← België

Arrest 265114 - Varia (justitie) - 09/12/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.114 Rolnummer: A. 243203/IX-10562 Zaak: Arrest 265114 - Varia (justitie) - 09/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-15 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-15 09:52 Fiche Arrest nr 265.114 van 9 december 2025 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.114 no lien 286814 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 265.114 van 9 december 2025 in de zaak A. 243.203/IX-10.562 In zake : de BV BEVIKING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nico Demeyere kantoor houdend te 8531 Bavikhove Ter Coutere 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 7 oktober 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 10 augustus 2024 houdende de weigering van de erkenning van de verzoekende partij als tussenpersoon. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. IX-10.562-1/33 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 november 2025. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nico Demeyere, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Michel Van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 5 oktober 2022 dient de verzoekende partij een aanvraag in om te worden erkend als tussenpersoon in de zin van artikel 2, 2°, van de wet van 8 juni 2006 ‘houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (“wapenwet”). 3.2. De lokale politie verleent op 29 november 2022 een gunstig advies. IX-10.562-2/33 3.3. De procureur des Konings geeft op 15 december 2022 een ongunstig advies met betrekking tot de bestuurder van de verzoekende partij – SV – waarvan de motivering luidt: “[SV] is […] op het parket van Brussel gekend voor lasterlijke aangifte in het proces-verbaal met referte BR62.L3.23901-21 dat zonder gevolg werd geklasseerd en voor huisdiefstal in het proces-verbaal met referte BR14.L3.3945-21 dat tuchtrechtelijk werd afgehandeld.” 3.4. Op 7 juli 2023 weigert de gouverneur van de provincie Vlaams- Brabant de aanvraag op grond van de volgende motieven: “Uit de begeleidende dossiers ons overgemaakt door het parket blijkt dat er tegen [SV] een strafklacht werd ingediend door zijn CP [DT] wegens lasterlijke aangifte ingevolge een melding door [SV] aangaande onrechtmatige consultatie van het rijksregister door CP [DT]. Volgens het betreffend PV dienen deze incidenten te worden gezien in het kader van de strubbelingen in de dienst ‘vorming’ van de PZ Brussel Zuid, die tot voor kort werd geleid door CP [DT]. Er werden verschillende PV’s opgesteld waaronder PV BR14.L3.3945-21 alsook enkele administratieve dossiers. In december 2020 werd namelijk vastgesteld dat er zich burgers bevonden in de schietstand van het Commissariaat ‘T’, Konijnenstraat te Anderlecht waar de dienst vorming is gehuisvest. De schietstand/dienst vorming van het commissariaat betreft de plaats waar [SV] destijds was tewerkgesteld. [SV] had die bewuste dag, op 29/12/2020, echter een dag verlof genomen. Uit PV BR14.L3.3945-21 (aangaande huisdiefstal, belangenvermenging en het overtreden van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten) blijkt dat [SV] op 29/12/2020 betrokken was bij het toelaten van burgers, met name twee vrouwelijke personen zonder wapenvergunning, tot voormelde schietstand en wapenkamer toebehorend aan de politiezone en dit terwijl het commissariaat reeds gesloten was. Hij begroette beide vrouwen aan de inkom en verschafte hen toegang. Beide vrouwen werden op de bewakingsbeelden duidelijk gecapteerd met een collectief wapen in handen. Slechts een van beide vrouwen kon teruggevonden worden in het rijksregister, de andere vrouw – die vermoedelijk een minderjarige betreft – kon niet in het rijksregister worden teruggevonden en dus naast naam en voornaam niet verder worden geïdentificeerd. De installatie van de politiezone, alsook mogelijk de wapens en munitie van de politiezone, zouden hierdoor zijn gebruikt voor privédoeleinden, nochtans is het op geen enkel moment toegelaten om de schietstand van de politiezone te gebruiken voor privédoeleinden. Uit het disciplinair onderzoek dienaangaande is voorts gebleken dat [SV] samen met de andere betrokken politiefunctionarissen in PV BR14.L3.3945- 21 de schietclub ‘Sheepdog Belgium’ vzw heeft opgericht. [SV] staat aan het hoofd van deze club met ongeveer 150 leden. [SV] zou er mee voor hebben ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.114 IX-10.562-3/33 gezorgd dat bewoners van buiten de politiezone op hun schietstand theoretische proeven mochten afleggen, hoewel dit wettelijk niet voorzien is in de omzendbrief van 25/11/2011 over de toepassing van de wapenwetgeving (randnr. 9.1.7: ‘De theoretische proef wordt steeds door de lokale politie georganiseerd op verzoek van de gouverneur of van de betrokkene zelf. Er bestaat geen vrije keuze welke politiedienst deze proef afneemt.’). Ook werd er vaak een T-shirt met het logo van ‘Sheepdog’ gedragen tijdens de dienst, telefoontjes voor ‘Sheepdog’ kwamen toe op het opleidingscentrum alsook slaagden er meerdere burgers, leden van ‘Sheepdog’, voor de theoretische en praktische proeven bij de instructeurs/ bestuursleden van ‘Sheepdog’. Een lijst met personen werd gevoegd. [SV] diende als hoofd van de schietclub ‘Sheepdog Belgium’ ooit een aanvraag in tot het stockeren van wapens in de wapenkamer, deze aanvraag werd geweigerd wegens niet wettelijk. Op 01/05/2021 zou [SV] – net als de andere betrokkenen bij voormelde feiten – intern zijn overgeplaatst. Op bewakingsbeelden is te zien dat [SV] op 30/04/2021 en 03/05/2021 nog materiaal ontneemt dat kan toebehoren aan de politiezone of wapens kan bevatten. Daarnaast is er een schrijven van 22/11/2021 waaruit zou blijken dat er aan de politiezone (schiet)doelen werden geleverd die naar alle waarschijnlijkheid bestemd waren voor de schietclub ‘Sheepdog Belgium’, waaronder menselijke silhouetten, zijnde een techniek voorbehouden voor politiefunctionarissen en niet toegelaten voor particulieren. Op het ontwerp bijgevoegd bij de bestelling van de (schiet)doelen stond links namelijk de website ‘www.sheepdog.be’ vermeld en rechts het doel van een menselijk silhouet. De bestelbon werd opgemaakt t.a.v. de politiezone. Het voormelde en de overige info in de PV’s duidt op huisdiefstal, belangenvermenging en het overtreden van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten. Dit dossier werd tuchtrechtelijk afgehandeld. De (medische) pensionering van [SV] zou volgens betrokkene zijn ingegaan vanaf 1 april 2023. Als politiefunctionaris en als wapenbezitter is [SV] vertrouwd met de wapenwetgeving, wordt hij geacht deze te kennen en zelfs toe te zien op de correcte toepassing ervan. Uit het bovenvermelde blijkt echter dat [SV] de wapenwetgeving veelvuldig naast zich neerlegt en zich niet houdt aan de normen die in het kader van de wapenwetgeving worden opgelegd. De procureur des Konings adviseert zodoende ongunstig daar het uitoefenen van dergelijke activiteiten als tussenpersoon door [SV] de (handhaving van

  1. de)openbare orde en veiligheid kan verstoren.” 3.5. De verzoekende partij stelt op 9 augustus 2023 een beroep in tegen die beslissing. IX-10.562-4/33 3.6. De procureur des Konings geeft op 28 november 2023 een ongunstig advies, waarvan de motivering luidt: “In antwoord op uw brief van 16 augustus 2023 inzake het beroep ingesteld door [SV] tegen de weigering van een vergunning tot erkenning als tussenpersoon voeg ik als bijlage afschriften van de processen-verbaal met referte BR52.L3.23901-21 en BR14.L3.3945-21 die ons door het parket van Brussel ter info werden overgemaakt samen met een afschrift van het moraliteitsonderzoek. Uit het dossier met referte BR14.L3.9354-21 blijkt dat [SV] een schietstand heeft misbruikt voor persoonlijke doeleinden, hij was namelijk in het gezelschap van niet geautoriseerde personen. Dit dossier werd tuchtrechtelijk afgehandeld. Gezien de ernst van de feiten lijkt het niet aangewezen de vergunning af te leveren.” 3.7. Op 15 februari 2024 geeft de lokale politie eveneens een ongunstig advies, dat wordt onderschreven door de burgemeester. 3.8. De minister van Justitie verwerpt op 10 augustus 2024 het beroep van de verzoekende partij. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt: “4.5.8. Eindevaluatie: Uit het voorgaande kan worden besloten dat de moraliteitscreening ongunstig is. De adviesverlenende instanties menen dat het door u uitoefenen van activiteiten als tussenpersoon in onder meer verboden wapens de openbare orde en veiligheid in het gedrang kan brengen. Wat dat betreft, duiden de adviezen en verkregen inlichtingen op volgende negatieve elementen: - Uit de stukken blijkt niet dat u overeenkomstig artikel 134 van de wet op de geïntegreerde politie, voorafgaandelijk aan elke bezigheid, deze heeft gemeld aan uw overheid, in casu de korpschef en/of het politiecollege van uw politiezone. U was op het ogenblik van de erkenningsaanvraag politiefunctionaris in actieve dienst in de politiezone Brussel Zuid waar u al verschillende jaren specialist geweldbeheersing met vuurwapens was. Op heden bent u niet langer werkzaam als politiefunctionaris. - Uw voormalig diensthoofd CP [DT] diende een strafklacht tegen u in wegens lasterlijke aangifte ingevolge uw melding aangaande onrechtmatige consultatie van het rijksregister door CP [DT]. Ter zake kan verwezen worden naar het strafdossier met notitienummer BR14.L3.3945-21 dat zonder gevolg werd gerangschikt; - U was destijds tewerkgesteld in de schietstand/dienst vorming van het commissariaat. In december 2020 werd aan de hand van camerabeelden vastgesteld dat u die dag (29 december 2020) verlof had genomen en ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.114 IX-10.562-5/33 desondanks betrokken was bij het toelaten van burgers (namelijk twee vrouwelijke personen zonder wapenvergunning) tot de schietstand en de wapenkamer van de politiezone op het moment dat het commissariaat reeds gesloten was. Op de bewakingsbeelden is duidelijk te zien dat u beide dames – waaronder één minderjarige – begroette en toegang verschafte. Het was ook duidelijk te zien dat beide vrouwen een collectief wapen in handen hielden. De installatie van de politiezone alsook mogelijk de wapens en munitie van de politiezone zouden hierdoor gebruikt zijn voor privédoeleinden. Het is evenwel niet toegelaten om de schietstand van de politiezone te gebruiken voor privédoeleinden. - U heeft samen met andere politiefunctionarissen de schietclub ‘Sheepdog Belgium’ vzw opgericht waarbij u aan het hoofd van deze club met 150 leden staat. U zou er mee voor hebben gezorgd dat bewoners van buiten de politiezone op uw schietstand theoretische proeven mochten afleggen, hoewel er geen vrije keuze van politiezone is wat dat betreft (de theoretische proef dient te worden afgenomen door de politiezone van de verblijfplaats). Er werd voorts vaak een t-shirt gedragen met het logo van ‘Sheepdog’ tijdens de diensten telefoontjes van ‘Sheepdog’ kwamen toe op het opleidingscentrum. Meerdere burgers, leden van ‘Sheepdog’ slaagden voor de theoretische en praktische proeven bij de instructeurs/bestuursleden van ‘Sheepdog’. U diende ook een aanvraag in tot het stockeren van wapens in de wapenkamer doch deze aanvraag werd geweigerd wegens niet wettelijk. Op 1 mei 2021 werden u en de andere betrokkenen bij voormelde feiten overgeplaatst. Op bewakingsbeelden is te zien hoe u op 30 april 2021 en 3 mei 2021 nog materiaal ontneemt dat kan toebehoren aan de politiezone of wapens kan bevatten. - Uit een schrijven van 22 november 2021 blijkt dat er schietdoelen werden geleverd aan de politiezone die naar alle waarschijnlijkheid bestemd waren voor de schietclub ‘Sheepdog Belgium’, waaronder menselijke silhouetten dewelke niet zijn toegelaten voor particulier gebruik. Op het ontwerp bij de bestelling van de schietdoelen stond links immers de website www.sheepdog.be vermeld en rechts een menselijk silhouet als doel. De bestelbon werd opgemaakt t.a.v. de politiezone. Voormelde gegevens duiden op huisdiefstal, belangenvermenging en het overtreden van de wet van 17 juni 2016 inzake de overheidsopdrachten. Het betreffende strafdossier werd tuchtrechtelijk afgehandeld (met een blaam). Uit deze gegevens leidde de gouverneur af dat – alhoewel u als wapenbezitter vertrouwd bent met de wapenwetgeving en als politiefunctionaris zelfs toeziet op de correcte toepassing ervan – u de wapenwetgeving desalniettemin veelvuldig naast zich neerlegt en u niet houdt aan de normen die in het kader van de wapenwetgeving worden opgelegd. De procureur des Konings alsook de burgemeester op aangeven van de lokale politie adviseren derhalve ongunstig aangezien het uitoefenen van dergelijke activiteiten als tussenpersoon de handhaving van de openbare orde en veiligheid kan verstoren. Uit het dossier is inderdaad gebleken dat u recent als politiefunctionaris in actieve dienst er enkele dubieuze activiteiten op na hield. Zo richtte u een schietclub op waarbij u er voor heeft gezorgd dat meerdere burgers proeven konden afleggen in het kader van de wapenwet. Als politiefunctionaris droeg ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.114 IX-10.562-6/33 u kledij waarop het logo van de schietclub te zien was en nam u telefoons bestemd voor de schietclub op tijdens uw dienst. Het is evident dat de belangen als enerzijds politiefunctionaris met een voorbeeldfunctie en als anderzijds bestuurder van een schietclub niet verzoenbaar zijn. Het is precies om dergelijke situaties te vermijden dat de omzendbrief van 31 maart 2010 inzake de ‘taakverdeling tussen de wapendiensten van de gouverneurs en de lokale politiediensten voor de registratie van gegevens in het CWR’ voorziet dat elke politieambtenaar die meewerkt aan de behandeling van wapendossiers bij voorkeur geen bestuursfunctie mag uitoefenen bij een wapenvereniging of bij een schietstand. Als u als politiefunctionaris er mee voor zorgt dat er proeven worden afgenomen in het kader van de wapenwet ten aanzien van leden van een schietclub waarvan u bestuurder bent, dan ondermijnt u uw onafhankelijkheid als politiefunctionaris en misbruikt u uw gezagspositie om private belangen te dienen. Verder is uit camerabeelden duidelijk gebleken dat u twee burgers heeft toegelaten tot de schietstand en de wapenkamer van de politiezone op het moment dat het commissariaat reeds gesloten was. Op de bewakingsbeelden was te zien dat u twee dames – waaronder één minderjarige – begroette en toegang verschafte. Het was ook te zien dat beide vrouwen een collectief wapen in handen hielden. Tot slot waren er ernstige aanwijzingen dat er schietdoelen met menselijke silhouetten én met het logo van de schietclub waarvan u bestuurder was, werden geleverd aan de politiezone. U werd hiervoor inderdaad niet vervolgd doch u kreeg een tuchtrechtelijke sanctie (een blaam). U bent op heden ook niet langer in dienst als politiefunctionaris. De vraag is dus of deze elementen verhinderen om u het vertrouwen te geven om activiteiten als tussenpersoon in wapens uit te kunnen oefenen. Als inspecteur bij de lokale politie beschikte u over een voorbeeldfunctie. Dat u deze functie niet ten volle respecteerde, blijkt uit de blaam die u als tuchtrechtelijke sanctie werd opgelegd. Het betreft inderdaad een lichte tuchtsanctie, maar desalniettemin blijkt er een duidelijke afkeuring uit ten aanzien van de uitoefening van uw functie. Dit gegeven is daarbij in casu van belang omdat de aanleiding tot die tuchtrechtelijke sanctie precies activiteiten betrof waarmee u uw voorbeeldfunctie als politiefunctionaris in het kader van de wapenwetgeving ernstig heeft miskend. De vraag is dan ook of u nog voldoende vertrouwen kan worden gegeven om u als erkend tussenpersoon activiteiten te laten uitoefenen waarvan verboden wapens het voorwerp zullen zijn. Te meer nu uit de erkenningsaanvraag is gebleken dat bij uitstek politiediensten (naast veiligheids- en militaire diensten) het doelpubliek zou zijn van uw activiteiten. De wapenwet voorziet immers een principieel verbod op het te koop stellen, verkopen, overdragen enz, van verboden wapens (artikel 8 wapenwet). In afwijking op dit principieel verbod voorziet de wapenwet in een uitzondering voor erkende wapenhandelaars/tussenpersonen om dergelijke verboden wapens te verhandelen aan de diensten van het openbaar gezag of de openbare macht voor wat betreft specifieke bestellingen (artikel 27, § 1, ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.114 IX-10.562-7/33 vierde lid wapenwet). Om die diensten te kunnen bevoorraden, was het inderdaad noodzakelijk om dergelijke activiteiten uitzonderlijk toe te laten aan daartoe erkende personen. Gelet op de aard van het voorwerp van die activiteiten (verboden wapens voor diensten van het openbaar gezag of van de openbare macht) is het noodzakelijk dat dergelijke erkenning enkel wordt toevertrouwd aan personen waarvan het gedrag in het verleden heeft aangetoond dat er niet moet worden gevreesd voor misbruik van of ongelukken met wapens. Ook als tussenpersoon erkend voor dergelijke verboden wapens beschikt men immers over een voorbeeldfunctie en dient men in alle transparantie correct te handelen bij de uitoefening van zijn activiteiten. Uit uw recente verleden blijkt dat de overheid u het vertrouwen om activiteiten van tussenpersoon in verboden wapens zoals bedoeld in artikel 27, § 1, vierde lid van de wapenwet, niet kan geven. Er wordt gevreesd dat het door u uitoefenen van dergelijke activiteiten potentieel een gevaar voor de openbare orde kan betekenen. Bijgevolg moet worden besloten dat uw erkenningsaanvraag als tussenpersoon onmogelijk kan worden ingewilligd aangezien de afgifte van een getuigschrift van erkenning als tussenpersoon omwille van de aangehaalde motieven een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid zou impliceren.” IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 4. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 5, § 3, tweede lid, van de wapenwet, de materiëlemotiveringsplicht, de zorgvuldigheidsplicht en het redelijkheidsbeginsel. De verzoekende partij voert aan dat in de bestreden beslissing wordt overwogen dat de in de motivering aangehaalde elementen verhinderen dat haar het vertrouwen wordt verleend om activiteiten van tussenpersoon uit te oefenen. Zij stelt dat dit motief op zich onvoldoende is om aan te tonen dat het uitoefenen van deze activiteiten ook de openbare orde en veiligheid zou verstoren. Minstens dient de verwerende partij aannemelijk te maken waarom dit gebrek aan vertrouwen de openbare orde en veiligheid in het gedrang brengt zodat de aanvraag moet worden geweigerd met toepassing van artikel 5, § 3, tweede lid, van de wapenwet. IX-10.562-8/33 Vervolgens bespreekt de verzoekende partij de verschillende motieven waarop de bestreden beslissing – naar haar oordeel – steunt. Een eerste motief betreft volgens haar een beweerde inbreuk op artikel 134 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: de wet van 7 december 1998) doordat haar bestuurder niet aan de overheid waaronder hij als politiefunctionaris ressorteerde, heeft gemeld dat hij activiteiten als tussenpersoon wou uitoefenen. Daaromtrent betoogt de verzoekende partij dat de regeling inzake de voorafgaandelijke toelating is vervat in artikel 135 van de wet van 7 december 1998 en dat de bestreden beslissing dus verwijst naar een verkeerde wettelijke bepaling. Volgens haar is dit motief ook niet draagkrachtig omdat haar bestuurder op het moment van het nemen van de bestreden beslissing geen politiefunctionaris meer was, waardoor voornoemd artikel 135 niet meer van toepassing is. De verzoekende partij meent ook dat artikel 135 van de wet van 7 december 1998 niet is geschonden aangezien de activiteit als tussenpersoon pas kan worden uitgeoefend nadat de erkenning is verleend. Het is, zo stelt de verzoekende partij, ook pas na de erkenning dat een eventuele melding zou kunnen gebeuren. Een tweede motief is volgens de verzoekende partij dat door commissaris DT een strafklacht is ingediend tegen haar bestuurder wegens lasterlijke aangifte. Dit heeft geleid tot het opstellen van een proces-verbaal, dat nadien zonder gevolg is gerangschikt. Volgens de verzoekende partij blijkt uit dat proces-verbaal niet dat objectief is vastgesteld dat haar bestuurder een lasterlijke aangifte heeft ingediend. Er wordt vermeld dat het gaat om beschuldigingen van allerlei aard die moeten worden gekaderd in de strubbelingen bij de dienst ‘vorming’ van de politiezone en dat sommige beschuldigingen weinig concreet of moeilijk hard te maken zijn. Uit geen enkel stuk van het dossier blijkt dat de bestuurder van de verzoekende partij de ten laste gelegde inbreuk heeft gepleegd. Ze heeft ook niet geleid tot strafvervolging en is niet bij het tuchtonderzoek betrokken. Naar het oordeel van de verzoekende partij is dit motief dan ook niet IX-10.562-9/33 deugdelijk omdat het niet steunt op feiten die objectief en met passende nauwkeurigheid en zorgvuldigheid zijn vastgesteld. Een derde motief is volgens de verzoekende partij dat burgers toegang is verleend tot de schietstand, waarbij wordt gesuggereerd dat zij daarbij gebruik hebben gemaakt van wapens of munitie van de politiezone. De verzoekende partij betoogt dat hoewel er tal van bewakingscamera’s in het gebouw zijn, er niet is vastgesteld dat er op de schietstand ook is geschoten. De bestreden beslissing gaat ervan uit dat de schietstand van de politie is gebruikt voor privédoeleinden, maar dit is niet aangetoond. Wél aangetoond, is dat de bestuurder van de verzoekende partij toelating heeft gevraagd én verkregen om de schietstand te gebruiken. De verzoekende partij besluit dat ook dit motief niet steunt op voldoende vaststaande feiten. Een vierde motief is, zo meent de verzoekende partij, dat haar bestuurder ervoor zou hebben gezorgd dat leden van de schietclub van buiten de politiezone op de schietstand theoretische proeven hebben kunnen afleggen, terwijl er geen vrije keuze van politiezone is. De verwerende partij steunt dit motief op punt 9.1.7 van de omzendbrief van 25 oktober 2011 ‘over de toepassing van de wapenwetgeving’ (“de omzendbrief van 25 oktober 2011”). De verzoekende partij laat gelden dat de voormelde omzendbrief geen normatief karakter heeft en dat de organisatie van de theoretische proef wordt geregeld door artikel 9bis, § 1, van het koninklijk besluit van 20 september 1991 ‘tot uitvoering van de wapenwet’ (“het koninklijk besluit van 20 september 1991”). Daarin valt niets te lezen over beperkingen van de territoriale bevoegdheid van de lokale politie die de proeven afneemt, noch wordt enig verbod opgelegd op het afnemen van een theoretische proef indien de kandidaat in een andere politiezone woont. Volgens de verzoekende partij zijn de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken ook niet bevoegd om deze aangelegenheid te regelen aangezien artikel 11, § 3, eerste lid, 7°, van de wapenwet bepaalt dat de nadere regels voor het afleggen van de proeven dienen te worden bepaald door de Koning bij een in ministerraad overlegd besluit. De auteurs van de omzendbrief van 25 oktober 2011 zijn derhalve niet bevoegd om eigenmachtig een regeling in te voeren waarbij de bevoegdheid van de lokale ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.114 IX-10.562-10/33 politie om proeven af te nemen bij inwoners van andere politiezones wordt beperkt. Om die reden dient de omzendbrief van 25 oktober 2011, indien hij toch normatieve werking zou hebben, buiten beschouwing worden gelaten en kan er allerminst een deugdelijk motief uit worden afgeleid. Vervolgens wordt, aldus de verzoekende partij, verwezen naar het gedrag van haar bestuurder als politiefunctionaris. Zo wordt opgemerkt dat hij tijdens de dienst een T-shirt heeft gedragen van de schietclub waarvan hij bestuurder is, telefoons voor de schietclub heeft beantwoord en een aanvraag heeft ingediend om wapens voor de schietclub op te slaan in de wapenkamer van de politie, wat is geweigerd wegens onwettig. Deze elementen hebben geleid tot het opleggen van de lichte tuchtstraf ‘blaam’. Voorts wordt, zo stelt de verzoekende partij, verwezen naar de omzendbrief van 31 maart 2010 ‘inzake taakverdeling tussen de wapendiensten van de gouverneurs en de lokale politiediensten voor de registratie van gegevens in het CWR’ (“de omzendbrief van 31 maart 2010”). De verzoekende partij merkt op dat deze omzendbrief niet is bekendgemaakt en gelet op artikel 190 van de Grondwet dan ook niet als verbindend kan worden beschouwd, waardoor een schending niet als inbreuk kan worden aangemerkt. De verzoekende partij ziet ook niet in hoe deze gedragingen, die louter verband houden met het uitoefenen van een functie binnen de politie, nog relevant zijn om te beoordelen of een activiteit als tussenpersoon, die wordt georganiseerd buiten het kader van de politie, een risico voor de openbare orde kan inhouden. Een zesde element waarop de bestreden beslissing steunt, zijn volgens de verzoekende partij camerabeelden van 30 april 2021 en 3 mei 2021 waarop is te zien dat materiaal wordt weggenomen dat mogelijk kan toebehoren aan de politiezone of wapens kan bevatten. Daarover stelt de verzoekende partij dat uit het woordgebruik kan worden afgeleid dat het geen vaststaand feit betreft, aangezien het niet duidelijk is of op de beelden te zien is dat materiaal wordt weggenomen dat toebehoort aan de politiezone of wapens kan bevatten. De verwerende partij kan niet volstaan met het aanvoeren van een mogelijkheid, maar dient te bewijzen dat er daadwerkelijk materiaal is weggenomen dat aan de politiezone toebehoort of wapens bevat. IX-10.562-11/33 Een zevende motief betreft het feit dat uit het schrijven van 22 november 2021 blijkt dat er schietdoelen zijn geleverd aan de politiezone die naar alle waarschijnlijkheid bestemd waren voor de schietclub van de bestuurder van de verzoekende partij, waaronder menselijke silhouetten die niet zijn toegelaten voor particulier gebruik. Dienaangaande argumenteert de verzoekende partij dat de bestelbon op naam van de politiezone staat en dat tijdens de administratieve beroepsprocedure stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat tijdens de bestelling verkeerdelijk de website van de schietclub op doelen bestemd voor de politie is vermeld. Deze fout is rechtgezet. Voorts wordt, aldus de verzoekende partij, niet aangetoond dat de doelkaarten daadwerkelijk door de schietclub zijn gebruikt. De doelkaarten zijn enkel aangetroffen in de schietstand van de politie. Uit niets blijkt dat de bestuurder van de verzoekende partij de doelen daadwerkelijk aan de leden van de schietclub ter beschikking zou hebben gesteld. Tot slot stelt de verzoekende partij dat de bestelling, vervaardiging, levering, overdracht of het bezit van de doelen met menselijke silhouetten niet strafbaar is. Overeenkomstig artikel 3, eerste lid, 10°, van het koninklijk besluit van 13 juli 2000 ‘tot bepaling van de erkenningsvoorwaarden van schietstanden’ (“het koninklijk besluit van 13 juli 2000”) is enkel het niet-opleggen van een verbod in het huishoudelijk reglement om dergelijke doelkaarten te gebruiken een strafbare inbreuk. Uit het dossier blijkt evenwel niet dat een dergelijke inbreuk zou zijn gepleegd. Voorts laat de verzoekende partij gelden dat uit de omstandigheid dat sommige van de voormelde elementen aanleiding hebben gegeven tot de lichte tuchtstraf ‘blaam’ niet kan worden afgeleid dat het feiten betreft waarvan zonder nader onderzoek kan worden aangenomen dat ze ook relevant zijn om de risico’s voor de openbare orde te beoordelen die verbonden zijn aan een activiteit als tussenpersoon. De tuchtreglementering heeft immers een finaliteit die aanzienlijk verschilt van de doelstellingen van de wapenwet en het toetsingscriterium is veel ruimer. Elke handeling of gedraging die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, is reeds een tuchtvergrijp. De verzoekende partij merkt op dat de verwerende partij geen nader onderzoek heeft gevoerd naar ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.114 IX-10.562-12/33 de genomen tuchtbeslissing en aldus niet heeft nagegaan om welke reden de tuchtstraf is opgelegd en welke elementen daarvoor in aanmerking zijn genomen. Zij neemt aan dat door de omstandigheid dat een lichte tuchtstraf is opgelegd, alle elementen als voldoende vaststaande feiten moeten worden beschouwd, waaruit dan wordt afgeleid dat het uitoefenen van activiteiten als tussenpersoon een gevaar voor de openbare orde kan inhouden. Door die conclusie zonder nader onderzoek aan te nemen, is naar het oordeel van de verzoekende partij de zorgvuldigheidsplicht miskend. Tot slot stelt de verzoekende partij dat in de bestreden beslissing, om aannemelijk te maken dat elementen die uitsluitend kaderen binnen de vroegere beroepsactiviteit als politiefunctionaris eveneens relevant zijn in het kader van de aanvraag tot erkenning als tussenpersoon, ook nog wordt verwezen naar artikel 27, § 1, vierde lid, van de wapenwet dat toelaat dat erkende wapenhandelaars sommige verboden wapens verhandelen of voorhanden hebben met het oog op prospectie en bestellingen van overheidsdiensten. In de bestreden beslissing wordt overwogen dat erkende tussenpersonen die deze uitzondering genieten een voorbeeldfunctie hebben, net zoals politiefunctionarissen. De verwerende partij is van oordeel dat gedragingen binnen het kader van de politie ook relevant zijn omdat politiefunctionarissen eenzelfde voorbeeldfunctie hebben als erkende tussenpersonen. Volgens de verzoekende partij vindt deze redenering geen steun in artikel 5, § 3, tweede lid, van de wapenwet dat bepaalt dat een erkenning kan worden geweigerd om redenen van openbare orde. De afwezigheid van voorbeeldig gedrag wordt niet als weigeringsgrond aangemerkt. Bovendien is artikel 27, § 1, vierde lid, van de wapenwet niet relevant om de erkenningsaanvraag te beoordelen aangezien de erin vermelde uitzondering niet van toepassing is op tussenpersonen. Zij kunnen immers geen wapens verwerven, voorhanden hebben en overdragen. Zij brengen enkel de partijen met elkaar in contact, die desgevallend de in artikel 8 van de wapenwet bedoelde verboden verrichtingen kunnen stellen indien zij daartoe erkend zijn en de in artikel 27, § 1, vierde lid, van de wapenwet bedoelde uitzondering kunnen genieten. Het met elkaar in contact brengen van de partijen wordt niet gevat door het verbod bedoeld in artikel 8 van de wapenwet IX-10.562-13/33 waardoor de in artikel 27, § 1, vierde lid, van de wapenwet bedoelde uitzondering niet nodig is om activiteiten als tussenpersoon uit te oefenen. 5. De verwerende partij antwoordt, wat het motief in verband met het niet meedelen van de activiteit als tussenpersoon betreft, dat de verwijzing naar artikel 134 van de wet van 7 december 1998 een materiële misslag is en dat artikel 135 van die wet wordt bedoeld. Voorts stelt zij dat door de verzoekende partij niet wordt aangetoond dat haar bestuurder “voorafgaandelijk elke bezigheid” heeft gemeld aan de “aangewezen overheid”. Die melding dient, zo stelt de verwerende partij, logischerwijze te gebeuren voorafgaandelijk aan de aanvraag tot erkenning als tussenpersoon. Zoniet kan de situatie ontstaan waarbij de erkenning wordt verleend, maar de aangewezen overheid het uitoefenen van de activiteit weigert. De bestuurder van de verzoekende partij heeft dit blijkbaar niet gedaan. Hij geeft hierover geen plausibele uitleg en hij legt hierover geen stukken neer. Dit schaadt het vertrouwen van de verwerende partij in de bestuurder van de verzoekende partij, te meer daar hij een – gewezen – politieambtenaar is. In zoverre de verzoekende partij aan de provinciale wapendienst heeft meegedeeld dat “de melding is gebeurd maar dat er twijfel is omtrent de noodzaak ervan en onder wiens bevoegdheid het valt” stelt de verwerende partij dat deze uitleg ongeloofwaardig, vaag en tegenstrijdig is. Ofwel is de melding bij aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs gebeurd, of niet. Inzake de verwijzing naar het feit dat DT een strafklacht tegen de bestuurder van de verzoekende partij heeft ingediend wegens lasterlijke aangifte, stelt de verwerende partij dat dit motief steunt op het ongunstige advies van de procureur des Konings, zowel aan de provinciegouverneur als aan de federale wapendienst. Hoewel dit feit geen aanleiding heeft gegeven tot strafrechtelijke vervolging toont dit volgens de verwerende partij wel aan dat geen vertrouwen kan worden verleend aan personen, in casu dan nog politieambtenaren, die elkaar over en weer beschuldigen van misdrijven en zelfs klacht indienen bij de politie. IX-10.562-14/33 Aangaande het motief dat de bestuurder van de verzoekende partij burgers toegang tot de schietstand heeft verleend, stelt de verwerende partij dat deze feiten worden gestaafd door de informatie die is gevoegd bij het advies van de procureur des Konings, waaronder proces-verbaal BR.14.L3.009345/2021 en navolgend proces-verbaal 102276/2022 met de analyse van de camerabeelden. Daaruit blijkt dat de bestuurder van de verzoekende partij op 29 december 2020 om 16.48 uur aankomt op de parking van de schietstand. Om 17.10 uur komen ook twee vrouwen aan, die worden ontvangen door de bestuurder van de verzoekende partij. Beide vrouwen zijn nadien geïdentificeerd, waarbij een van hen minderjarig blijkt te zijn. Vervolgens begeeft de meerderjarige vrouw zich naar de wapenkamer en nadien naar de schietstand. Zij draagt een dijholster met daarin vermoedelijk een wapen en heeft een collectief wapen in haar rechterhand. De minderjarige vrouw begeeft zich eveneens van de wapenkamer naar de schietstand met een collectief wapen in de rechterhand. Om 17.35 uur komen twee politiepatrouilles aan op de terreinen van de schietstand en wordt er vermoedelijk overgegaan tot identificatie van de aanwezigen in de schietstand. Om 18.24 uur verlaten beide vrouwen het terrein en om 19.09 uur verlaat ook de bestuurder van de verzoekende partij het terrein. Volgens de verwerende partij hoeft het geen betoog dat dergelijke feiten de openbare orde en veiligheid in het gedrang brengen, waarbij als verzwarende omstandigheid geldt dat de feiten zijn gepleegd door een politieambtenaar met een voorbeeldfunctie. Het dossier is vervolgens tuchtrechtelijk afgehandeld. Inzake het motief dat de bestuurder van de verzoekende partij er mee voor zou hebben gezorgd dat bewoners van buiten de politiezone op de schietstand theoretische proeven mochten afleggen, betoogt de verwerende partij dat in punt 9.1.7 van de omzendbrief van 25 oktober 2011 over de in artikel 9bis, § 1, van het koninklijk besluit van 20 september 1991 bedoelde “overheid belast met de afgifte van een vergunning” wordt gesteld dat de theoretische proef steeds door de lokale politie wordt georganiseerd en dat er geen vrije keuze bestaat welke politiedienst deze proef afneemt. Volgens de verwerende partij wordt hiermee geen nieuwe rechtsregel geformuleerd en ook niets toegevoegd aan de wet. Louter wordt verduidelijkt, in het kader van de uniforme toepassing van de wet, welke overheid ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.114 IX-10.562-15/33 de theoretische proef zal afnemen, namelijk de lokale politie. Aangezien dit artikel is gericht tot hiërarchisch ondergeschikte ambtenaren, is het bindend voor de personeelsleden die het moeten toepassen. De rechtssituatie van de burger wordt er niet door gewijzigd. Met betrekking tot het motief dat verband houdt met het gedrag van de bestuurder van de verzoekende partij als politieambtenaar, betoogt de verwerende partij dat is vastgesteld dat de bestuurder van de verzoekende partij tijdens de dienst een T-shirt van zijn schietvereniging heeft gedragen, telefonische oproepen voor de schietclub heeft beantwoord en een aanvraag heeft ingediend om namens de schietclub wapens op te slaan in de wapenkamer van de politie, hetgeen onwettig is en werd geweigerd. Volgens de verwerende partij betwist de verzoekende partij deze feiten niet en hebben ze aanleiding gegeven tot een tuchtstraf en een overplaatsing naar een andere dienst. Inzake het motief dat uit camerabeelden blijkt dat de bestuurder van de verzoekende partij materiaal wegneemt dat kan toebehoren aan de politiezone of wapens kan bevatten, stelt de verwerende partij dat de verzoekende partij zich in het verzoekschrift beperkt tot de opmerking dat uit het woordgebruik “dat kan toebehoren” niet kan worden afgeleid dat dit een vaststaand feit is, zonder evenwel nadere uitleg te verschaffen over het materiaal dat de bestuurder van de verzoekende partij op die dagen heeft meegenomen. Aangaande het motief dat uit het schrijven van 22 november 2021 blijkt dat er schietdoelen zijn geleverd aan de politiezone, die naar alle waarschijnlijkheid bestemd waren voor schietclub, waaronder menselijke silhouetten die niet zijn toegelaten voor particulier gebruik, verwijst de verwerende partij naar proces-verbaal BR.14.L3.009345/2021 waarin is te lezen: “Uit het bijgevoegd rapport van [AD], ‘inspecteur principal DLS Armes’, blijkt onder meer dat zijn dienst een schrijven had ontvangen van de directeur van de dienst vorming van de politienzone […]. Dit schrijven betrof een levering van schietdoelen door de BVBA CB Consult waarvoor het akkoord werd gevraagd van de dienst vorming. Op het linkse schietdoel staat bovenaan ‘Fastdrill’ en de internetlink www.sheepdog.be, die refereert naar ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.114 IX-10.562-16/33 een vzw die in het leven werd geroepen door oude leden van de dienst vorming. Een logo van Sheepdog staat ook op het schietdoel. Het rechtse schietdoel betreft een menselijk silhouette waarbinnen zich een skelet bevindt. De leverancier van de schietdoelen preciseerde overigens dat deze schietdoelen in 2019 aan de politiezone werden geleverd. Bovendien werden twee schietdoelen per blad gedrukt om te besparen in de kosten. De leverancier stelde tevens minstens 2000 schietdoelen Sheepdog te hebben geleverd, terwijl de directeur van de dienst vorming deze nooit gezien of ontvangen heeft. Ook is het voor particulieren verboden te schieten op schietdoelen met menselijke silhouetten, hetgeen enkel toegelaten is voor politiefunctionarissen.” De verwerende partij stelt dat de dienst Wapens van de politiezone Brussel-Zuid een onderzoek heeft uitgevoerd bij de leverancier van de schietdoelen, die het voormelde bevestigt. Dit blijkt uit een brief met bijlagen van deze dienst van 22 november 2021. Aangezien het gebruik van menselijke silhouetten als schietdoel verboden is voor particulieren, heeft de bestuurder van de verzoekende partij artikel 3, eerste lid, 10°, van het koninklijk besluit van 13 juli 2000 overtreden. Voorts merkt zij op dat de verzoekende partij geen enkele uitleg geeft over wat er met deze levering is gebeurd, hoewel zij op grond van artikel 8.4, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek verplicht is mee te werken aan de bewijsvoering. Evenmin geeft de verzoekende partij uitleg over de tegen haar bestuurder gevoerde tuchtprocedure en zij legt hierover geen enkel stuk neer. Wat de verwijzing naar artikel 27, § 1, vierde lid, van de wapenwet betreft, stelt de verwerende partij dat uit de parlementaire voorbereiding van de wapenwet blijkt dat tussenpersonen worden onderworpen aan alle verplichtingen die gelden voor alle wapenhandelaars. Volgens de verwerende partij kan de verzoekende partij derhalve niet beweren dat deze bepaling niet van toepassing zou zijn en komt de bestreden beslissing dan ook terecht tot de conclusie dat de (bestuurder van
  2. de)verzoekende partij, die als (gewezen) politieambtenaar vertrouwd is met de wapenwetgeving en de correcte toepassing ervan, herhaaldelijk de wapenwetgeving heeft geschonden met als gevolg dat de verwerende partij aan de verzoekende partij niet het vertrouwen kan geven om activiteiten als tussenpersoon in verboden wapens uit te oefenen. IX-10.562-17/33 6. In de memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat de schending van artikel 134 (lees: artikel 135) van de wet van 7 december 1998 geen draagkrachtig motief is aangezien haar bestuurder geen politiefunctionaris meer was bij het nemen van de bestreden beslissing. Dat de uitleg inzake de melding die destijds is gegeven niet geloofwaardig zou zijn, is dan ook irrelevant. De verzoekende partij benadrukt ook dat haar bestuurder, toen hij nog politiefunctionaris was, nooit de bijkomende activiteit heeft uitgeoefend omdat er nog geen erkenning was verleend. Er kan dan ook geen sprake zijn van een schending van de wet van 7 december 1998. Inzake de strafklacht die door DT is ingediend, beklemtoont de verzoekende partij dat dit dossier zonder gevolg is geklasseerd. Het loutere bestaan van een klacht die is onderzocht, terwijl nergens uit de stukken blijkt dat de klacht gegrond is, kan volgens haar niet als een voldoende vaststaand feit worden aangemerkt om de beslissing te motiveren. Wat het gebruik van de schietstand betreft, herhaalt de verzoekende partij dat hiervoor toelating is verkregen van de overste. In de bestreden beslissing wordt ervan uitgegaan dat de schietstand is gebruikt voor privédoeleinden, maar dit is niet aangetoond. Uit het onderzoek is gebleken dat privépersonen in de gebouwen aanwezig waren, maar niet dat zij hebben geschoten en dat de schietstand dus voor privédoeleinden is gebruikt. Bovendien kadert ook dit element louter binnen de tewerkstelling van de bestuurder bij de politie. Wat de keuze van de politiezone voor het afleggen van de theoretische proef betreft, herhaalt de verzoekende partij dat de omzendbrief van 25 oktober 2011 geen normatieve werking heeft en al zeker niet kan worden gelezen als zouden aan de uitvoeringsbesluiten voorwaarden worden toegevoegd inzake de bevoegdheid van de politiediensten om theoretische proeven af te nemen. Vervolgens merkt de verzoekende partij op dat het aan de verwerende partij toevalt om te bewijzen dat er objectief vastgestelde en genoegzaam vaststaande feiten bestaan waaruit het gevaar voor de openbare orde ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.114 IX-10.562-18/33 blijkt. Vage aanwijzingen, zoals camerabeelden waarop niet duidelijk is of er al dan niet wapens zijn meegenomen, zijn onvoldoende. Volgens de verzoekende partij valt het niet aan haar toe om te bewijzen dat sommige feiten niet hebben plaatsgevonden, hetgeen een onmogelijk bewijs zou zijn. Inzake de levering van schietdoelen aan de politiezone die bestemd waren voor de schietclub, stelt de verzoekende partij dat zij wél heeft aangetoond dat de doelen met menselijke silhouetten niet door de schietclub zijn gebruikt. De leverancier heeft per e-mail meegedeeld dat de bestelling is aangepast zodat aan de schietclub enkel conforme doelen zijn geleverd. Inzake de verwijzing naar artikel 27, § 1, vierde lid, van de wapenwet stelt de verzoekende partij dat uitzonderingsbepalingen steeds beperkend moeten worden uitgelegd en dat nergens uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever de intentie had om de uitzondering bedoeld in artikel 27, § 1, vierde lid, van de wapenwet ook van toepassing te maken voor erkende tussenpersonen. Een dergelijke uitzondering zou zinloos zijn aangezien erkende tussenpersonen nooit wapens voorhanden houden, verwerven of overdragen. De in de memorie van antwoord aangehaalde parlementaire voorbereiding overtuigt volgens de verzoekende partij niet. Dienaangaande stelt zij dat de wetgever enkel de tussenpersonen aan een controleregime wou onderwerpen dat gelijkaardig is aan dat van de wapenhandelaars, wat onder meer inhoudt dat zij aan dezelfde verplichtingen worden onderworpen als wapenhandelaars. Daaruit kan evenwel niet worden afgeleid dat tussenpersonen ook automatisch dezelfde uitzonderingen op de wapenwet kunnen genieten als wapenhandelaars. Tot slot stelt de verzoekende partij nog dat indien geen van de ingeroepen motieven doorslaggevend is, er moet worden aangenomen dat elk van de motieven de verwerende partij tot haar beslissing hebben geleid. Indien dan blijkt dat één van de motieven niet deugdelijk is, moet de Raad van State de bestreden beslissing vernietigen. Volgens de verzoekende partij is aangetoond dat het motief dat verband houdt met de regelgeving inzake het cumulatieverbod niet meer van toepassing is en is van de motieven dat de lokale politie enkel bevoegd ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.114 IX-10.562-19/33 is om proeven af te nemen bij inwoners van de politiezone en dat artikel 27, § 1, vierde lid, van de wapenwet ook van toepassing is op tussenpersonen aangetoond dat ze rechtens onjuist zijn. De overige motieven vinden niet altijd evenveel steun in objectief vastgestelde en genoegzaam vaststaande feiten. De verzoekende partij besluit dat het dan ook onzeker is dat, indien de regelgeving op een juiste manier zou zijn toegepast, de verwerende partij tot dezelfde beslissing zou zijn gekomen. Minstens blijkt dit niet uit de bestreden beslissing zelf, waarvan het duidelijk is dat het geheel van de aangehaalde elementen tot de beslissing heeft geleid. 7. De verwerende partij stelt in haar laatste memorie dat de bestuurder van de verzoekende partij niet alleen twee onbevoegde personen toegang heeft verleend tot de schietstand maar hen eveneens onwettig wapens heeft toevertrouwd. Volgens de verwerende partij kan niet worden betwist dat de bestuurder aldus inbreuken heeft gepleegd op de openbare orde en veiligheid en volstaat deze vaststelling als dragend motief voor de bestreden beslissing. Zij benadrukt ook nog dat zij de betrouwbaarheid van de bestuurder van de verzoekende partij in vraag mocht stellen aangezien hij schietdoelen met menselijke silhouetten en met het logo van zijn schietclub heeft laten leveren op het werk en dat het laakbaar is dat hij in zijn hoedanigheid van politieambtenaar kledij droeg met een logo van de schietclub en tijdens zijn dienst telefoons heeft beantwoord voor de schietclub. 8. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij nog dat hoewel de aanwezigheid van onbevoegde personen op de schietstand wel een motief kan zijn voor de bestreden beslissing, het geen doorslaggevend of voldoende motief is. Uit de bestreden beslissing blijkt immers dat het geheel van de motieven de bestreden beslissing schraagt. Achteraf kan de verwerende partij niet bepalen dat een motief op zich doorslaggevend of voldoende is geweest. IX-10.562-20/33 Beoordeling 9. De verzoekende partij licht niet toe op welke wijze, naar haar oordeel, de bestreden beslissing het redelijkheidsbeginsel miskent, zodat het middel in zoverre onontvankelijk is. 10. Artikel 2, 2°, van de wapenwet definieert een tussenpersoon als: “eenieder die, tegen een vergoeding of om niet, de voorwaarden creëert voor het sluiten van een overeenkomst met als onderwerp de vervaardiging, de herstelling, de wijziging, het aanbod, de verwerving, de overdracht of enige andere vorm van terbeschikkingstelling van vuurwapens, onderdelen ervan alsook laders of munitie ervoor, ongeacht de herkomst en de bestemming ervan en ongeacht of de goederen op het Belgische grondgebied komen, of die een dergelijke overeenkomst sluit wanneer het vervoer door een derde wordt verricht.” 11. Artikel 5, § 1, eerste lid, van de wapenwet bepaalt: “Niemand mag op het Belgisch grondgebied activiteiten als wapenhandelaar of als tussenpersoon uitoefenen, of zich als dusdanig bekend maken, zonder daartoe vooraf te zijn erkend door de gouverneur bevoegd voor de vestigingsplaats.” Artikel 5, § 3, van de wapenwet luidt: “De gouverneur doet uitspraak over de aanvraag om erkenning na ontvangst van het met redenen omkleed advies van de procureur des Konings en van de burgemeester bevoegd voor de vestigingsplaats en voor de woonplaats van de aanvrager. De erkenning kan alleen worden geweigerd om redenen die verband houden met de handhaving van de openbare orde. Elke beslissing tot weigering vanwege de gouverneur moet met redenen omkleed zijn.” 12. De materiëlemotiveringsplicht houdt in casu in dat de bestreden beslissing moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte verantwoorden dat het uitoefenen van activiteiten als tussenpersoon de openbare orde kan verstoren. IX-10.562-21/33 De wapenwet bepaalt niet op grond van welke feiten, noch op grond van welke criteria, de vraag moet worden beoordeeld of het uitoefenen van activiteiten als tussenpersoon de openbare orde kan verstoren. De minister van Justitie beschikt over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het vlak van het bewezen verklaren van de feiten waarop hij steunt om tot dit oordeel te komen, als op het vlak van de kwalificatie van die feiten als gronden tot het beoordelen van de verstoring van de openbare orde. Aangezien de wapenwet inzake het bewezen verklaren van de feiten geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de minister ook op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het dossier om tot zijn overtuiging te komen. Hij mag daarbij niet alleen steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen of vermoedens. Het valt aan de Raad van State in het kader van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf te beoordelen of het uitoefenen van activiteiten als tussenpersoon de openbare orde kan verstoren. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de toepasselijke wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. 13. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid zijn vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. 14. Uit de motivering van de bestreden beslissing (aangehaald sub 3.8) blijkt dat de verwerende partij haar “eindevaluatie” begint met een opsomming van de “negatieve elementen” die blijken uit de “adviezen en verkregen inlichtingen”. Zij stelt vervolgens dat de gouverneur uit die gegevens heeft afgeleid ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.114 IX-10.562-22/33 dat de bestuurder van de verzoekende partij – hoewel hij als wapenbezitter vertrouwd is met wapenwetgeving en als politiefunctionaris zelfs toeziet op de correcte toepassing ervan – de wapenwetgeving desalniettemin veelvuldig naast zich neerlegt en zich niet houdt aan de normen die in het kader van de wapenwetgeving worden opgelegd. Voorts merkt zij nog op dat de procureur des Konings en de burgemeester, op aangeven van de lokale politie, ongunstig hebben geadviseerd. Vervolgens gaat de verwerende partij over tot haar eigen onderzoek van de zaak. Daarbij stipt zij vooreerst aan dat de bestuurder van de verzoekende partij een schietclub heeft opgericht waarbij hij ervoor heeft gezorgd dat meerdere leden proeven konden afleggen in het kader van de wapenwet. Als politiefunctionaris droeg hij ook kledij met het logo van de schietclub en nam hij tijdens de dienst telefoons op die bestemd waren voor de schietclub. Voorts stelt de verwerende partij dat uit camerabeelden is gebleken dat de bestuurder van de verzoekende partij twee dames – waarvan een minderjarige – toegang heeft verschaft tot de schietstand en de wapenkamer van de politiezone op het moment dat het commissariaat reeds was gesloten. Daarbij was ook te zien dat beide vrouwen een collectief wapen in handen hielden. Tot slot stipt de verwerende partij aan dat er ernstige aanwijzingen zijn dat er schietdoelen met menselijke silhouetten en met het logo van de schietclub zijn geleverd aan de politiezone. De verwerende partij stelt dat de bestuurder van de verzoekende partij hiervoor niet is vervolgd maar dat hem een blaam is opgelegd en dat hij thans niet langer in dienst is als politiefunctionaris. Volgens de verwerende partij beschikte de bestuurder van de verzoekende partij als inspecteur bij de lokale politie over een voorbeeldfunctie, maar heeft hij deze niet ten volle gerespecteerd. Vervolgens merkt de verwerende partij op dat de verzoekende partij als tussenpersoon activiteiten wil uitoefenen waarvan verboden wapens het voorwerp zijn. Zij stelt dat artikel 8 van de wapenwet voorziet in een principieel verbod op het te koop stellen, verkopen en overdragen van verboden wapens en dat “[i]n afwijking op dit principieel verbod […] de wapenwet [voorziet] in een uitzondering voor erkende wapenhandelaars/tussenpersonen om dergelijke verboden wapens te verhandelen aan de diensten van het openbaar gezag of de openbare macht voor wat betreft ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.114 IX-10.562-23/33 specifieke bestellingen (artikel 27, § 1, vierde lid wapenwet)”. De verwerende partij leidt daaruit af dat men “[o]ok als tussenpersoon erkend voor dergelijke verboden wapens beschikt […] over een voorbeeldfunctie en […] in alle transparantie correct [dient] te handelen bij de uitoefening van zijn activiteiten”. Tot slot besluit de verwerende partij dat “[u]it uw recente verleden blijkt dat de overheid u het vertrouwen om activiteiten van tussenpersoon in verboden wapens zoals bedoeld in artikel 27, § 1, vierde lid van de wapenwet [uit te oefenen], niet kan geven” en dat “wordt gevreesd dat het door u uitoefenen van dergelijke activiteiten potentieel een gevaar voor de openbare orde kan betekenen”. 15. Uit wat voorafgaat – inzonderheid het besluit van de verwerende partij dat wordt gevreesd dat het uitoefenen van activiteiten als tussenpersoon potentieel een gevaar voor de openbare orde kan betekenen – volgt dat de verwerende partij wel degelijk toepassing heeft gemaakt van het in artikel 5, § 3, van de wapenwet bedoelde criterium ‘handhaving van de openbare orde’ om de erkenningsaanvraag van de verzoekende partij te weigeren. 16. Voorts blijkt dat de verwerende partij haar “eindevaluatie” wel begint met een opsomming van “negatieve elementen” die blijken uit de “adviezen en verkregen inlichtingen” en hierover stelt dat de gouverneur op grond van deze gegevens zijn weigeringsbeslissing heeft genomen, maar die elementen vervolgens bij haar eigen beoordeling niet allemaal tot de hare maakt. Zo blijkt dat de bestreden beslissing niet steunt op de niet-naleving van artikel 135 van de wet van 7 december 1998, de strafklacht wegens lasterlijke aangifte, de omstandigheid dat de bestuurder ervoor zou hebben gezorgd dat leden van buiten de politiezone op de schietstand theoretische proeven hebben kunnen afleggen, de vraag van de verzoekende partij om wapens voor de schietclub op te slaan in de wapenkamer van de politie en de camerabeelden waarop te zien zou zijn dat materiaal wordt weggenomen dat mogelijk kan toebehoren aan de politiezone of wapens kan bevatten. Deze elementen zijn geen motieven van de bestreden beslissing en verzoekers argumentatie hieromtrent kan dan ook niet leiden tot de vernietiging ervan. IX-10.562-24/33 17. Wat dan de motieven betreft waarop de bestreden beslissing wél steunt, kan samen met de verzoekende partij worden aangenomen dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen dragende en overtollige motieven. Uit geen enkel gegeven van de bestreden beslissing blijkt meer bepaald dat het feit dat de bestuurder van de verzoekende partij twee onbevoegde personen toegang heeft verleend tot de schietstand en hen wapens heeft toevertrouwd een determinerend motief zou zijn, zoals de verwerende partij in haar laatste memorie beweert. Terecht stelt de verzoekende partij daaromtrent dat de verwerende partij niet achteraf mag bepalen dat een welbepaald motief voldoende is voor het weigeren van de erkenningsaanvraag. 18. Een eerste motief waarop de bestreden beslissing steunt, is dat de bestuurder van de verzoekende partij ervoor heeft gezorgd dat meerdere leden van de schietclub waarvan hij bestuurder is proeven konden afleggen in het kader van de wapenwet. Als politiefunctionaris droeg hij ook kledij met het logo van de schietclub en nam hij tijdens de dienst telefoons op die bestemd waren voor de schietclub. Er kan worden vastgesteld dat de verzoekende partij deze feiten niet ontkent. Wel voert zij aan dat er geen beperking is van de territoriale bevoegdheid van de lokale politie die de proeven afneemt, maar zoals gezegd wordt in de bestreden beslissing de bestuurder van de verzoekende partij niet aangerekend dat leden van buiten de politiezone op de schietstand proeven in het kader van de wapenwet konden afleggen, maar wel dat hij er als politiefunctionaris voor heeft gezorgd dat meerdere leden van de schietclub waarvan hij bestuurder is proeven konden afleggen in het kader van de wapenwet. De verzoekende partij betwist dit niet. Evenmin betwist zij dat haar bestuurder tijdens zijn dienst als politiefunctionaris kledij droeg met het logo van de schietclub en telefoons voor de schietclub opnam. De verzoekende partij voert wel nog aan dat de omzendbrief van 31 maart 2010 waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen en waarin ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.114 IX-10.562-25/33 wordt bepaald dat elke politieambtenaar die meewerkt aan de behandeling van wapendossiers bij voorkeur geen bestuursfunctie mag uitoefenen bij een wapenvereniging of schietstand, niet is bekendgemaakt en dat een schending van die regel dan ook niet als inbreuk kan worden aangemerkt. In de bestreden beslissing wordt de bestuurder van de verzoekende partij evenwel geen schending van die bepaling uit de omzendbrief verweten. Er wordt hem niet aangewreven dat hij bestuurder is van een schietclub terwijl hij als politieambtenaar ook meewerkt aan de behandeling van wapendossiers, maar wél dat hij er als politiefunctionaris mee voor heeft gezorgd dat proeven in het kader van de wapenwet zijn afgenomen van leden van de schietclub waarvan hij bestuurder is en dat hij tijdens de dienst kledij van de schietclub droeg en telefoons voor de schietclub heeft beantwoord. Gelet op die feiten, die door de verzoekende partij niet worden betwist en door de verwerende partij dus als bewezen mogen worden beschouwd, treedt de verwerende partij de perken van de redelijkheid niet te buiten als zij overweegt “dat de belangen als enerzijds politiefunctionaris met een voorbeeldfunctie en als anderzijds bestuurder van een schietclub niet verzoenbaar zijn” en dat “[a]ls [de bestuurder van de verzoekende partij] er mee voor zorgt dat er proeven worden afgenomen in het kader van de wapenwet ten aanzien van leden van een schietclub waarvan [hij] bestuurder [is], [hij zijn] onafhankelijkheid als politiefunctionaris [ondermijnt] en [hij zijn] gezagspositie [misbruikt] om private belangen te dienen”. De verwerende partij handelt evenmin onredelijk als zij mee op grond van deze elementen besluit dat de bestuurder van de verzoekende partij zijn voorbeeldfunctie als inspecteur bij de lokale politie niet ten volle heeft gerespecteerd en dat element betrekt bij haar onderzoek of het uitoefenen van activiteiten als tussenpersoon een potentieel gevaar voor de openbare orde kan betekenen. Dat die gedragingen louter verband houden met het uitoefenen van een functie binnen de politie, zoals de verzoekende partij aanvoert, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Geen enkele regel verzet zich er immers tegen dat de verwerende partij bij het onderzoek of het uitoefenen van activiteiten als tussenpersoon een potentieel gevaar voor de openbare orde kan betekenen, ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.114 IX-10.562-26/33 rekening houdt met hoe iemand zich tijdens zijn vorige functie heeft gedragen. In dit geval is dit gedrag overigens des te meer actueel en relevant aangezien de bestuurder van de verzoekende partij als politiefunctionaris belast was met taken in het kader van de wapenwetgeving en over een voorbeeldfunctie beschikte. 19. Een tweede motief van de bestreden beslissing is dat uit camerabeelden is gebleken dat de bestuurder van de verzoekende partij twee dames – waarvan een minderjarige – toegang heeft verschaft tot de schietstand en de wapenkamer van de politiezone op het moment dat het commissariaat reeds was gesloten. Daarbij was ook te zien dat beide vrouwen een collectief wapen in handen hielden. De verwerende partij steunt dit motief op eigen, objectieve vaststellingen van de politie die zijn vervat in onder meer aanvankelijk proces-verbaal BR.14.L3.009345/2021 en navolgend proces-verbaal 102276/2022 waarin die feiten zijn beschreven. Er kan worden vastgesteld dat de verzoekende partij niet ontkent dat haar bestuurder onbevoegde personen toegang heeft verleend tot de schietstand en de wapenkamer van de politiezone. Wel voert zij aan dat niet is vastgesteld dat op de schietstand is geschoten. In de bestreden beslissing wordt de bestuurder van de verzoekende partij echter niet aangewreven dat er zou zijn geschoten en dat de schietstand voor privédoeleinden is gebruikt. Er wordt hem enkel verweten dat hij twee onbevoegde personen toegang heeft verschaft tot de schietstand en de wapenkamer, waarbij is vastgesteld dat beide dames een collectief wapen droegen. De verzoekende partij merkt ook nog op dat haar bestuurder toelating heeft gevraagd en verkregen om de schietstand te gebruiken. Uit het stuk waarnaar de verzoekende partij verwijst – een schermafdruk van een SMS- conversatie – blijkt echter dat haar bestuurder aan zijn hiërarchisch overste per sms heeft gevraagd of hij ermee instemde dat “Alex, Koen en ik morgen om 17u komen schieten”, waarop de hiërarchisch overste “Ok” heeft geantwoord. In geen geval is toestemming gevraagd, laat staan verkregen, om twee vrouwen toegang te verlenen tot de schietstand en de wapenkamer. IX-10.562-27/33 Gelet op het voorgaande mocht de verwerende partij tot het besluit komen dat het bewezen is dat de bestuurder van de verzoekende partij twee onbevoegde personen toegang heeft verleend tot de schietstand en de wapenkamer van de politiezone. De verwerende partij treedt de perken van de redelijkheid niet te buiten als zij mee op grond van dit feit besluit dat de bestuurder van de verzoekende partij zijn voorbeeldfunctie als inspecteur bij de lokale politie niet ten volle heeft gerespecteerd en dat element betrekt bij haar onderzoek of het uitoefenen van activiteiten als tussenpersoon een potentieel gevaar voor de openbare orde kan betekenen. 20. Een derde motief van de bestreden beslissing is het feit dat er ernstige aanwijzingen zijn dat er schietdoelen met menselijke silhouetten en met het logo van de schietclub waarvan de bestuurder van de verzoekende partij bestuurder is, zijn geleverd aan de politiezone. De verwerende partij steunt dit motief op een verslag van een politieonderzoek van 22 november 2021 waaruit blijkt dat een leverancier van schietdoelen heeft verklaard dat in 2019 schietdoelen aan de politiezone zijn geleverd waarop onder meer de website en het logo van de schietclub Sheepdog is vermeld en waarbij op het rechtse schietdoel een menselijk silhouet is afgebeeld. De verzoekende partij betwist dit feit als dusdanig niet. Wel stelt zij dat niet is aangetoond dat haar bestuurder de schietdoelen daadwerkelijk aan de leden van de schietclub ter beschikking heeft gesteld, maar dat wordt de bestuurder van de verzoekende partij in de bestreden beslissing niet verweten. De verzoekende partij voert ook nog aan dat de bestelling, vervaardiging, levering, overdracht of het bezit van de doelen met menselijke silhouetten niet strafbaar is en overeenkomstig artikel 3, eerste lid, 10°, van het koninklijk besluit van 13 juli 2000 enkel het niet-opleggen van een verbod in het huishoudelijk reglement om doelkaarten met menselijke silhouetten te gebruiken een strafbare inbreuk is. Dienaangaande kan worden opgemerkt dat artikel 3, eerste lid, 10°, van het koninklijk besluit van 13 juli 2000 als voorwaarde voor de erkenning van een schietstand oplegt dat “het beoefenen van schiettechnieken waarbij gebruik wordt gemaakt van realistische situaties, of menselijke silhouetten als doel, of gewelddadige scenario’s, of laserrichtapparatuur, of schieten vanuit dekking, of waarbij het wapen verborgen wordt gehouden, is verboden voor particulieren en ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.114 IX-10.562-28/33 bewakingsagenten”. Het gaat dus niet enkel over het niet-opleggen van een verbod in het huishoudelijk reglement van de schietclub. Bovendien wordt in de bestreden beslissing de bestuurder van de verzoekende partij aangerekend dat hij via de politiezone schietdoelen met menselijke silhouetten en het logo van de schietclub heeft laten leveren. De verwerende partij treedt de perken van de redelijkheid niet te buiten als zij mee op grond van dit feit besluit dat de bestuurder van de verzoekende partij zijn voorbeeldfunctie als inspecteur bij de lokale politie niet ten volle heeft gerespecteerd en dat element betrekt bij haar onderzoek of het uitoefenen van activiteiten als tussenpersoon een potentieel gevaar voor de openbare orde kan betekenen. 21. Dat de bestuurder van de verzoekende partij een blaam is opgelegd, is een louter feitelijke constatering in de bestreden beslissing. Zoals hiervóór is uiteengezet, mocht de verwerende partij de in de bestreden beslissing aangehaalde elementen als bewezen beschouwen en mee in aanmerking nemen bij haar onderzoek of het uitoefenen van activiteiten als tussenpersoon een potentieel gevaar voor de openbare orde kan betekenen. Het is alleszins niet zo – zoals de verzoekende partij beweert – dat de verwerende partij louter uit de omstandigheid dat de bestuurder een blaam is opgelegd de aangehaalde elementen als voldoende vaststaande feiten beschouwt en als relevant om de risico’s voor de openbare orde te beoordelen. 22. De verwerende partij overweegt in de bestreden beslissing ook dat de verzoekende partij als tussenpersoon activiteiten wil uitoefenen waarvan verboden wapens het voorwerp zijn en zij gaat ervan uit dat de verzoekende partij bij haar activiteiten “gebruik [wil] maken van de uitzondering voorzien in artikel 27, § 1, vierde lid, van de wapenwet” (blz. 17 van de bestreden beslissing). In haar “eindevaluatie” overweegt de verwerende partij hieromtrent dat “de wapenwet [voorziet] in een uitzondering voor erkende wapenhandelaars/tussenpersonen om dergelijke verboden wapens te verhandelen ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.114 IX-10.562-29/33 aan de diensten van het openbaar gezag of de openbare macht voor wat betreft specifieke bestellingen”. Vervolgens stelt zij dat “[g]elet op de aard van het voorwerp van die activiteiten (verboden wapens voor diensten van het openbaar gezag of van de openbare macht) […] het noodzakelijk [is] dat dergelijke erkenning enkel wordt toevertrouwd aan personen waarvan het gedrag in het verleden heeft aangetoond dat er niet moet worden gevreesd voor misbruiken van of ongelukken met wapens” en dat men “[o]ok als tussenpersoon erkend voor dergelijke verboden wapens beschikt […] over een voorbeeldfunctie en […] in alle transparantie correct [dient] te handelen bij de uitoefening van zijn activiteiten”. Tot slot oordeelt de verwerende partij dat “[u]it uw recente verleden blijkt dat de overheid u het vertrouwen om activiteiten van tussenpersoon in verboden wapens zoals bedoeld in artikel 27, §1, vierde lid van de wapenwet [uit te oefenen], niet kan geven”. 23. Artikel 27, § 1, vierde lid, van de wapenwet voorziet in een uitzondering op het in artikel 8 van de wapenwet bedoelde verbod om verboden wapens te vervaardigen, herstellen, te koop stellen, verkopen, overdragen of vervoeren, opslaan, voorhanden hebben of dragen. Deze uitzondering luidt: “Wapenhandelaars mogen de wapens en hulpstukken bedoeld in artikel 3, § 1, enkel verwerven, voorhanden hebben en overdragen in de zin van deze paragraaf als zij daartoe zijn erkend. Deze vuurwapens en hulpstukken moeten overeenstemmen met specifieke bestellingen of dienen tot prospectie in een beperkte hoeveelheid die de Koning nader kan bepalen.” 24. De in artikel 27, § 1, vierde lid, van de wapenwet bedoelde uitzondering geldt enkel voor wapenhandelaars en niet voor tussenpersonen. Het is dan ook vergeefs dat de verwerende partij steun zoekt in de parlementaire voorbereiding van de wapenwet om aannemelijk te maken dat artikel 27, § 1, vierde lid, van de wapenwet zegt wat er niet staat, namelijk dat het ook zou gelden voor tussenpersonen. Zoals de verzoekende partij terecht stelt, zou de in artikel 27, § 1, vierde lid, van de wapenwet bedoelde uitzondering zinloos zijn voor tussenpersonen aangezien zij geen wapens verwerven, voorhanden hebben en overdragen, maar enkel partijen met elkaar in contact brengen. IX-10.562-30/33 25. Door er in de bestreden beslissing vanuit te gaan dat de verzoekende partij bij haar activiteiten als tussenpersoon gebruik wil maken van de in artikel 27, § 1, vierde lid, van de wapenwet bedoelde uitzondering, daaruit af te leiden dat zij als tussenpersoon erkend voor verboden wapens een voorbeeldfunctie heeft in die zin en te oordelen dat “[u]it uw recente verleden blijkt dat de overheid u het vertrouwen om activiteiten van tussenpersoon in verboden wapens zoals bedoeld in artikel 27, §1, vierde lid van de wapenwet [uit te oefenen], niet kan geven” heeft de verwerende partij de bestreden beslissing niet correct gemotiveerd. 26. Zoals hiervóór is uiteengezet, is geen van de motieven van de bestreden beslissing doorslaggevend. Indien dan blijkt dat één van de motieven niet deugdelijk is, dient de Raad van State de bestreden beslissing te vernietigen. De Raad kan zich immers niet in de plaats stellen van de verwerende partij en oordelen of de motieven die wél overeind blijven, volstaan om de erkenning als tussenpersoon te weigeren. 27. Het eerste middel is in de sub 25 aangegeven mate gegrond. V. Verzoek tot anonimisering Verzoek 28. De verzoekende partij vraagt om anonimisering bij de publicatie van het arrest. Zij argumenteert: “De publicatie van de bestreden beslissing in een arrest zou tal van privé gegevens omtrent verzoekende partij bevatten en kan de reputatie van verzoekende partij aantasten indien hij in de toekomst nog professionele activiteiten beoefent. Om deze reden verzoek ik u om de naam van verzoekende partij weg te laten bij de publicatie van het arrest.” IX-10.562-31/33 Beoordeling 29. Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet- toelaatbaarheid van de Raad van State’, kan bij de publicatie van het arrest de identiteit van natuurlijke personen, op uitdrukkelijk verzoek van een natuurlijke persoon die partij is bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig is, worden weggelaten. Deze mogelijkheid staat aldus niet open voor de verzoekende partij die een rechtspersoon is. Zij toont voorts niet aan dat haar naam bepalend is voor de wijze waarop een natuurlijke persoon in het maatschappelijk verkeer wordt beoordeeld in die zin dat haar naam herleidbaar is tot een natuurlijke persoon. 30. Het verzoek wordt niet ingewilligd. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de minister van Justitie van 10 augustus 2024 houdende de weigering van de erkenning van de bv Beviking als tussenpersoon. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-10.562-32/33 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negen december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.562-33/33 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.114 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.187 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.