← België

Arrest 265095 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/12/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.095 Rolnummer: A. 239795/VII-42162 Zaak: Arrest 265095 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-18 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-15 09:54 Fiche Arrest nr 265.095 van 8 december 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 265.095 van 8 december 2025 in de zaak A. 239.795/VII-42.162 In zake : de VZW MILIEUFRONT OMER WATTEZ woonplaats kiezend te 9700 Oudenaarde Dijkstraat 75 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Lambert kantoor houdend te 9620 Zottegem Meersstraat 64 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sofie De Maesschalck kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 7 augustus 2023, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2223-1030 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 29 juni 2023 in de zaak 2122-RvVb-0895-A. VII-42.162-1/13 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 7 september
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De provincie Oost-Vlaanderen heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 20 oktober
  4. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 31 maart 2025 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 november
  5. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Luc Lambert, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Sofie De Maesschalck, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-42.162-2/13 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
  6. De tussenkomende partij verkrijgt van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een omgevingsvergunning voor de oprichting van vier bungalows, de sloop van vijf bungalows, en de verandering door wijziging en uitbreiding van de exploitatie van een provinciaal domein gelegen in Geraardsbergen. 3.
  7. De verzoekende partij tekent hiertegen bestuurlijk beroep aan. Met een beslissing van 31 mei 2022 verklaart de verwerende partij dit beroep ongegrond, en verleent zij de omgevingsvergunning. 3.
  8. Het bestreden arrest verwerpt het beroep van de verzoekende partij tot vernietiging van de beslissing van 31 mei
  9. IV. Onderzoek van het middel tot nietigverklaring Uiteenzetting van het middel
  10. De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 7bis en 149 van de Grondwet, de artikelen 32, tweede lid, en 35, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtcolleges’ (hierna: DBRC), van de jurisdictionele motiveringsplicht, van artikel 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 ‘betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018’ (hierna: waterwetboek), van artikel 2/1 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006 ‘tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de VII-42.162-3/13 adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018’ (hierna: watertoetsbesluit), en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet).
  11. Zij komt op tegen de beslissing van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) tot verwerping van het tweede middel dat zij heeft aangevoerd ter vernietiging van de beslissing van de verwerende partij van 31 mei
  12. De RvVb hanteert daartoe volgende motieven: “De verzoekende partij voert aan dat de ‘sokkels, staanders en steunen’ - waarop enkele groepen van gevaarlijke producten moeten worden opgeslagen teneinde vervuilingsgevaar bij overstromingen terug te dringen - overstromingsruimte innemen. Ze stelt dat de bestreden beslissing geen berekening bevat van dit verlies aan overstromingsruimte en er ten onrechte ook geen compensatie voor dit verlies wordt opgelegd. De beweringen van de verzoekende partij missen feitelijke grondslag. Uit het aanvraagdossier, onder meer uit het ‘Addendum E3 effecten op het watersysteem’ blijkt dat alle gevaarlijke stoffen binnen de bestaande gebouwen worden opgeslagen, met uitzondering van de gassen in verplaatsbare recipiënten, die op betonnen sokkels aan gebouw 17 worden opgeslagen. Ook in de bestreden beslissing wordt dit correct aangegeven ‘Verder zullen ook de gasflessen aan gebouw 17 op een hoogte van 16,15 m TAW worden opgesteld door deze op een betonnen sokkel te plaatsen’. Uit de plannen bij de aanvraag (…) blijkt verder dat die sokkels worden geplaatst op de bestaande verhardingen, en er dus geen nieuwe verhardingen daarvoor worden aangevraagd. Hieruit blijkt dat de bewering van de verzoekende partij dat er sprake is van bijkomende verharde grondinname en verlies aan overstromingsruimte feitelijke grondslag mist. In alle redelijkheid kan niet worden ingezien op welke wijze er overstromingsruimte verloren zou gaan door de bij de bestreden beslissing vergunde uitbreiding van de opslag van gevaarlijke stoffen. Minstens maakt de verzoekende partij in haar betoog niet aannemelijk dat het waterbergend vermogen van het projectgebied bijkomend wordt aangetast door de opslag van producten in of op bestaande gebouwen en constructies. De opmerking dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de gebouwen waarin de stoffen worden opgeslagen volledig waterdicht worden afgesloten en aldus mogelijks zouden kunnen overstromen, doet aan bovenstaande geen afbreuk. Er kan dan ook niet worden aangenomen dat de verwerende partij kennelijk onredelijk oordeelde door in de bestreden beslissing geen compensatie op te leggen voor het vermeend verlies aan overstromingsruimte door de opslag VII-42.162-4/13 van gevaarlijke stoffen (in gebouwen of op bestaande verhardingen). Ook deze bewering mist feitelijke en juridische grond.”
  13. Volgens de verzoekende partij bevat dit oordeel geen motieven voor de verwerping van het middelonderdeel waarin zij had aangevoerd dat het deel van de betonnen sokkels onder het overstromingspeil overstromingsruimte inneemt zonder dat dit verlies gecompenseerd wordt. Het bestreden arrest laat volgens de verzoekende partij na om duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteen te zetten die hem ertoe brengen dit afzonderlijk middelonderdeel te verwerpen. Met de motieven “blijkt verder dat die sokkels worden geplaatst op de bestaande verhardingen, en er dus geen nieuwe verhardingen daardoor worden aangevraagd. Hieruit blijkt dat de bewering van de verzoekende partij dat er sprake is van bijkomende verharde grondinname en verlies aan overstromingsruimte feitelijke grondslag mist” aanschouwt de RvVb volgens de verzoekende partij verkeerdelijk de begrippen “verlies aan overstromingsruimte” en “verhardingen” of “verharde grondinname” als één en ondeelbare begrippen. De RvVb lijkt hiermee ook te oordelen dat enkel een verharding overstromingsruimte kan innemen, en niet de sokkels die op de verharding geplaatst worden en die zich onder het overstromingspeil bevinden, of dat alles wat bovenop een bestaande verharding komt, vrijgesteld is van een onderzoek naar verlies aan overstromingsruimte in het kader van de watertoets vervat in artikel 1.3.1.1, § 1, van het waterwetboek en artikel 2/1 van het watertoetsbesluit. Een verharding staat echter los van “overstromingsruimte” als onderdeel van het begrip “ruimte voor watersysteem”. Uit de motivering van het bestreden arrest zou aldus niet blijken dat de door de diverse argumenten van partijen gestaafde middelen zijn onderzocht. Het arrest zou aldus niet regelmatig met redenen zijn omkleed, in strijd met artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC. VII-42.162-5/13 Volgens de verzoekende partij oordeelt de RvVb zonder concrete en objectieve aanwijzingen dat bovenop een bestaande verharding er geen sprake zou kunnen zijn van een verlies aan overstromingsruimte, en schendt hij hierdoor artikel 1.3.1.1, § 1, eerste lid, van het waterwetboek en artikel 2/1, § 1, van het watertoetsbesluit, aangezien hij niet correct heeft nagegaan of de verwerende partij heeft nagegaan of er (o.a.) met het vergunnen van de plaatsing van sokkels voldaan is aan de vereisten van het waterwetboek en het watertoetsbesluit. Ook de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet worden volgens de verzoekende partij geschonden door het bestreden arrest dat ter verwerping van het aangevoerde middelonderdeel aanneemt dat sokkels op bestaande verhardingen geen overstromingsruimte of ruimte voor het watersysteem kunnen innemen, door te oordelen “blijkt verder dat die sokkels worden geplaatst op de bestaande verhardingen, en er dus geen nieuwe verhardingen daardoor worden aangevraagd. Hieruit blijkt dat de bewering van de verzoekende partij dat er sprake is van bijkomende verharde grondinname en verlies aan overstromingsruimte feitelijke grondslag mist.” Met deze overwegingen laat het bestreden arrest volgens de verzoekende partij het middelonderdeel waarin werd aangevoerd dat niet nagegaan werd of en hoeveel overstromingsruimte de sokkels, staanders en steunen innemen onder 16,15 m TAW, onbeantwoord. Het bestreden arrest zou derhalve niet regelmatig met redenen zijn omkleed in de zin van artikel 149 van de Grondwet. Hierdoor zou het arrest ook de artikelen 32 en 35 DBRC schenden doordat het voorbijgaat aan de argumentatie van de verzoekende partij die stilstaat bij het concrete verlies aan overstromingsruimte door vergunde structuren onder het overstromingspeil, en aldus geen motieven bevat voor de verwerping van dat middelonderdeel. Door dit alles zou de RvVb ook artikel 7bis van de Grondwet hebben geschonden, doordat hij, als onderdeel van de Vlaamse Gemeenschap en VII-42.162-6/13 het Vlaamse Gewest, de doelstellingen van een duurzame ontwikkeling in haar milieugebonden aspecten niet heeft nagestreefd, en minstens doordat hij niet is nagegaan of het bestreden besluit getuigt van dit streven door de deputatie.
  14. Vervolgens voert de verzoekende partij aan dat de RvVb met de hoger aangehaalde motieven nalaat duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteen te zetten die hem ertoe brengen het afzonderlijk middelonderdeel te verwerpen waarin de verzoekende partij heeft aangevoerd dat uit niets blijkt dat de bestaande gebouwen waterdicht zijn afgesloten. Evenmin heeft de RvVb volgens de verzoekende partij nagegaan of de vergunningverlenende overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, deze correct heeft beoordeeld en op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen. Het al dan niet waterdicht zijn van een gebouw is volgens de verzoekende partij een cruciaal aspect om te kunnen nagaan of er een schadelijk effect op het watersysteem kan zijn. Door dit aspect onbesproken te laten wordt volgens de verzoekende partij artikel 149 van de Grondwet, alsook de artikelen 32 en 35 DBRC, geschonden. Met het oordeel “Minstens maakt de verzoekende partij in haar betoog niet aannemelijk dat het waterbergend vermogen van het projectgebied bijkomend wordt aangetast door de opslag van producten in of op bestaande gebouwen en constructies. De opmerking dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de gebouwen waarin de stoffen worden opgeslagen volledig waterdicht worden afgesloten en aldus mogelijks zouden kunnen overstromen, doet aan bovenstaande geen afbreuk” lijkt de RvVb volgens de verzoekende partij van mening te zijn dat alles wat binnen een bestaand vergund gebouw wordt vergund, vrijgesteld is van de watertoets en van een onderzoek naar enig schadelijk effect zoals de vermindering van ruimte voor het watersysteem. Hierdoor zou het bestreden arrest andermaal artikel 1.3.1.1 van het waterwetboek en artikel 2/1, § 1, van het watertoetsbesluit schenden.
  15. Ten slotte is de RvVb volgens de verzoekende partij met de hoger aangehaalde motieven verkeerdelijk ervan uitgegaan dat enkel de gevraagde VII-42.162-7/13 uitbreiding van de inrichting diende herbeoordeeld te worden, terwijl de beoordeling dient te slaan op de effecten van het vergunnen van de totaliteit van de inrichting. Met de beoordeling “In alle redelijkheid kan niet worden ingezien op welke wijze er overstromingsruimte verloren zou gaan door de bij de bestreden beslissing vergunde uitbreiding van de opslag van gevaarlijke stoffen” schendt de RvVb volgens de verzoekende partij artikel 1.3.1.1 van het waterwetboek. Beoordeling
  16. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. De RvVb is als bestuursrechter niet onderworpen aan de motiveringswet. Wel kan de Raad van State als cassatierechter nagaan of de RvVb de draagwijdte van een bepaling van de motiveringswet heeft miskend bij de beoordeling van een middel waarin de schending van die bepaling wordt aangevoerd. In haar uiteenzetting over de schending van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet maakt de verzoekende partij echter niet duidelijk hoe uit de bekritiseerde passage van het bestreden arrest een schending van de draagwijdte van die bepalingen kan worden afgeleid. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. Op grond van artikel 35, tweede lid, DBRC beslecht de RvVb alle middelen waarvan hij oordeelt dat de beoordeling nuttig kan zijn in geval van een nieuwe beslissing of andere handeling van het bestuur. De verzoekende partij maakt in haar uiteenzetting niet duidelijk hoe uit de kritiek die zij ermee in verband brengt, een schending van die bepaling kan worden afgeleid. Het middel is in VII-42.162-8/13 zoverre niet ontvankelijk.
  17. Artikel 1.3.1.1, §1, eerste lid, van het waterwetboek stelt als volgt de “watertoets” in: “De overheid die moet beslissen over een vergunning, plan of programma als vermeld in § 5, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd.” Artikel 2/1, § 1, eerste lid, van het watertoetsbesluit, legt de overheid die over een vergunning, plan of programma beslist, volgende verplichtingen op: “1° ze legt alle voorwaarden op in de vergunning of ze gelast die aanpassingen aan het plan of programma die ze in het licht van de kenmerken van het watersysteem en de aard en omvang van de vergunningsplichtige activiteit, respectievelijk het plan of programma gepast acht om het schadelijke effect te voorkomen of te beperken; 2° als dat niet mogelijk is, legt ze herstelmaatregelen op of, bij vermindering van de infiltratie van hemelwater of vermindering van ruimte voor het watersysteem, compensatiemaatregelen; 3° als het schadelijke effect niet kan worden voorkomen, noch beperkt, en ook herstel of compensatie onmogelijk zijn, weigert ze de vergunning of weigert ze goedkeuring te verlenen aan het plan of programma.” Een “schadelijk effect” in de zin van deze bepalingen is blijkens artikel 1.1.3, § 2, 18°, van het waterwetboek “ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; […]” Het vergunningverlenend bestuur beschikt over een discretionaire bevoegdheid om te beoordelen of een nadelig effect op het milieu al dan niet “betekenisvol” is en als zodanig een “schadelijk effect” uitmaakt dat door VII-42.162-9/13 de vergunning wordt veroorzaakt. De RvVb kan dan ook geen eigen watertoets in de plaats stellen van het vergunningverlenend bestuur, en vermag enkel na te gaan of de overheid de haar toegekende bevoegdheid naar behoren heeft uitgevoerd, met name of ze is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of ze deze zorgvuldig heeft beoordeeld en op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is gekomen.
  18. Ter weerlegging van de kritiek van de verzoekende partij dat de verwerende partij in het kader van de watertoets heeft nagelaten rekening te houden met het verlies aan overstromingsruimte die wordt veroorzaakt door de “sokkels, staanders en steunen” waarop gevaarlijke producten worden opgeslagen teneinde vervuilingsgevaar bij overstromingen terug te dringen, overweegt het bestreden arrest: “In alle redelijkheid kan niet worden ingezien op welke wijze er overstromingsruimte verloren zou gaan door de bij de bestreden beslissing vergunde uitbreiding van de opslag van gevaarlijke stoffen. Minstens maakt de verzoekende partij in haar betoog niet aannemelijk dat het waterbergend vermogen van het projectgebied bijkomend wordt aangetast door de opslag van producten in of op bestaande gebouwen en constructies.” Met deze overweging verantwoordt de RvVb naar recht zijn oordeel dat de verwerende partij in redelijkheid kon beslissen om geen compensatie op te leggen voor het vermeend verlies aan overstromingsruimte door de opslag van gevaarlijke stoffen (in gebouwen of op bestaande verhardingen). De aangevoerde schending van artikel 1.3.1.1 van het waterwetboek en artikel 2/1, § 1, van het watertoetsbesluit kan niet worden aangenomen.
  19. De kritiek van de verzoekende partij dat de RvVb zou geoordeeld hebben dat enkel de gevraagde uitbreiding van de inrichting diende te worden onderworpen aan de watertoets en niet de totaliteit van de inrichting, berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Met de beoordeling VII-42.162-10/13 “In alle redelijkheid kan niet worden ingezien op welke wijze er overstromingsruimte verloren zou gaan door de bij de bestreden beslissing vergunde uitbreiding van de opslag van gevaarlijke stoffen” heeft de RvVb immers geen uitspraak gedaan over de totaliteit van de inrichting, maar enkel geantwoord op de kritiek dat in de watertoets geen rekening werd gehouden met het verlies aan overstromingsruimte door de vergunde uitbreiding van de opslag van gevaarlijke stoffen. Door in de volgende zin het “waterbergend vermogen van het projectgebied” in zijn geheel te vermelden, heeft de RvVb ondubbelzinnig bevestigd dat de watertoets betrekking heeft op de totaliteit van de inrichting.
  20. In zoverre de verzoekende partij met de aangevoerde schending van artikel 1.3.1.1 van het waterwetboek en artikel 2/1, § 1, van het watertoetsbesluit de Raad van State uitnodigt om opnieuw te onderzoeken of de verwerende partij het eventuele verlies aan overstromingsruimte of de eventuele aantasting van het waterbergend vermogen van het projectgebied op een correcte wijze heeft beoordeeld, vraagt zij om in de beoordeling van de zaak zelf te treden, wat de Raad van State als cassatierechter niet toegelaten is (artikel 14, § 2, RvS- wet).
  21. Artikel 7bis van de Grondwet draagt aan de federale staat, de gemeenschappen en de gewesten op om bij de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden de doelstellingen na te streven van een duurzame ontwikkeling in haar sociale, economische en milieugebonden aspecten, rekening houdend met de solidariteit tussen de generaties. De voormelde beleidsdoelstellingen bevatten geen concrete rechtsregels die rechtscolleges zoals de RvVb in acht moeten nemen bij het beoordelen van de beroepen die hen worden voorgelegd. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat het bestreden arrest afbreuk doet aan de in artikel 7bis van de Grondwet bedoelde doelstellingen, gaat zij uit van een verkeerd begrip van die bepaling, en kan haar kritiek niet leiden tot cassatie van het bestreden arrest. Verder blijkt niet dat de verzoekende partij in het tweede annulatiemiddel voor de RvVb heeft aangevoerd dat het bestreden vergunningsbesluit artikel 7bis van de Grondwet schendt, zodat de verzoekende partij deze kritiek niet voor het eerst in VII-42.162-11/13 graad van cassatie kan laten gelden.
  22. De in artikel 149 van de Grondwet en artikel 32, tweede lid, DBRC ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. Anders dan de verzoekende partij dit ziet, antwoordt het bestreden arrest met de hoger aangehaalde motieven wel degelijk op een duidelijke en ondubbelzinnig wijze op het door haar aangevoerde middelonderdeel, zodat de in dat verband aangevoerde schending van de rechterlijke motiveringsplicht feitelijke grondslag mist. Met deze motieven wordt meer in het bijzonder ook geantwoord op de argumenten van de verzoekende partij in verband met het gebrek aan onderzoek naar de inname van overstromingsruimte door de sokkels, en in verband met de waterdichte afsluiting van de gebouwen. In zoverre de verzoekende partij de schending van artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC vervolgens ook afleidt uit de omstandigheid dat het bestreden arrest bepaalde begrippen verkeerdelijk als één en ondeelbare begrippen aanschouwt, gaat zij uit van een verkeerd begrip van de rechterlijke motiveringsplicht, en is haar kritiek ongegrond.
  23. In zoverre het middel ontvankelijk is, is het ongegrond. VII-42.162-12/13 BESLISSING
  24. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  25. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op acht december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.162-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.095 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.