← België

Arrest 265094 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/12/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.094 Rolnummer: A. 239313/VII-42079 Zaak: Arrest 265094 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-15 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-15 09:53 Fiche Arrest nr 265.094 van 8 december 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 265.094 van 8 december 2025 in de zaak A. 239.313/VII-42.079 In zake :

  1. NV D.
  2. W.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gwijde Vermeire kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 301 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN Tussenkomende partij : de NV LUMINUS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jo Blockeel kantoor houdend te 9300 Aalst Leo de Béthunelaan 46 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 12 juni 2023, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-[2223]-0830 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 4 mei 2023 in de zaak 2021-RvVb-0634-A. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 10 augustus
  5. VII-42.079-1/36 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Luminus heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 9 oktober
  6. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 28 februari 2025 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 november
  7. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Luc Lambert, die loco advocaat Gwijde Vermeire verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Jo Blockeel, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). VII-42.079-2/36 III. Feiten 3.
  8. De tussenkomende partij beschikt over een milieuvergunning voor 20 jaar voor de exploitatie van drie windturbines op het grondgebied van Melle, verleend op 22 april 2004 in graad van bestuurlijk beroep tegen een vergunning van 13 mei
  9. Zij beschikt eveneens over een stedenbouwkundige vergunning voor de oprichting van de turbines, verleend op 13 mei
  10. 3.
  11. Op 8 oktober 2020 meldt de tussenkomende partij dat zij gebruik wil maken van de regeling tot omzetting van de milieuvergunning naar een omgevingsvergunning voor onbepaalde duur. 3.
  12. De deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen neemt op 18 maart 2021 akte van de omzetting naar een omgevingsvergunning voor onbepaalde duur. 3.
  13. Het bestreden arrest verwerpt het beroep van de verzoekende partijen tegen de beslissing van 18 maart
  14. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  15. De verzoekende partijen formuleren in hun “verzoek tot voortzetting” kritiek op het auditoraatsverslag. Ook schrijven zij op 29 oktober 2025 nog een brief met aanvullende argumenten. Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een schriftelijke uiteenzetting in te dienen. Wanneer de auditeur concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen, kan de verzoeker luidens artikel 18 van het cassatieprocedurebesluit vragen dat de procedure wordt voortgezet, bij gebreke waaraan de afstand van het geding kan worden uitgesproken. Het “verzoek tot voortzetting” van de verzoekende partijen wordt slechts als procedurestuk aanvaard in zoverre hierin wordt verzocht om de procedure voort te zetten. In zoverre het “verzoek tot voortzetting” en de brief van 29 oktober 2025 een VII-42.079-3/36 schriftelijke voorbereiding vormen van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, worden zij beschouwd als een loutere inlichting. V. Onderzoek van de middelen tot nietigverklaring A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  16. De verzoekende partijen voeren de schending aan van: - de artikelen 13, 149 en 159 van de Grondwet; - het rechtszekerheidsbeginsel; - de bewijskracht van het bezwaarschrift van 2 december 2020; - “de principes inz. bewijslast die een verzoekende partij heeft bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen bij het indienen van een verzoekschrift tot vernietiging cfr. art. 105 van het Omgevingsvergunningsdecreet en het Procedurebesluit voor de Vlaamse Bestuursrechtscolleges van 16 mei 2014”; - de artikelen 1, 2 en 4.2, en de bijlagen II en III van Richtlijn 85/337/EEG ‘betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’, zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EG van 3 maart 1997 en van toepassing tot 16 februari
  17. Het middel komt op tegen volgende beoordeling die de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) maakt van het annulatiemiddel waarin de verzoekende partijen de wettigheid betwisten van de milieuvergunningen van 30 oktober 2003 en 22 april 2004 en de stedenbouwkundige vergunning van 13 mei 2009: “[De verzoekende partijen] stellen […] tevergeefs dat het aan verwerende partij in het kader van de omzettingsprocedure stond om de regelmatigheid te beoordelen van de bestaande stedenbouwkundige- en milieuvergunning voor de drie windmolens en om vast te stellen dat deze vergunningen op basis van artikel 159 Grondwet buiten toepassing moeten worden gelaten en de VII-42.079-4/36 onwettig vergunde toestand niet kan worden verdergezet. Ze betwisten op zich niet dat er tegen deze bestuurlijke rechtshandelingen met individuele strekking, die rechten verlenen aan tussenkomende partij, geen bestuurlijk of jurisdictioneel beroep meer mogelijk is en ze dus definitief zijn. Ze tonen ook niet aan dat deze vergunningen kennelijk onrechtmatig zijn en hierdoor voor onbestaande moeten worden gehouden. Zo maken ze niet aannemelijk dat de plaatsing en exploitatie van de windmolens kennelijk strijdig is met de geldende bestemmingsvoorschriften van het gewestplan. Ze tonen ook niet concreet aan dat er hiervoor indertijd kennelijk ten onrechte geen project- MER is opgemaakt. Ze voeren daarbij geen betwisting over de vaststelling in de bestreden beslissing dat de aanvraag van de milieuvergunning voor twintig jaar, waarvan de omzetting wordt gevraagd naar een omgevingsvergunning van onbepaalde duur, (en overigens ook van de stedenbouwkundige vergunning) is ingediend op 15 mei 2003, terwijl het besluit van de Vlaamse regering houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage, waarnaar ze verwijzen, pas dateert van 10 december
  18. In die optiek kan de regelmatigheid van deze vergunningen in het licht van het rechtszekerheidsbeginsel niet langer in vraag worden gesteld op basis van de exceptie van onwettigheid overeenkomstig artikel 159 Grondwet.”
  19. Volgens de verzoekende partijen heeft de RvVb ten onrechte artikel 159 van de Grondwet niet toegepast, minstens heeft hij die bepaling niet correct toegepast. Artikel 159 van de Grondwet moet volgens hen ook worden toegepast op individuele bestuurshandelingen waartegen geen bestuurlijk of jurisdictioneel beroep meer mogelijk is, en het rechtszekerheidsbeginsel staat volgens hen daaraan niet in de weg. Verder betogen zij dat artikel 159 van de Grondwet niet de vereiste bevat dat een besluit enkel buiten toepassing dient gelaten te worden wanneer het “kennelijk” onrechtmatig is. De RvVb schendt dan ook volgens de verzoekende partijen deze grondwettelijke bepaling door aan te nemen dat aangetoond moet worden dat de bedoelde vergunningsbesluiten kennelijk onrechtmatig zijn zodat ze voor onbestaande moeten worden gehouden. Het bestreden arrest voegt hiermee een voorwaarde toe aan artikel 159 van de Grondwet, wat voor de verzoekende partijen niet kenbaar en voorspelbaar is en aldus strijdig is met het rechtszekerheidsbeginsel. Het is volgens de verzoekende partijen wel mogelijk dat de RvVb bedoelde dat het de deputatie toekomt om na te gaan of het om een kennelijk onrechtmatige beslissing gaat waarmee zij geen VII-42.079-5/36 rekening dient te houden, maar in dat geval antwoordt de RvVb niet op het middel waarin de schending van artikel 159 van de Grondwet werd ingeroepen omdat die bepaling zich enkel richt tot de rechterlijke instanties. De verzoekende partijen hebben zich bovendien niet uitdrukkelijk op artikel 159 van de Grondwet beroepen tegenover de deputatie, zodat de bewijskracht van het bezwaarschrift in zekere zin zou worden miskend. De weigering om de wettigheid te toetsen van de in het verleden verleende milieuvergunning en stedenbouwkundige vergunning, houdt volgens de verzoekende partijen ook een schending in van artikel 13 van de Grondwet dat de toegang tot de rechter waarborgt. De verzoekende partijen zetten vervolgens uiteen dat de destijds verleende milieuvergunning en stedenbouwkundige vergunning onwettig zijn omdat, in strijd met de toen geldende Europese richtlijn over milieueffectrapportage, niet werd afgewogen of het windturbineproject aanzienlijke effecten voor het leefmilieu kon hebben. Met de overweging in het bestreden arrest dat de verzoekende partijen “niet concreet [aantonen] dat er hiervoor indertijd kennelijk ten onrechte geen project-MER is opgemaakt” heeft het bestreden arrest volgens de verzoekende partijen het Europees recht inzake de milieueffectrapportage niet terdege laten doorwerken, wat ook de motiveringsplicht van artikel 149 van de Grondwet zou aantasten. De RvVb heeft met name niet geantwoord op de argumenten van de verzoekende partijen dat er geen MER-toets wordt gemaakt in de destijds verleende vergunningen, hoewel deze door de toen toepasselijke Europese richtlijn werd voorgeschreven. Het gaat overigens volgens de verzoekende partijen niet enkel om de falende MER-toets: in hun verzoekschrift voor de RvVb hebben zij gewezen op verschillende andere onwettigheden van de destijds verleende vergunningen, waarop de RvVb niet specifiek en dus niet adequaat heeft geantwoord. VII-42.079-6/36 Beoordeling
  20. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. De verzoekende partijen maken niet met voldoende precisie duidelijk welke regels of beginselen zouden geschonden zijn met de aangevoerde schending van “de principes inz. bewijslast die een verzoekende partij heeft bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen bij het indienen van een verzoekschrift tot vernietiging cfr. art. 105 van het Omgevingsvergunningsdecreet en het Procedurebesluit voor de Vlaamse Bestuursrechtscolleges van 16 mei 2014”. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
  21. Artikel 159 van de Grondwet verplicht de rechter om besluiten en verordeningen alleen toe te passen in zoverre zij met de wetten overstemmen. Uit het grondwettelijk beginsel van de rechtszekerheid volgt evenwel dat de bestuursrechter aan wie een vernietigingsbevoegdheid is opgedragen, op grond van die bepaling geen definitieve individuele rechtscheppende bestuurshandeling buiten toepassing kan laten. Artikel 13 van de Grondwet staat hieraan niet in de weg, nu de wettigheid van dergelijke bestuurshandeling met een jurisdictioneel vernietigingsberoep kan worden bestreden, waardoor de toegang tot de rechter op voldoende wijze wordt verzekerd. Wanneer de termijn voor het instellen van het beroep is verstreken, of de ingestelde beroepen zijn verworpen, en de individuele rechtscheppende bestuurshandeling bijgevolg definitief is, verzet het grondwettelijk rechtszekerheidsbeginsel zich ertegen dat de bestuursrechter de VII-42.079-7/36 wettigheid ervan alsnog incidenteel zou onderzoeken in het kader van een later beroep tegen een andere bestuurshandeling. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, is het ongegrond.
  22. Met de vaststelling dat de vergunningen waarvan de verzoekende partijen vragen dat zij buiten toepassing zouden worden gelaten “bestuurlijke rechtshandelingen met individuele strekking [zijn], die rechten verlenen aan tussenkomende partij, [en waartegen] geen bestuurlijk of jurisdictioneel beroep meer mogelijk is en [die] dus definitief zijn” verantwoordt de RvVb naar recht zijn beoordeling dat “de regelmatigheid van deze vergunningen in het licht van het rechtszekerheidsbeginsel niet langer in vraag [kan] worden gesteld op basis van de exceptie van onwettigheid overeenkomstig artikel 159 Grondwet”. Anders dan de verzoekende partijen dit lezen, oordeelt het bestreden arrest daarbij niet dat artikel 159 van de Grondwet slechts kan worden toegepast in geval van een “kennelijke onrechtmatigheid”. Met de verwijzing naar de “kennelijke onrechtmatigheid” heeft de RvVb gedoeld op de leer van de onbestaande bestuurshandeling, op grond waarvan een bestuurshandeling buiten toepassing wordt gelaten wanneer zij is aangetast door een dermate grove en manifeste onregelmatigheid dat haar bestaan mag worden genegeerd. Door te oordelen dat dergelijke “kennelijke onrechtmatigheid” niet wordt aangetoond, geeft de RvVb aan dat de verzoekende partijen zich niet op deze leer kunnen beroepen om alsnog deze vergunningen buiten toepassing te zien verklaren, en doet hij geen uitspraak over de toepassing van artikel 159 van de Grondwet.
  23. De in artikel 149 van de Grondwet ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of VII-42.079-8/36 onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd. Uit het geheel van de motieven moet blijken waarom het middel wordt aangenomen of verworpen. Argumenten van een partij kunnen op die wijze ook impliciet worden verworpen, met name wanneer die argumenten strijden met de motieven van het arrest. Het bestuursrechtscollege voldoet aan de motiveringsplicht wanneer de motieven de partijen en de Raad van State toelaten te begrijpen waarom de ermee strijdige argumenten niet worden aangenomen. Met de beoordeling dat de regelmatigheid van de vergunningen niet langer in vraag kan worden gesteld op basis van de exceptie van onwettigheid overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet maakt het bestreden arrest duidelijk dat er geen reden is om de wettigheidskritiek die de verzoekende partijen laten gelden tegen de besluiten tot het verlenen van de milieuvergunning en de stedenbouwkundige vergunning van de tussenkomende partij te onderzoeken. De aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet kan niet worden aangenomen.
  24. De -naar recht verantwoorde- beoordeling dat de regelmatigheid van de vergunningen niet langer in vraag kan worden gesteld op basis van de exceptie van onwettigheid overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet, maakt met name ook het onderzoek overbodig naar de eventuele schending door deze vergunningsbesluiten van bepalingen van Richtlijn 85/337/EEG ‘betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’, zoals VII-42.079-9/36 destijds van toepassing. De aangevoerde schending van die bepalingen kan niet tot cassatie leiden.
  25. De artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek verplichten de rechter de bewijskracht van akten te eerbiedigen. De RvVb miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, een verklaring toeschrijft die het geschrift niet bevat, dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. Met de vaststelling “[De verzoekende partijen] stellen […] dat het aan verwerende partij in het kader van de omzettingsprocedure stond om de regelmatigheid te beoordelen van de bestaande stedenbouwkundige- en milieuvergunning voor de drie windmolens en om vast te stellen dat deze vergunningen op basis van artikel 159 Grondwet buiten toepassing moeten worden gelaten en de onwettig vergunde toestand niet kan worden verdergezet.” duidt het bestreden arrest enkel aan wat de verzoekende partijen aanvoeren in hun verzoekschrift bij de RvVb, en doet het geen uitspraak over de inhoud van het bezwaarschrift van 2 december
  26. In zoverre de schending wordt aangevoerd van de bewijskracht van dat bezwaarschrift, mist de kritiek feitelijke grondslag.
  27. In zoverre het ontvankelijk is, is het middel ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  28. De verzoekende partijen voeren de schending aan van: - artikel 149 van de Grondwet en van de motiveringsverplichting als rechtsbeginsel, in het bijzonder de jurisdictionele verplichting om als bestuursrechtscollege de beslissing behoorlijk en dus duidelijk en ondubbelzinnig te motiveren; VII-42.079-10/36 - het wettigheidsbeginsel, vervat in onder meer de artikelen 33 en 159 van de Grondwet; - de artikelen 1.2.1 en 4.3.2 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM); - het beschikkingsbeginsel, het beginsel van de procesautonomie en het vertrouwensbeginsel; - artikel 9 van het Verdrag van 25 juni 1998 ‘betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden’ (hierna: “Verdrag van Aarhus”), en het decreet van 6 december 2002 tot goedkeuring van dit verdrag; - het recht op een daadwerkelijke en efficiënte rechtstoegang, vervat in onder meer artikel 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), en beroepen zich op een “onwettige toepassing van Vlarem II m.b.t. normen voor windturbines (afdeling 5.20.6 en de bijlage 5.20.6.1 van Vlarem II of dus in bijzonder van het BVLR 23 12 2011 tot wijziging van het BVLR 1 juli 1995)”, en op de “schending van het arrest Hof van Justitie van 25 juni 2020 nr. C-24/18”.
  29. Vooreerst voeren de verzoekende partijen aan dat het bestreden arrest geen rekening houdt met, en niet antwoordt op, de door hen aangevoerde schending van verscheidene bepalingen en beginselen. Bij de bespreking van het eerste annulatiemiddel gaat het bestreden arrest volgens de verzoekende partijen niet in op het beginsel van artikel 1.2.1 DABM dat een hoog beschermingsniveau van het leefmilieu dient nagestreefd te worden. Bij de bespreking van het tweede annulatiemiddel zou het bestreden arrest geen rekening houden met de aangevoerde “strijdigheid met het beginsel dat iedere overheidsbeslissing moet gesteund zijn op in rechte en in feite aanvaardbare motieven” die zoniet uit de beslissing zelf, dan toch uit het administratief dossier blijken. Bij de bespreking van het derde annulatiemiddel heeft de RvVb volgens de verzoekende partijen nagelaten melding te maken van het aldaar ingeroepen recht op inspraak, het niet afdoende beantwoorden van de bezwaren alsook van de schending van het redelijkheidsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van VII-42.079-11/36 behoorlijk bestuur. De verzoekende partijen vermelden dat zij zich in dat derde middel ook hebben beroepen op de onwettige toepassing van de Vlarem II- normen voor windturbines, en op het ontbreken van een plan-MER voor de sectorale milieuvoorwaarden voor windturbines. Door op deze onderdelen van de annulatiemiddelen niet, of toch niet uitdrukkelijk, te antwoorden, schendt het bestreden arrest volgens de verzoekende partijen artikel 149 van de Grondwet en is er geen daadwerkelijke invulling van het recht op toegang tot de rechter in milieuaangelegenheden, dat door artikel 9 van het Verdrag van Aarhus is verleend. Door in de motivering als antwoord op de standpunten van partijen bovendien geen gewag te maken van het ingeroepen redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, schendt het bestreden arrest volgens de verzoekende partijen ook het beschikkingsbeginsel en het beginsel van de procesautonomie.
  30. Vervolgens bekritiseren de verzoekende partijen de betekenis die de RvVb heeft gegeven aan het begrip “project”. Zij betogen dat die betekenis afwijkt van artikel 1 van de project-MER-Richtlijn. Het begrip “of andere ingrepen in natuurlijk milieu of landschap, inclusief de ingrepen voor de ontginning van bodemschatten” is volgens de verzoekende partijen veel ruimer dan “materiële werken of ingrepen in het leefmilieu” of dan een “reële verandering” van het leefmilieu. De RvVb heeft zich overigens volgens de verzoekende partijen vooral georiënteerd op ingrepen/verandering in het “leefmilieu” en niet op het “landschap”, terwijl een exploitatie van drie windmolens met tiphoogte tot 138 meter gedurende onbepaalde tijd een ingreep is in “het landschap”. De verzoekende partijen besluiten dat de Europese regelgeving niet consequent is toegepast en dat dit onderdeel van het annulatiemiddel niet op wettige wijze werd beantwoord en werd weerlegd, zodat niet voldaan is aan de motiveringsplicht van artikel 149 van de Grondwet.
  31. Ten slotte wijzen de verzoekende partijen erop dat zij voor de RvVb de onwettigheid hebben opgeworpen van de sectorale milieuvoorwaarden voor windturbines, vastgesteld bij besluit van de Vlaamse regering van 23 december 2011, daarin gesteund door het arrest van het Hof van Justitie van VII-42.079-12/36 25 juni
  32. De verzoekende partijen voeren aan dat zij de RvVb uitdrukkelijk erop hebben gewezen dat uit de overweging 84 van dat arrest volgt dat enkel het Hof van Justitie bevoegd is om een voorlopige opschorting toe te staan van een regel van het Unierecht. Zij verwijten de RvVb dat hij niet op die argumentatie is ingegaan, en deze discussie heeft afgedaan als zijnde “niet aan de orde”. Dit is volgens de verzoekende partijen strijdig met het vertrouwensbeginsel en het officieel procedureverloop bij de RvVb, en het recht op een daadwerkelijke toegang bij de rechter: er wordt hen immers eerst de gelegenheid geboden om hieromtrent een nota in te dienen, doch nadien wordt er niet over geoordeeld omdat het “niet aan de orde” is. Ook wordt volgens de verzoekende partijen artikel 149 van de Grondwet geschonden omdat hun middelonderdeel intrinsiek onbeantwoord is gebleven. De RvVb zou vervolgens ook geoordeeld hebben in strijd met het wettigheidsbeginsel door de niet decretaal gevalideerde bijlage 5.20.6.1 van Vlarem II te bevestigen. Bovendien zou artikel 159 van de Grondwet zijn geschonden omdat de opgeworpen onwettigheid van het besluit van de Vlaamse regering niet wordt onderzocht. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat ook artikel 13 EVRM inzake is nu zij aanvoeren dat onder meer hun recht op gezondheid, op een gezond leefmilieu en gezinsleven wordt aangetast door de vergunning die door het bestreden arrest wordt bevestigd. Het niet-loyaal toepassen van het arrest van het Hof van Justitie is bovendien in strijd met de verplichting tot gemeenschapstrouw en het loyauteitsprincipe ten overstaan van het Europees recht. Beoordeling
  33. Naar luid van artikel 14, § 2, RvS-wet neemt de Raad van State kennis van de cassatieberoepen tegen beslissingen van administratieve rechtscolleges wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. Een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie is geen wet in de zin van deze bepaling. In zoverre de schending van het arrest van 25 juni 2020 nr. C-24/18 wordt aangevoerd, is het middel niet ontvankelijk. VII-42.079-13/36
  34. In zoverre de schending wordt aangevoerd van “het beschikkingsbeginsel” en “het beginsel van de procesautonomie” zonder aan te duiden welke wet hiermee wordt overtreden, mist het middel de door artikel 14, § 2, RvS-wet vereiste nauwkeurigheid en is het niet ontvankelijk.
  35. Het middel maakt niet met de vereiste nauwkeurigheid duidelijk hoe het bestreden arrest artikel 13 EVRM zou hebben miskend. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
  36. Artikel 9 van het Verdrag van Aarhus waarborgt de toegang tot de rechter in milieu-aangelegenheden. De verzoekende partijen betrekken deze bepaling in de uiteenzetting van het middel enkel op de rechterlijke motiveringsplicht. Artikel 9 van het Verdrag van Aarhus voorziet echter niet in een bijzondere bescherming op het vlak van de motivering van de rechterlijke beslissingen die ruimer zou zijn dan artikel 149 van de Grondwet, zodat de in het middel aangevoerde schending van artikel 9 van het Verdrag van Aarhus doelloos is.
  37. De rechterlijke motiveringsplicht houdt niet in dat de rechter een exhaustieve samenvatting moet maken van de argumenten van een partij. De partij moet enkel in de motieven van de rechterlijke beslissing een antwoord terugvinden op zijn middelen. In zoverre de verzoekende partijen de schending van artikel 149 van de Grondwet afleiden uit de afwezigheid van de vermelding van bepaalde aangevoerde schendingen in het bestreden arrest, gaan zij dan ook uit van een verkeerde opvatting van de draagwijdte van de rechterlijke motiveringsplicht en is hun kritiek ongegrond.
  38. In hun verzoekschrift bij de RvVb hebben de verzoekende partijen de schending van artikel 1.2.1 DABM betrokken op de “regelgeving” die voorziet in “een speciaal regime ontworpen voor omzetting van milieuvergunningen in een omgevingsvergunning”, op grond waarvan de VII-42.079-14/36 toepassing van de verplichting inzake milieueffectrapportage volgens de verzoekende partijen kan worden ontweken. Het bestreden arrest bespreekt de toepasselijke regelgeving voor de omzetting van een milieuvergunning voor bepaalde duur naar een omgevingsvergunning voor onbepaalde duur, stelt vast dat deze omzettingsregeling naar het oordeel van het Grondwettelijk Hof “bestaanbaar is met het recht van de Europese Unie en dus ook met de project-MER-richtlijn” en dat de verzoekende partijen “[zich] beperken […] tot kritiek op de omzettingsregeling, zonder dat ze concreet en aan de hand van pertinente argumenten aantonen dat deze regeling strijdig is met de project-MER-richtlijn dan wel met het DABM, waarmee deze richtlijn in intern recht is omgezet.” Met dit motief beantwoordt het bestreden arrest de opgeworpen schending van artikel 1.2.1 DABM, zodat de in dit verband aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet feitelijke grondslag mist.
  39. De aangevoerde “strijdigheid met het beginsel dat iedere overheidsbeslissing moet gesteund zijn op in rechte en in feite aanvaardbare motieven” wordt door de verzoekende partijen in het verzoekschrift voor de RvVb betrokken op de besluiten tot het verlenen van de milieuvergunning en de stedenbouwkundige vergunning aan de tussenkomende partij. Met de beoordeling dat de regelmatigheid van de vergunningen niet langer in vraag kan worden gesteld op basis van de exceptie van onwettigheid overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet maakt het bestreden arrest duidelijk dat er geen reden is om de wettigheidskritiek die de verzoekende partijen laten gelden tegen de besluiten tot het verlenen van de milieuvergunning en de stedenbouwkundige vergunning van de tussenkomende partij te onderzoeken. De aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet kan in dit verband niet worden aangenomen.
  40. Met de in het derde annulatiemiddel voor de RvVb aangevoerde miskenning van het recht op inspraak en het niet afdoende beantwoorden van de bezwaren hebben de verzoekende partijen aangevoerd dat de deputatie niet heeft VII-42.079-15/36 geantwoord op hun uiteenzetting betreffende de mogelijke aanzienlijke milieueffecten van het project van de tussenkomende partij. Met de in dat middel opgeworpen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel hebben de verzoekende partijen aangevoerd dat het de deputatie toekwam om zorgvuldig af te wegen of de drie windturbines van de tussenkomende partij, samen met twee andere windturbines aan de overzijde van de E40, een aanzienlijke invloed kunnen hebben op bijzonder beschermde gebieden, en verder dat de deputatie kritiekloos het advies heeft gevolgd dat de windturbines geen effect hebben op de vogel- en vleermuispopulatie. Het redelijkheidsbeginsel werd volgens de verzoekende partijen geschonden door een onredelijke toepassing van het begrip “fysieke ingreep” in de zin van artikel 4.3.2 DABM. Het bestreden arrest zet het wettelijk kader uiteen op grond waarvan een milieuvergunning van bepaalde duur kan worden omgezet in een omgevingsvergunning van onbepaalde duur, en wanneer de omzetting onderworpen wordt aan milieueffectrapportage. Toegepast op het dossier overweegt het bestreden arrest: “Verzoekende partijen tonen niet aan dat het oordeel van verwerende partij in de bestreden beslissing, dat de mededeling van tussenkomende partij voldoet aan de cumulatieve voorwaarden in artikel 390 [van het omgevingsvergunningsdecreet], foutief of kennelijk onredelijk is en niet afdoende is gemotiveerd in het licht van hun argumentatie tijdens de bestuurlijke vergunningsprocedure. […] [De verzoekende partijen] verwijten verwerende partij […] tevergeefs dat deze hun (onterechte […]) kritiek op de omzettingsregeling en de toepassing daarvan tijdens de bestuurlijke vergunningsprocedure niet concreet en afdoende bij haar beoordeling heeft betrokken. Zoals blijkt uit de bestreden beslissing, bespreekt en weerlegt verwerende partij daarin zowel hun bezwaren tijdens het openbaar onderzoek als hun replieknota in het kader van de zitting van de provinciale omgevingsvergunningscommissie. De vaststelling dat hun argumentatie door verwerende partij niet wordt bijgetreden doet daaraan geen afbreuk. Verwerende partij is op basis van de haar rustende motiveringsplicht overigens niet gehouden om alle in het kader van de bestuurlijke procedure aangevoerde argumenten rechtstreeks en punt na punt te beantwoorden. Het volstaat dat ze duidelijk doet blijken op welke overwegingen ze zich steunt om akte te nemen van het verzoek van tussenkomende partij tot omzetting van haar milieuvergunning voor de exploitatie van drie windturbines van twintig jaar naar een VII-42.079-16/36 omgevingsvergunning van onbepaalde duur, en de argumenten die relevant zijn in het kader van de beoordeling van dit verzoek overeenkomstig artikel 390 [van het omgevingsvergunningsdecreet] in haar beoordeling en besluitvorming betrekt.” Met deze overwegingen beantwoordt het bestreden arrest impliciet doch zeker ook de argumenten van de verzoekende partijen waarin de schending werd aangevoerd van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. De motieven laten toe te begrijpen waarom die argumenten niet worden aangenomen, met name omdat zij niet relevant zijn in het kader van de beoordeling van het verzoek tot aktename overeenkomstig artikel 390 van het omgevingsvergunningsdecreet. De aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet is ongegrond.
  41. Met de kritiek dat de RvVb een verkeerde betekenis heeft gegeven aan het begrip “project”, verwijten de verzoekende partijen het bestreden arrest in wezen onjuiste motieven te hebben gehanteerd die geen wettig antwoord bieden op hun argumenten. Zij gaan aldus uit van een verkeerd begrip van de rechterlijke motiveringsplicht, zodat de in dit verband aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet ongegrond is.
  42. In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat het bestreden arrest niet antwoordt op de in het derde annulatiemiddel aangevoerde onwettige toepassing van de Vlarem II-normen voor windturbines, en op het ontbreken van een plan-MER voor de sectorale milieuvoorwaarden voor windturbines, kan hun kritiek niet worden gevolgd. Het bestreden arrest overweegt immers: “Gelet op voormelde uiteenzetting is de discussie over de gevolgen van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 142/2021 van 14 oktober 2021 houdende verwerping van de vordering tot vernietiging van het Validatiedecreet en de doorwerking hiervan in voorliggend dossier niet aan de orde.” VII-42.079-17/36 Deze overweging verwijst naar het decreet van 17 juli 2020 ‘tot validering van de sectorale milieuvoorwaarden voor windturbines’ (hierna: validatiedecreet) en het arrest van het Grondwettelijk Hof dat de vernietigingsberoepen tegen dat decreet heeft verworpen. Artikel 3 van het validatiedecreet heeft afdeling 5.20.6 van Vlarem II, dat de sectorale milieuvoorwaarden bevat voor windturbines, in afwachting van nieuwe sectorale normen, naar een wetskrachtig niveau getild in zoverre zij strijdig zijn met de Europese bepalingen over de verplichting tot uitvoering van een milieueffectrapportage. Door te overwegen dat de discussie over de gevolgen van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 142/2021 van 14 oktober 2021 en de doorwerking ervan in het voorliggend dossier niet aan de orde is gelet op de voorafgaande uiteenzetting van het arrest, heeft de RvVb impliciet doch voldoende duidelijk aangegeven dat ook de aangevoerde onwettige toepassing van de Vlarem II-normen voor windturbines en het ontbreken van een plan-MER voor de sectorale milieuvoorwaarden voor windturbines, niet meer aan de orde is. Hiermee heeft het bestreden arrest aan de jurisdictionele motiveringsplicht voldaan.
  43. Als rechtscollege is de RvVb niet onderworpen aan de beginselen van behoorlijk bestuur zoals het vertrouwensbeginsel. De omstandigheid dat de RvVb de partijen per brief de mogelijkheid heeft gegeven om een aanvullende nota in te dienen over de gebeurlijke gevolgen van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 142/2021 van 14 oktober 2021 en de doorwerking ervan in het voorliggend dossier, verplicht de RvVb niet om die gevolgen en doorwerking in het arrest te bespreken en inhoudelijk te antwoorden op de argumenten die partijen in dat verband hebben laten gelden in een aanvullende nota, wanneer hij oordeelt dat de discussie over die gevolgen en doorwerking “ niet aan de orde is” gelet op de voorafgaande uiteenzetting in het arrest. Deze beoordeling doet geen afbreuk aan het recht op een daadwerkelijke toegang tot de rechter.
  44. De RvVb heeft de kritiek van de verzoekende partijen over de onwettige toepassing van de Vlarem II-normen voor windturbines, en het VII-42.079-18/36 ontbreken van een plan-MER voor de sectorale milieuvoorwaarden voor windturbines inhoudelijk onbesproken gelaten omdat die “niet aan de orde is”. Anders dan de verzoekende partijen dit zien heeft het bestreden arrest dan ook geen uitspraak gedaan over de wettigheid van de sectorale milieuvoorwaarden voor windturbines. De in dit verband aangevoerde schending van het in de artikelen 33 en 159 van de Grondwet vervatte wettigheidsbeginsel, en van de beginselen van gemeenschapstrouw en loyauteit ten overstaan van het Europees recht, zijn dan ook doelloos.
  45. In zoverre het ontvankelijk is, is het middel ongegrond. C. Derde en vierde middel Uiteenzetting van de middelen
  46. De verzoekende partijen voeren in het derde middel de schending aan van: - artikel 149 van de Grondwet; - de artikelen 1 en 2 en de bijlage II van Richtlijn 2011/92/EU van 13 december 2011 ‘betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’ (hierna: project-MER-richtlijn); - het redelijkheidsbeginsel; - artikelen 191 en 260 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU); - de artikelen 2, 3, 5 en 14 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het subsidiariteitsbeginsel en het principe van de gemeenschapstrouw; - artikel 35 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC). Ondergeschikt voeren zij de schending aan van artikel 4.3.2 DABM en van artikel 149 van de Grondwet. VII-42.079-19/36 De verzoekende partijen komen in dit middel op tegen de beoordeling van het bestreden arrest dat de omzetting van de milieuvergunning van de tussenkomende partij voor de exploitatie van drie windturbines voor een bepaalde duur naar een omgevingsvergunning voor een onbepaalde duur, niet moet worden onderworpen aan de regels inzake milieueffectrapportage.
  47. De verzoekende partijen verwijten het bestreden arrest het subsidiariteitsbeginsel, de voorrang van de rechtstreeks werkende bepalingen van het Europees recht en het loyauteitsbeginsel te hebben miskend, door ervan uit te gaan dat een “project” slechts onderworpen dient te worden aan de regels inzake milieueffectrapportage wanneer het gaat om een “fysieke” ingreep, waarmee ingrepen worden bedoeld in de materiële toestand van de plaats. De RvVb verwijst hiervoor weliswaar naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie nr. C-2/07 van 28 februari 2008 in de zaak Abraham en nr. C-275/09 van 17 maart 2011 in de zaak Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en naar het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 125/2016 van 6 oktober 2016, maar volgens de verzoekende partijen behoorde het de RvVb om voorrang te geven aan artikel 1 van de project-MER-richtlijn, waarin geen sprake is van een “fysieke” ingreep, en niet aan bepaalde rechtspraak, ook al is die zeer gezaghebbend. Uit het subsidiariteitsbeginsel volgt volgens de verzoekende partijen dat de materie van de milieueffectrapportering geregeld wordt op Europees niveau, zodat de project- MER-richtlijn het finale toetsingskader biedt, en voorrang heeft op de nationale wetgeving. Minstens dient volgens de verzoekende partijen te worden vastgesteld dat het Hof van Justitie in het arrest Abraham niet heeft geoordeeld over de vraag wat dient begrepen te worden onder “andere ingrepen in natuurlijk milieu of landschap” of “uitvoering van bouwwerken of de totstandkoming van andere installaties of werken” in de zin van artikel 1 van de project-MER-richtlijn. Het arrest gaat over de vraag of een overeenkomst een “project” kan zijn, niet over de inhoud van het begrip “project”. Wanneer het Hof van Justitie in dat kader oordeelt “dat met het begrip ‘project’ materiële werken of ingrepen worden VII-42.079-20/36 bedoeld”, heeft hij hieruit enkel afgeleid dat een overeenkomst niet als een project kan worden beschouwd, maar geen uitspraak gedaan over het begrip “ingreep”. De RvVb heeft volgens de verzoekende partijen ook het arrest Brussels Hoofdstedelijk Gewest uit zijn context gehaald. In die zaak ging het immers om de hernieuwing van een vergunning, terwijl het in de voorliggende zaak gaat om de omzetting van een vergunning voor bepaalde tijd naar een vergunning voor onbepaalde tijd. De verzoekende partijen merken daarbij op dat de tijdsduur een belangrijk kenmerk uitmaakt van een vergunning, zoals ook blijkt uit punt 3, e), van de bijlage III van de project-MER-richtlijn. De verzoekende partijen benadrukken dat het begrip “fysieke ingreep in het leefmilieu” dat wordt gehanteerd in artikel 4.3.2, § 1, DABM, en waarop het bestreden arrest steunt, nergens voorkomt in de project-MER-richtlijn. De Europese richtlijn heeft voorrang op het recht van de lidstaat, zeker wanneer de omzettingstermijn ervan is verstreken, zoals hier het geval is. Aldus is het arrest volgens de verzoekende partijen niet in overeenstemming met het wettigheidsbeginsel vervat in onder meer artikel 33 van de Grondwet en met het loyauteitsbeginsel tegenover het Europees recht en de regel dat het Europees recht voorrang heeft.
  48. De verzoekende partijen voeren aan dat de exploitatie voor een onbepaalde tijd van drie windturbines met een tiphoogte van 138 meter, in alle redelijkheid een ingreep in het natuurlijk milieu of het landschap uitmaakt. Activiteiten die geen fysieke of materiële veranderingen in het leefmilieu teweegbrengen, kunnen volgens hen in alle redelijkheid ook onder het begrip “ingreep” vallen. Zo is de ingreep op windkracht, windpotentieel, of dus op lucht, in alle redelijkheid wel een ingreep op het leefmilieu. Hierbij verwijzen de verzoekende partijen naar artikel 3 van de project-MER-richtlijn dat “lucht” vermeldt als een te onderzoeken milieufactor in het kader van de milieueffectbeoordeling. De RvVb heeft zich volgens de verzoekende partijen op VII-42.079-21/36 dit punt echter op de vlakte gehouden hoewel het redelijkheidsbeginsel werd ingeroepen.
  49. De verzoekende partijen laten verder gelden dat zij in hun verzoekschrift voor de RvVb hebben uiteengezet dat de exploitatie van drie windmolens voor een onbepaalde tijd een ingreep in het natuurlijk milieu of landschap veroorzaakt, waarbij erop gewezen werd dat de voorbijkomende dieren deel uitmaken van het natuurlijk milieu, net zoals de natuurlijke gang van zaken op het vlak van windkracht en luchtlagen, en verder gewezen werd op de inplanting van de windturbines in een landschap dat als open ruimte is gekenmerkt. Ook voeren de verzoekende partijen aan dat zij in hun verzoekschrift voor de RvVb hebben gewezen op de definitie van “project” volgens artikel 4.1.1, 5°, DABM. Door op dit alles niet te antwoorden, heeft het bestreden arrest volgens de verzoekende partijen de jurisdictionele motiveringsplicht geschonden.
  50. Ook werpen de verzoekende partijen op dat het bestreden arrest tegenstrijdig en minstens dubbelzinnig is gemotiveerd doordat de RvVb zich enerzijds wil houden aan de project-MER-richtlijn en anderzijds andere begrippen en bepalingen aanwendt dan vermeld in die richtlijn. Een “ingreep” in de zin van artikel 1 van de project-MER-richtlijn is niet gelijk te stellen met, en veel ruimer dan, een “reële fysieke verandering van het leefmilieu”, zeker nu de RvVb het begrip “fysiek” interpreteert in de zin van “materieel” met verwijzing naar sommige rechtspraak van het Hof van Justitie over gans andere exploitaties.
  51. De jurisdictionele motiveringsplicht wordt volgens de verzoekende partijen ook geschonden doordat het bestreden arrest stelt: “[De verzoekende partijen] betwisten ook tevergeefs dat er in het kader van de omzettingsprocedure geen project-MER was vereist omdat de exploitatie van de windmolens niet kan worden beschouwd als een activiteit die een fysieke ingreep in het leefmilieu tot gevolg heeft in de zin van artikel 4.3.2 DABM.” terwijl de verzoekende partijen in hun verzoekschrift voor de RvVb hebben opgeworpen dat artikel 4.3.2 DABM strijdig is met de project-MER-richtlijn en dit VII-42.079-22/36 middel zodoende niet wordt beantwoord in het bestreden arrest, minstens hieraan een andere draagwijdte heeft verleend.
  52. De verzoekende partijen wijzen er vervolgens op dat zij voor de RvVb in ondergeschikte orde een schending hebben aangevoerd van artikel 4.3.2 DABM en het redelijkheidsbeginsel, waarin zij hebben aangevoerd dat de exploitatie van windmolens in alle redelijkheid wel degelijk een fysieke ingreep in het leefmilieu of het landschap veroorzaakt. In het antwoord op die kritiek heeft de RvVb nagelaten om de schending van het redelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur in zijn motivering te betrekken. Bovendien is er een verschil tussen een “fysieke ingreep in het leefmilieu” en het in het bestreden arrest gehanteerde begrip “reële fysieke verandering van het leefmilieu”, zodat het arrest artikel 4.3.2 DABM (en het antecederende artikel 390 van het omgevingsvergunningsdecreet) schendt. Minstens is hierdoor artikel 149 van de Grondwet geschonden. De jurisdictionele motiveringsplicht wordt volgens de verzoekende partijen in elk geval geschonden doordat het arrest het middel enkel beantwoordt door te wijzen op een gebrek aan “reële fysieke verandering van het leefmilieu” terwijl zij ook hebben aangevoerd dat het gaat om een ingreep in het natuurlijk milieu of het landschap, waarbij -nevengeschikt- gewezen werd zowel op de gevolgen voor het natuurlijk milieu als op de gevolgen voor het landschap.
  53. De verzoekende partijen stellen vast dat het bestreden arrest hun stelling weerlegt door hen de artikelen 155 en 390 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet) en artikel 4.3.2 DABM tegen te werpen, maar volgens de verzoekende partijen zijn deze bepalingen strijdig met de Grondwet en/of het Europees recht, en zij vragen de Raad van State - in het “vierde middel” - om volgende prejudiciële vragen te richten aan het Grondwettelijk Hof: “
  54. Eerste prejudiciële vraag VII-42.079-23/36 1.
  55. Is [artikel 390, § 2, van het omgevingsvergunningsdecreet] in strijd met het gelijkheidsbeginsel, met [de artikelen] 10 en 11 Grondwet en met het evenredigheidsbeginsel doordat tegen de beslissing tot aktename van de bevoegde overheid m.b.t. de aanvraag tot omzetting van de milieuvergunning voor bepaalde tijd voor i.c. de exploitatie van drie grootschalige windturbines, naar een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd voor i.c. drie grootschalige windturbines, verleend na een openbaar onderzoek, voor derden in principe geen bestuurlijk hoger beroep mogelijk is bij een hogere bestuurlijke overheid, en terwijl tegen een omgevingsvergunning die via de gewone omgevingsvergunningsprocedure, na een openbaar onderzoek, aan een exploitant van windturbines wordt verleend, voor derden in principe wél een hoger beroep mogelijk is bij een hogere bestuurlijke overheid - zoals onder meer voorzien is in [artikel 52 van het omgevingsvergunningsdecreet]? En is er een objectief en redelijk verantwoord criterium voor dit aldus gemaakt onderscheid qua beroepsmogelijkheden voor derden zoals leden van het publiek, en is er wegens de ontstentenis van dergelijk objectief en redelijk verantwoord criterium, sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel, van [de artikelen] 10 en 11 Grondwet? En dit terwijl er op vlak van exploitatie van windturbines er objectief geen verschil is of deze exploitatie gebeurt op basis van een omgevingsvergunning (volgens de normale vergunningsprocedure voorzien in het [omgevingsvergunningsdecreet]) dan wel steunt op een aktename van de aanvraag tot omzetting van een milieuvergunning naar een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd? 1.
  56. En is er door het ontbreken van deze voormelde beroepsmogelijkheid ([artikel 390, § 2, tweede lid, van het omgevingsvergunningsdecreet]) een inbreuk op [artikel] 9.1 van het Verdrag van Aarhus, m.b.t. de toegang tot de rechter, op zich en in samenhang met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en ook met het via het Verdrag Europese Unie ([artikel] 2) en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie beschermde gelijkheidsbeginsel, doordat verzoekers weliswaar toegang hebben tot de rechter, i.c. de Raad voor Vergunningsbetwistingen en de Raad van State, doch zij voorafgaandelijk geen toegang hebben gehad tot een onpartijdige en onafhankelijke bestuurlijke overheid, en zij dus gediscrimineerd worden ten opzichte van burgers die in een vergelijkbare (feitelijke) situatie van exploitatie van windturbines, wél eerst nog over een bestuurlijke beroepsmogelijkheid beschikken, vooraleer zij zich kunnen/dienen te wenden tot een administratief rechtscollege zoals de Raad voor Vergunningsbetwistingen?
  57. Tweede prejudiciële vraag 2.
  58. En zijn [de artikelen 155 en 390 van het omgevingsvergunningsdecreet en artikel 4.3.2, § 1 en § 2, DABM] in strijd met het gelijkheidsbeginsel, zoals in bijzonder vervat is in artikel 10 en 11 Grondwet, doordat deze bepalingen voor gevolg hebben dat er bij omzetting van een milieuvergunning voor bepaalde tijd naar een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd, voor i.c. de exploitatie van drie windturbines, slechts een project-MER-(screening) moet worden opgesteld indien de activiteiten een fysieke ingreep in het leefmilieu tot gevolg hebben, en terwijl in deze VII-42.079-24/36 bepalingen geen onderscheid gemaakt wordt tussen enerzijds het geval waarbij de eerdere milieuvergunning voor bepaalde tijd, voor i.c. de exploitatie van drie windturbines, waarvan de omzetting wordt gevraagd naar een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd, verleend wordt nadat er reeds een project-MER of project-MER-screening hiervoor werd opgesteld, en anderzijds het geval dat deze eerdere milieuvergunning waarvan de omzetting door de exploitant wordt gevraagd, werd verleend voor bepaalde tijd maar zonder dat voorafgaand een project-MER werd opgesteld? En ontbreekt er dus in deze regelgeving een onderscheid waarbij rekening wordt gehouden met dit objectief criterium, nl. is er wel of geen project-MER of minstens project-MER-screening voorhanden n.a.v. het bekomen van de milieuvergunning of dus in de praktijk de (eerdere) basisvergunning waarvan de omzetting wordt gevraagd? En is de voormelde vraag enkel pertinent of m.a.w. ontvankelijk minstens in de mate dat de eerdere milieuvergunning die voor bepaalde tijd [werd] verleend, werd afgeleverd op een ogenblik dat er een project-MER- (screenings)plicht bestond, hetzij cfr. de Europese project-MER-Richtlijn, nl. de MER Richtlijn van 25 juni 1985 85/337/EEG en de wijziging bij Richtlijn 97/11/EG van 3 maart 1997 en de wijziging bij Richtlijn 2011/92/EU van 13 december 2011, hetzij cfr. de Vlaamse milieuwetgeving in bijzonder het [besluit van de Vlaamse regering van] 10 december 2004 betreffende milieu- effectenrapportage?
  59. Derde prejudiciële vraag […] 3.
  60. Zijn [artikel 155 en in het bijzonder ook artikel 390 van het omgevingsvergunningsdecreet, en artikel 4.3.2, § 1 en § 2, DABM] in strijd met [artikel 191 VWEU] en met artikel 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met het gelijkheidsbeginsel, vervat in bijzonder in [de artikelen] 10 en 11 Grondwet, doordat volgens deze bepalingen uit het EU-Verdrag en uit het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, de verdragsluitende landen waaronder België, zich verbonden hebben tot een ‘hoog niveau van milieubescherming’ ([artikel] 37 Handvest en [artikel] 191.2 VWEU) en tot het naleven van het preventiebeginsel en het voorzorgsbeginsel ([artikel] 191.2 VWEU), en doordat in bijzonder de milieu-effectrapportering een toepassing is van minstens het preventie- en voorzorgsbeginsel[…], terwijl ingevolge de voormelde bepalingen nl. [de artikelen 155 en 390 van het omgevingsvergunningsdecreet en artikel 4.3.2, § 1, DABM] de MER-plicht in de daarin vermelde juridische situaties is beperkt tot in bijzonder een situatie waarbij de aanvraag tot hernieuwing/omzetting van de milieuvergunning, enkel slaat op activiteiten ‘die een fysieke ingreep op het leefmilieu veroorzaken’? […] 3.
  61. En zijn deze voormelde Europese Verdragsbepalingen eveneens geschonden doordat volgens [artikel 390, § 1/1, van het omgevingsvergunningsdecreet] er slechts een milieueffectrapport moet worden opgesteld bij de aanvraag tot omzetting indien 1°) er bij het meldingsformulier reeds een m.e.r. screeningsnota is gevoegd, en dus niet indien er geen project-m.e.r.-screeningsnota is bijgevoegd en indien 2°) de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het VII-42.079-25/36 [omgevingsvergunningsdecreet], of de door haar gemachtigde ambtenaar of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar die nota heeft onderzocht ‘en beslist of er over het project een milieueffectrapport moet worden opgesteld’, en ontstaat er aldus een discriminerend bevoordeligende situatie voor de exploitant van i.c. drie windturbines, waarvoor er geen objectief en redelijk verantwoord criterium is, doordat 1°) de beslissing of er al dan niet een project-MER dient te worden opgesteld afhankelijk wordt gesteld van het reeds bij de aanvraag gevoegd zijn van een project-mer- screeningsnota en doordat 2°) het criterium om navolgens wel of geen project-MER op te stellen, niet afhankelijk wordt gesteld van de materieel/inhoudelijk milieurechtelijke vraag of er überhaupt een MER- plicht is wegens de mogelijke aanzienlijke milieugevolgen veroorzaakt door de exploitatie van een hinderlijke inrichting, zoals i.c. industriële winning van windenergie, maar dit wel afhankelijk wordt gesteld van de bevoegde bestuurlijke overheid, meer bepaald of deze instantie van oordeel is dat er wel of geen project-MER dient te worden opgesteld? En is aldus het afhankelijk stellen van de al dan niet opmaak van een project- MER van het oordeel van een bestuurlijke overheid cfr. [artikel 390, § 1/1, van het omgevingsvergunningsdecreet] en dus niet van het al dan niet (inhoudelijk) vervuld zijn van de criteria om tot een project-MER over te gaan zoals in de specifieke regelgeving is bepaald, in bijzonder in [artikel 4.3.1 DABM], hoofdstuk III ‘Milieueffectrapportage over projecten’ en in de bijlagen van het DABM, en in bijzonder ook in [de artikelen] 1, 2 en 4 en de bijlagen I, II en III van de [project-MER-richtlijn], in strijd met [artikel] 191 VWEU] en met [artikel] 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met het gelijkheidsbeginsel, vervat in bijzonder in [de artikelen] 10 en 11 Grondwet? […]
  62. Vierde prejudiciële vraag […] 4.
  63. De vraag is of [artikel 390, § 1, 2°, van het omgevingsvergunningsdecreet] al dan niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, vervat in bijzonder in [de artikelen] 10 en 11 Grondwet, en met het standstillbeginsel gewaarborgd door [artikel] 23 Grondwet, en met [artikel] 6 van het Verdrag van Aarhus, en met het doeltreffendheidsbeginsel inz. inspraak in milieu-aangelegenheden, doordat volgens [artikel 390, § 1, 2°, van het omgevingsvergunningsdecreet] als voorwaarde voor het ‘geacht voor onbepaalde duur te zijn verleend’ van de milieuvergunning voor een termijn van 20 jaar, één van de vier voorwaarden is dat ‘het betrokken publiek dient geen kennelijk gegrond bezwaar in tegen de omzetting tijdens het openbaar onderzoek.’, en het dus niet voldoende is dat een ‘gegrond’ bezwaar wordt ingediend, terwijl aldus voor leden van het publiek zoals [de verzoekende partijen], aan het recht op inspraak van het publiek voorzien in onder meer [artikel] 6 van het Verdrag van Aarhus, een substantieel zwaardere en dus voor de exploitant bevoordeligende vereiste wordt opgelegd, vermits een ‘kennelijk gegrond’ bezwaar voor leden van het publiek een aanzienlijk zwaardere vereiste is dan een ‘gegrond’ bezwaar? En dus op het niveau van milieubescherming en inspraak in milieuaangelegenheden aanzienlijk erop achteruitgaat en dus in strijd is met het standstillprincipe? VII-42.079-26/36 En is dit al dan niet in strijd met [artikel] 6 van het Verdrag van Aarhus waarin geen dergelijk onderscheid wordt gemaakt, nl. tussen inspraak middels een ‘kennelijk gegrond’ bezwaar dan wel via een ‘gegrond’ bezwaar; en terwijl er aldus een bevoordeligend en discriminerend onderscheid wordt gemaakt ten nadele van burgers die inspreken in het kader van een gewone aanvraag van een omgevingsvergunning, waar ook een niet kennelijk gegrond bezwaar in aanmerking kan komen, terwijl in het geval van een aanvraag tot omzetting van een milieuvergunning voor bepaalde termijn naar een (milieu)vergunning die ‘geacht’ wordt voor onbepaalde termijn te zijn verleend, het bezwaar van burgers enkel leidt tot de niet vervulling van 1 van de 4 cumulatieve voorwaarden, - en dus ook tot het niet verlenen van de (milieu)vergunning - nl. slechts indien het bezwaar ‘kennelijk gegrond’ is? […] 4.
  64. En is in bijzonder de aldus in [artikel 390, § 1, van het omgevingsvergunningsdecreet] voorziene inperking van het recht op inspraak, nl. door enkel rekening te houden met een ‘kennelijk’ gegrond bezwaar, wel of niet in overeenstemming met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en met [artikel] 6.7 van het Verdrag van Aarhus, nl. ‘Inspraakprocedures bieden het publiek de mogelijkheid schriftelijk of, indien van toepassing, tijdens een hoorzitting of onderzoek met de verzoeker, alle opmerkingen, informatie, analyses of meningen naar voren te brengen die het relevant acht voor de voorgestelde activiteit.’ en met [artikel] 6.8 van het Verdrag van Aarhus, nl. ‘Elke Partij waarborgt dat in het besluit naar behoren rekening wordt gehouden met het resultaat van de inspraak.’ waarbij dus geen onderscheid gemaakt wordt tussen een ‘kennelijk’ gegrond bezwaar, als ‘resultaat van de inspraak’ dan wel een gegrond bezwaar, als ‘resultaat van de inspraak’? 4.
  65. En is [artikel 390, § 1, 2°, van het omgevingsvergunningsdecreet] in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel doordat in deze bepaling of een andere bepaling van het [omgevingsvergunningsdecreet] niet is omschreven wanneer wel of geen sprake is van een ‘kennelijk gegrond’ bezwaar?” De verzoekende partijen preciseren daarbij dat indien de Raad van State zou oordelen dat de prejudiciële vragen, eventueel na ambtshalve herformulering, bestemd zijn voor een andere rechterlijke instantie, zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie, zij hiermee akkoord kunnen gaan. Beoordeling
  66. De verzoekende partijen maken niet duidelijk hoe het bestreden arrest de artikelen 2, 3 en 14 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de VII-42.079-27/36 artikelen 191 en 260 VWEU, en/of artikel 35 DBRC schendt. Het middel is dan ook niet ontvankelijk in zoverre het de schending van die bepalingen aanvoert. De schending van het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie verkondigde subsidiariteitsbeginsel werd door de verzoekende partijen niet in hetzelfde verband aangevoerd voor de RvVb zodat zij zich hierop niet voor het eerst in graad van cassatie kunnen beroepen. In zoverre is het middel evenmin ontvankelijk.
  67. Om op ontvankelijke wijze rechtstreeks de schending te kunnen inroepen van een bepaling van een richtlijn die in de interne rechtsorde is omgezet, moet de verzoekende partij aanvoeren dat de betrokken bepaling niet, niet volledig, niet tijdig of niet correct is omgezet. Uit het middel kan worden afgeleid dat de verzoekende partijen aanvoeren dat artikel 1 van de project-MER-richtlijn niet correct werd omgezet zodat het middel ontvankelijk is in zoverre de schending van die bepaling wordt aangevoerd. In het middel wordt verder niet uiteengezet hoe artikel 2 en/of de bijlage II van deze richtlijn worden geschonden, laat staan dat zou worden aangevoerd dat deze bepalingen niet correct zijn omgezet. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
  68. Op grond van artikel 390 van het omgevingsvergunningsdecreet kan een milieuvergunning die is verleend voor een termijn van 20 jaar, worden geacht voor onbepaalde duur te zijn verleend indien aan enkele voorwaarden is voldaan, waaronder de voorwaarde dat de vraag tot omzetting geen milieueffectrapport vereist. Artikel 1.2, a), van de project-MER-richtlijn bepaalt dat in de richtlijn onder “project” wordt verstaan: “- de uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van andere installaties of werken, VII-42.079-28/36 - andere ingrepen in natuurlijk milieu of landschap, inclusief de ingrepen voor de ontginning van bodemschatten.” Met het begrip “project” in de project-MER-richtlijn worden “materiële werken of ingrepen” bedoeld (Hof van Justitie, arrest van 28 februari 2008 in de zaak C-2/07, Abraham), en meer bepaald “werken of ingrepen die de materiële toestand van de plaats veranderen” (Hof van Justitie, arresten van 17 maart 2011 in de zaak C-275/09, Brussels Hoofdstedelijk Gewest en van 19 april 2012 in de zaak C-121/11, Pro Baine). Artikel 4.3.2 DABM bepaalt dat de verplichting om een project- MER, een verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting, of een project- MER-screeningsnota, op te stellen, niet geldt voor, onder meer, “de omzetting, vermeld in artikel […] 390 van het [omgevingsvergunningsdecreet]”, “tenzij […] de omzetting betrekking heeft op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu tot gevolg hebben”. In zoverre deze bepaling de activiteiten die “fysieke ingrepen” tot gevolg hebben uitsluit, is zij in overeenstemming met het begrip “project” van artikel 1 van de project-MER-richtlijn, zoals deze bepaling door het Hof van Justitie is uitgelegd. Uit de bewoordingen van de hiervoor vermelde arresten blijkt duidelijk dat het Hof van Justitie hierin het begrip “project” op algemene wijze heeft uitgelegd en zich daarbij niet heeft beperkt tot een uitlegging die slechts van toepassing zou zijn op de specifieke feitelijke omstandigheden van de betrokken zaken. De Raad van State is dan ook niet ertoe gehouden om hierover nog een prejudiciële vraag te richten aan het Hof van Justitie. Ook het Grondwettelijk Hof heeft deze uitlegging bevestigd in zijn arrest nr. 125/2016 van 6 oktober 2016: “[Uit] de rechtspraak van het Hof van Justitie […] kan worden afgeleid dat een loutere hernieuwing van een omgevingsvergunning of een omzetting krachtens artikel 390, die niet gepaard gaat met activiteiten die fysieke VII-42.079-29/36 ingrepen in het leefmilieu vereisen, niet onder de verplichting tot uitvoering van een milieueffectbeoordeling valt.”, en onder meer op grond van die vaststelling de aangevoerde ongrondwettigheid van artikel 155 van het omgevingsvergunningsdecreet, dat de tekst van artikel 4.3.2 DABM heeft vervangen, verworpen. De RvVb miskent dan ook noch artikel 1 van de project-MER- richtlijn, noch de beginselen van gemeenschapstrouw en van voorrang van de rechtstreeks werkende bepalingen van het Europees recht, wanneer hij oordeelt dat de verzoekende partijen “in het licht van [de] overwegingen van het Grondwettelijk Hof [in het arrest nr. 125/2016 van 6 oktober 2016] tevergeefs kritiek [uiten] op de verenigbaarheid van de decretale omzettingsregeling in artikel 390 [van het omgevingsvergunningsdecreet] en [artikel 4.3.2 DABM], met de project-MER- richtlijn”.
  69. Nu de RvVb beslist dat de aanvraag van de tussenkomende partij slechts aan de regels inzake milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen wanneer het gaat om activiteiten die “fysieke ingrepen in het leefmilieu” teweegbrengen, is het bestreden arrest terecht niet verder ingegaan op de argumenten van de verzoekende partijen waarin werd aangevoerd dat de verdere exploitatie van drie windturbines voor onbepaalde tijd redelijkerwijze niet- materiële ingrepen op het leefmilieu en het landschap veroorzaakt. De in dit verband aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel is dan ook doelloos.
  70. Anders dan de verzoekende partijen dit zien, is het bestreden arrest niet tegenstrijdig of dubbelzinnig gemotiveerd door enerzijds te wijzen op de project-MER-richtlijn en anderzijds andere begrippen en bepalingen aan te wenden dan vermeld in die richtlijn. Het arrest besluit immers dat de kritiek dat de richtlijn niet correct werd omgezet, ongegrond is, en overweegt daartoe impliciet doch zeker dat de andere formulering in artikel 4.3.2 DABM in vergelijking tot artikel 1 van de project-MER-richtlijn conform is met de uitlegging van die laatste VII-42.079-30/36 bepaling door het Hof van Justitie. De aangevoerde tegenstrijdigheid of dubbelzinnigheid van de motieven mist feitelijke grondslag.
  71. De kritiek dat de jurisdictionele motiveringsplicht wordt geschonden met de overweging “[De verzoekende partijen] betwisten ook tevergeefs dat er in het kader van de omzettingsprocedure geen project-MER was vereist omdat de exploitatie van de windmolens niet kan worden beschouwd als een activiteit die een fysieke ingreep in het leefmilieu tot gevolg heeft in de zin van artikel 4.3.2 DABM.” terwijl de verzoekende partijen in hun verzoekschrift voor de RvVb hebben opgeworpen dat artikel 4.3.2 DABM strijdig is met de project-MER-richtlijn en dit middel zodoende niet wordt beantwoord in het bestreden arrest, gaat eraan voorbij dat het bestreden arrest uitdrukkelijk dat middel wel heeft beantwoord met de overweging dat de verzoekende partijen “in het licht van [de] overwegingen van het Grondwettelijk Hof [in het arrest nr. 125/2016 van 6 oktober 2016] tevergeefs kritiek [uiten] op de verenigbaarheid van de decretale omzettingsregeling in artikel 390 [van het omgevingsvergunningsdecreet] en [artikel 4.3.2 DABM], met de project-MER-richtlijn”. Deze kritiek mist dan ook feitelijke grondslag. In zoverre de verzoekende partijen de schending van artikel 149 van de Grondwet afleiden uit de omstandigheid dat het bestreden arrest “een andere draagwijdte” heeft verleend aan een middel uit hun verzoekschrift, gaan zij uit van een verkeerd begrip van de rechterlijke motiveringsplicht, en is de kritiek ongegrond.
  72. De RvVb overweegt: “Verzoekende partijen maken in het licht van [de rechtspraak van het Hof van Justitie], die door de [RvVb] wordt gevolgd, redelijkerwijze niet aannemelijk dat de feitelijke hervergunning van de exploitatie van drie windmolens, waarbij de bestaande exploitatie niet wordt gewijzigd of uitgebreid, een reële fysieke verandering van het leefmilieu met zich meebrengt en volgens de project-MER-richtlijn en het daarop gesteunde DABM moet worden beschouwd als een project. Ze tonen dan ook niet aan VII-42.079-31/36 dat de beoordeling hierover van verwerende partij in de bestreden beslissing […] foutief of kennelijk onredelijk is.” Met deze overwegingen miskent het bestreden arrest niet de draagwijdte van het redelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur. In zoverre de schending van dat beginsel in dat verband wordt aangevoerd, is het middel ongegrond.
  73. Deze overwegingen bieden ook een antwoord op het middel van de verzoekende partijen waarin werd uiteengezet dat de exploitatie van drie windmolens voor een onbepaalde tijd wél een ingreep in het natuurlijk milieu of landschap veroorzaakt. De jurisdictionele motiveringsplicht vereist niet dat de rechter antwoordt op elk afzonderlijk argument dat ter staving van het middel wordt aangevoerd. De door de RvVb gehanteerde motieven laten toe te begrijpen waarom de ermee strijdige argumenten van de verzoekende partijen niet worden gevolgd. De in dit verband aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet is ongegrond.
  74. Artikel 14, § 2, RvS-wet bepaalt dat de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt. In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat de RvVb ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdere exploitatie van de in de aanvraag van de tussenkomende partij bedoelde windturbines niet slaat op activiteiten die fysieke ingrepen in het leefmilieu teweegbrengen, nodigen zij de Raad van State uit om de feitelijke beoordeling van de RvVb over te doen, wat hem niet toegestaan is. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
  75. Door het begrip “fysieke ingreep in het leefmilieu” van artikel 4.3.2 DABM niet letterlijk te hernemen, en te gewagen van een “reële fysieke verandering van het leefmilieu”, heeft het bestreden arrest aan artikel 4.3.2 DABM geen andere invulling gegeven of de draagwijdte ervan miskend. In zoverre de verzoekende partijen hierin een schending zien van artikel 149 van de Grondwet, gaan zij uit van een verkeerd begrip van de rechterlijke motiveringsplicht. VII-42.079-32/36
  76. Het begrip “fysieke ingreep in het leefmilieu” dat door artikel 4.3.2 DABM wordt gehanteerd, slaat - gelet op de ongegrondheid van de kritiek op de omzetting van de richtlijn - op ingrepen in zowel het “natuurlijk milieu” als het “landschap” (voor zover die begrippen elkaar al niet zouden overlappen). Met het motief dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de door de tussenkomende partij gevraagde omzetting geen reële fysieke verandering van het leefmilieu met zich meebrengt, heeft het bestreden arrest dan ook eveneens geantwoord op de argumenten van de verzoekende partijen waarin gewezen werd op de gevolgen van de exploitatie voor het landschap. De in dit verband aangevoerde schending van de jurisdictionele motiveringsplicht is ongegrond.
  77. Hoger werd reeds beslist dat de Raad van State niet ertoe gehouden is de prejudiciële vraag te stellen naar de verenigbaarheid van artikel 4.3.2 DABM met artikel 1 van de project-MER-richtlijn. De overige prejudiciële vragen die de verzoekende partijen voorstellen in hun “vierde middel” hebben deels betrekking op vragen inzake de verenigbaarheid met de Grondwet en met het Europees recht die de verzoekende partijen niet aan de RvVb hebben voorgelegd. Voor de RvVb hebben de verzoekende partijen immers niet aangevoerd dat de omzettingsregeling ongrondwettig is: - omdat er slechts een milieueffectrapport moet worden opgesteld wanneer er bij het meldingsformulier reeds een screeningsnota is gevoegd en de bevoegde overheid vervolgens oordeelt dat een milieueffectrapport moet worden opgesteld, of - omdat enkel de bezwaren van het betrokken publiek die “kennelijk gegrond” zijn, de omzetting kunnen verhinderen. Evenmin hebben de verzoekende partijen voor de RvVb aangevoerd dat de omzetting van een vergunning van bepaalde duur naar een vergunning van onbepaalde duur toch aan een regulariserende VII-42.079-33/36 milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen wanneer blijkt dat de vergunning voor bepaalde duur destijds werd verleend zonder voorafgaande milieueffectbeoordeling, hoewel dit toen op grond van de toepasselijke richtlijn, die niet tijdig werd omgezet, wel vereist was. Het gebrek aan milieueffectbeoordeling ten tijde van het verlenen van de vergunning voor bepaalde duur werd door de verzoekende partijen enkel ter sprake gebracht in het kader van de aangevoerde onwettigheid van die vergunning die zij op grond van artikel 159 van de Grondwet wensten te laten vaststellen, maar niet als argument ter betwisting van de wettigheid van de aktename van de melding van de omzetting naar een vergunning voor onbepaalde duur. Het gaat aldus om middelen die pas voor het eerst in graad van cassatie worden opgeworpen, en om die reden niet ontvankelijk zijn. Het antwoord op de prejudiciële vragen kan dan ook niet bijdragen tot de oplossing van het geschil, zodat de Raad van State de opgeworpen vragen niet dient te stellen.
  78. Voor de RvVb hebben de verzoekende partijen wel de vraag opgeworpen naar de verenigbaarheid met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel van de omstandigheid dat er geen bestuurlijk beroep, maar enkel jurisdictioneel beroep, mogelijk is tegen de aktename door de bevoegde overheid van de melding van de omzetting van een milieuvergunning voor windturbines voor bepaalde duur naar een omgevingsvergunning voor onbepaalde duur, terwijl tegen de beslissing tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor windturbines wel eerst bestuurlijk beroep moet worden ingesteld. De opgeworpen ongelijke behandeling berust echter op de verkeerde opvatting dat tegen een beslissing tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor windturbines steeds bestuurlijk beroep mogelijk is. De verzoekende partijen gaan eraan voorbij dat de Vlaamse regering of de gewestelijke omgevingsambtenaar op grond van artikel 15, § 1, van het omgevingsvergunningsdecreet, in eerste en enige aanleg beslissen over de vergunningsaanvragen voor de in die bepaling bedoelde projecten. De “installaties VII-42.079-34/36 voor het opwekken van elektriciteit door windenergie met een elektrisch vermogen per windturbine van meer dan 1.500 kW” behoren tot de bedoelde projecten (artikel 2, 10°, van de bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse regering van 13 februari 2015 ‘tot aanwijzing van de Vlaamse en provinciale projecten ter uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning’). De opgeworpen prejudiciële vraag moet dan ook niet gesteld worden.
  79. In zoverre het derde middel ontvankelijk is, is het ongegrond. De in het “vierde middel” voorgestelde prejudiciële vragen moeten door de Raad van State niet worden gesteld. BESLISSING
  80. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  81. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, en een bijdrage van 24 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
  82. De onterecht betaalde bijdrage ten bedrage van 24 euro dient te worden terugbetaald aan de verzoekende partijen. VII-42.079-35/36 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op acht december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.079-36/36 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.094 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.413 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.