memorie van antwoord, op verschillende tijdstippen werd geïnformeerd omtrent het medisch onderzoek en het verloop ervan. Zo blijkt uit de “[f]iche ‘Mineur étranger non accompagné’”, die deel uitmaakt van het administratief dossier, dat en waarom de dienst Vreemdelingenzaken twijfel heeft geuit omtrent verzoekers voorgehouden leeftijd, dat verzoeker werd geïnformeerd over de geuite twijfel, dat hij een document heeft ontvangen dat hem informeert over het verloop van het medisch onderzoek en dat hij zich niet verzet tegen de uitvoering van het medisch onderzoek. Bovendien vermeldt het medisch verslag, dat ook deel uitmaakt van het administratief dossier, dat verzoeker werd vergezeld door personeel van de dienst Voogdij. Ook toen heeft verzoeker zich niet verzet tegen het leeftijdsonderzoek, dat zonder zijn medewerking immers niet had kunnen worden uitgevoerd. In de voormelde omstandigheden blijkt evenmin dat verzoeker geen toestemming zou hebben gegeven voor een leeftijdsonderzoek. Omwille van deze elementen blijkt VII-42.831-6/12 dan ook niet dat de voornoemde voorwaarden van artikel 25.5, derde lid, a), van richtlijn 2013/32 niet werden gerespecteerd. Voor zover ze op ontvankelijke wijze kan worden ingeroepen, blijkt dan ook geen schending van artikel 25.5 van richtlijn 2013/
  11. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de beslissing wordt vermeld. Te dezen vermeldt de bestreden beslissing dat de dienst Vreemdelingenzaken twijfel heeft geuit over verzoekers voorgehouden leeftijd. Verder geeft ze de conclusie van het leeftijdsonderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker “op datum van 12/02/2025 een leeftijd heeft van ouder dan 18 jaar, waarbij 20.8 jaar met een standaarddeviatie van een 1.7 jaar een goede schatting is”. Het is niet vereist dat de bestreden beslissing aangeeft waarom verzoekers voorgehouden leeftijd in twijfel werd getrokken, welke medische onderzoeken werden uitgevoerd en of verzoeker voorafgaand aan het medisch onderzoek werd geïnformeerd omtrent de onderzoeksmethoden, de gevolgen van het medisch onderzoek en van een eventuele weigering het medisch onderzoek te ondergaan. Evenmin is het vereist dat het verslag van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing aan verzoeker wordt betekend. Bovendien maakt het verslag ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.084 VII-42.831-7/12 van het medisch onderzoek deel uit van het administratief dossier en vermeldt de bestreden beslissing uitdrukkelijk de mogelijkheid om dat verslag te raadplegen. Verzoeker voert niet aan en toont a fortiori niet aan dat hij er geen kennis van kon nemen. Verzoeker heeft overduidelijk kennis van de resultaten van de drie uitgevoerde onderzoeken, te weten het orthopantomogram, het onderzoek van de sleutelbeenderen en de handpolsradiografie die in het medisch verslag van 12 februari 2025 zijn opgenomen, vermits hij zelf een kopie van dat verslag bij het verzoekschrift tot nietigverklaring heeft gevoegd. In die omstandigheden heeft verzoeker geen belang bij het opwerpen van een schending van de formelemotiveringsplicht, minstens blijkt de doelstelling van die plicht te zijn bereikt. Het enige middel is niet ontvankelijk, minstens ongegrond wat betreft de voorgehouden schending van de formelemotiveringsplicht zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli
  12. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel uit het feit dat de VII-42.831-8/12 dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Verzoeker weidt uit over de voorgehouden onnauwkeurigheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling, doch beperkt zich tot algemene kritiek, zonder in te gaan op de concrete vaststellingen en gevolgtrekkingen in de huidige zaak. Hij onderbouwt niet concreet dat het te dezen uitgevoerde medisch onderzoek op ondeskundige wijze is verlopen en dat het resultaat van de leeftijdsanalyse onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Concreet wordt in het medisch verslag met betrekking tot de radiografie van de tanden vastgesteld dat “alle tanden inclusief de wijsheidstanden volledig afgevormd zijn. De wijsheidstanden bevinden zich in stadium H. Gezien dit gegeven bekomt men volgens Olze […] een stadium H met een leeftijd van 22.5 of ouder jaar, waarbij een standaarddeviatie van 1.7 jaar dient in acht genomen te worden. Volgens dit zelfde onderzoek bestaat er een kans van 75% dat het individu in kwestie jonger is dan 23.9 jaar, en 75% kans dat hij ouder is dan 22.7”. Verder wordt wat de handpolsradiografie betreft toegelicht “dat er ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.084 VII-42.831-9/12 een volledige fusie is van de distale diaphyse en epiphyse van de radius, wat overeenkomt met een volwassen skelettale leeftijd”. Ten slotte toont het radiologisch onderzoek van het sleutelbeen volgens het medisch verslag dat “de mesiale epiphyse van beide sleutelbeenderen verbeend is, met partiële beenderige overbrugging, wat volgens het onderzoek van Schmeling et al. […] overeenkomt met stadium type
  13. Volgens dit onderzoek stemt stadium 3 overeen met een gemiddelde leeftijd van 20.8 jaar met een standaarddeviatie van 1.7 jaar”. Dat er verschillen bestaan tussen de resultaten van de deelonderzoeken, doet geen afbreuk aan het feit dat daaruit een eindconclusie kan worden afgeleid. Te dezen is de eindconclusie dat verzoeker “op datum van 12/02/2025 een leeftijd heeft van ouder dan 18 jaar, waarbij 20.8 jaar met een standaarddeviatie van een 1.7 jaar een goede schatting is”. Met zijn algemene kritiek doet verzoeker wel blijken van een eigen standpunt of visie omtrent de opportuniteit van de keuze van de tripletest als wijze waarop het wettelijk vereiste medisch onderzoek gebeurt, maar hij doet evenwel niet blijken dat de in concreto gehanteerde onderzoeksmethode niet objectief is of niet is gericht op het op wetenschappelijk verantwoorde wijze verkrijgen van de relevante en juiste gegevens nodig voor het bepalen van de vraag of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Verzoeker ontkracht aldus niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd noch dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Verzoeker bekritiseert overigens niet in het minst de conclusie die de arts trekt uit de concrete testresultaten.
  14. Naar luid van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 “[gaat] de dienst Voogdij […] over tot de identificatie van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en controleert zijn verklaringen betreffende zijn naam, nationaliteit en leeftijd inzonderheid door middel van zijn officiële documenten of van de inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of van doorvoer, of van elke andere inlichting […]”. Deze bepaling verzet er zich niet tegen dat in geval van twijfel aan ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.084 VII-42.831-10/12 de opgegeven leeftijd wordt overgegaan tot een leeftijdsonderzoek dat, zoals hoger reeds is aangehaald, door de wet zelf is ingesteld. Artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 voorziet weliswaar de mogelijkheid van psycho-affectieve tests, doch er is geenszins sprake van een verplichting bij het uitvoeren van een medisch onderzoek. Noch deze laatste bepaling, noch een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is derhalve geschonden door het niet uitvoeren van psycho-affectieve tests nu de uitslag van het uitgevoerd medisch onderzoek duidelijk is en door verzoeker niet wordt ontkracht met de algemene bewering van het tegendeel. Gezien hetgeen supra is gesteld over het medisch onderzoek als door de wet ingesteld bewijsmiddel bij twijfel over de opgegeven leeftijd, was de dienst Voogdij er evenmin toe gehouden andere vormen van onderzoek te voeren.
  15. In de mate dat verzoeker aanvoert dat had moeten worden besloten dat hij minder dan 18 jaar oud is op basis van de door hem overgelegde geboorteakte, stelt de Raad van State vast dat de verwerende partij verzoekers geboorteakte pas op 27 maart 2025 in ontvangst mocht nemen, dus op het ogenblik dat de bestreden beslissing reeds was genomen. Uit niets blijkt dat de verwerende partij voordien kennis had of moest hebben van dit stuk op het ogenblik dat zij de bestreden beslissing nam. Bijgevolg kan verzoeker er zich niet op beroepen om te besluiten tot de onwettigheid van de bestreden beslissing.
  16. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLISSING
  17. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
  18. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-42.831-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.831-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.084 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.