← België

Arrest 265096 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/12/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.096 Rolnummer: A. 239721/VII-42151 Zaak: Arrest 265096 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-18 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-15 09:54 Fiche Arrest nr 265.096 van 8 december 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 265.096 van 8 december 2025 in de zaak A. 239.721/VII-42.151 In zake : T.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sofie De Maesschalck kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN, vertegenwoordigd door de deputatie van de provincieraad Tussenkomende partij : R.H. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Beleyn en Celine Van De Velde kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 1 augustus 2023, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2223-1001 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 22 juni 2023 in de zaak 2223-RvVb-0010-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 7 september
  3. VII-42.151-1/10 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 24 oktober
  4. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 31 december 2024 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 november
  5. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, die in persoon verschijnt, advocaat Sofie De Maesschalck, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Celine Van De Velde, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). VII-42.151-2/10 III. Feiten 3.
  6. Het college van burgemeester en schepenen van Sint-Laureins verleent aan de tussenkomende partij een omgevingsvergunning voor de verandering van een rundveehouderij. 3.
  7. Op 4 augustus 2022 verwerpt de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het beroep van verzoeker hiertegen en verleent de omgevingsvergunning. 3.
  8. Het bestreden arrest verwerpt het beroep tot nietigverklaring dat verzoeker heeft ingesteld tegen de beslissing van 4 augustus
  9. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  10. Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een schriftelijke uiteenzetting in te dienen. Wanneer de auditeur concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen, kan de verzoeker luidens artikel 18 van het cassatieprocedurebesluit vragen dat de procedure wordt voortgezet, bij gebreke waaraan de afstand van het geding kan worden uitgesproken. De “laatste memorie & verzoek tot voortzetting” van verzoeker wordt slechts als procedurestuk aanvaard in zoverre hierin wordt verzocht om de procedure voort te zetten. In zoverre het stuk een schriftelijke voorbereiding vormt van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, wordt het beschouwd als een loutere inlichting. VII-42.151-3/10 V. Onderzoek van het middel tot nietigverklaring Uiteenzetting van het middel
  11. Verzoeker voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet) en artikel 5.9.2.2, § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 ‘houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne’ (hierna: Vlarem II).
  12. Verzoeker komt op tegen de beslissing van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) tot verwerping van de argumentatie die door het bestreden arrest wordt beschouwd als “tweede middel”. Hij viseert daarbij volgende motieven van het bestreden arrest: “Het blijkt dus dat de uiteenzetting van het tweede middel in het verzoekschrift grotendeels een citaat is van de bestreden beslissing, waarna [verzoeker] blijkbaar enkel beklaagt dat nergens wordt ‘gestaafd’ of er voldoende mestopslagcapaciteit aanwezig is op [M. 27] en de vraag stelt waarom dit niet wordt ‘uitgeklaard aan de hand van de milieu- en bouwvergunning van nr. 27’ […] De [RvVb] kan enkel vaststellen dat in de bestreden beslissing wordt aangegeven dat er voldoende mestopslagcapaciteit aanwezig is ‘op de andere veeteeltinrichting [M. 27]’ en dat de Motiveringswet niet verplicht tot een motivering van de motieven. In de mate [verzoeker] dus bedoelt aan te voeren dat de opslagcapaciteit van de inrichting aan [M. 27] niet ‘gestaafd’ wordt, kan het middel niet aangenomen worden. In de mate [verzoeker] bedoelt aan te voeren dat het onderzoek van de mestopslagcapaciteit niet zorgvuldig zou zijn gebeurd, moet worden vastgesteld dat [verzoeker] dit niet in het minst aannemelijk maakt. [Verzoeker] toont niet aan dat de verwerende partij, in het licht van de gegevens van het dossier, niet op een zorgvuldige wijze tot de conclusie kon komen ‘dat de mest uit de stroboxen op het adres [M. 12] (…) ofwel rechtstreeks op het land (kan) worden uitgereden tijdens de uitrijperiode ofwel naar het bedrijf [M. 27] (kan) worden overgebracht’. De tussenkomende partij wijst er in dit verband op dat ze na de zitting van de provinciale omgevingsvergunningscommissie nog een overzicht bezorgde VII-42.151-4/10 van de opslagnoden en opslagcapaciteit zowel voor de site op [M. 12] als op [M. 27]. […] De bedenking van [verzoeker] dat opslag op een kopakker van mest afkomstig van zieke dieren in quarantaine die mogelijks infecties dragen of verspreiden niet erg voorzichtig en veilig lijkt, kan niet beschouwd worden als een (ontvankelijk) middel. […] In de wederantwoordnota stelt [verzoeker] nog dat er op [M. 27] een vergunde mestopslag zou zijn van 500 m³ en dat een mestopslag van 140 m³ omwille van de ligging (op de grens met het aangrenzend perceel en met mestoverloop in de aanpalende gracht) niet vergund is. Er is volgens [verzoeker] op [M. 27] onvoldoende vergunde mestcapaciteit om te voldoen aan de bepalingen zoals beschreven in artikel 5.9.2.2 § 5 VLAREM II. Deze dupliek geeft een andere wending aan het tweede middel. Nieuwe kritiek die voor het eerst wordt aangevoerd in de wederantwoordnota kan niet beschouwd worden als een ontvankelijk middel. […] Ook voor het tweede middel is de conclusie dat, nog daargelaten de vraag of de tussenkomende partij kan gevolgd worden in één of meerdere excepties over de ontvankelijkheid van het middel, het middel niet succesvol uiteenzet/aantoont dat de beoordeling over de vaste mest in de bestreden beslissing ondeugdelijk is.”
  13. Verzoeker brengt hiertegen in dat de RvVb met het motief “De [RvVb] kan enkel vaststellen dat in de bestreden beslissing wordt aangegeven dat er voldoende mestopslagcapaciteit aanwezig is ‘op de andere veeteeltinrichting [M. 27]’ en dat de Motiveringswet niet verplicht tot een motivering van de motieven. In de mate [verzoeker] dus bedoelt aan te voeren dat de opslagcapaciteit van de inrichting aan [M. 27] niet ‘gestaafd’ wordt, kan het middel niet worden aangenomen.” niet geheel kritisch is over de stijlformule die door de verwerende partij werd gehanteerd in het bestreden vergunningsbesluit dat er “op de andere veeteeltinrichting [M.27]” voldoende mestopslagcapaciteit zou aanwezig zijn. Dit is volgens verzoeker op zijn minst opmerkelijk gelet op de eerdere vernietigingsarresten van de RvVb omtrent het veeteeltbedrijf nr. 27, waarbij de regularisatievergunningen van de illegale mestvaalt telkenmale werden vernietigd. Dat de RvVb meent dat de “Motiveringswet niet verplicht tot een motivering van de motieven” houdt volgens verzoeker een onwettige interpretatie in van deze VII-42.151-5/10 motiveringswet. De artikelen 2 en 3 van deze wet vereisen immers dat vergunningsbeslissingen wel afdoende motieven moeten bevatten. De RvVb heeft volgens verzoeker op een onwettige manier geoordeeld dat de loutere, niet-gemotiveerde vermelding in het bestreden besluit dat er voldoende mestopslagcapaciteit aanwezig is op de andere veeteeltinrichting gelegen aan nr. 27 een afdoende motivering is die in overeenstemming is met de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet. Vanuit geen enkel opzicht zou dit “motief” kunnen worden beschouwd als een voldoende, evenredig en draagkrachtig motief ter verantwoording van de pertinente vraag of er wel voldoende opslagcapaciteit aanwezig is op de betrokken site (nr. 12) dan wel op de andere site (nr. 27). Dit zou des te meer gelden gelet op de expliciete bezwaar- en beroepsargumenten daaromtrent van verzoeker én de voorhistoriek omtrent de onwettige mestopslag op zowel de site nr. 12 als de site nr.
  14. In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker hieraan toe dat de RvVb hierdoor ook artikel 149 van de Grondwet schendt omdat een motief dat steunt op een onvoldoend, onevenredig en niet-draagkrachtig motief gelijk kan gesteld worden met het ontbreken van een motivering. De RvVb had volgens verzoeker tot de bevinding moeten komen dat de deputatie niet op zorgvuldige noch concrete wijze had onderzocht of op die andere veeteeltinrichting nr. 27 voldoende mestopslagcapaciteit aanwezig is die voldoet aan de Vlarem II-milieuvoorwaarden. De RvVb kon volgens verzoeker niet op wettige wijze besluiten dat de zuivere stijlformule inzake de voldoende aanwezige mestopslagcapaciteit op nr. 27 een afdoende motivering betreft in de zin van artikel 3 van de motiveringswet. Ook merkt verzoeker op dat het bestreden arrest aldus tegenstrijdig is met de beoordeling van de Raad van State in het arrest nr. 256.711 VII-42.151-6/10 van 8 juni 2023, dat de milieuvergunning van de tussenkomende partij van 8 april 2021 heeft vernietigd wegens de problematiek van de voldoende mestopslag.
  15. Verzoeker voert aan dat de RvVb bovendien op onwettige wijze geen rekening houdt met de inhoud van zijn wederantwoordnota, die ten onrechte wordt gekwalificeerd als het geven van een andere wending aan het middel. Verzoeker wijst erop dat hij in zijn betoog in het inleidend verzoekschrift al de koppeling heeft gemaakt met de (onvoldoende) mestopslag op nr. 27 en de noodzaak naar zorgvuldig onderzoek daaromtrent door de verwerende partij. In de wederantwoordnota zou hij dan hierop dieper zijn ingegaan, uitsluitend als repliek op de standpunten van de verwerende partij en de tussenkomende partij. Dit betreft echter volgens verzoeker in geen geval het geven van een andere wending aan het middel. De niet-ontvankelijkheidsverklaring van dit middel(onderdeel) is volgens verzoeker in het bestreden arrest onwettig gemotiveerd. De RvVb zou onvoldoende het middel en de ernst ervan hebben onderzocht. Het is volgens verzoeker moeilijk te begrijpen dat de RvVb geen rekening heeft willen houden met het lopende annulatieberoep dat bij de Raad van State was ingesteld tegen de vergunning van 8 april 2021, en dus niet heeft gewacht op het arrest dat in die zaak werd uitgesproken. In ieder geval blijken de motieven in beide arresten tegenstrijdig te zijn. Beoordeling
  16. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. In VII-42.151-7/10 het middel wordt niet uiteengezet op welke wijze het bestreden arrest een schending zou inhouden van artikel 5.9.2.2, § 5, van Vlarem II. De uiteenzetting in de memorie van wederantwoord kan hieraan niet verhelpen. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
  17. Artikel 2 van de motiveringswet bepaalt dat de bestuurshandelingen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd. Naar luid van artikel 3 van de motiveringswet moet de opgelegde motivering de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en moet zij afdoende zijn. De bestuursrechter miskent deze bepalingen niet wanneer hij, in antwoord op de grief dat het bestuur een in het bestreden besluit gemaakte feitelijke vaststelling niet “staaft”, en op de vraag waarom die feitelijke vaststelling niet wordt “uitgeklaard” aan de hand van bepaalde gegevens, oordeelt dat het bestuur niet moet overgaan tot “een motivering van de motieven”. In zoverre is het middel ongegrond.
  18. In zoverre verzoeker in het middel aanvoert dat de motivering van het bestreden besluit niet als afdoende kan worden beschouwd in het licht van de feitelijke elementen die hij aanhaalt, gaat het om argumenten waarvan niet blijkt dat hij ze aan de RvVb heeft voorgelegd ter ondersteuning van een grief waarbij de schending van artikel 3 van de motiveringswet wordt aangevoerd, en nodigt hij bovendien de Raad van State uit om in de beoordeling van de zaak zelf te treden, wat de Raad van State als cassatierechter niet toegelaten is (artikel 14, § 2, RvS- wet). Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.
  19. De in artikel 149 van de Grondwet ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter VII-42.151-8/10 duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. Verzoeker leidt de schending van artikel 149 van de Grondwet af uit de omstandigheid dat het arrest ten onrechte oordeelt dat hij in de wederantwoordnota een andere wending heeft gegeven aan zijn middel, zodat het arrest “onwettig gemotiveerd [is]” en “onvoldoende het middel en de ernst ervan [heeft] onderzocht”. Hij gaat aldus uit van een verkeerd begrip van de rechterlijke motiveringsplicht, zodat de aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet ongegrond is. In zoverre verzoeker de schending van de rechterlijke motiveringsplicht afleidt uit de aangevoerde omstandigheid dat de inhoud van het bestreden arrest tegenstrijdig is met de inhoud van een arrest van de Raad van State, doelt hij niet op een tegenstrijdigheid in de motieven van het bestreden arrest, en is zijn kritiek dan ook vreemd aan artikel 149 van de Grondwet. In zoverre verzoeker de schending van artikel 149 van de Grondwet in de memorie van wederantwoord ook koppelt aan de kritiek dat het bestreden vergunningsbesluit niet afdoende gemotiveerd is, breidt verzoeker het cassatiemiddel op niet-ontvankelijke wijze uit.
  20. In zoverre het middel ontvankelijk, is het ongegrond. VII-42.151-9/10 BESLISSING
  21. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  22. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op acht december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.151-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.096 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.