id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.142 Rolnummer: A. 242899/VII-42661 Zaak: Arrest 265142 - Arbeids- en beroepskaarten - 10/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-18 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-15 09:52 Fiche Arrest nr 265.142 van 10 december 2025 Economische zaken - Arbeids- en beroepskaarten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 265.142 van 10 december 2025 in de zaak A. 242.899/VII-42.661 In zake : de NV T. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Didier Bogaert kantoor houdend te 9620 Zottegem Kloosterstraat 101 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Devloo kantoor houdend te 8500 Kortrijk Koning Albertstraat 24/1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 augustus 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Departement Werk en Sociale Economie, Dienst Economische Migratie, van de Vlaamse overheid van 16 juli 2024, waarbij de aanvraag van toelating tot arbeid voor [M.M.] onontvankelijk wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Pierrot T’Kindt heeft een verslag opgesteld. VII-42.661-1/10 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 november
- Staatsraad Frédéric Vanneste heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evi Degroodt, die loco advocaat Didier Bogaert verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Louise Delbeke, die loco advocaat Rik Devloo verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Pierrot T’Kindt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partij baat een transportfirma uit. 3.
- De verzoekende partij dient op 14 juni 2024 een aanvraag in tot toelating tot arbeid voor bepaalde duur (meer dan 90 dagen) met gecombineerde vergunning voor M.M., van Marokkaanse nationaliteit, als vrachtwagenchauffeur. Bij de aanvraag wordt onder meer een Spaans verblijfsdocument gevoegd. 3.
- Met een beslissing van 16 juli 2024 verklaart de verwerende partij de aanvraag onontvankelijk: “Uw aanvraag tot toelating tot arbeid voor [M.M.] (geboren […], met nationaliteit: Marokko) werd ontvangen op 14/06/
- Deze aanvraag is echter onontvankelijk. VII-42.661-2/10 De aanvraag wordt onontvankelijk verklaard wanneer alle vereiste documenten niet bezorgd worden Ontbrekende bijkomende informatie: •Gelieve het curriculum vitae dat een volledig overzicht bevat van de gevolgde opleidingen, de werkervaring en de nevenactiviteiten van de buitenlandse werknemer te bezorgen. •Gelieve het Belgisch verblijfsdocument van betrokkene te bezorgen. Alsook werd er op 16-07-2024 een uittreksel uit het vreemdelingenregister bezorgd met datum van 15-07-2024, waar betrokkene ingeschreven staat te Ronse.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid Standpunten van de partijen
- De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord op dat de verzoekende partij niet over een actueel belang beschikt, nu zij eenvoudigweg een nieuwe aanvraag zou kunnen indienen via het Uniek Loket waarbij zij wel een Belgisch verblijfsdocument voorlegt van de betrokkene, waardoor de aanvraag wel ontvankelijk verklaard kan worden en vervolgens onderzocht kan worden op haar gegrondheid. Voorts verwijst de verwerende partij naar een stuk (“schermafbeelding overzicht aangevraagde single permit voor tewerkstelling [van] de heer [M.M.]”) waaruit volgens haar kan worden afgeleid dat op 10 oktober 2024 een nieuwe aanvraag werd ingediend door de verzoekende partij voor de tewerkstelling van de heer [M.M] , zodat de verzoekende partij geen belang meer heeft bij huidige procedure.
- In de memorie van wederantwoord repliceert de verzoekende partij dat zij belang en hoedanigheid heeft om het beroep in te stellen. Het belang of de hoedanigheid van een partij is volgens de verzoekende partij niet aangetast wanneer een partij ook een andere actie had kunnen ondernemen. De verzoekende partij heeft een recht om op te komen tegen een administratieve beslissing waarvan VII-42.661-3/10 zij meent dat deze niet correct tot stand is gekomen. Er is volgens de verzoekende partij evident een belang om de bestreden beslissing teniet te laten doen, spijts de nieuwe aanvraag. Beoordeling
- Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punten B.11.2 en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt B.4.3; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020 punt B.9.3; EHRM 17 juli 2018, 5475/06, Vermeulen/België, punten 42 e.v.). VII-42.661-4/10 Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406).
- De bestreden beslissing verklaart de aanvraag van de verzoekende partij onontvankelijk. De verzoekende partij voert terecht aan dat zij belang heeft om deze in haar ogen onwettige beslissing aan te vechten en zo een nieuwe beoordeling van de ontvankelijkheid van deze aanvraag op basis van de voorgelegde stukken af te dwingen. Of er intussen al dan niet een nieuwe aanvraag is ingediend, doet op zich aan het voorgaande geen afbreuk. Het beroep is ontvankelijk. V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- In een enig middel voert de verzoekende partij de schending aan van de motiveringsplicht zoals voorgeschreven door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991) en van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder van de zorgvuldigheidsplicht. De verwerende partij stelt in de bestreden beslissing dat de verzoekende partij zou hebben nagelaten om bijkomende informatie te voorzien, te weten : VII-42.661-5/10 •het curriculum vitae dat een volledig overzicht bevat van de gevolgde opleidingen, de werkervaring en de nevenactiviteiten van de buitenlandse werknemer •het Belgisch verblijfsdocument van betrokkene. Nochtans had de verzoekende partij dit volgens haar wel degelijk overgemaakt: -stuk 3 : betreft een inschrijvingsbewijs, waarbij duidelijk de eerder uitgevoerde werkopdrachten opgenomen zijn. -stuk 4 : betreft een Spaanse verblijfskaart, die gelijkgesteld wordt met een verblijf in België. Op geen enkele wijze motiveert de verwerende partij waarom deze stukken niet zouden voldoen aan het gevraagde, te meer omdat de finaliteit van de gewenste info blijkt uit deze stukken: officieel verblijf en overzicht eerdere werkopdracht(en). Door niet te motiveren over de voorliggende stukken, noch te stellen waarom deze specifieke informatie niet zou volstaan, schendt de verwerende partij volgens de verzoekende partij de aangehaalde bepalingen en beginselen.
- In de memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij toe dat het Spaanse verblijfsdocument en het uittreksel uit het vreemdelingenregister gelijk te stellen is aan een Belgisch verblijfsdocument, en in niets te verantwoorden is waarom dit niet zo zou zijn, gelet op het principe van vrij verkeer van personen in Europa. Als er toelating is in Spanje, geldt dit ook voor andere Europese landen, waaronder België. M.M. verbleef niet illegaal in België. Hij had het recht om in elk ander EU-land te verblijven als werknemer. Het tegendeel kan ook niet worden aangetoond. Dit argument werd niet ontmoet en wordt ook niet weerlegd. Beoordeling
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten het bestuur in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de VII-42.661-6/10 beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht moet voorts worden rekening gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn.
- Uit de in randnummer 3.
- geciteerde motivering blijkt dat de aanvraag onontvankelijk is omdat niet alle vereiste documenten bezorgd werden, onder andere het curriculum vitae en het Belgische verblijfsdocument van [M.M.]. Volgens de verwerende partij werd per vergissing melding gemaakt van een ontbrekend curriculum vitae. Deze vermelding vormt derhalve geen dragend motief voor de bestreden beslissing. Met het enige overblijvende motief in de bestreden verklaart de verwerende partij duidelijk dat zij de aanvraag onontvankelijk verklaart omdat het Belgische verblijfsdocument van de vreemdeling ontbreekt. Door in de bestreden beslissing een dergelijk document te vereisen, geeft de verwerende partij ook te verstaan dat zij de Spaanse verblijfskaart van de betrokken vreemdeling niet aanvaardt, omdat die kaart geen Belgische verblijfstitel uitmaakt. Zij hoeft in die beslissing niet specifiek op dat Spaanse stuk in te gaan. Op basis van die motivering VII-42.661-7/10 weet de verzoekende partij dat zij voor een ontvankelijke aanvraag een Belgisch verblijfsdocument moet bezorgen. De verzoekende partij betwist niet dat zij enkel een Marokkaans paspoort, een Spaans verblijfsdocument en een uittreksel uit het Vreemdelingenregister heeft voorgelegd. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beslissing afdoende is gemotiveerd en er aldus geen schending voorligt van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli
- Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich gedragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van het bestuur niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
- Uit het enkele gegeven dat het bestuur geen genoegen neemt met een Spaanse verblijfskaart en een Belgisch verblijfsdocument vereist, kan op zich niet worden afgeleid dat de bestreden beslissing te dezen is genomen na een onzorgvuldige voorbereiding en beoordeling van de feitelijke en juridische aspecten van het dossier. VII-42.661-8/10 De verzoekende partij betwist niet dat de werknemer ten tijde van de aanvraag in België verbleef en evenmin voert zij de schending aan van een bepaling waaruit zou moeten blijken dat in dat geval geen Belgische verblijfstitel moet worden voorgelegd.
- Voor zover de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord aanvoert dat “een Spaans verblijfsdocument gelijkgesteld moet worden aan en het uittreksel in het vreemdelingenregister gelijk te stellen is aan een Belgisch verblijfsdocument, en in niets te verantwoorden is waarom dit niet zo zou zijn gelet op het principe vrij verkeer van personen in Europa”, geeft zij het middel een nieuwe wending. De verzoekende partij toont niet aan dat zij dit niet in het verzoekschrift had kunnen aanvoeren. Het middel is in die mate niet ontvankelijk.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-42.661-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tien december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.661-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.142 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.