id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.140 Rolnummer: A. 243014/VII-42663 Zaak: Arrest 265140 - Arbeids- en beroepskaarten - 10/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-12 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-15 09:52 Fiche Arrest nr 265.140 van 10 december 2025 Economische zaken - Arbeids- en beroepskaarten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 265.140 van 10 december 2025 in de zaak A. 243.014/VII-42.663 In zake :
- S.Z.
- de BV W. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thierry L’Allemand en Shana Shuerewegen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Britselei 47-49 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Devloo kantoor houdend te 8500 Kortrijk Koning Albertstraat 24/1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 19 september 2024, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing tot onontvankelijkheid van de aanvraag tot toelating tot arbeid voor [W.X.], dewelke ter kennis werd gebracht middels een schrijven dd. 2 september 2024, met kenmerk CHN_2020_000073 en dossiernummer 280008GUWTN1Z.” II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld. VII-42.663-1/13 De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 november
- Staatsraad Frédéric Vanneste heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evi Degroodt, die loco advocaten Thierry L’Allemand en Shanna Shuerewegen verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Louis Delbeke, die loco advocaat Rik Devloo verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.1 De tweede verzoekende partij baat een horecazaak uit in Wijnegem. De eerste verzoekende partij is één van de twee bestuurders van deze vennootschap. 3.
- De heer [W.X.] heeft de Chinese nationaliteit. De tweede verzoekende partij wenst hem te werk te stellen als chef-kok in voormelde horecazaak. 3.
- Op 31 mei 2024 dienen de verzoekende partijen bij de verwerende partij een (eerste) aanvraag tot toelating tot arbeid in voor [W.X.]. Het VII-42.663-2/13 is een aanvraag tot verlenging gecombineerde vergunning voor bepaalde duur door een werkgever die in België is gevestigd. Met een schrijven van 29 juli 2024 laat de verwerende partij weten dat de (eerste) aanvraag van 31 mei 2024 onontvankelijk is. De verzoekende partijen dienen op 19 september 2024 bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in tegen deze eerste onontvankelijkheidsbeslissing. Deze zaak is bij de Raad van State gekend onder rolnummer G/A. 243.013/VII-42.
- 3.
- Op 31 juli 2024 dienen verzoekers bij de verwerende partij een tweede aanvraag tot toelating tot arbeid in voor de heer [W.X.]. Uit deze aanvraag blijkt dat er sinds 5 april 2024 voor de vacature van chef-kok in voormelde horecazaak een publicatie met nr. 68609844 bij de VDAB bestaat. Er wordt bij deze tweede aanvraag een door partijen ondertekende arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur gevoegd. 3.
- In het kader van het onderzoek van de tweede aanvraag, stelt de verwerende partij op 30 augustus 2024 aan de VDAB de vraag of de vacature van chef-kok met nr. 68609844 beantwoordt aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden als bedoeld in voormeld artikel 18, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 ‘houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers’ (hierna: besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018). De VDAB antwoordt op 30 augustus 2024: “de door de werkgever opgegeven functienaam voor vacature 68609844 is “chef-kok”. Deze vacature stond gepubliceerd (niet in gedeeld beheer) van 05/04/2024 tot 31/5/2024”. VII-42.663-3/13 3.
- Met een schrijven van 2 september 2024 laat de verwerende partij weten dat de (tweede) aanvraag van 31 juli 2024 onontvankelijk is: “Uw aanvraag van toelating tot arbeid voor [W.X.] (geboren op […], met nationaliteit: China) werd ontvangen op 31/07/
- Deze aanvraag is echter onontvankelijk. De aanvraag wordt onontvankelijk verklaard wanneer alle vereiste documenten niet bezorgd worden. De functie waarvoor een toelating tot arbeid werd aangevraagd, is niet gepubliceerd op de platformen van VDAB en EURES. De aanvraag wordt onontvankelijk verklaard op grond van: artikel 18, §1, tweede alinea, 3° BVR 7/12/2018: “De aanvraag voldoet, op straffe van onontvankelijkheid, aan al de volgende voorwaarden: 3° de vacature voor de arbeidsplaats is gepubliceerd op de platformen van de VDAB en EURES, gedurende een aaneengesloten periode van minimaal 9 weken in de periode van 4 maanden onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag van toelating tot arbeid”. Voor de functie waarvoor een toelating tot arbeid werd aangevraagd werd een vacature gepubliceerd op de platformen van de VDAB. Voor de invulling van deze vacature heeft de werkgever echter geen actieve bemiddeling door de VDAB aangevraagd. De aanvraag wordt onontvankelijk verklaard op grond van: artikel 18, §1, tweede alinea, 3° BVR 7/12/2018: “De aanvraag voldoet, op straffe van onontvankelijkheid, aan al de volgende voorwaarden: 4° de werkgever vraagt bij de publicatie van de vacature als vermeld in 3° actieve bemiddeling voor de invulling van de vacature door de VDAB”. Conform artikel 18, §1 van het BVR is het binnen de categorie ‘overige’ niet toegestaan dat men tijdens de aanvraag reeds in België aanwezig is. Bij een nieuwe aanvraag moet er bewezen worden dat de werknemer het land verlaten heeft aan de hand van een uitreisstempel in het paspoort. Bovendien moeten alle documenten zoals vereist bij een nieuwe aanvraag worden toegevoegd zoals betalingsbewijs retributie, een vacaturebericht die voldoende lang heeft opengestaan in gedeeld beheer met de VDAB, cv, uitgebreide functieomschrijving, … Alle voorwaarden kan je nalezen op onze website: https://www.vlaanderen.be/ werken/een-buitenlander-in- vlaanderen-tewerkstellen/catgeorieën/overige.” Dit is de bestreden beslissing. VII-42.663-4/13 IV. Ontvankelijkheid Standpunten van de partijen
- De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord op dat voorliggend beroep tot nietigverklaring niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang en hoedanigheid in zoverre het werd ingesteld door de eerste verzoekende partij.
- In het verzoekschrift tot nietigverklaring lichten de verzoekende partijen hun belang toe: “De ontvankelijkheid van dit beroep kan niet worden betwist. Verzoekers hebben de vereiste hoedanigheid en het vereiste belang. […] De proces-bevoegdheid van verzoekers kan niet worden betwist. Verzoekers hebben alleszins belang bij deze procedure daar de beslissing haar rechtstreeks raakt en zij er daadwerkelijk de gevolgen van dient te dragen. De beslissing werd aan verzoekers ter kennis gebracht met een brief dd. 2 september 2024 (stuk 1).” In de memorie van wederantwoord benadrukken de verzoekende partijen dat de bestreden beslissing aan beide verzoekende partijen ter kennis werd gebracht. Beoordeling
- De eerste verzoekende partij heeft niet de vereiste hoedanigheid om voorliggend beroep tot nietigverklaring in te stellen. De aanvraag tot toelating tot arbeid van 31 juli 2024 werd ingediend door de eerste verzoekende partij in haar hoedanigheid van vertegenwoordiger van de werkgever (bestuurder van de tweede verzoekende partij). Enkel de werkgever beschikt over de vereiste hoedanigheid om beroep in te stellen tegen de bestreden beslissing. De omstandigheid dat de bestreden beslissing ook gericht is aan de eerste verzoekende partij in haar hoedanigheid van vertegenwoordiger van de werkgever, doet hieraan geen afbreuk. Het beroep van de eerste verzoekende partij is niet ontvankelijk. VII-42.663-5/13 Hierna wordt onder de “verzoekende partijen” enkel de tweede verzoekende partij bedoeld. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel, dat zij in de memorie van wederantwoord herhalen, voeren de verzoekende partijen de schending aan van de “algemene motiveringsvereiste”, van de formele motiveringsplicht, zoals deze is geregeld in de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991) en van artikel 13 van het decreet van 23 oktober 1991 ‘betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten in de diensten en instellingen van de Vlaamse regering’ (hierna: decreet van 23 oktober 1991). Hoewel zulke beslissing een uiterst nauwkeurige motivering vereist, wordt volgens de verzoekende partijen in deze akte geen enkele melding gemaakt van de juridische noch feitelijke redenen waarop de beslissing zou zijn gesteund. De formele motiveringsplicht is nochtans geen doel op zich, maar een middel om de legaliteit van de handeling na te gaan. Beoordeling
- De verzoekende partijen verduidelijken niet op welke wijze artikel 13 van het decreet van 23 oktober 1991 wordt geschonden door de bestreden beslissing. Het middel is in de mate niet ontvankelijk.
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten het bestuur in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter VII-42.663-6/13 van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht moet voorts worden rekening gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met één of meerdere onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn.
- Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de door de verzoekende partijen ingediende aanvraag onontvankelijk wordt verklaard omdat (1.) de vacature voor de functie van “chef-kok” niet gedurende een aaneengesloten periode van minimaal 9 weken werd gepubliceerd op de platformen van de VDAB en EURES (artikel 18, § 1, tweede alinea, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 ‘houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers’ (hierna: besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018)) én omdat (2.) de werkgever voor deze vacature geen actieve bemiddeling door de VDAB heeft aangevraagd (artikel 18, § 1, tweede alinea, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018). Bijkomend merkt de verwerende partij in de bestreden beslissing nog op dat de betrokken werknemer tijdens de aanvraag reeds in België aanwezig was, wat niet toegestaan is bij een aanvraag in toepassing van artikel 18, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december
- VII-42.663-7/13 Uit hun toelichting bij het tweede middel blijkt duidelijk dat de verzoekende partijen deze redenen hebben begrepen en er kritiek op wensen uit te oefenen. Dat de verwerende partij zich in de bestreden beslissing heeft vergist bij de vermelding van de juridische grondslag voor wat betreft de voorwaarde van de actieve bemiddeling door de VDAB en daarbij “artikel 18, § 1, tweede alinea, 3°, BVR 7/12/2018” heeft aangeduid in plaats van “artikel 18, § 1, tweede alinea, 4°, BVR 7/12/2018” doet hieraan geen afbreuk, aangezien zij de correcte reglementaire bepaling in de bestreden beslissing woordelijk heeft overgenomen. Bovendien hebben de verzoekende partijen in het verzoekschrift duidelijk aangeven dat zij weten over welke juridische grondslag het te dezen gaat door de materiële vergissing van de verwerende partij zelf te corrigeren.
- Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel, dat zij in de memorie van wederantwoord herhalen, voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 18 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december
- De verzoekende partijen menen dat de aanvraag zowel aan de voorwaarde(n) van artikel 18, § 1, tweede alinea, 3°, als aan deze van artikel 18, § 1, tweede alinea, 4° (en niet 3° zoals de bestreden beslissing foutief aangeeft) voldeed, vermits zij wel degelijk een vacature op de website van de VDAB hebben geplaatst. In de bestreden beslissing van 29 juli 2024 wordt hier immers uitdrukkelijk naar verwezen. Voorts wijzen de verzoekende partijen erop dat bij het plaatsen van de vacature op de website van de VDAB nergens wordt verzocht om een extra VII-42.663-8/13 aanduiding te maken van “actieve bemiddeling”. Dit is, althans volgens hen, “logisch” gezien dit reeds geschiedt door de plaatsing van de vacature op de website van de VDAB. Nadat de competenties worden ingevuld, worden immers automatisch het aantal “matches” vermeld. Via “Mijn VDAB” kan vervolgens via “vind een werknemer” nagekeken worden welke specifieke matches de publicatie van de vacature via VDAB heeft opgeleverd. Hoe de bestreden beslissing dan ook kan stellen dat er geen actieve bemiddeling gevraagd werd bij de VDAB, is onduidelijk voor de verzoekende partijen. De verzoekende partijen zijn genoodzaakt aan te tonen dat er binnen een redelijke termijn onder de werknemers die reeds aanwezig zijn op de arbeidsmarkt, niemand te vinden is teneinde de openstaande vacature binnen een redelijke termijn in te vullen. Te dezen menen de verzoekende partijen dat ze dit aangetoond hebben. Temeer gezien de vacature, bijna een half jaar nadat de ze online werd geplaatst (na eerst zelf actief een invulling te hebben gezocht van de openstaande vacature) nog steeds niet was ingevuld. Beoordeling
- Artikel 18, § 1, tweede alinea, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 luidt: “De aanvraag voldoet, op straffe van onontvankelijkheid, aan al de volgende voorwaarden: 1° de functie wordt vermeld op de knelpuntberoepenlijst die de VDAB jaarlijks publiceert; 2° de functie vereist een kwalificatie van niveau 2, niveau 3 of niveau 4; 3° de vacature voor de arbeidsplaats is gepubliceerd op de platformen van de VDAB en EURES, gedurende een aaneengesloten periode van minimaal 9 weken in de periode van 4 maanden onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag van toelating tot arbeid; 4° de werkgever vraagt bij de publicatie van de vacature als vermeld in 3° actieve bemiddeling voor de invulling van de vacature door de VDAB.” VII-42.663-9/13 Elk van deze vier voorwaarden moet vervuld zijn. Het volstaat dus dat één van deze voorwaarden niet vervuld is opdat de verwerende partij de aanvraag als onontvankelijk kan afwijzen.
- De bestreden beslissing stelt dat voor de invulling van de vacature de werkgever geen actieve bemiddeling door de VDAB heeft aangevraagd, zoals vereist door artikel 18, § 1, tweede alinea, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december
- Dit blijkt ook uit het administratief dossier, aangezien de VDAB per e-mail van 30 augustus 2024 heeft verklaard dat de “vacature stond gepubliceerd (niet in gedeeld beheer) van 05/04/2024 tot 31/5/2024”. Dat de vacature niet in gedeeld beheer stond gepubliceerd, betekent dat de werkgever voor deze vacature geen actieve bemiddeling door de VDAB heeft aangevraagd. Op het ogenblik van de publicatie van de vacature op het platform van de VDAB krijgt de werkgever de keuze om deze optie aan te vinken (“Ik wil dat de VDAB me helpt om geschikte kandidaten te vinden.”). De verzoekende partijen hebben deze optie te dezen niet aangeduid. De verzoekende partijen beweren ook niet, laat staan dat zij aantonen, dat de gepubliceerde vacature nadien door de werkgever gewijzigd werd naar een vacature in gedeeld beheer. De verzoekende partijen kunnen niet gevolgd worden waar zij beweren dat uit de publicatie van de vacature op de website van de VDAB automatisch zou moeten worden afgeleid dat de werkgever hiermee om actieve bemiddeling door de VDAB heeft verzocht. Uit artikel 18, § 1, tweede alinea, 3° en 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 blijkt vooreerst dat er sprake is van twee van elkaar afgescheiden voorwaarden. Bovendien krijgt de werkgever zoals hierboven reeds aangegeven de keuze om al dan niet te opteren voor actieve bemiddeling waarbij hij in voorkomend geval een “wederzijds engagement” aangaat. VII-42.663-10/13 Om die reden alleen, kon de verwerende partij met toepassing van artikel 18, § 1, tweede alinea, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 de aanvraag onontvankelijk verklaren.
- Louter ten overvloede wordt opgemerkt dat op basis van de e- mail van de VDAB van 30 augustus 2024 dat de “vacature stond gepubliceerd (niet in gedeeld beheer) van 05/04/2024 tot 31/5/2024” eveneens vastgesteld kan worden dat de vacature slechts acht weken gepubliceerd stond. Daarmee is evenmin voldaan aan de voorwaarde van artikel 18, § 1, tweede alinea, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 dat de vacature “gedurende een aaneengesloten periode van minimaal 9 weken in de periode van 4 maanden onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag” op de website van de VDAB moet worden geplaatst. De verzoekende partijen tonen met de voorgelegde stukken ook niet aan dat die voorwaarde vervuld is. De verwerende partij kon aldus eveneens om die reden alleen de aanvraag onontvankelijk verklaren.
- Gelet op de voormelde vaststellingen, dient de kritiek van de verzoekende partijen met betrekking tot de overige motieven van de bestreden beslissing, met name de opmerking dat de betrokken werknemer op het moment van de aanvraag reeds in België aanwezig was, niet te worden onderzocht. De eventuele gegrondheid van deze kritiek kan immers niet leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing.
- Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In een derde middel, dat zij in de memorie van wederantwoord herhalen, voeren de verzoekende partijen de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. VII-42.663-11/13 De verwerende partij zou de bestreden beslissing genomen hebben op grond van een onvolledig dossier waardoor zij de beslissing niet met kennis van zaken heeft kunnen nemen. Opnieuw verwijzen de verzoekende partijen naar “het verwijt dat er geen actieve bemiddeling door de VDAB zou zijn geschied”. Hieruit leiden zij af dat verweerster “zich geenszins [heeft] geïnformeerd over alle relevante elementen van het dossier, laat staan een volledig onderzoek [heeft] verricht”. Beoordeling
- Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich gedragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van het bestuur niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
- De verzoekende partijen tonen niet met concrete gegevens aan dat de handelwijze van het bestuur onzorgvuldig is. Uit het administratief dossier blijkt dat verwerende partij op 30 augustus 2024 aan de VDAB de vraag heeft gesteld of de vacature van chef-kok met nr. 68609844 beantwoordt aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden als bedoeld in voormeld artikel 18, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december
- Zoals blijkt uit de VII-42.663-12/13 beoordeling van het eerste en het tweede middel heeft de verwerende partij op wettige wijze rekening gehouden met het antwoord van de VDAB.
- Het derde middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tien december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.663-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.140 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.