id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.115 Rolnummer: A. 243373/IX-10574 Zaak: Arrest 265115 - Wapens – exportvergunningen - 09/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-12 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-15 09:52 Fiche Arrest nr 265.115 van 9 december 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens – exportvergunningen Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 265.115 van 9 december 2025 in de zaak A. 243.373/IX-10.574 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nico Demeyere kantoor houdend te 8531 Bavikhove Ter Coutere 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel Van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 31 oktober 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 5 september 2024 houdende de weigering van de erkenning tot wapenhandelaar. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. IX-10.574-1/18 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 november
- Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nico Demeyere , die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Michel Van Dievoet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 17 augustus 2020 dient verzoeker een aanvraag in om te worden erkend als wapenhandelaar. 3.
- De lokale politie geeft op 18 september 2020 een gunstig advies. Op 14 januari 2021 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Riemst eveneens een gunstig advies. De procureur des Konings adviseert op 13 augustus 2021 ongunstig, omdat “blijkt dat er ongunstige gegevens te vermelden zijn over de morele eigenschappen van betrokkene hetgeen mogelijk aanleiding kan geven tot verstoring van de openbare orde”. IX-10.574-2/18 3.
- Op 6 september 2021 weigert de gouverneur van de provincie Limburg verzoekers aanvraag. 3.
- Verzoeker stelt op 13 oktober 2021 een beroep in tegen die beslissing. 3.
- De procureur des Konings handhaaft op 19 oktober 2021 zijn ongunstig advies, waarbij hij verduidelijkt: “Het negatief advies werd gegeven op basis van een strafdossier inzake feiten van vereniging van misdadigers, witwassen en schriftvervalsing – referte 20 CO 10319 (HA.45.98.19-20). Dit dossier is nog steeds in behandeling (parket Limburg afd. Hasselt).” Het college van burgemeester en schepenen geeft op 8 december 2021 een ongunstig advies, “gezien het negatief advies van de gouverneur en het parket”. 3.
- Op 22 maart 2022 meldt de procureur des Konings dat het strafdossier “dat aan de basis lag van eerder negatief advies”, is geseponeerd wegens “geen misdrijf”. Daarom wordt het advies inzake de aanvraag tot erkenning als wapenhandelaar gewijzigd in ‘gunstig’. 3.
- Op 6 juli 2022 deelt de federale wapendienst van de FOD Justitie aan verzoeker mee dat “op basis van de ons beschikbare gegeven[s] in dit dossier een erkenning zoals in de aanvraag omschreven […] zou kunnen worden toegekend”. Verzoeker wordt vervolgens verzocht om aan te tonen dat de vestigingsplaats van de wapenhandel voldoet aan de veiligheidsmaatregelen bedoeld in het koninklijk besluit van 24 april 1997 ‘tot bepaling van de veiligheidsvoorwaarden bij het opslaan, het voorhanden hebben, het vervoer en het verzamelen van vuurwapens, munitie of laders’. IX-10.574-3/18 3.
- De lokale politie geeft op 5 december 2022 een gunstig advies wat betreft het voldoen aan de veiligheidsvoorwaarden. 3.
- Op 17 juni 2024 deelt de procureur des Konings mee dat “ongunstige gegevens te vermelden zijn inzake de morele eigenschappen van [verzoeker]”. Daarbij wordt vermeld: “Aanvrager maakt nl. het voorwerp uit van een nog lopend opsporingsonderzoek van het parket Limburg (23 CO 13172) inzake inbreuken op de wapenwetgeving. Mogelijk kunnen deze feiten aanleiding geven tot verstoring van de openbare orde.” 3.
- De minister van Justitie verwerpt op 5 september 2024 het beroep van verzoeker. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motivering onder meer luidt: “Overeenkomstig artikel 5, § 3, van de wapenwet kan de erkenning als wapenhandelaar of tussenpersoon alleen worden geweigerd om redenen die verband houden met de handhaving van de openbare orde en moet elke weigeringsbeslissing met redenen omkleed zijn. Uw erkenningsaanvraag als wapenhandelaar werd aan een nieuw uitgebreid onderzoek onderworpen waarbij volgende elementen werden nagegaan: […] 4.5.
- Wat betreft de herkomst van de financiële middelen (artikel 5, § 2, van de wapenwet): Conform artikel 2 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van de wapenwet dient de aanvrager van een erkenning bedoeld in artikel 5 van de wapenwet de herkomst van de voor de activiteit aangewende financiële middelen aan te tonen door middel van deugdelijke schriftelijke bewijzen, zoals bankdocumenten en financiële overeenkomsten. Bij de erkenningsaanvraag […] werd een overzicht van de financieringsbronnen gevoegd dat melding maakt dat de voorgenomen investering van 8000 euro zal gefinancierd […] worden met eigen middelen. De herkomst van de voor de activiteit aangewende financiële middelen wordt niet aangetoond door middel van bijvoorbeeld bankdocumenten. Daarnaast wordt nog vermeld dat de voorgenomen investering desgevallend aangevuld zal worden met voorschotten van de aandeelhouders en bevriende relaties. → Besluit: de [wapenhandel] zou in principe opgericht worden door een inbreng van eigen vermogen hetgeen voldoet aan artikel 2, doch door melding te maken van het feit van voorschotten via bevriende relaties wordt de indruk gewekt dat (een deel van) de herkomst van de financiële middelen IX-10.574-4/18 niet duidelijk is. […] 4.5.
- Wat betreft de adviezen: […] 4.5.
- Eindevaluatie: Uit het voorgaande kan besloten worden dat de moraliteitscreening ongunstig is. Immers bestaan er sterke aanwijzingen dat u (zakelijke) banden hebt met personen van een twijfelachtige moraliteit, dat er een lopend onderzoek is tegen [u] wegens inbreuken op de wapenwetgeving, dat u opnieuw het voorwerp uitmaakt van een intrekkingsbeslissing van de gouverneur. Het toestaan van een erkende wapenhandel in die omstandigheden zou een potentieel gevaar met zich meebrengen voor de openbare orde en veiligheid. Bijgevolg moet worden besloten dat uw erkenningsaanvraag als wapenhandel niet voldoet aan de wettelijke vereisten, minstens onvolledig is en bijgevolg onmogelijk kan worden ingewilligd aangezien de afgifte van een getuigschrift van erkenning als wapenhandelaar omwille van de aangehaalde motieven een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid zou impliceren.” IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 4.
- Het enige middel is genomen uit de schending van artikel 5, § 3, tweede lid, van de wet van 8 juni 2006 ‘houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (“wapenwet”), de materiëlemotiveringsplicht, de zorgvuldigheidsplicht en het vertrouwensbeginsel. Verzoeker voert aan dat de weigering van de erkenning als wapenhandelaar steunt op twee motieven, namelijk eensdeels dat de erkenningsaanvraag niet voldoet aan de wettelijke vereisten omdat ze minstens onvolledig is en anderdeels dat de erkenning een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid zou impliceren. 4.
- In wat als een eerste onderdeel van het middel kan worden beschouwd, betwist verzoeker het motief dat de erkenningsaanvraag niet voldoet aan de wettelijke vereisten omdat ze minstens onvolledig is. Hij argumenteert dat de wapenwet zelf geen voorwaarden oplegt waaraan de volledigheid of de IX-10.574-5/18 ontvankelijkheid van een aanvraag moet worden getoetst. Wel bepaalt artikel 5, § 3, van de wapenwet dat de erkenning alleen kan worden geweigerd om redenen die verband houden met de openbare orde. Verzoeker leidt daaruit af dat het al dan niet volledig zijn van een aanvraagdossier geen weigeringsgrond is en dat door de erkenning te weigeren omdat de aanvraag minstens onvolledig is, de bestreden beslissing artikel 5, § 3, van de wapenwet schendt. Voorts betoogt verzoeker dat in artikel 2 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 ‘tot uitvoering van de wapenwet’ (hierna: het koninklijk besluit van 20 september 1991) wordt bepaald dat de erkenningsaanvraag gebeurt middels een formulier dat bij de gouverneur wordt ingediend. Daarbij moet een getuigschrift van goed zedelijk gedrag worden gevoegd, alsook de stukken die de identificatie van de aanvrager en van zijn activiteit mogelijk maken. In de bestreden beslissing wordt vermeld dat die stukken aanwezig zijn. Voorts vereist artikel 2 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 dat de aanvrager de herkomst van de voor de activiteit aangewende financiële middelen aantoont door middel van deugdelijke schriftelijke bewijzen, zoals bankdocumenten en financiële overeenkomsten. In de bestreden beslissing wordt opgemerkt dat de inbreng van eigen middelen niet door een bankdocument wordt aangetoond. Volgens verzoeker is dit ook niet mogelijk omdat de inbreng pas kan gebeuren na het opstarten van de activiteit. Hij wijst erop dat de bijlage bij de aanvraag een overzicht bevat van de oorsprong van de middelen. Dit vormt, aldus verzoeker, een schriftelijk bewijsstuk waarin wordt aangegeven hoeveel middelen er nodig zijn en dat voor de financiering de aanvrager een beroep zal doen op eigen middelen. In het besluit van de rubriek omtrent de herkomst van de financiële middelen wordt gesteld dat de oprichting door inbreng van eigen vermogen voldoet aan artikel 2 van het koninklijk besluit van 20 september 1991, waardoor de aanvraag wat dit punt betreft volledig is. Voorts wordt opgemerkt dat er onduidelijkheid is over de herkomst van de middelen die eventueel nodig zijn om de investeringen te dekken. Verzoeker betoogt daaromtrent dat de voorwaarde om de oorsprong van de financiële middelen aan te tonen van toepassing is bij het indienen van de aanvraag. Noch de wapenwet, noch de uitvoeringsbesluiten ervan, leggen als voorwaarde op dat de IX-10.574-6/18 wapenhandelaar na het opstarten van de erkende wapenhandel voortdurend de verplichting zou hebben om de herkomst aan te tonen van alle financiële middelen die hij voor investeringen of voor zijn activiteit gebruikt. Deze voorwaarde wordt derhalve enkel bij de aanvraag beoordeeld, waardoor het voldoende is dat wordt aangetoond waar de nodige middelen – 8000 euro – vandaan komen. Verzoeker laat voorts gelden dat geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling stelt dat een aanvraag kan worden afgewezen als onontvankelijk of onvolledig indien stukken zouden ontbreken en dat niets belet dat de verwerende partij bijkomende stukken opvraagt. Op 6 juli 2022 heeft de verwerende partij bijkomende informatie gevraagd omtrent de veiligheidsvoorwaarden. In dit schrijven is te kennen gegeven dat een erkenning kan worden verleend op grond van de stukken van het dossier. Nergens is opgemerkt dat een stuk zou ontbreken waardoor de aanvraag onvolledig zou zijn. Evenmin heeft de verwerende partij om bijkomende stukken gevraagd. Volgens verzoeker heeft het schrijven van 6 juli 2022 dan ook minstens het gerechtvaardigd vertrouwen gecreëerd dat de aanvraag volledig was en aan de wettelijke voorwaarden voldeed waardoor de erkenning kan worden verleend mits wordt aangetoond dat aan de veiligheidsvoorwaarden is voldaan. Door dan na meer dan een jaar een weigeringsbeslissing te nemen omdat het dossier onvolledig zou zijn, is het vertrouwensbeginsel miskend. Tot slot voert verzoeker aan dat indien een overheid beslist dat een aanvraag onvolledig is, zij minstens moet aangeven welke elementen wettelijk of reglementair zijn vereist om tot een volledige aanvraag te komen en welke elementen volgens haar ontbreken. Nu beperkt de bestreden beslissing zich ertoe op te merken dat de aanvraag minstens onvolledig is en moet worden afgewezen, zonder duidelijk en ondubbelzinnig aan te geven welk stuk of welke informatie zou ontbreken. Verzoeker meent dat de bestreden beslissing in die zin niet behoorlijk is gemotiveerd. 4.
- In wat als een tweede middelonderdeel kan worden beschouwd, voert verzoeker aan dat de materiëlemotiveringsplicht en het IX-10.574-7/18 zorgvuldigheidsbeginsel zijn miskend doordat de feiten waaruit wordt afgeleid dat de erkenning een potentieel gevaar voor de openbare orde kan inhouden niet afdoende vaststaan en onvoldoende zijn bewezen en de verwerende partij heeft nagelaten om hierover nader onderzoek te voeren. Vervolgens licht hij dit uitvoerig toe.
- In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker met betrekking tot het eerste middelonderdeel dat de regelgeving geen criteria bevat om te beoordelen wanneer bewijzen al dan niet deugdelijk zijn. Uit artikel 2 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 volgt, zo stelt verzoeker, dat bankdocumenten en financiële documenten deugdelijke bewijzen zijn, maar de tekst sluit niet uit dat ook andere bewijzen worden voorgelegd en omvat ook geen criteria ter beoordeling van de deugdelijkheid daarvan. Verzoeker argumenteert dat in casu een financieel plan is opgesteld door een extern accountant en een notariële akte voorligt waaruit blijkt dat de vennootschap is opgericht met een kapitaal van 3000 euro; dat toont aan hoe de onderneming zal worden gefinancierd. Volgens verzoeker is een financieel plan dat wordt opgesteld door een extern accountant in het kader van de oprichting van een besloten vennootschap in uitvoering van het Wetboek Verenigingen en Vennootschappen een deugdelijk document dat uitgaat van een derde die onderzoekt of de financiële middelen voldoende zijn. In het financieel plan wordt aangegeven dat de nodige middelen 8000 euro bedragen. De notariële oprichtingsakte waarbij de notaris vaststelt dat 3000 euro is ingebracht in geld door storting op een geblokkeerde bankrekening is een deugdelijk bewijs voor deze inbreng. Uit tabel 5 van het financieel plan blijkt dat de resterende 5000 euro zal worden gefinancierd met eigen middelen, eventueel aangevuld met voorschotten. In tabel 9 van het financieel plan wordt een projectie gemaakt van de eigen middelen die de vennootschap verwacht te genereren. Daaruit blijkt een voorschot van de bestuurder van 10.000 euro, dat in het tweede boekjaar zal worden terugbetaald. Voorts blijkt dat de vennootschap hetzelfde bedrag aan cash zal generen. Derhalve wordt aangetoond dat de vennootschap de middelen die naast de inbreng nog nodig zijn, zal genereren door haar bedrijfsactiviteit, met andere woorden door autofinanciering. Dit blijkt eveneens uit tabel 7 waarin de beschikbare middelen worden geschat. Volgens verzoeker is de bestreden IX-10.574-8/18 beslissing dan ook niet afdoende gemotiveerd in zoverre wordt besloten dat de erkenningsaanvraag niet voldoet aan de wettelijke vereisten of onvolledig is.
- In zijn laatste memorie weerspreekt verzoeker dat enkel bankdocumenten en financiële overeenkomsten deugdelijke bewijzen zijn voor de herkomst van financiële middelen. Hij argumenteert dat het gebruik van het woord “zoals” erop wijst dat de opsomming door de regelgever exemplatief is. Uit de omstandigheid dat de afdeling Wetgeving van de Raad van State in haar advies heeft opgemerkt dat de criteria moesten worden verduidelijkt, kan volgens verzoeker niet worden afgeleid dat de regelgever heeft beoogd om de criteria limitatief te bepalen. Overigens worden in paragraaf 4.1.6 van de omzendbrief van 25 oktober 2011 ‘over de toepassing van de wapenwetgeving’ ook andere bewijsmiddelen als voldoende deugdelijk aangemerkt, zoals balansen, leningen, waarborgen of andere documenten. Verzoeker stelt dat bij gebrek aan limitatief vastgelegde criteria de verwerende partij een zekere discretionaire bevoegdheid heeft bij de beoordeling of de voorgelegde documenten al dan niet deugdelijk zijn in de zin dat ze voldoende transparantie bieden over de herkomst van de aangewende financiële middelen. Hij verwijst in dat verband naar arrest nr. 248.981 van 20 november
- Verzoeker merkt op dat te dezen bij de aanvraag een financieel plan is gevoegd dat in de tabellen 9 en 10 projecties bevat van de balansen, alsook uitgebreide informatie om te staven waarop deze steunen. Volgens verzoeker moet in het licht van de omzendbrief worden aangenomen dat balansen opgenomen in een financieel plan volstaan. Voorts stipt verzoeker aan dat de voorliggende feiten sterk verschillen van de feiten die aanleiding hebben gegeven tot arrest nr. 248.981 van 20 november 2020 waarin is geoordeeld dat de herkomst van de aangewende financiële middelen niet deugdelijk is aangetoond. Zo heeft verzoeker niet alleen verklaard een eigen inbreng te doen van 3000 euro met eigen middelen; die inbreng wordt ook bewezen door het voorleggen van de oprichtingsakte waarin de notaris verklaart dat de inbreng daadwerkelijk is gebeurd. Voorts is er geen sprake van een eigen, eenzijdige verklaring afgelegd aan politieambtenaren. Wel is er een financieel plan dat is opgesteld door een externe accountant in het kader van de IX-10.574-9/18 oprichting van een vennootschap. Er is ook geen gebruik gemaakt van een standaard business plan, maar van een bijzonder uitgebreid business plan. Tot slot is in het voorliggende dossier de vennootschap opgericht en zijn de eigen middelen volgestort, terwijl in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot arrest nr. 248.981 van 20 november 2020 niet bekend was wie de handel zou uitbaten, noch waar die zou worden gevestigd. Verzoeker is van oordeel dat het standpunt van de verwerende partij stoelt op een geïsoleerde lezing van tabel 5 van het financieel plan, terwijl tabel 5 moet worden gelezen samen met tabel
- Uit tabel 4 blijkt dat er totale investeringen van 8000 euro nodig zijn. Uit tabel 5 blijkt dat deze worden gefinancierd met eigen middelen, eventueel aangevuld met voorschotten van aandeelhouders en bevriende relaties. Uit de oprichtingsakte blijkt een eigen inbreng van 3000 euro. De tabellen 4 en 5 handelen enkel over de financiering van de investeringen. De voor de activiteit aangewende middelen worden niet alleen gebruikt om de investeringen te financieren, maar ook om in werkkapitaal te voorzien. Om die reden biedt tabel 5 slechts een gedeeltelijk overzicht van de nodige financiële middelen. De geprojecteerde balansen in de tabellen 9 en 10 geven een volledig beeld van de financiële positie van de onderneming. De kolom ‘passiva’ van de balans geeft de oorsprong van het vermogen weer. Daaruit blijkt dat in het eerste boekjaar 3000 euro kapitaal wordt ingebracht, het resultaat van het boekjaar 9408 euro zal bedragen en de bestuurder een voorschot van 10.000 euro zal inbrengen. Uit de oprichtingsakte blijkt dat verzoeker de bestuurder is. Dit blijkt ook uit de uittreksels uit de kruispuntbank voor ondernemingen. Met deze middelen worden de investeringen van 8000 euro, de voorraden en het werkkapitaal gefinancierd. Uit dit alles blijkt volgens verzoeker dat de herkomst van de aangewende financiële middelen is aangetoond aan de hand van deugdelijke bewijsstukken. Het financieel plan komt aldus ruimschoots tegemoet aan de door de wetgever beoogde transparantie met betrekking tot de herkomst van de financiële middelen. IX-10.574-10/18 Beoordeling
- Uit de motivering van de bestreden beslissing, zoals sub 3.10 aangehaald, blijkt dat de verwerende partij verzoekers aanvraag tot erkenning als wapenhandelaar afwijst omdat, onder meer, de aanvraag “niet voldoet aan de wettelijke vereisten, minstens onvolledig is”.
- Verzoekers grief dat in de bestreden beslissing niet duidelijk en ondubbelzinnig wordt aangegeven welk stuk of welke informatie zou ontbreken, houdt verband met de formele motivering van de bestreden beslissing. In het middel heeft verzoeker evenwel geen schending aangevoerd van de formelemotiveringsplicht. In die mate is het middel onontvankelijk. Overigens leert de toelichting bij het eerste middelonderdeel dat verzoeker wel degelijk weet dat de ontbrekende informatie die de verwerende partij doet besluiten dat de erkenningsaanvraag “minstens onvolledig” is, verband houdt met de voorwaarde dat de aanvrager de herkomst van de voor de activiteit aangewende financiële middelen moet aantonen door middel van deugdelijke schriftelijke bewijzen. Verzoeker tracht immers de Raad van State ervan te overtuigen dat hij wél aan die voorwaarde heeft voldaan.
- Artikel 5, §§ 1 tot 3, van de wapenwet luidt, voor zover hier relevant: “§
- Niemand mag op het Belgisch grondgebied activiteiten als wapenhandelaar of als tussenpersoon uitoefenen, of zich als dusdanig bekend maken, zonder daartoe vooraf te zijn erkend door de gouverneur bevoegd voor de vestigingsplaats. […] §
- De aanvrager moet zijn beroepsbekwaamheid bewijzen voor de activiteit die hij wenst uit te oefenen en de herkomst van de voor zijn activiteit aangewende financiële middelen aantonen op de wijze bepaald door de Koning. […] §
- De gouverneur doet uitspraak over de aanvraag om erkenning na ontvangst van het met redenen omkleed advies van de procureur des Konings en van de burgemeester bevoegd voor de vestigingsplaats en voor de IX-10.574-11/18 woonplaats van de aanvrager. De erkenning kan alleen worden geweigerd om redenen die verband houden met de handhaving van de openbare orde. Elke beslissing tot weigering vanwege de gouverneur moet met redenen omkleed zijn.” In de memorie van toelichting bij het ontwerp van wet dat de wapenwet is geworden, is te lezen (Parl.St. Kamer 2005-06, nr. 2263/1, 22): “Er worden twee nieuwe maar evidente voorwaarden voor erkenning ingevoerd in de wet. De kandidaat-wapenhandelaar zal voortaan zijn beroepsbekwaamheid moeten aantonen (dit was nog niet het geval voor een beroep dat veel meer risico’s inhoudt dan vele andere beroepen waarvan de toegang wel, soms strikt, is gereglementeerd). Daarnaast zal hij ook de oorsprong van de financiële middelen die hij in zijn zaak investeert moeten aantonen. Een uitvoeringsbesluit zal nader bepalen op welke manier hij zulks moet bewijzen.”
- Uit het voorgaande blijkt dat de wapenwet voorziet in twee (cumulatieve) erkenningsvoorwaarden waaraan de aanvrager van een erkenning tot wapenhandelaar op het moment van de erkenning moet voldoen, namelijk zijn beroepsbekwaamheid bewijzen en de herkomst aantonen van de voor zijn activiteit aangewende financiële middelen. Indien aan deze twee erkenningsvoorwaarden is voldaan, mag de verwerende partij enkel nog de erkenning weigeren om redenen die verband houden met de handhaving van de openbare orde (artikel 5, § 3, van de wapenwet). Indien aan minstens één van de erkenningsvoorwaarden niet is voldaan, moet de verwerende partij de erkenningsaanvraag weigeren. In tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, is het niet volledig zijn van een aanvraag wat betreft het aantonen van de herkomst van de voor de activiteit aangewende financiële middelen dus wel degelijk een valabele weigeringsgrond. Sterker nog, het is zelfs een determinerend en voldoende motief om de aanvraag te weigeren.
- Artikel 5, § 2, eerste lid, van de wapenwet is uitgevoerd door artikel 2, laatste lid, van het koninklijk besluit van 20 september 1991, zoals IX-10.574-12/18 aangevuld door artikel 4, 2°, van het koninklijk besluit van 16 oktober 2008 ‘tot wijziging van diverse uitvoeringsbesluiten van de wapenwet’. Deze bepaling luidt: “De aanvrager van een erkenning bedoeld in de artikelen 5 en 21 van de wet toont de herkomst van de voor de activiteit aangewende financiële middelen aan door middel van deugdelijke schriftelijke bewijzen, zoals bankdocumenten en financiële overeenkomsten.”
- Nergens wordt omschreven wat moet worden verstaan onder “deugdelijke schriftelijke bewijzen”. Blijkens artikel 2, laatste lid, van het koninklijk besluit van 20 september 1991 komen bankdocumenten en financiële overeenkomsten alvast in aanmerking. Uit het gebruik van het woord “zoals” blijkt evenwel – zoals verzoeker terecht aanvoert – dat ook andere documenten een deugdelijk schriftelijk bewijs kunnen vormen. In de gecoördineerde omzendbrief van 25 oktober 2011 ‘over de toepassing van de wapenwetgeving’ wordt in punt 4.1.6 vermeld dat het “bijvoorbeeld [kan] gaan om balansen, leningen, waarborgen, statuten waaruit blijkt dat er aandelen zijn verkocht, enz.”. Niettemin volgt uit artikel 2, laatste lid, van het koninklijk besluit van 20 september 1991 dat het moet gaan om schriftelijke stukken en dat die stukken een bewijs moeten leveren van de herkomst van de voor de activiteit aangewende financiële middelen. De aanvrager moet, met andere woorden, bewijsstukken inzake de herkomst van de financiële middelen voorleggen.
- Wat het bedrag van de voor de activiteit aangewende financiële middelen betreft, verwijst verzoeker naar tabel 4 ‘Prognose van investeringen over twee jaar’ van het bij de erkenningsaanvraag gevoegde financieel plan dat door een externe accountant is opgesteld. Daaruit blijkt dat bij de oprichting van de vennootschap investeringen ten bedrage van 8000 euro zullen worden gedaan. Hetzelfde bedrag wordt vermeld in tabel 5 ‘Overzicht financieringsbronnen met opgave van zekerheden’. Derhalve viel het aan verzoeker toe om met deugdelijke schriftelijke bewijzen de herkomst daarvan aan te tonen. 14.
- Verzoeker is van oordeel dat hij aan deze erkenningsvoorwaarde heeft voldaan. IX-10.574-13/18 14.
- Hij verwijst vooreerst naar de bij de erkenningsaanvraag gevoegde notariële oprichtingsakte van de besloten vennootschap waaruit, zo meent verzoeker, blijkt dat hij 3000 euro kapitaal uit eigen vermogen in de vennootschap zal inbrengen. Dienaangaande wordt vastgesteld dat uit de voornoemde oprichtingsakte blijkt dat de notaris heeft geacteerd dat “[verzoeker] verklaart en erkent dat elk aandeel waarop werd ingetekend volledig volgestort werd door storting in speciën en dat het bedrag van deze stortingen, hetzij drieduizend euro (€ 3.000,00), is gedeponeerd op een bijzondere rekening […], geopend namens de vennootschap in oprichting”. Daarmee wordt niet bewezen dat de bewuste 3000 euro daadwerkelijk uit het eigen vermogen van verzoeker afkomstig is. Evenmin wordt met de notariële akte de herkomst van de overige voor de activiteit aangewende financiële middelen aangetoond. 14.
- Voorts verwijst verzoeker naar tabel 5 ‘Overzicht financieringsbronnen met opgave van zekerheden’, tabel 7 ‘Prognose van de beschikbare middelen over twee jaar’, tabel 9 ‘Geprojecteerde balans en resultatenrekening eerste jaar’ en tabel 10 ‘Geprojecteerde balans en resultatenrekening tweede jaar’ van het voor de besloten vennootschap opgestelde financieel plan. Daaruit blijkt, aldus verzoeker, dat hij 3000 euro zal inbrengen uit eigen vermogen, dat hij in het eerste boekjaar de vennootschap 10.000 euro zal voorschieten – wat in het tweede boekjaar zal worden terugbetaald – en dat de vennootschap na het eerste boekjaar een resultaat zal genereren van 9408 euro. Volgens verzoeker zullen daarmee de nodige middelen worden gefinancierd. Dienaangaande wordt vooreerst vastgesteld dat de tabellen 7, 9 en 10 louter prognoses en inschattingen zijn, met andere woorden aannames, die per definitie niet vermogen het bewijs te leveren van de herkomst van de financiële middelen. In die zin verschillen geprojecteerde balansen van klassieke balansen. Zo staat het onder meer geenszins vast dat de opgerichte vennootschap na het eerste boekjaar daadwerkelijk 9408 euro winst zal maken die zal kunnen worden IX-10.574-14/18 aangewend ter financiering van de benodigde middelen. Voorts wordt met een loutere vermelding in een geprojecteerde balans van een beschikbaar vermogen van 3000 euro en een voorschot van de bestuurder van 10.000 euro de herkomst van deze bedragen geenszins bewezen. Er wordt niet mee aangetoond dat deze bedragen afkomstig zijn uit het eigen vermogen van verzoeker, dan wel dat hij daarvoor een beroep doet op leningen of kapitaal van derden. Daarenboven blijkt dat in tabel 5 ‘Overzicht financieringsbronnen met opgave van zekerheden’ wordt vermeld dat de vennootschap “[d]e voorgenomen investering van 8.000 [euro] […] met eigen middelen [zal] financieren, desgevallend aangevuld met voorschotten van de aandeelhouders en bevriende relaties”. Er wordt aldus gewag gemaakt van mogelijke voorschotten door derden, zonder dat wordt vermeld om welke personen het gaat en welk bedrag zij desgevallend zullen voorschieten. 14.
- Terecht heeft de verwerende partij in de bestreden beslissing dan ook overwogen dat “door melding te maken van het feit van voorschotten via bevriende relaties […] de indruk [wordt] gewekt dat (een deel van) de herkomst van de financiële middelen niet duidelijk is” en dat “[d]e herkomst van de voor de activiteit aangewende financiële middelen […] niet [wordt] aangetoond door middel van bijvoorbeeld bankdocumenten”. Aldus blijkt dat de herkomst van de voor de activiteit aangewende financiële middelen niet wordt aangetoond door middel van deugdelijke schriftelijke bewijzen. De verwerende partij is dan ook zonder schending van de materiëlemotiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht tot het besluit kunnen komen “dat [verzoekers] erkenningsaanvraag als wapenhandel niet voldoet aan de wettelijke vereisten, minstens onvolledig is”.
- Uit artikel 5, § 2, eerste lid, van de wapenwet iuncto artikel 2, laatste lid, van het koninklijk besluit van 20 september 1991 volgt dat de aanvrager van de erkenning de schriftelijke bewijzen inzake de herkomst van de voor de activiteit aangewende financiële middelen moet voorleggen bij het indienen van de aanvraag. IX-10.574-15/18 Geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling schrijft voor dat de verwerende partij in de loop van het onderzoek van de erkenningsaanvraag de aanvrager ervan in kennis stelt dat stukken ontbreken bij de aanvraag – teneinde hem in de gelegenheid te stellen die stukken alsnog in te dienen – of zelf om bijkomende stukken vraagt. 16.
- Het vertrouwensbeginsel houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op toezeggingen of beloften die het bestuur in een concreet geval heeft gedaan of op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedragslijn of beleidsregel van het bestuur op grond waarvan dat bestuur de door hem opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen niet mag beschamen. Indien de burger zich beroept op toezeggingen van het bestuur, moet het gaan om concrete toezeggingen en moet het op grond van die toezeggingen opgewekte vertrouwen als een rechtmatige verwachting kunnen worden aangemerkt. Indien een normaal voorzichtige en oplettende burger had moeten weten dat de gewekte verwachtingen eventueel niet zouden kunnen of mogen worden gehonoreerd, dan kan die burger zich niet op het vertrouwensbeginsel beroepen. 16.
- Te dezen heeft de verwerende partij op 6 juli 2022 aan verzoeker meegedeeld dat “op basis van de ons beschikbare gegeven[s] in dit dossier een erkenning zoals in de aanvraag omschreven […] zou kunnen worden toegekend”. Verzoeker wist, of behoorde als normaal voorzichtige en oplettende burger te weten, dat de verwerende partij hem geen erkenning zou verlenen wanneer in strijd met artikel 5, § 2, eerste lid, van de wapenwet iuncto artikel 2, laatste lid, van het koninklijk besluit van 20 september 1991 de herkomst van voor de activiteit aangewende financiële middelen niet door middel van deugdelijke schriftelijke bewijzen wordt aangetoond. Het schrijven van 6 juli 2022 kan bij verzoeker dan ook geen rechtmatige verwachting hebben gewekt. Daarbij komt dat de verwerende partij zich in dat schrijven in voorzichtige bewoordingen en in de voorwaardelijke wijs tot verzoeker heeft gericht en geenszins de erkenning IX-10.574-16/18 concreet heeft toegezegd. Verzoeker kan zich dan ook niet op het vertrouwensbeginsel beroepen.
- Het eerste middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
- Aangezien het motief “dat [verzoekers] erkenningsaanvraag als wapenhandel niet voldoet aan de wettelijke vereisten, minstens onvolledig is” – omdat de herkomst van de voor de activiteit aangewende financiële middelen niet wordt aangetoond door middel van deugdelijke schriftelijke bewijzen – overeind blijft, is er een voldoende en determinerend motief voorhanden dat de bestreden beslissing schraagt. Daaruit volgt dat verzoekers kritiek op het andere motief van de bestreden beslissing – dat de erkenning een potentieel gevaar voor de openbare en veiligheid zou impliceren – niet moet worden onderzocht omdat deze niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden.
- Het enige middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.574-17/18 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negen december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.574-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.115 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div