id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.104 Rolnummer: A. 246357/XIV-39914 Zaak: Arrest 265104 - Overheidsopdrachten - 08/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-09 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-06-16 20:08 Fiche Arrest nr 265.104 van 8 december 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.104 no lien 286809 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 265.104 van 8 december 2025 in de zaak A. 246.357/XIV-39.914 In zake: de BV D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gitte Laenen en Ann-Sofie Custers kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE DIENST VOOR ARBEIDSBEMIDDELING EN BEROEPSOPLEIDING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steven Van Garsse en Koen De Metsenaere kantoor houdend te 2600 Antwerpen Prins Boudewijnlaan 18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 11 november 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van : 1.1. de beslissing van 24 oktober 2025 van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (hierna: VDAB) waarbij de overheidsopdracht ‘Outplacement in kader van het Sociaal Interventiefonds (SIF 5)’ wordt gegund aan : Perceel Gegunde inschrijver(
- s)SIF5_ANT S. bvba SIF5_MK H. bv SIF5_LIM R. SIF5_LEU H. bv SIF5_HV T. bv SIF5_BOW T. bv SIF5_ZWV R. XIV-39.914-1/34 SIF5_GER [de verzoekende partij] SIF5_WDZ S. bvba SIF5_VLA Voor het Vlaams perceel zullen de H bv deelopdrachten via een minicompetitie R verlopen S. bvba T. bv evenals, 1.2. de (impliciete) beslissing tot niet-gunning van de percelen (1.) SIF5_BOW, (2.) SIF5_ZWV, (3.) SIF5_WDZ en (4.) SIF5_VLA aan de verzoekende partij. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 13 november 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 december 2025, om 14.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ann-Sofie Custers, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Koen De Metsenaere, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. XIV-39.914-2/34 III. Feiten 3.1. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor diensten uit met als voorwerp het sluiten van een raamovereenkomst voor ‘Outplacementbegeleiding in het kader van het Sociaal Interventiefonds (SIF5), inclusief bemiddeling naar werk’. Als plaatsingsprocedure wordt gekozen voor een vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking op basis van artikel 41 iuncto artikel 89, §1, eerste lid, 1°, van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet van 17 juni 2016). 3.2. De opdracht wordt nationaal en Europees bekendgemaakt. 3.3. De opdracht wordt in punt 1.1 ‘Algemene situering en doelstelling van de opdracht’ van het bestek met referentie 2025_50229 als volgt gesitueerd: “Algemene situering en doelstelling van de opdracht: De voorliggende opdracht is uitgeschreven in uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 ‘ tot uitvoering van artikel 5, § 1, 2°, e), van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding’, dat de activiteiten die kunnen bijdragen tot herplaatsing van werknemers en de daarmee gelijkgestelde personen regelt. Via deze opdracht wenst VDAB de outplacementbureaus aan te duiden die verantwoordelijk zullen zijn voor het uitvoeren van de outplacementbegeleiding in kader van het Sociaal Interventiefonds (SIF). De opdracht bestaat uit: * De uitvoering van de outplacementbegeleiding, inclusief de bemiddeling naar werk. * Het faciliteren van opleiding en de certificering van verworven competenties nodig voor het behoud en de versterking van de inzetbaarheid van de deelnemers op de arbeidsmarkt. * Begeleiden en opleiden van de deelnemer in het gebruik van zijn VDAB klantendossier (voorheen Mijn Loopbaan genoemd) en VDAB website. Voor alle percelen is de doelstelling van de opdracht het herplaatsen van de getroffen werknemers en de daarmee gelijkgestelde personen op de arbeidsmarkt. Een gedetailleerde beschrijving van de opdracht, kan u terugvinden in punt 1.4 inhoud en verloop van het outplacement”. XIV-39.914-3/34 Samengevat, komt het erop neer dat er dienstverleners worden gezocht die outplacementbegeleiding voorzien in het kader van het Sociaal Interventiefonds (SIF). Het SIF is een fonds binnen de VDAB dat instaat voor de financiering van de outplacementkosten voor werknemers die ontslagen worden in het geval de werkgever niet over de nodige financiële middelen beschikt om een ontslagbegeleiding te financieren. De outplacementbegeleiding betreft “het geheel van begeleidende diensten en adviezen die in opdracht van de werkgever in herstructurering of van een onderneming die het voorwerp uitmaakt van een sluiting, door een derde individueel of in groep worden verleend om een werknemer in staat te stellen zelf binnen een zo kort mogelijke termijn een betrekking bij een nieuwe werkgever te vinden of een beroepsactiviteit als zelfstandige te ontplooien” (art. 1, 5°, van het besluit van de Vlaamse regering van 18 maart 2011 ‘tot uitvoering van artikel 5, § 1, 2°, e), van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding’. 3.4. Uit de nadere omschrijving van het voorwerp van de opdracht (punt 2.2 van het bestek) blijkt dat het een raamovereenkomst betreft gesloten met een opdrachtnemer per perceel voor volgende percelen: SIF5_ANT, SIF5_MK, SIF5_LIM, SIF5_LEU, SIF5_HV, SIF5_BOW, SIF5_ZWV, SIF5_GER, SIF5_WDZ en met meerdere opdrachtnemers voor perceel SIF5_VLA voor een maximale looptijd van vier jaar. Een gedetailleerde omschrijving van de opdracht is opgenomen in het bestek waaronder : (
- i)een beschrijving van de doelgroep (punt 1.2 van het bestek), (
- ii)de percelen, met inbegrip van “indicatieve historische cijfers” (punt 1.3 van het bestek) en (iii) de inhoud en het verloop van de opdracht, vanaf de start, over de eigenlijke bemiddelingsopdracht naar duurzaam werk, de nazorg, tot het einde van de outplacementbegeleiding (punt 1.4 van het bestek). Wat de “indicatieve historische cijfers” betreft, wordt in het bestek gespecificeerd dat de VDAB geen specifieke voorspelling van het aantal te verwachten trajecten doet. Het werkelijke aantal trajecten zal variëren afhankelijk van de economische situatie. XIV-39.914-4/34 Wat de inhoud en het verloop van de opdracht betreft bepaalt het bestek dat de outplacementbegeleiding minimaal volgende diensten bevat: De invulling van de outplacementbegeleiding vertrekt vanuit een ‘intakegesprek’ met elke deelnemer. Tijdens dat gesprek worden onder meer de afgesproken acties vastgelegd in een eerste afsprakenbundel. De opdrachtnemer en de deelnemer ondertekenen de eerste afsprakenbundel en ontvangen elk een exemplaar, of de deelnemer werkt de door de opdrachtnemer gegeven opdracht ‘bevestig de opstart van de bemiddeling bij de partner van VDAB’ af. 3.5. De opdracht is opgedeeld in tien percelen, meer bepaald negen regionaal afgebakende percelen en één Vlaams perceel (punt 1.3.1. van het bestek): Perceelcode Regio-omschrijving Aantal getroffen werknemers per faillissement 1 SIF5_ANT Antwerpen 2 SIF5_MK Mechelen-Kempen 3 SIF5_LIM Limburg 4 SIF5_LEU Leuven 5 SIF5_HV Halle-Vilvoorde 6 SIF5_BOW Brugge 200 getroffenen XIV-39.914-5/34 3.6. Onder punt 2.3 ‘Inschrijven voor en toewijzen van de percelen’ van het bestek liggen de regels desbetreffend vervat. Samengevat, blijkt dat de opdrachten worden toegewezen op basis van het aantal getroffen werknemers werkzaam op de vestigingsplaatsen van het bedrijf volgens de in het bestek beschreven toewijzingsregels, die hierna worden samengevat. Wat de regionale percelen (perceel 1 tot 9) betreft, wil VDAB de opdracht over meerdere uitvoerders spreiden om de mededinging op lange termijn te waarborgen. Een organisatie die in de uitvoering als (co-)aannemer optreedt, kan daarom “maximaal twee regionale afgebakende percelen met minder dan 200 getroffen werknemers op het moment van faling gegund krijgen. De inschrijver kiest zelf voor hoeveel percelen hij inschrijft, maar vermeldt een voorkeursvolgorde. De dienstverlener geeft in zijn offerte de voorkeursvolgorde op voor de toe te wijzen percelen waarop hij inschrijft”. VDAB wijst de percelen toe “volgens de rangschikking van de offertes per perceel, rekening houdend met de voorkeursvolgorde en draagkracht van de inschrijvers en met de beperking van het aantal percelen” (punt 2.3 van het bestek). Voor het Vlaams perceel (perceel 10) “met minstens 200 getroffen werknemers op het moment van faling, wordt de opdracht gegund aan maximaal 4 dienstverleners. De deelopdracht(
- en)voor het Vlaams perceel zal vervolgens toegewezen worden op basis van een mini-competitie. Afhankelijk van de locatie en het aantal getroffen werknemers kan VDAB beslissen om de deelopdracht toe te wijzen aan meerdere dienstverleners om zo de kwaliteit van de dienstverlening te blijven garanderen” (punt 2.3 van het bestek). 3.7. Naast de klassieke uitsluitingsgronden (punt 2.9.1. ‘Uitsluitingsgronden’), dienen de inschrijvers hun ervaring, deskundigheid en draagkracht in functie van de uit te voeren opdracht aan te tonen voor wat betreft outplacementbegeleiding. Wat de bewijsmiddelen voor de selectiecriteria betreft meldt het bestek (2.9.2. ‘Selectiecriteria ’) wat volgt: XIV-39.914-6/34 “Bewijsmiddelen: - maximaal drie referenties van gelijkaardige opdrachten die hij in de laatste drie jaar voorafgaand aan de uiterste indieningsdatum van deze offerte heeft uitgevoerd, in opdracht van de overheid of privaatrechtelijke entiteiten. Eén referentieopdracht hoeft niet per dossier te zijn. Bijvoorbeeld, als je meerdere gelijkaardige herstructureringen, faillissementen of individueel outplacement in één jaar hebt gedaan, mag je die samen als één referentie vermelden. De referentieopdracht beschrijft: • het voorwerp van de opdracht: outplacementbegeleiding betreft i.h.k.v.: Het activerend beleid bij herstructureringen (art. 31 e.v. Wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact en Koninklijk besluit van 9 maart 2006 betreffende het activerend beleid bij herstructureringen) of Het Sociaal Interventiefonds (art. 5, § 1, 2°,
- e)Decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " en Besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 2°, e), van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding). of Individueel outplacement (enkel voor wat betreft voor de percelen met minder dan 200 getroffen werknemers mogelijk). • de beoogde doelgroep • de omvang van de opdracht: Voor de percelen 200 werknemers: referenties waarbij inschrijver op jaarbasis minimaal het aantal getroffen werknemers begeleid heeft > 200 werknemers Indien het aangetoonde volume niet volstaat voor alle gunbare percelen waarvoor de inschrijver heeft ingediend, kan VDAB het aantal gunbare percelen voor de inschrijver bijkomend beperken tot het aantal percelen waarvoor de inschrijver de draagkracht heeft aangetoond. De inschrijver kan zich, overeenkomstig artikel 78 van WOO, beroepen op de technische bekwaamheid van (een) onderaannemer(
- s)in het kader van selectie. Als een inschrijver zelf over onvoldoende ervaring, deskundigheid of draagkracht beschikt, kan hij hiervoor een onderaannemer in het kader van selectie inzetten, en voegt hij een onderaannemingsverklaring selectie toe aan de offerte. Die onderaannemer moet ook betrokken zijn bij de uitvoering van de opdracht voor het onderdeel waarvoor de inschrijver een beroep doet op zijn draagkracht”. 3.8. Het bestek voorziet, samengevat, per outplacementbegeleiding in een (vaste) gemiddelde vergoeding van 2035,00 euro per deelnemer (vrijgesteld XIV-39.914-7/34 van btw ingevolge de toepasselijke fiscale regelgeving), uitgaande van een outplacementbegeleiding van zes maanden inclusief resultaatsvergoeding, die kan worden beschouwd als een werkbonus (punt 2.7.1. ‘Prijsbepaling’). Bovenstaande vergoedingen zijn all-in-vergoedingen. De gemiddelde vergoeding moet bijgevolg alle kosten inherent aan de opdracht dekken. Er kunnen in het kader van deze opdracht geen bijkomende kosten worden gefactureerd. Vermits de prijzen vastliggen geldt de ‘Prijs’ niet als gunningscriterium. Wat de inhoudelijke beoordeling van de offerte betreft, geldt er overeenkomstig het bestek (punt 2.10.1) slechts één gunningscriterium, namelijk ‘Technische waarde’ (100%), onderverdeeld in vijf subgunningscriteria: (1.) Outplacementbegeleiding, inclusief bemiddeling naar werk, (2.) Begeleiding op maat van de klant, (3.) Begeleiding op maat van het dossier, (4.) Duurzame tewerkstelling, (5.) Kwaliteit van de dienstverlening. Het bestek bepaalt ter zake wat volgt: “G.1 Criterium ‘Technische waarde’ VDAB beoordeelt het gunningscriterium technische waarde op basis van de elementen die de inschrijver in het offerteformulier deel 2 aanreikt als antwoord op de subgunningscriteria. Vragen die onvoldoende of niet beantwoord worden, krijgen een waardering nihil en leiden tot een 0-score (relatieve onregelmatigheid) of een mogelijke uitsluiting (substantiële onregelmatigheid). Het totaal van maximaal 80 pagina’s van de offerte mag niet overschreden worden in de initiële offerte. Als het totaal aantal pagina's toch overschreden wordt, kan de offerte onregelmatig verklaard worden. Tabel : gunningscriterium technische waarde ‘Technische waarde’ 100 Kwaliteit, deskundigheid en projectbeheer punten Aanpak en methodiek, G1.1 Outplacementbegeleiding, inclusief bemiddeling naar 40 werk punten De inschrijver geeft een schematische weergave van een basistraject (inclusief informatiesessie en nazorg) met een tijdslijn, om te illustreren hoe de dienstverlening er voor de klant uitziet (conform titel 1.4 Inhoud en verloop van de opdracht). Dit basistraject is het programma dat wordt XIV-39.914-8/34 aangeboden aan een deelnemer die gedurende 6 maanden outplacementbegeleiding geen werk heeft gevonden. Het schema toont de verschillende stappen en activiteiten, de (frequentie van
- de)contactmomenten met de klant en de contactvormen. De inschrijver geeft een toelichting bij het schema, waarin de volgende punten worden verduidelijkt: ● De concrete inhoud van de verschillende stappen en onderdelen. ● De criteria en het moment waarop wordt gekozen voor een individuele of collectieve aanpak, en hoe binnen de groepsbegeleiding voldoende aandacht wordt besteed aan het individu en diens doelstellingen. ● De wijze waarop een evenwichtige mix van digitale en persoonlijke (face-to-face) begeleiding wordt gewaarborgd, rekening houdend met de mogelijkheden van de klant. ● De toegepaste instrumenten en werkvormen, inclusief een motivering van de methodologische keuzes. ● Welke innovatieve methoden, tools of technologieën u inzet om de outplacementbegeleiding te verbeteren ● Het beoogde resultaat van de verschillende stappen in het traject. ● De wijze waarop het evenwicht wordt bewaard tussen enerzijds het opbouwen van een vertrouwensband en ondersteunend werken, en anderzijds het consequent bemiddelen. ● Hoe u op de hoogte blijft van de laatste ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en deze integreert in uw aanpak Daarnaast beschrijft de indiener hoe de administratieve registraties en concrete opdrachten uit het VDAB- klantendossier efficiënt worden geïntegreerd in de werking, zodat dit geen extra belasting vormt voor de coaches. G.1.2 Begeleiding op maat van de klant 15 De inschrijver beschrijft hoe het basisaanbod wordt punten gediversifieerd in functie van de individuele noden van de deelnemer en hoe dit wordt bewaakt en bijgestuurd gedurende de volledige begeleiding. In het antwoord worden minstens de volgende elementen verwerkt: ● De wijze waarop het aanbod toegankelijk wordt gemaakt voor deelnemers met een beperkte kennis van het Nederlands en/of deelnemers met een lage digitale geletterdheid. ● De wijze waarop het aanbod wordt afgestemd op de verscheidenheid van de doelgroep, rekening houdend met factoren zoals culturele achtergrond, opleidingsniveau, eerdere werkervaring en eventuele fysieke of mentale beperkingen. ● Hoe men omgaat met rouwverwerking rond het faillissement en hoe men de balans bewaart tussen het mentale aspect en het zoeken naar werk. G.1.3 Begeleiding op maat van het dossier 15 punten XIV-39.914-9/34 Beschrijf hoe uw organisatie haar werking aanpast en differentieert om een consistente en kwalitatief hoogwaardige dienstverlening te garanderen, ongeacht de omvang van het faillissement en de diversiteit van de betrokken doelgroepen. Specifiek, licht toe: ● Hoe uw organisatie de specifieke behoeften van verschillende doelgroepen identificeert en analyseert (bijvoorbeeld: werknemers van een kleine lokale winkel versus werknemers van een groot bedrijf). ● Hoe u de continuïteit en kwaliteit van uw dienstverlening waarborgt bij grote, complexe faillissementen met een grote toestroom aan deelnemers. ● Hoe uw organisatie de flexibiliteit en schaalbaarheid van haar diensten garandeert Indien uw indiening zowel betrekking heeft op het Vlaamse perceel met minstens 200 getroffen werknemers als op een perceel met minder dan 200 getroffen werknemers, gelieve dit in deze gunningsvraag te specificeren. G.1.4 Duurzame tewerkstelling 10 Beschrijf uw strategie voor het opbouwen en onderhouden punten van effectieve partnerschappen met werkgevers, sectororganisaties en andere relevante stakeholders. Hoe creëert u kansen voor deelnemers door deze netwerken te benutten? Geef voorbeelden van succesvolle samenwerkingsverbanden die hebben geleid tot duurzame plaatsingen van deelnemers. G.1.5 Kwaliteit van de dienstverlening 20 Beschrijf hoe je de kwaliteit van de dienstverlening zal punten bewaken m.b.t. alle medewerkers en het project. Beschrijf telkens hoe je dit vertaalt naar concrete acties specifiek voor deze opdracht. Als je samenwerkt met co- of onderaannemers, beschrijf dan ook telkens hoe de kwaliteit van de dienstverlening wordt verzekerd binnen het partnerschap. Elementen die we verduidelijkt willen zien in het antwoord: Met betrekking tot de medewerkers: ● Hoe zorg je er concreet voor dat de ingezette medewerkers over de vereiste vaardigheden beschikken, zowel bij aanvang als in de loop van de opdracht? ● Op welke manier en hoe frequent volg je de medewerkers tijdens de opdracht op en hoe coach en/of stuur je hen bij in functie van het bereiken van de doelstellingen? Met betrekking tot het project: Hoe zorg je ervoor dat je de opdracht doorlopend kwaliteitsvol kan blijven uitvoeren? ● Op communicatieniveau: ○ Hoe zorg je er concreet voor dat de ingezette medewerkers het kader van deze opdracht kennen en weten hoe ze deze moeten uitvoeren? XIV-39.914-10/34 ○ Hoe zorg je er voor dat er efficiënt naar en tussen alle betrokkenen wordt gecommuniceerd? ● Hoe speel je adequaat in op onvoorziene uitdagingen (bv. personeelsuitval, plotse niet-essentiële wijzigingen in de opdracht, …)? ● Licht toe hoe je de volgende elementen monitort, evalueert en indien nodig bijstuurt: ○ de dienstverlening aan de deelnemers; ○ de resultaten van de dienstverlening; ○ de opvolging van de deelnemer in functie van zijn beschikbaarheid en verplichtingen (actief en consequent bemiddelen); ○ de deelnemersdossiers en registraties (inclusief de archiveringsverplichtingen). Beschrijf hoe je de resultaten van deze opvolging opneemt om tekorten weg te werken en resultaten te verbeteren. Volgens punt 2.11 ‘Toewijzing van de opdracht’ van het bestek neemt VDAB de definitieve offertes die minder dan 60% halen voor de ‘Technische waarde’ niet op in de berekening van de eindscores en de rangschikking per perceel. 3.9. De beoordelingsmethodiek die zoals blijkt uit het administratief dossier is opgesteld voor de opening van de offertes, strekt ertoe om bij elk subgunningscriterium een waardering aan de offerte toe te kennen. Deze methodiek is de volgende: XIV-39.914-11/34 3.10. De uiterste datum voor indiening van de offertes werd bepaald op 3 juni 2025 om 09:00 uur. Er werden dertien offertes ingediend waarbij meerdere indieners hebben ingediend voor meerdere percelen. XIV-39.914-12/34 De verzoekende partij schrijft in voor vijf percelen met de volgende voorkeursvolgorde: 1) SIF5_GER, 2.) SIF5_ZWV, 3) SIF5_VLA, 4) SIF5_BOW en 5) SIF5_WDZ. 3.11. Er werden aan enkele inschrijvers waaronder de verzoekende partij, vragen tot verduidelijking gesteld die werden beantwoord. 3.12. Uit het gunningsverslag van 24 oktober 2025 blijkt dat de inschrijvers werden onderzocht zowel op vlak van de uitsluitingsgronden, als op vlak van de selectie en dat de offertes werden onderzocht op het vlak van hun regelmatigheid, evenals op het vlak van het gunningscriterium ‘Technisch waarde’ aan de hand van de hogervermelde beoordelingsmethodiek. Vier offertes werden geweerd (namelijk deze van de vzw V.O., de nv A., de nv D. en de CommV C.) omdat de inschrijvers niet of onvoldoende aantonen dat aan de selectiecriteria is voldaan om een
(1)perceel toegewezen te krijgen. Met de resterende negen inschrijvers waaronder de verzoekende partij, werden onderhandelingen gevoerd. In het kader van die onderhandelingen werden verbeterde offertes en BAFO’s ingediend. 3.
- Naar aanleiding van het regelmatigheidsonderzoek van de offertes zijn geen onregelmatigheden vastgesteld. De verwerende partij rangschikt de regelmatige offertes per perceel op basis van het totaal aantal punten op het gunningscriterium ‘Technische waarde’. Hiervan wordt per perceel een overzicht met de scores op het gunningscriterium van de ‘Technische waarde’ in het gunningsverslag opgenomen. Aangezien drie offertes (namelijk van de nv Ag, de bv A. en de nv S.) minder dan 60 % halen op de ‘Technische waarde’ werden deze niet opgenomen in de berekening van de eindscores en in de definitieve rangschikking per perceel. XIV-39.914-13/34 De regelmatige offertes worden in het gunningsverslag gerangschikt op basis van de economisch meest voordelige offerte voor het betreffende perceel, dit wil zeggen dat degene die het best scoort op basis van het totaal aantal punten voor het gunningscriterium ‘Technische waarde’, als eerste wordt gerangschikt. Bij het gunningsverslag is tevens een document ‘Gemotiveerde beoordeling subgunningscriteria Technische waarde’ gevoegd waarin de onderscheiden offertes in woorden worden beoordeeld. Inschrijvers met gelijkwaardige offertes worden gesorteerd op alfabetische volgorde. 3.
- Uit het verslag van nazicht blijkt dat voor de toewijzing van de percelen niet enkel rekening wordt gehouden met de rangschikking van de offertes per perceel, maar ook met het maximum aantal toe te wijzen percelen per inschrijver, de door de inschrijver opgegeven voorkeursvolgorde en de aangetoonde draagkracht (cfr. supra punt 3.7). Luidens het bestek kan een opdrachtnemer in totaal maximum 3 percelen gegund krijgen. Voor het Vlaams perceel kunnen er maximum 4 inschrijvers gegund worden (cfr. supra punt 3.6). Het door de verzoekende partij aangetoonde volume volstaat niet voor alle gunbare percelen waarvoor zij gunstig is gerangschikt is. De verzoekende partij heeft volgens het gunningsverslag slechts draagkracht aangetoond voor een
(1)perceel waardoor VDAB het aantal gunbare percelen voor de verzoekende partij beperkt tot 1 perceel. 3.15. Op basis van het voorstel tot gunning in het gunningsverslag beslist de verwerende partij de opdracht op 24 oktober 2025 te gunnen aan de gekozen inschrijvers waaronder de verzoekende partij, zoals hierna wordt weergegeven (zie ook supra onder punt 1): Perceel Gegunde inschrijver(
- s)SIF5_ANT S. bvba SIF5_MK H. bv SIF5_LIM R. SIF5_LEU H. bv SIF5_HV T. bv XIV-39.914-14/34 SIF5_BOW T. bv SIF5_ZWV R. SIF5_GER [de verzoekende partij] SIF5_WDZ S. bvba SIF5_VLA Voor het Vlaams perceel H bv zullen de deelopdrachten via een R minicompetitie verlopen S. bvba T. bv Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.16. Met een e-mail en een aangetekende schrijven van 24 oktober 2025 worden de inschrijvers van de gemotiveerde gunningsbeslissing waarbij het verslag van nazicht als bijlage is gevoegd, in kennis gesteld. IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken 4. De verzoekende partij en de verwerende partij vragen om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door hen neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduiden en waarbij zij de redenen opgeven waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vragen. Er zijn geen gronden aangevoerd door de partijen om het aangevoerde vertrouwelijk karakter ervan, althans in deze fase van het geding, te lichten. De Raad van State mag overigens deze stukken in zijn beoordeling betrekken. V. Ontvankelijkheid van de vordering 5. De verwerende partij werpt een exceptie van niet- ontvankelijkheid van de vordering op in zoverre deze is gericht tegen de impliciete beslissingen tot niet-gunning van de percelen SIF5_BOW, SIF5_ZWV, SIF5_WDZ en SIF5_VLA aan de verzoekende partij. Volgens de verwerende partij wordt deze vordering niet verder onderbouwd. De verzoekende partij laat na immers na aannemelijk te maken dat deze opdracht in alle omstandigheden aan haar had moeten worden gegund. Voorts, bekritiseert de verzoekende partij met haar middelen in wezen de selectie en het bestek i.h.b. het gunningscriterium. XIV-39.914-15/34 Indien (een van
- de)de middelen ernstig zou worden beoordeeld, zou dit betekenen dat de selectie er mogelijk anders uit zou zien, maar fundamenteler nog dat de opdracht aan niemand kan worden gegund, ook niet aan verzoekende partij. 6. Overeenkomstig de rechtspraak van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, arresten nr. 222.357 en nr. 222.358 van 1 februari 2013 (ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.222.357 en ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.222.358), moet de jurisprudentiële techniek van de bijkomende vernietiging van de impliciete weigering om een opdracht aan een verzoekende partij te gunnen, voor uitzonderlijke gevallen voorbehouden blijven. Het is daarbij vereist dat de verzoekende partij aantoont dat er uitzonderlijke omstandigheden zijn die wijzen op een rechtsplicht in hoofde van de aanbestedende overheid om de opdracht aan haar te gunnen. De verzoekende partij maakt te dezen geenszins aannemelijk – en al zeker niet met de in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid vereiste mate van prima facie ernst – dat zulke uitzonderlijke omstandigheden voorhanden zijn. Meer nog, de Raad van State leest in haar verzoekschrift zelfs geen poging daartoe, veeleer integendeel lijkt zij dergelijke uitzonderlijke omstandigheden te weerspreken waar zij stelt dat wanneer een of meerdere van de door haar aangevoerde grieven “succesvol zou[den]zijn, dan is de plaatsingsprocedure gebrekkig gevoerd en zal [de verwerende partij] moeten overgaan tot een organisatie van een nieuwe overheidsopdracht, in het kader waarvan [de verzoekende partij] opnieuw een offerte kan indienen en kans maakt op de opdracht” 7. De exceptie is gegrond. De eerste bestreden beslissing wordt derhalve hierna aangeduid als de bestreden beslissing. XIV-39.914-16/34 VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 8. Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. VII. Onderzoek van de middelen Vooraf 9. Artikel 2, § 1, tweede tot vierde lid, van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) is op grond van artikel 8, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: het koninklijk besluit van 19 november 2024) – dat immers verwijst naar artikel 4, § 1, tweede lid, van dat besluit – van toepassing op een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid waarin, zoals te dezen, nog geen verzoekschrift tot nietigverklaring is ingediend. De vordering moet bijgevolg een samenvatting van het middel bevatten als voor het middel een verdere uiteenzetting nodig is. De bewoording van het middel en, in voorkomend geval, de samenvatting van de grief worden alsdan, krachtens artikel 2, § 1, 4°, laatste lid, van de algemene procedureregeling, ongewijzigd overgenomen in het arrest, zoals hierna is geschied. XIV-39.914-17/34 A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 10. In het eerste middel van het verzoekschrift voert de verzoekende partij een schending aan van artikel 4 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: de wet van 17 juni 2016), van artikel 71 van diezelfde wet iuncto artikel 65 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren (hierna: koninklijk besluit van 18 april 2017), van artikel 68, §4, 1°,
- b)van datzelfde koninklijk besluit, van de artikelen 4, eerste lid, 8° en artikel 5, 9°,van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: de wet van 17 juni 2013), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: wet van 29 juli 1991), van de artikelen 8, §3 en 9, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 april 21017, evenals van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheids- en transparantiebeginsel, gelijkheidsbeginsel, proportionaliteitsbeginsel, de materiële motiveringsplicht en het patere legem quam ipse fecisti-beginsel”, “DOORDAT het selectiecriterium zoals aangekondigd onvoldoende duidelijk was, werden hierover bijzonder veel vragen gesteld op het forum; DOORDAT Verwerende Partij in de gunningsbeslissing stelt dat Verzoekende Partij slechts draagkracht aantoont voor één
(1)(regionaal/Vlaams) perceel; TERWIJL geenszins gemotiveerd wordt waarom Verzoekende Partij niet aan de vereiste draagkracht zou voldoen, niettegenstaande de eigen cijfers vanwege Verwerende Partij; EN TERWIJL Verzoekende Partij van oordeel is dat ze wél voldoet aan de vereiste draagkracht; EN TERWIJL de aanbestedende overheid niet aantoont dat ze dit gewijzigde selectiecriterium op rechtsgeldige wijze besloten heeft en bekendgemaakt heeft; EN TERWIJL het minimale niveau bij het selectiecriterium, zelfs na verduidelijking, nog steeds onduidelijk is en disproportioneel is op niveau van de onderscheiden regionale percelen; ZODAT de bestreden beslissing de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt”. De verzoekende partij vat de toelichting bij haar eerste middel in het verzoekschrift als volgt samen: XIV-39.914-18/34 “Verzoekende Partij oordeelt in het eerste middelonderdeel dat ze onterecht werd weerhouden voor slechts één
(1)perceel. Verzoekende Partij toont in die zin aan dat de beoordeling van het selectiecriterium verkeerdelijk is gebeurd door Verwerende Partij. In het tweede middelonderdeel is Verzoekende Partij van oordeel dat het selectiecriterium zoals opgenomen in het bestek strijdig is met de vigerende overheidsopdrachtenwetgeving en algemene beginselen. Bovendien werd het selectiecriterium op oneigenlijke wijze gewijzigd door middel van vraag en antwoord op het forum”. Beoordeling A.1. Eerste middelonderdeel 11. In het eerste onderdeel van het eerste middel voert de verzoekende partij in essentie aan dat de selectiefase niet deugdelijk is verlopen, nu de uitkomst daarvan was dat zij slechts voor de gunning van één perceel in aanmerking kwam qua draagkracht. Volgens de verzoekende partij voldeed zij wel degelijk aan de vereiste draagkracht om drie percelen gegund te krijgen. 12. In de nota met opmerkingen licht de verwerende partij als volgt samengevat toe hoe het betrokken selectiecriterium dient te worden uitgelegd en toegepast: ‘De inschrijvers dienden maximaal drie referenties op te geven, waarbij één referentie slaat op één jaar en waarbij de inschrijvers wel de opgestarte individuele begeleidingstrajecten uit verschillende dossiers in hetzelfde tijdvak mochten bundelen om aan het vereiste aantal getroffen medewerkers te geraken. Gelet op de beperking van het aantal te gunnen percelen aan een inschrijver, betekende dit concreet dat de inschrijvers potentieel drie percelen gegund konden krijgen. In het maximale scenario konden de inschrijvers twee regionale percelen gegund krijgen én ook samen met drie andere inschrijvers het Vlaamse perceel gegund krijgen: - Om een regionaal perceel gegund te krijgen, diende een inschrijver aan te tonen dat het op jaarbasis 199 individuele opgestarte trajecten kan begeleiden, aan de hand van een referentie (die desgevallend wel meerdere dossiers kon omvatten). - Om twee regionale percelen gegund te krijgen, diende een inschrijver aan te tonen dat het op jaarbasis aldus (199+199=) 398 individuele opgestarte trajecten kan begeleiden, aan de hand van een referentie (die desgevallend wel meerdere dossiers kon omvatten). - Om het vermelde maximale scenario gegund te krijgen (twee regionale percelen + het Vlaamse perceel), diende een inschrijver aan te tonen dat het op jaarbasis (199+199+200=) 598 individuele opgestarte trajecten kan XIV-39.914-19/34 begeleiden, aan de hand van een referentie (die desgevallend wel meerdere dossiers kon omvatten). De referentie(
- s)diende(
- n)betrekking te hebben op de voorbije drie jaar voorafgaand, anders gezegd, tot maximaal aan de uiterste indieningsdatum van de offertes.” Deze uitlegging van de opdrachtdocumenten stemt reeds op het eerste gezicht overeen met de opdrachtdocumenten (cfr. supra punten 3.5 tot 3.7) en de stukken van het administratief dossier. 13. De essentie van het eerste middelonderdeel betreft de vraag of de verzoekende partij al dan niet voldoende draagkracht heeft aangetoond in overeenstemming met de opdrachtdocumenten om meer dan één perceel gegund te krijgen. De verzoekende partij had een offerte ingediend voor vier regionale percelen én het overkoepelende Vlaamse perceel. Zij wenste dus, in het meest gunstige geval, drie percelen gegund te krijgen. Gelet daarop diende zij aan te tonen over de vereiste draagkracht te beschikken om op jaarbasis 598 opgestarte individuele trajecten te kunnen begeleiden. De offerte van de verzoekende partij werd als vertrouwelijk stuk neergelegd, waarvan de Raad van State evenwel kennis kan nemen en deze in zijn beoordeling betrekken. Het vermelden van de abstracte cijfers betreffende de selectiefase inzake haar draagkracht kan bezwaarlijk worden aangemerkt als vormend een inbreuk op haar rechtmatige zakengeheim. In elk geval heeft de verwerende partij de betrokken cijfers in de nota hernomen zodat zij het vertrouwelijk karakter daarvan binnen de huidige procedure heeft gelicht. Uit die cijfers en de stukken van het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij om te voldoen aan het betrokken selectiecriterium aan de verwerende partij een tabel heeft voorgelegd waarin zij voor de jaren 2022, 2023, 2024 en 2025 cijfers opneemt die betrekking hebben: - kolom 1: op het aantal aan haar toegewezen personen voor outplacementbegeleiding; - kolom 2 : op het aantal personen voor wie outplacementbegeleiding effectief werd opgestart; XIV-39.914-20/34 - kolom 3: op het aantal personen dat is uitgestroomd naar werk. Gelet op de inhoud van het betrokken selectiecriterium lijkt reeds op het eerste gezicht enkel kolom 2 relevant, d.i. het aantal personen voor wie in een gegeven jaar (dus op jaarbasis) effectief door de verzoekende partij outplacementbegeleiding werd opgestart. Uit het nazicht door de Raad van State blijkt dat de hoogste waarde (ingevuld in kolom 2 = klanten voor wie de dienstverlening effectief werd opgestart) 347 personen bedraagt, in het jaar 2024. In 2022 en 2023 werden 112 respectievelijk 206 begeleidingen opgestart. In 2025 zijn dat er 87. De verzoekende partij blijkt zelf in haar (vertrouwelijk neergelegde) offerte te hebben aangegeven dat zij over de nodige draagkracht beschikt om op jaarbasis 752 opgestarte individuele trajecten te kunnen begeleiden. Echter, dat laatste cijfer betreft kennelijk de optelsom van kolom 2 ‘Aantal personen opgestart in outplacementbegeleiding)’ overheen de jaren 2022-2025, dus een optelsom van het aantal opgestarte outplacementtrajecten over een periode van (op datum indienen offertes) 3,5 jaar (112 + 206 + 347 + 87 = 752). In de nota werpt de verwerende partij, terecht zo lijkt, op dat deze handelwijze geen doorgang kan vinden en niet overeenstemt met wat in de opdrachtdocumenten van de inschrijvers werd gevraagd. Zij dienden hun draagkracht op jaarbasis aan te tonen, niet overheen de drie referentiejaren samen genomen. De verwerende partij lijkt dan ook op het eerste gezicht terecht geen rekening te hebben gehouden met de in de offerte van de verzoekende partij opgegeven draagkracht van 752 trajecten. Zij blijkt integendeel rekening te hebben gehouden met het hoogste opgegeven aantal trajecten op jaarbasis, zijnde 347 individueel opgestarte trajecten, om de draagkracht van de verzoekende partij te bepalen in het kader van het betrokken selectiecriterium. Die draagkracht laat de verwerende partij toe om één perceel te gunnen aan de verzoekende partij. XIV-39.914-21/34 De drempel voor twee percelen ligt immers op 398 individuele opgestarte trajecten en de drempel voor drie percelen (waaronder het Vlaamse) op 598. Dat lijkt op het eerste gezicht, gelet op de bepalingen inzake kwalitatieve selectie in de opdrachtdocumenten en de offerte van de verzoekende partij, geen onwettige, onzorgvuldige of onredelijke handelwijze. 14. In het verzoekschrift argumenteert de verzoekende partij dat niet enkel rekening mag worden gehouden met de datum van opstart van een begeleidingstraject, maar dat naar haar oordeel volgens “de geest van het selectiecriterium” ook met de einddatum (“datum einde begeleiding”) ervan rekening moet worden gehouden. Zij voert aan de hand van die veronderstelling in het verzoekschrift een reeks nieuwe berekeningen uit met diverse begin- en einddata om een referentieperiode van één jaar te bepalen en besluit dat zij “ruimschoots” voldoet aan de draagkrachtvereiste voor de gunning van drie percelen. Hierbij dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat dit betoog en de bijgebrachte berekeningen die de verzoekende partij als vertrouwelijk stuk (stukken 9 t.e.m. 9.5.1) neerlegt, kennelijk een post factum herwerking van het referentie cijfermateriaal betreffen. De verwerende partij kon bij het nemen van de bestreden beslissing, wat de kwalitatieve selectie betreft, enkel rekening houden met de cijfers zoals voorgelegd in de offerte van de verzoekende partij. Zoals al opgemerkt zijn die cijfers op het eerste gezicht duidelijk voor een normaal zorgvuldige aanbestedende overheid. Daarbij dient nog opgemerkt dat de Raad van State reeds heeft geoordeeld dat het in beginsel in de eerste plaats aan de inschrijver toekomt om zijn offerte met vereiste zorg voldoende te stofferen en te onderbouwen, teneinde de aanbestedende overheid toe te laten om op grond van de kandidaatstelling te beoordelen of betrokkene aan de gestelde selectie-eisen voldoet. Het komt hem niet toe achteraf zijn cijfermateriaal te herwerken om de wettigheid van de bestreden beslissing te bestrijden. XIV-39.914-22/34 In de tweede plaats dient de verwerende partij bovendien op het eerste gezicht worden bijgetreden in haar argumentatie in de nota waar zij repliceert dat de uiteenzetting van de verzoekende partij in het verzoekschrift er op neer komt dat een groot aantal dossiers dubbel zou worden geteld bij het beoordelen van de draagkracht. De verwerende partij werpt op dat zij om tot een objectieve bepaling van de draagkracht van de inschrijvers te komen één welbepaald moment in de loop van een outplacementtraject als aanknopingspunt dient te kiezen, om het traject te tellen en binnen een referentieperiode in te delen. Zij heeft gekozen voor de datum van opstart van het traject als aanknopingspunt. De verwerende partij lijkt te moeten worden bijgevallen waar zij stelt dat deze keuze binnen haar beoordelingsruimte als aanbestedende overheid valt. Er zijn alleszins geen redenen om de keuze voor dat aanknopingspunt ratione temporis reeds op het eerste gezicht aan te merken als onwettig, onzorgvuldig of onredelijk. Dat een andere keuze van aanknoping mogelijk is of een andere invulling van het selectiecriterium kan worden ingebeeld, zoals de verzoekende partij beargumenteert, maakt de gekozen werkwijze op zich genomen niet onrechtmatig. Een aanbestedende overheid mag haar werkzaamheden zelf organiseren op de wijze die haar het best geschikt lijkt, binnen de perken van het overheidsopdrachtenrecht, de redelijkheid en de beginselen van behoorlijk bestuur. Er blijkt niet dat de gekozen werkwijze daarop reeds prima facie inbreuk zou maken, zodanig dat enkel nog een schorsing van de uitvoering van de bestreden beslissing als uitkomst voorligt. 15. De verzoekende partij vraagt zich af of de andere inschrijvers met dezelfde gestrengheid werden gecontroleerd en verzoekt de Raad van State om dat ambtshalve in het vertrouwelijk administratief dossier te controleren. Het komt ook hier in de eerste plaats toe aan de aanbestedende overheid om referenties te beoordelen op overeenstemming met het gevraagde in het bestek, waarbij zij beschikt over een bepaalde beoordelingsruimte, zij het met dien verstande dat zij bij die beoordeling de regels vastgesteld in de XIV-39.914-23/34 opdrachtdocumenten in acht moet nemen, evenals het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Daargelaten nog dat de verzoekende partij deze algemene “vraag tot controle” geenszins, laat staan aan de hand van enig element of een begin van bewijs, concretiseert of aannemelijk maakt, blijkt uit het nazicht van het zeer omvangrijke administratief dossier binnen het kader van de voorliggende procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, dat uit de offertes van de gekozen inschrijvers op het eerste gezicht alvast geen elementen naar voren komen die wijzen op een ongelijke behandeling van de verzoekende partij ten aanzien van deze inschrijvers op het vlak van de kwalitatieve selectie inzake het draagkrachtcriterium. Evenmin blijkt ter zake, steeds op het eerste gezicht, enige discrepantie tussen het verslag van nazicht en de ingediende offerteformulieren. 16. Tot slot, werpt de verzoekende partij in haar verzoekschrift nog op dat een “andere” – zonder verdere precisering - inschrijver de mogelijkheid kreeg onder duidelijke instructies en een langere antwoordtermijn om zijn offerte te regulariseren dan de verzoekende partij toen zij werd bevraagd. In de nota brengt de verwerende partij hier tegen in dat in zoverre de verzoekende partij verwijst naar de verzoeken om verduidelijking bij de initiële offerte (juni 2025)) beide inschrijvers een termijn van vijf werkdagen kregen en dat de betrokken inschrijver ook binnen die termijn van vijf werkdagen heeft geantwoord. Zoals de verwerende partij nog aangeeft, wat ook blijkt uit het verslag van nazicht, ging het bij die inschrijver om het regulariseren van een handtekening (eerste offerte) en dat deze daaraan binnen de vijf werkdagen heeft voldaan. Wat de door de verzoekende partij op 8 juni 2025 verschafte verduidelijking bij haar initiële offerte op een vraag van de aanbestedende overheid van 6 juni 2025 betreft (al dan niet beroep op een onderaannemer), blijkt uit de e-mail van 6 juni 2025 met verzoek tot verduidelijking dat ook zij daarvoor een termijn van vijf werkdagen kreeg, met duidelijke instructie. In zoverre het beweerde “gebrek aan duidelijkheid” verwijst naar de door de verwerende partij op 3 oktober 2025 aan de verzoekende partij gestelde vraag om verduidelijking bij haar tweede (verbeterde) offerte, wordt de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.104 XIV-39.914-24/34 verzoekende partij evenmin bijgevallen. Daar betrof het immers louter de vraag te nog te verduidelijken hoe de verzoekende partij aan het opgegeven aantal bereikte klanten
(752)kwam omdat de verwerende partij bij controle van de referenties op jaarbasis niet kon achterhalen hoe dit aantal is samengesteld zodat de verwerende partij vroeg de berekening van dit aantal te verduidelijken teneinde een beter inzicht te krijgen in de referentieperiode en de behaalde resultaten. Nog dezelfde dag verschaft de verzoekende partij prompt de verduidelijking die werd gevraagd en die de aanbestedende overheid ook in haar beoordeling heeft betrokken. Er blijkt op het eerste gezicht niet dat er hier vergelijkbare situaties ongelijk werden behandeld. Er ligt prima facie geen miskenning van het gelijkheidsbeginsel voor. 17. Het eerste middelonderdeel van het eerste middel is in zoverre niet ernstig. In de mate de verzoekende partij in dit middelonderdeel nog aanvoert dat het draagkrachtcriterium onvoldoende duidelijk was, valt deze grief samen met het tweede middelonderdeel van het eerste middel waarvan hierna zal blijken dat het evenmin ernstig is. A.2. Tweede middelonderdeel 18. In het tweede onderdeel van het eerste middel voert de verzoekende partij in essentie aan dat het selectiecriterium zoals opgenomen in het bestek strijdig is met de vigerende overheidsopdrachtenwetgeving en algemene beginselen. Volgens haar werd het selectiecriterium op oneigenlijke wijze gewijzigd door middel van vraag en antwoord op het forum op het online-platform van BOSA. Voorts is het betrokken selectiecriterium volgens de verzoekende partij onwettig omdat het, zoals zij breedvoerig in haar verzoekschrift uiteenzet, onvoldoende duidelijk zou zijn. 19. De verzoekende partij voert aan dat de verduidelijkingen die worden gegeven in de antwoorden op het forum op de vragen over het betrokken selectiecriterium een wijziging van het bestek vormen die niet werd genomen door ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.104 XIV-39.914-25/34 het daartoe bevoegde orgaan en die het voorwerp hadden moeten zijn van een formeel rechtzettingsbericht. Er is evenwel geen grond om op het eerste gezicht te besluiten dat het bestek te dezen zou zijn gewijzigd in de antwoorden op het forum. Het geven van verduidelijking bij een bestekbepaling in een antwoord op een forum, vormt op zich genomen in beginsel geen wijziging, laat staan een aanzienlijke of decisieve wijziging, van de inhoud of de draagwijdte van een bestekbepaling. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat zulks, te dezen, wel het geval zou zijn. De kwestieuze verduidelijkingen die naar aanleiding van gestelde vragen werden gegeven zijn prima facie niet meer dan een toelichting van de wijze waarop het bestek begrepen dient te worden door de inschrijvers of, zelfs, louter de bevestiging (met een ja – antwoord) dat de vraagsteller het bestek inderdaad correct leest. 20. Aldus, bij wijze van voorbeeld, op de vraag “[h]oe wordt bepaald of een referentie als voldoende relevant wordt beschouwd in het kader van de selectiecriteria voor deze opdracht? Daarnaast, is er een, richtlijn of verwachting over het minimum aantal deelnemers per referentie?”, luidt het antwoord – in lijn, zo lijkt, met het bestek (zie supra de punten 3.4 tot 3.7) – : “[d]e referentieopdracht dient te voldoen aan de voorwaarden zoals beschreven in titel 2.9.2. ‘Selectiecriteria’. Voor het aantonen van de draagkracht zal VDAB kijken of de indiener het aantal trajecten op jaarbasis, zijnde 199 trajecten voor een regionaal perceel en 200 trajecten voor het Vlaams perceel, kan aantonen op basis van zijn referentieopdrachten”. Op de vraag “ [k]lopt het dat een inschrijver om 2 regionale percelen en het Vlaamse perceel gegund te worden, moet kunnen aantonen dat hij 2 keer 199 en minstens 200 personen kan begeleiden? ”, luidt het antwoord – in lijn, zo lijkt, met het bestek (zie supra de punten 3.4 tot 3.7) – : “Ja”. Bij wijze van rechtzetting, tot slot, wordt op 22 mei 2025 nog een eerder antwoord bijgesteld als volgt. XIV-39.914-26/34 Op de vraag “ [i]n Offerteformulier deel 1 wordt gevraagd om volgende aan te tonen: De inschrijver toont zijn ervaring, deskundigheid en draagkracht aan in functie van de uit te voeren opdracht voor wat betreft outplacementbegeleiding. Tijdens de infosessie ikv deze aanbesteding werd de vraag gesteld of je als inschrijver voor 2 percelen en voor het Vlaams perceel dan moet aantonen dat je 199 + 199 + > 200 kan uitvoeren ifv draagkracht. Wijst het aan te tonen aantal op aantal werknemers getroffen in een faling, herstruct. of indiv. outplacement of aantal werknemers die de begeleiding starten? (vb. in een faling of herstructurering zijn > 200 werknemers betrokken, het aantal begeleide deelnemers ligt Voor het individueel outplacement betreft het het aantal effectief opgestarte trajecten”. Immers, zowel uit het bestek als uit het erbij gevoegde in te vullen model van offerteformulier blijkt dat voor het al dan niet behalen van de drempel (> of 21. In het bestek is voorts uitdrukkelijk bepaald dat “de antwoorden [op het forum] integraal deel uit[maken] van het bestek”, zodat het middel in die mate ook enige juridische grondslag lijkt te missen. De antwoorden worden krachtens deze bepaling immers van rechtswege geïncorporeerd in het bestek en maken op die wijze deel uit van de opdrachtdocumenten. Voor zoveel als nodig kan nog worden verwezen naar de hiervoor sub 20 weergegeven vragen en antwoorden waaruit niet blijkt – minstens overtuigt de verzoekende partij niet met de daartoe vereiste ernst in het kader van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid –, dat deze antwoorden zouden moeten worden aangezien als een bestekwijziging, noch waarom een en ander niet voldoende duidelijk zou zijn geweest. XIV-39.914-27/34 22. Er is geen grond om te besluiten, minstens niet prima facie, dat het bestek zoals de verzoekende partij beweert (decisief) zou zijn gewijzigd door een daartoe niet bevoegd orgaan, dan wel dat de verwerende partij in de gegeven omstandigheden had moeten overgaan tot het publiceren van een rechtzettingsbericht. 23. Vervolgens, in zoverre de verzoekende partij nog aanvoert dat het bestek onduidelijk was wat het betrokken selectiecriterium betreft, onder meer wat betreft de referentieperiode van de laatste drie jaar, kan zij prima facie evenmin worden bijgevallen. Zoals al opgemerkt maken de antwoorden die werden gegeven op het forum van rechtswege deel uit van het bestek en de opdrachtdocumenten, doch zelfs wanneer de bepalingen van het bestek sensu stricto naast deze antwoorden worden gelegd, lijkt de referentieperiode wel degelijk op het eerste gezicht duidelijk. Alleszins blijkt er uit de offertes niet dat het voor de overige inschrijvers onduidelijk zou zijn geweest hoe de referentieperiode van drie jaar diende te worden begrepen, wat de stelling dat het bestek op dit punt geheel obscuur zou zijn, verder zijn ernst ontneemt. Er blijkt alleszins niet, anders dan de verzoekende partij betoogt, dat te dezen de toegang van de markt tot de opdracht in enige substantiële mate werd verhinderd door een onduidelijk bestek. Ten andere werden er offertes ingediend door dertien inschrijvers, wat prima facie, gelet op de enigszins gespecialiseerde aard van de voorliggende opdracht, toch een tamelijk ruim deelnemersveld lijkt te betreffen. 24. In zoverre de verzoekende partij nog de keuze van de verwerende partij betwist om (
- i)per regionaal perceel een draagkracht van 199 opgestarte trajecten in een periode van een jaar te vereisen, (
- ii)voor het Vlaamse perceel 200 opgestarte trajecten, alsook (iii) het samentellen daarvan wanneer een offerte wordt ingediend voor meerdere percelen, – wat volgens de verzoekende partij een bijzonder zware vereiste betreft –, kan zij op het eerste gezicht evenmin in haar standpunt worden gevolgd en wel om de hierna uiteengezette redenen. XIV-39.914-28/34 De stelling dat de draagkracht per perceel louter bepaald had moeten worden op basis van de historische cijfers van de voorgaande jaren, lijkt meer een opportuniteitskritiek dan een wettigheidskritiek. Ook hier geldt dat verschillende werkwijzen open staan aan een aanbestedende overheid, die alle binnen de perken van de redelijkheid en de wettigheid kunnen vallen. De aanbestedende overheid heeft te dezen gekozen voor een uniforme drempel. Dat is op zich genomen op het eerste gezicht geen onredelijke keuze, laat staan een manifest onredelijke keuze zoals de verzoekende partij opwerpt. 25. Voorts, overtuigt het betoog van de verzoekende partij niet. Uit het onderzoek van het vertrouwelijk administratief dossier blijkt immers dat meerdere inschrijvers veeleer met gemak hebben kunnen voldoen aan de betrokken selectievereiste, ook voor de (meest veeleisende) casus van twee regionale percelen én het Vlaamse perceel (199 + 199 + 200 = 598). De stelling van de verzoekende partij dat het om een bijzonder zware vereiste zou gaan, kan dan ook op het eerste gezicht niet zonder meer worden bijgetreden. In dit verband merkt de Raad van State nog op dat de aanbestedende overheid bij het vaststellen van de selectiecriteria over een zekere beoordelingsruimte beschikt en dat zij daarbij in beginsel ook veeleisend mag zijn zolang zij het proportionaliteitsbeginsel niet schendt. Dat het aantal effectief te begeleiden trajecten in het kader van de uitvoering onderhevig zal zijn aan een toevalsfactor, zoals de verzoekende partij opwerpt, maakt het bepalen van een minimale draagkracht op 199 trajecten per (regionaal) perceel op zich niet onwettig, onzorgvuldig of onredelijk. Dat lijkt een onlosmakelijk risico verbonden aan de uitvoering van de voorliggende (conjunctureel gevoelige) opdracht. Het kan inderdaad voorvallen dat een draagkracht van 199 trajecten wordt gevraagd terwijl, in realiteit, omwille van diverse economische factoren buiten de macht van de aanbestedende overheid aanzienlijk minder trajecten zullen moeten worden opgestart tijdens de uitvoering, maar dat maakt de keuze voor een draagkracht van 199 trajecten op zich niet onrechtmatig. XIV-39.914-29/34 Het omgekeerde, met name dat er omwille van diverse economische factoren buiten de macht van de aanbestedende overheid aanzienlijk meer trajecten zullen moeten worden opgestart, is immers evenzeer mogelijk. Dat geldt des te meer wanneer, voorzichtigheidshalve, de aanbestedende overheid rekening wil houden met een eventuele achteruitgang van de economische conjunctuur en via outplacementtrajecten werkloosheid zoveel als mogelijk wil vermijden (cfr. supra punt 3.4). De Raad van State merkt daarbij trouwens op, en anders dan de verzoekende partij dat lijkt te zien, dat het aantal gestarte individuele begeleidingen volgens de historische cijfers (2022, 2023, 2024) ook voor de percelen SIF4_GER en SIF4_ZWV op jaarbasis duidelijk in stijgende lijn waren en in 2024 reeds 157 respectievelijk 190 gestarte individuele dossiers omvatten. Dat vervolgens, in het licht van eventuele economische evoluties een marge wordt gehanteerd, lijkt niet onredelijk. Er blijkt op het eerste gezicht niet dat de toegang tot deze percelen disproportioneel werd beperkt door de aanbestedende overheid. 26. Het tweede onderdeel van het eerste middel is niet ernstig. 27. Geen van beide onderdelen van het eerste middel is ernstig zodat het middel, in zijn geheel genomen, niet ernstig is. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 28. In het tweede middel van het verzoekschrift voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 4, eerste lid en 81 van de wet van 17 juni 2016, van de artikelen 4, eerste lid, 8° en 5, 9° van de wet van 17 juni 2013, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, evenals van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheids- en XIV-39.914-30/34 transparantiebeginsel, gelijkheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht en het beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’”, “DOORDAT in het gunningsverslag d.d. 24 oktober 2025 een beoordelingsmethode werd toegepast voor de beoordeling van het gunningscriterium G1 “Technische Waarde” die niet voorafgaandelijk in het Bestek was aangekondigd; DOORDAT de gehanteerde beoordelingsmethode voor het eerst wordt opgenomen in het gunningsverslag; TERWIJL de Dimarso-doctrine voorschrijft dat de aanbestedende overheid de beoordelingsmethode voorafgaandelijk aan de opening van de offertes dient vast te stellen en op te nemen in het administratief dossier; EN TERWIJL de aanbestedende overheid niet aantoont dat ze deze voorafgaandelijk heeft vastgesteld; EN DOORDAT de gehanteerde beoordelingsmethode op generieke wijze wordt toegepast zonder vergelijking van de offertes, waardoor vijf
(5)inschrijvers, waaronder Verzoekende Partij, op identieke wijze worden beoordeeld. EN TERWIJL de aanbestedende overheid bij het nazicht van de offertes zorgvuldig moet handelen en de gelijke behandeling van de inschrijvers moet waarborgen en de offertes wel degelijk moet vergelijken; EN TERWIJL de materiële motiveringsplicht als algemeen rechtsbeginsel vereist dat iedere bestuurshandeling gedragen wordt door een afdoende en correcte motivering met motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn; EN TERWIJL op grond van het beginsel patere legem quam ipse fecisti Verwerende Partij bij het nemen van de gunningsbeslissing niet mag afwijken van haar eigen Bijzonder Bestek; ZODAT de bestreden beslissing de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt”. De verzoekende partij vat haar toelichting bij het middel als volgt samen: “In het eerste middelonderdeel is Verzoekende Partij van oordeel dat de beoordelingsmethodiek, dewelke pas in het gunningsverslag opgenomen wordt en waarvan thans niet wordt aangetoond dat deze voor de opening van de offertes werd vastgesteld noch middels aantoonbare en gegronde redenen aannemelijk wordt gemaakt, niet voor de opening van de offertes werd vastgesteld waardoor de vigerende overheidsopdrachtenwetgeving en de voormelde algemene beginselen geschonden zijn. In het tweede middelonderdeel is Verzoekende Partij van oordeel [dat] de beoordeling van de subgunningscriteria niet voldoende werd gemotiveerd. Verwerende Partij beoordeelt de offerte op generieke en niet vergelijkende wijze, waardoor de vigerende overheidsopdrachtenwetgeving en voormelde algemene beginselen geschonden zijn”. XIV-39.914-31/34 Beoordeling
- In de twee onderdelen van het tweede middel betwist de verzoekende partij in essentie de wijze waarop de offertes werden getoetst aan de hand van de gunningscriteria.
- In de nota betwist de verwerende partij de ontvankelijkheid van het tweede middel. Zij wijst er in essentie op dat de verzoekende partij geen belang heeft bij dit middel, in zijn twee onderdelen, omdat, zelfs indien het middel ernstig bevonden zou worden, die vaststelling niet ertoe kan leiden dat aan de verzoekende partij nog extra percelen van de opdracht worden gegund.
- Bij de bespreking van het eerste middel is gebleken dat, op het eerste gezicht, de verzoekende partij te dezen op basis van de selectiefase slechts in aanmerking kan komen voor de gunning van één perceel van de opdracht. Met de thans bestreden beslissing wordt aan de verzoekende partij reeds haar voorkeursperceel gegund. Er blijkt in dat licht niet welk nuttig effect een eventueel ernstig, dan wel gegrond, bevinden van het tweede middel zou kunnen hebben voor de verzoekende partij. De situatie van de verzoekende partij lijkt thans reeds zo positief te zijn als zij kan worden. De verzoekende partij kan hoogstens één perceel van de opdracht gegund krijgen en heeft reeds de gunning verkregen van haar voorkeursperceel. Er blijkt niet hoe de schorsing van de uitvoering van de gunningsbeslissing aan de overige inschrijvers haar situatie nog verder zou kunnen verbeteren.
- Alleszins lijkt het tweede middel prima facie geen kritiek te bevatten die tot de vaststelling zou kunnen leiden dat de opdracht te dezen aan geen enkele inschrijver rechtsgeldig kon worden gegund en de plaatsingsprocedure ab initio herdaan dient te worden. XIV-39.914-32/34 In het eerste middelonderdeel wordt het gebruik van een niet vooraf vastgelegde beoordelingsmethodiek aangevoerd. Dat middelonderdeel leidt alsdan hoogstens tot het herdoen van de toetsing met gebruik van een andere beoordelingsmethodiek. In het tweede middelonderdeel wordt de motivering van de huidige beoordeling bekritiseerd. Dat middelonderdeel leidt alsdan evenzeer hoogstens tot het herdoen van de beoordeling. Geen van beide uitkomsten kan er op het eerste gezicht toe leiden dat de verzoekende partij het resultaat bereikt dat zij met de voorliggende vordering nastreeft, namelijk alsnog een kans verwerven op gunning van drie percelen.
- De exceptie van de verwerende partij vertoont de vereiste mate van prima facie ernst opdat zijn in een kort geding bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen worden aanvaard.
- Het tweede middel in beide onderdelen en in zijn geheel genomen is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. VIII. Besluit
- Geen van beide middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-39.914-33/34 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op acht december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Kaat Leus XIV-39.914-34/34 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.104 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.222.357 ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.222.358 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div