id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.143 Rolnummer: A. 242714/IX-10515 Zaak: Arrest 265143 - Wapens – exportvergunningen - 10/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-12 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-15 09:52 Fiche Arrest nr 265.143 van 10 december 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens – exportvergunningen Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 265.143 van 10 december 2025 in de zaak A. 242.714/IX-10.515 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sander Kaïret kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Chloé Vanden Eynde kantoor houdend te 1040 Brussel Legerlaan 10 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 12 augustus 2024, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 13 juni 2024 houdende de weigering om verzoeker opnieuw het recht te verlenen om vuurwapens voor- handen te houden. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. IX-10.515-1/35 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2025. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Sander Kaïret, die verschijnt voor de verzoekende par- tij en advocaat Chloé Vanden Eynde, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eens- luidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is jager en houdt vier vuurwapens voorhanden waar- van het bezit is geregistreerd middels een registratieformulier model nr. 9. 3.2. Op 19 augustus 2014 trekt de gouverneur van de provincie Oost- Vlaanderen verzoekers recht om de vier vuurwapens te bezitten in. De provincie- gouverneur overweegt dat wapenbezit niet samengaat met een persoon die verbaal zeer agressief kan reageren en ook al fysiek geweld heeft gebruikt en dat wapen- bezit in hoofde van verzoeker niet verenigbaar is met de openbare orde, rust en veiligheid. IX-10.515-2/35 De intrekking van het recht om wapens die geschikt en toegela- ten zijn voor de jacht voorhanden te hebben, geldt ook voor de toekomst, zolang de reden van de intrekking blijft bestaan. 3.3. Op 23 september 2021 vraagt verzoeker de herziening van de intrekking van het recht om over vuurwapens te beschikken. 3.4. De procureur des Konings verleent op 16 mei 2022 een ongun- stig advies: “Mijn ambt handhaaft het negatieve advies van 6 januari 2014 aangezien de daarin aangevoerde argumentatie nog steeds actueel is. Uit het verslag van de PZ Meetjesland Centrum blijkt dat deze zone sinds 6 juli 2019 7 meldingen heeft opgemaakt wegens ‘moeilijkheden met een persoon’. Daarnaast staat [verzoeker] gekend als een moeilijk persoon die zich graag autoritair opstelt. Meerdere keren werd betrokkene omschreven als een agressief persoon die dreigend overkomt. Het voorhanden hebben van een vuurwapen moet voorbehouden worden aan personen d[i]e geen gevaar doen ontstaan, noch voor zichzelf, noch voor de openbare orde of veiligheid. Dit impliceert dat een particulier die over wa- pens wenst te beschikken een onberispelijk gedrag moet vertonen. Uit het door mijn ambt verrichte nazicht is gebleken dat betrokkene zijn ge- drag niet onberispelijk te noemen is, hetgeen een vereiste is met oog op de verenigbaarheid van wapenbezit met de openbare veiligheid.” 3.5. Op 20 mei 2023 beslist de provinciegouverneur om de beslissing tot intrekking van het recht om vuurwapens voorhanden te houden te handhaven. Zij motiveert: “Met e-mail van 23/09/2021 verzocht u om een herevaluatie van het besluit van de gouverneur van 19/08/2014, waarbij uw recht op wapenbezit werd ingetrokken. Ik heb evenwel besloten om mijn intrekkingsbesluit te handhaven. In een nieuw advies stelt de procureur des Konings dat hij geen redenen ziet om zijn oorspronkelijk negatief advies van 06/01/2014 te wijzigen aangezien de daarin aangevoerde argumentatie nog steeds actueel zou zijn. Uit het verslag van de politiezone Meetjesland Centrum blijkt dat er sedert 06/07/2019 ze- ven meldingen werden opgemaakt wegens ‘moeilijkheden met een persoon’ die betrekking hebben op voetgangers of fietsers die zich per ongeluk op uw oprit begaven waarna een conflictsituatie ontstond. U bent daarnaast gekend als een persoon die zich graag autoritair opstelt en u wordt meerdere keren IX-10.515-3/35 omschreven als een agressief persoon die dreigend overkomt, aldus de pro- cureur des Konings. Uit bijkomende informatie van de lokale politie Meetjesland Centrum blijkt dat er sedert 06/07/2019 inderdaad zeven meldingen werden opgemaakt we- gens ‘moeilijkheden met een persoon’. De meldingen hadden telkens betrek- king op voetgangers of fietsers die zich per ongeluk op uw private dreef be- gaven. De meldingen werden ofwel door de voetgangers en fietsers ofwel door u zelf gedaan en telkens wegens onrechtmatige gebruikmaking van uw private dreef en uw reactie hierop. Er werd zowel door de lokale politie als door de procureur des Konings een ongunstig advies verstrekt. De meldingen bij de lokale politie hadden betrekking op feiten van oplopende discussies. Het is daarbij onmogelijk om in te schatten hoe u zal reageren wanneer u opnieuw in het bezit bent van wapens. Ten slotte kunnen voormelde feiten als actueel worden beschouwd. Wanneer de situatie gunstig evolueert, kan er evenwel in de toekomst opnieuw een verzoek tot herevaluatie worden inge- diend.” 3.6. Verzoeker stelt op 13 juni 2023 een beroep in tegen die beslis- sing. 3.7. De lokale politie verleent op 16 juni 2023 een ongunstig advies. 3.8. Op 8 september 2023 geeft de procureur des Konings andermaal een ongunstig advies dat letterlijk luidt: “Mijn ambt handhaaft de negatieve adviezen van 6 januari 2014 en 16 mei 2022 aangezien de daarin aangevoerde argumentatie nog steeds actueel is. Uit het verslag van PZ Meetjesland Centrum van 3 juli 2023 blijkt dat [ver- zoeker] ANG gekend is voor één feit van opzettelijke slagen en/of verwon- dingen (GE.43.L7.7320/2009). Dit dossier werd om opportuniteitsreden[en] geseponeerd nu de dader en het slachtoffer in een specifieke relatie tot elkaar stonden. In 2010 heeft betrokkene een vuurwapen overgedragen aan een medejager zonder hierbij de overdrachtsformulieren in te vullen of de Provinciale wa- pendienst in kennis te stellen waaruit een lakse omgang inzake de wapenwet- geving kan worden afgeleid. In de politiezone Voorkempen werd op 09/06/2013 een proces-verbaal op- gesteld inzake ernstige feiten van verkeersagressie (AN.94.LA.406493/2013) waarvoor hij werd veroordeeld tot een geldboete van een verlies van het recht tot sturen van 15 dagen bij vonnis van 26/06/2014. Naar aanleiding van dit agressief gedrag wordt door de Com- missaris van de PZ Voorkempen een bijkomend proces-verbaal opgesteld met nummer AN.45.LA.4790/2013. Daarin wordt het bezit van vergunnings- plichtige vuurwapens in hoofde van [verzoeker] geacht niet verantwoord te IX-10.515-4/35 zijn. Het dossier werd evenwel door het parket geseponeerd wegens afwe- zigheid van een misdrijf. Uit het verslag van PZ Meetjesland Centrum blijkt verder dat deze zone se- dert 06/07/2019 7 meldingen van ‘moeilijkheden met een persoon’ heeft op- gemaakt, vaak gemeld door [verzoeker] zelf. De meldingen tonen aan dat het gedrag van betrokkene niet overeenstemt met het onberispelijk gedrag dat nodig is om in aanmerking te komen voor wapenbezit. Die moeilijkheden ontstaan meestal rond de eigendom van betrokkene die woont op een groot domein omgeven door een privaat bos. De private oprit, die toegang geeft tot de woning van betrokkene, is een aantal jaren geleden in twee gesneden door een nieuw aangelegd fietspad. Voetgangers, lopers of fietsers maken, zonder toelating of onwetend, gebruik van die private dreef om zich terug naar de openbare weg te begeven. Dit is onaanvaardbaar voor [verzoeker]. Betrokkene staat in de buurt gekend als geen makkelijk persoon die zich graag autoritair opstelt. Meerdere keren horen de politiediensten dat betrok- kene een agressief persoon is die dreigend overkomt. De laatste melding da- teert wel van 22/11/2021. Naast een veroordeling door de politierechtbank d.d. 24 juni 2014 wegens een verkeersinbreuk, heeft betrokkene ook maar liefst 8 snelheidsovertredin- gen begaan in de periode van 2015 tot en met 2021 (GE87.LA.494372-15, GE98.L8.409270-18, GE98.C2.899453-19, GE98.C6.453620-19, GE98.C6.533841-19, GE98.C2.594943-20, TU98.L1.446550-20, GE98.C6.564512-2) waarbij telkens tot een onmiddellijke inning werd over- gegaan. Het voorhanden hebben van een vuurwapen moet voorbehouden worden aan personen die geen gevaar doen ontstaan, noch voor zichzelf, noch voor de openbare orde of veiligheid. Dit impliceert dat een particulier die over wa- pens wenst te beschikken een onberispelijk gedrag moet vertonen. Uit het door mijn ambt verrichte nazicht is gebleken dat betrokkene zijn ge- drag niet onberispelijk te noemen is, hetgeen een vereist[e] is met het oog op de verenigbaarheid van wapenbezit met de openbare veiligheid. gelet op de lakse omgang van [verzoeker] inzake de wapenwetgeving en ge- zien betrokkene ANG gekend.” 3.9. De minister van Justitie verwerpt op 13 juni 2024 het beroep van verzoeker. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt: “Essentieel in de beoordeling van uw moraliteit als wapenbezitter zijn in casu volgende elementen, zoals deze blijken uit de adviezen en stukken verkregen van de lokale politie en de procureur des Konings: - U bent politioneel gekend voor opzettelijke slagen en verwondingen (pro- ces-verbaal nr. GE.43.L7.007320/2009 d.d. 22 februari 2010 van de lokale politiezone Assenede-Evergem). Dit pv kadert in een ruzie met uw broer en schoonzus. Dit dossier werd om opportuniteitsredenen geseponeerd omdat de dader en het slachtoffer in een specifieke relatie tot elkaar stonden. - In 2010 heeft u een vuurwapen overgedragen aan een medejager zonder IX-10.515-5/35 hierbij de overdrachtspapieren in te vullen of de provinciale wapendienst in kennis te stellen, waaruit een lakse omgang inzake de wapenwetgeving kan worden afgeleid. U betwist dit feit. - Op 9 juni 2013 werd een proces-verbaal opgesteld inzake ernstige feiten van verkeersagressie (AN.94.LA.406493/2013) waarvoor u werd veroor- deeld tot een geldboete en een verlies van het recht tot sturen van 15 dagen bij vonnis van 26 juni 2014. Hierbij werden zowel de andere weggebruikers als de verbaliserende politieambtenaren geconfronteerd met uw agressief ge- drag. U bracht andere weggebruikers in gevaar middels een opzettelijke po- ging tot aanrijding. U stelde zich voorts aanmatigend en weerbarstig op en bedreigde andere weggebruikers. Naar aanleiding van dit agressief gedrag werd door de lokale politie een bij- komend proces-verbaal opgesteld met nummer AN.45.LA.4790/2013. Daarin werd het bezit van vergunningsplichtige vuurwapens in uw hoofde geacht niet verantwoord te zijn. Het dossier werd evenwel door het parket geseponeerd wegens afwezigheid van een misdrijf. - Sedert 6 juli 2019 werden er door de lokale politie zeven meldingen opge- maakt van moeilijkheden met een persoon waarin u betrokken was en waar- van u meestal de melder was. De moeilijkheden hebben betrekking op voet- gangers en fietsers die zich per ongeluk op uw eigendom begeven waarna er problemen ontstaan. Deze meldingen tonen volgens politie en parket aan dat uw gedrag niet over- eenstemt met het onberispelijk gedrag dat nodig is om in aanmerking te ko- men voor wapenbezit. De moeilijkheden ontstaan meestal rond uw eigendom: u woont op een groot domein omgeven door een privaat bos. De private oprit, die toegang geeft tot uw woning, is een aantal jaren geleden in twee gesneden door een nieuw aangelegd fietspad. Voetgangers, lopers of fietsers maken, zonder toelating of uit onwetendheid, gebruik van die private dreef om zich terug naar de openbare weg te begeven. Dit is onaanvaardbaar voor u. - U staat in de buurt gekend als geen makkelijk persoon die zich graag auto- ritair opstelt. Meerdere keren horen politiediensten dat u een agressief per- soon bent die dreigend overkomt. De laatste melding dateert van 22 novem- ber 2021. Uit het dossier komt naar voor dat er zowel in het verleden als recent nog sprake was van incidenten met verbale of fysieke agressie. Aldus is er een weerkerend gegeven, nl. een agressieproblematiek. Verschillende personen menen dat u moeilijk bent in de omgang en uit meer- dere incidenten blijkt dat dit gegeven een rol speelt doordat het conflicten op de spits drijft. U meent daarentegen dat u – ingevolge een gehoorprobleem – luid spreekt en dat dit assertief kan overkomen doch dat dit evident geen gevaar vormt voor de openbare orde of veiligheid. Nochtans blijkt dat u met meerdere personen geregeld in een conflict belandt omtrent klaarblijkelijk alledaagse zaken of problemen. Dit was zo in 2009 bij een discussie met uw broer en schoonzus, dit deed zich opnieuw voor in 2013 bij een conflict in het verkeer en ook recent nog bij een conflict met meerdere, toevallige passanten die zich ten onrechte op uw eigendom IX-10.515-6/35 begaven. Het voorhanden zijn van een weerkerende problematiek van agressie – hetzij fysiek, hetzij verbaal – toont principieel op zich reeds aan dat men het bezit van vuurwapens niet kan worden toevertrouwd. Uit het dossier blijkt duide- lijk dat deze problematiek zich in het verleden doch tevens nog recent voor- doet. Zo werd uw recht op wapenbezit in 2014 door de gouverneur ingetrokken ter vrijwaring voor de openbare orde en veiligheid naar aanleiding van twee pro- cessen-verbaal waarin er sprake was van agressie. In 2009 in het kader van een ruzie met uw broer en schoonzus, en in 2013 in het kader van een ver- keersincident waarbij u ruzie had met een politieambtenaar en met andere weggebruikers. Uit het moraliteitsonderzoek van de lokale politie blijkt voorts dat u iemand bent van wie de buren schrik hebben en dat u om die reden wordt gemeden. U legt dan wel een verklaring voor die dit tegenspreekt en die ondertekend werd door enkele buren, doch dit staat er niet [aan] in de weg dat uit het onderzoek van de politie blijkt dat buren schrik van u hebben. U minimaliseert dit door enerzijds te stellen dat u – wat betreft het verkeers- incident van 2013 – traag reed en niemand in gevaar bracht. U kwam wel in conflict met één van de politieambtenaren en met een vrouw die tegen u be- gon te krijsen. Anderzijds, wat betreft het conflict met uw broer stelde u dat uw broer met iedereen in onmin leeft en een slechte reputatie heeft. Wat tot slot de bewering betreft dat de buren schrik van u zouden hebben, tracht u dit te weerleggen door een verklaring voor te leggen die door een aantal buren werd ondertekend en waarin wordt vermeld dat zij nog nooit problemen met u hebben gehad en dat zij geen schrik hebben van u. U ontkent niet dat u een moeilijk persoon bent doch u meent dat dit geen grond is om u het recht op wapenbezit te ontnemen. Het is inderdaad niet omdat iemand als ‘moeilijk’ wordt gepercipieerd, dat wapenbezit in zijn hoofde per definitie een gevaar kan inhouden voor de openbare orde en veiligheid. Er werd evenwel in concreto nagegaan uit welk gedrag mogelijke risico’s kunnen blijken. Daartoe werd teruggegrepen naar het verontrustende gedrag zoals dit bleek uit de incidenten in 2009 en 2013 en werd vervolgens nagegaan of er zich recent nog gelijkaardige problemen hebben voorgedaan. Uit het onderzoek van de lokale politie en het parket blijkt dat er recent nog verschillende meldingen zijn geweest van ‘moeilijkheden met een persoon’. Tijdens de beroepsprocedure werden de zeven meldingen waarvan sprake nader onderzocht. Daaruit is gebleken dat deze meldingen betrekking hebben op voetgangers of fietsers die zich per ongeluk op uw oprit begeven waarna er een conflictsituatie ontstaat. U was dikwijls zelf melder van de incidenten die plaatsvonden. Alle meldingen deden zich voor tussen 2017 en 2021. De gemelde incidenten betreffen conflicten die ontstonden omdat mensen zich – al dan niet bewust – ten onrechte op uw erf begaven waarop u hen hierover aansprak. De meeste passanten reageerden hier volgens u arrogant en aanmatigend op en trokken zich niks aan van het privé karakter van de eigendom waarop ze zich bevonden. Hierdoor geraakte u – volgens de politie IX-10.515-7/35 ook voelbaar – gefrustreerd. Het kwam daarbij meermaals tot hoog oplo- pende discussies en een aantal keer bijna tot een handgemeen met deze pas- santen. Uit een melding blijkt dat u expliciet aan de politie vroeg of u niet met een grote knuppel uw eigendom mocht bewaken/patrouilleren. De politie kon zich tevens niet van de indruk ontdoen dat u geen gemakkelijk persoon bent. Ook verschillende mensen verklaarden dat u hen stond te bedreigen en dat u hen niet wilde laten gaan. U bent zich klaarblijkelijk niet bewust van de im- pact van uw gedrag. Zo stelde u in één van de meldingen dat u een goede burger bent en dat het enkel uw luide stem is die u arrogant doet overkomen. Nochtans blijkt duidelijk dat u gemakkelijk in conflict geraakt met andere personen. Dit was reeds in 2009 het geval waarbij een conflict met uw broer zelfs leidde tot fysieke agressie. Dit was voorts in 2013 het geval waarbij een conflict met een politieambtenaar en met omstaanders leidde tot aanvallend gedrag doordat u met de auto wou inrijden op andere weggebruikers (of dat als dusdanig werd gepercipieerd). Dit is tot slot ook het geval in uw interactie met toevallige passanten die zich op uw eigendom begeven en die arrogant en aanmatigend reageren wanneer u hen hierover aanspreekt. Het is geen toeval dat deze verschillende personen – die onderling geen en- kele band hebben en met wie u in contact kwam op afzonderlijke momenten – op een opvallend gelijkaardige wijze reageren in hun interactie met u. Of- wel trachten deze personen – met wie u in interactie gaat n.a.v. een conflict of onrecht – te vluchten (waarbij u ze staande probeert te houden), ofwel gaan ze in de (weder)aanval. Buren verklaren dat ze schrik hebben van u. Zelfs de politie vindt dat u moeilijk bent in de omgang. Het is duidelijk dat u, wanneer u geconfronteerd wordt met een conflict, geen verzoenende ingesteldheid heeft. Mensen hebben schrik en reageren door ofwel te vluchten, ofwel in de aanval te gaan. Op zich is dit gegeven (dat mensen schrik hebben van
- u)geen reden om wa- penbezit te onttrekken. Indien evenwel uit het geheel der feiten blijkt dat uw gedrag of houding daadwerkelijk een potentieel gevaar voor de openbare orde met zich mee kan brengen in geval van wapenbezit, dan stelt dit wel degelijk een probleem. In casu bestaat die vrees inderdaad. Uw houding of uw gedrag drijft conflicten op de spits en lokt reacties uit die uitmonden in een escalatie van het initieel probleem. Daarbij komt dat uit één van de meldingen blijkt dat u overwoog om uw eigendom te verdedigen met een knuppel. U was klaarblijkelijk – en volgens de politie zelfs voelbaar – dermate gefrustreerd omtrent het probleem van doorgang over uw eigendom dat u zelfs bereid was om zich daartegen te be- wapenen. Het doet denken aan uw reactie op het verkeersincident in 2013 waarbij u eveneens dermate gefrustreerd raakte door de situatie waardoor u met uw wagen zelfs zou hebben willen inrijden op andere weggebruikers, of minstens werd uw gedrag door omstaanders als dusdanig gepercipieerd. Blijkbaar geraakt u snel gefrustreerd en uit u die frustratie middels verbale of soms zelfs fysieke agressie, al dan niet bewust. Alhoewel de processen-verbaal noch de meldingen hebben geleid tot verdere vervolging (wegens bv. bedreigingen, opzettelijke slagen of verwondingen, IX-10.515-8/35 of dergelijke meer) blijkt uit het geheel van de gekende feiten dat u geen conflict-oplossende of verzoenende ingesteldheid heeft. Uw reactie op onrecht (die uiteraard op zich niet verkeerd
- is)uit zich niet steeds met voldoende gematigdheid en zorgt zelfs geregeld voor een escalatie van het initiële probleem. Het brengt een verergering van situaties met zich mee die bovendien meermaals heeft geleid tot wederzijdse frustraties en soms uiteindelijk tot fysieke en verbale agressie. Wanneer u gefrustreerd geraakt over een onrecht – hetzij omwille van een conflict met uw broer, hetzij omwille van een conflict in het verkeer, hetzij omwille van een conflict met toevallige passanten – bent u niet in staat om hier op een rustige, constructieve en reconciliërende manier mee om te gaan. Daarbij komt dat u – zich geconfronteerd ziende met de negatieve gevolgen die dit met zich meebrengt (veelal een escalatie van het probleem) – nog meer gefrustreerd geraakt en daarbij de oplossing zoekt in het krijgen van de over- macht aan de hand van het gewapend verdedigen van zijn belangen of zijn rechten. Dit bijvoorbeeld door verder te rijden met de auto waar een politie- ambtenaar u nochtans tegenhield of door een knuppel te willen hanteren om uw eigendom te beschermen. Vergund wapenbezit brengt […] – eens toegestaan – een bijzondere machts- positie met zich mee voor de wapenbezitter. Het betekent dat hij autonoom zal kunnen beslissen omtrent het gebruik van het wapen. De overheid kan enkel inschatten of men er op een verantwoorde wijze mee zal omgaan want eens toegestaan, beslist de wapenbezitter autonoom. Dit impliceert dat de vergunningverlenende overheid de verantwoordelijk- heid draagt voor een correcte, omstandige inschatting van de mogelijke ri- sico’s die wapenbezit in hoofde van een bepaald persoon met zich mee kan brengen. Aldus maakt ze een inschatting van diens gedrag aan de hand van meldingen, processen-verbaal, vonnissen of arresten enz. die er mogelijks inzicht over kunnen verlenen. In casu blijkt uit het dossier dat er verontrustende elementen zijn die er op wijzen dat u niet op een verantwoorde manier zal omspringen met wapenbe- zit. Uit verschillende incidenten blijkt dat u conflicten (mogelijks onbewust) op de spits drijft, dat u geen verzoenende ingesteldheid heeft en dat alle- daagse problemen leiden tot grote frustraties waarbij u uw onmacht tracht om te zetten in overmacht aan de hand van verbale en soms zelfs fysieke agressie. Het valt niet te overzien wat de gevolgen zouden zijn mocht u op een gelijk- aardige wijze omgaan met frustraties indien u in bezit zou zijn van een vuur- wapen. De overheid kan u onvoldoende vertrouwen schenken dat u daar op een verantwoorde wijze mee zal omspringen. Bij het nemen van haar beslissing dient elke bestuurlijke overheid zich te houden aan de beginselen van behoorlijk bestuur, zo ook het redelijkheids- beginsel. Dit betekent dat er geen kennelijke wanverhouding mag bestaan tussen de motieven en de beslissing welke op grond ervan is genomen. Een beslissing waartoe geen redelijk denkend mens bij een afweging van de be- trokken belangen had kunnen geraken, doet immers vermoeden dat de ver- eiste belangenafweging niet heeft plaatsgehad. In casu zijn de af te wegen belangen de openbare orde en veiligheid (zowel IX-10.515-9/35 voor uzelf als voor uw omgeving) enerzijds, en de mogelijkheid om een vuur- wapen voorhanden te kunnen houden anderzijds. Meer bepaald moet over- wogen worden of vuurwapenbezit in uwen hoofde de openbare orde zou kun- nen verstoren. De finaliteit van de wapenwet is niet om te bestraffen, doch wel om preven- tief op te treden teneinde misbruik van of ongelukken met vuurwapens te voorkomen. Indien er derhalve indicaties voorhanden zijn die wijzen op een potentieel gevaar voor de openbare orde, dan dienen deze afgewogen te wor- den ten aanzien van de individuele belangen van de wapenbezitter. Vuurwapens zijn van nature zeer gevaarlijke objecten waarmee omzichtig moet worden omgesprongen. De wapenwet heeft een principieel verbod in- gesteld op alle vuurwapens, met uitzondering van een gemotiveerde vergun- ning (Mem.v.T., Parl. St., Kamer 2005-2006, nr. 2263/1, p. 17). De wapen- vergunning (of de toelating tot het voorhanden hebben van vuurwapens) is dus de uitzondering. De wapenwet laat de overheid toe om preventieve maat- regelen te nemen om problemen ten aanzien van de openbare orde te vermij- den (cf. rechtspraak van de Raad van State, o.m. RvS 17 november 2011, nr. 216.296, RvS 1 maart 2012, nr. 218.251 en RvS 29 maart 2012, nr. 218.710). Vanuit dit uitgangspunt van preventie dient wapenbezit dan ook alleen te worden toegestaan aan personen die geen tegenindicatie vertonen. Het komt aan de overheid aldus toe om in te schatten voor de toekomst of het voorhanden hebben van een wapen een potentieel gevaar inhoudt voor de openbare orde en veiligheid, waarbij rekening kan worden gehouden met ie- mands algemene moraliteit en persoonlijkheid. Bij de beoordeling van het risico op een verstoring van de openbare orde kan rekening worden gehouden met feiten die niet tot een veroordeling hebben geleid, voor zover die feiten voldoende vaststaan. De vraag is of het op grond van de gegevens in het dossier onredelijk zou zijn om te besluiten dat wapenbezit in uw hoofde de openbare orde en vei- ligheid zou kunnen verstoren of een gevaar zou kunnen betekenen voor uzelf of voor anderen. Op basis van het administratief dossier werd vastgesteld dat er zich proble- men hebben voorgedaan die zouden kunnen wijzen op een gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van een weerkerende agressieproble- matiek waarbij u disproportioneel reageert op situaties waarin u zich on- machtig voelt. Uw gedrag leidde al meermaals tot een escalatie van het pro- bleem met verbale en soms zelfs fysieke agressie tot gevolg, niet enkel bij u maar tevens bij de ‘tegenstander’. Zich geconfronteerd ziende met een on- recht, drijft u het probleem veelal op de spits waardoor u vervolgens gefrus- treerd geraakt en zich onmachtig voelt. De weerkerende problematiek van agressie is als gegeven op zich reeds vol- doende om hieruit een concreet en reëel gevaar […] af te leiden voor de openbare orde en veiligheid indien u opnieuw het bezit van vuurwapens zou worden toegestaan. Het is daartoe niet nodig dat u strafrechtelijk werd ver- oordeeld voor bepaalde feiten. Als vergunningverlenende overheid komt het er niet op aan om uw strafrechtelijke schuld of onschuld na te gaan. Er dient IX-10.515-10/35 daarentegen te worden ingeschat of uw gedrag mogelijks risico’s met zich meebrengt indien u het bezit van vuurwapens wordt toegestaan. Daartoe dient ment zich te baseren op voldoende vaststaande en actuele gegevens. Uit het dossier blijkt dat die voorhanden zijn: u ontkent op zich uw rol niet in de incidenten van 2009 en 2013. U spreekt voorts evenmin tegen dat er recent nog verschillende incidenten zijn geweest met toevallige passanten die uw eigendom onterecht betreden. U vindt het enkel onbegrijpelijk dat geen waarde wordt gehecht aan uw meldingen maar wel aan de meldingen van de personen die ondanks alle verbodsborden uw private eigendom betreden, pertinent weigeren zich in regel te stellen, u bedreigen en zelfs de spiegel van uw wagen beschadigen. Uw advocaat meent desalniettemin dat er geen actuele redenen zijn om u het recht om op basis van het statuut als jager wapens te bezitten, te ontzeggen noch om dit recht in te trekken. Er kan u geen enkel actueel feit ten laste worden gelegd waaruit op enige wijze blijkt dat het voorhanden hebben van wapens de openbare orde zou kunnen verstoren. Er is geen enkele gedraging – laat staan actueel – die doet vrezen dat het voorhanden hebben van een wapen in uw hoofde de openbare orde zou kunnen verstoren en die genoeg- zaam vaststaat. Volgens uw advocaat kan dergelijke beslissing ook niet worden gebaseerd op de redenering dat een particulier die over wapens wenst te beschikken geen moeilijk persoon mag zijn en op alle vlakken een vlekkeloos gedrag zou moeten aantonen, en dit ook tot decennia teruggaand in de tijd. U woont circa 40 jaar in Kaprijke en jaagt al jaren zonder enig incident of problemen. De omwonenden hebben al jarenlang overeenkomsten met u in een goede verstandhouding met betrekking tot de jachtrechten, en dit op een globaal jachtgebied van circa 300 ha. U jaagt sinds uw 18 jaar (u bent geboren op 6 maart 1945) zonder enig pro- bleem met buurtjagers zonder incidenten en u heeft nog nooit enige veroor- deling gehad voor jachtinbreuken. Wat betreft de meldingen kan het u geenszins verweten worden dat derden zich onrechtmatig begeven op uw eigendom, en nog minder dat u als behoor- lijk burger hiervan melding maakt bij de lokale politie, t.w. indien derden zich doelbewust onrechtmatig toegang verschaffen tot uw eigendom en u daarbij soms zelfs bedreigen. Zoals reeds aangegeven spreekt u behoorlijk luid ten gevolge van een gehoorprobleem, hetgeen soms assertief overkomt, maar hetgeen evident geen gevaar vormt voor de openbare orde. Uit de adviezen in het dossier blijkt dat u sinds een veroordeling door de politierechtbank op 24 juni 2014, circa 10 jaar geleden, geen enkel actueel feit ten laste werd gelegd, laat staan dat u werd vervolgd of veroordeeld voor zwaarwichtige feiten die een gevaar zouden vormen voor de openbare orde. Uw advocaat meent aldus dat er geen voldoende vaststaande en actuele ge- gevens zijn die aantonen dat wapenbezit in uw hoofde een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid met zich mee kan brengen. Nochtans zijn er duidelijke indicaties dat het voorhanden hebben van ver- gunningplichtige vuurwapens in uw hoofde een potentieel gevaar inhoudt voor de openbare orde en veiligheid. De wapenwet is er op gericht om mis- bruik van en ongelukken met wapens te voorkomen. Een intrekking van uw IX-10.515-11/35 recht om vuurwapens voorhanden te houden heeft dan ook niet tot doel om u te bestraffen, maar betreft daarentegen een preventieve maatregel genomen ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. Gelet op het voorgaande zou het toekennen van het hoogst uitzonderlijke recht op wapenbezit te veel risico betekenen voor de openbare orde en vei- ligheid. De wapenwet heeft net tot doel om misbruik van of ongevallen met vuurwa- pens te voorkomen en vermijden. Het toekennen van vuurwapenbezit aan bij uitstek iemand die zich conflictueus opstelt en waarvan uit verschillende in- cidenten reeds is gebleken dat dit tot verbale of soms fysieke agressie heeft geleid, zou dan ook ingaan tegen het preventieve uitgangspunt van de wa- penwet. De wapenwet stelt preventie voorop en laat derhalve wapenbezit enkel en alleen uitzonderlijk toe aan zij die daartoe over een geschikte moraliteit be- schikken. Dergelijke moraliteit veronderstelt minstens voldoende verantwoordelijk- heidszin, hetgeen impliceert dat men de gevolgen draagt van zijn handelen en bewust opteert voor een gedrag dat geen onnodige risico’s doet ontstaan. In casu blijkt evenwel dat uw moraliteit hieraan niet voldoet. Op grond hiervan moet dan ook vastgesteld worden dat particulier vuurwa- penbezit in uw hoofde een te groot risico zou inhouden voor de openbare orde en veiligheid. In bezit zijnde van vuurwapens wordt het potentieel ge- vaar onaanvaardbaar vergroot. Bijgevolg is een intrekking van uw recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens noodzakelijk ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid.” IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 4.1. Het enige middel is genomen uit de schending van de artikelen 11 en 13 van de wet van 8 juni 2006 ‘houdende regeling van economische en indi- viduele activiteiten met wapens’ (“wapenwet”), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (“formelemotiveringswet”), het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbegin- sel en de materiëlemotiveringsplicht. 4.2. In het eerste middelonderdeel voert verzoeker aan dat (
- i)hem het wapenbezit wordt ontzegd omdat hij niet zou beschikken over “een geschikte moraliteit”, hetgeen geen wettig criterium of rechtens vereiste grondslag is om met IX-10.515-12/35 toepassing van de artikelen 11 en 13 van de wapenwet het recht om een wapen voorhanden te hebben in te trekken en (
- ii)dat de intrekking van het wapenbezit steunt op onjuiste feiten en het administratief dossier miskent. In de toelichting bij het middelonderdeel argumenteert verzoeker dat in de bestreden beslissing meermaals wordt gesteld dat hij “geen gemakkelijk persoon” zou zijn, hij “geen conflict-oplossende of verzoenende ingesteldheid” zou hebben en dat wapenbezit uitsluitend wordt voorbehouden aan “zij die daartoe over een geschikte moraliteit beschikken”. Voorts steunt de bestreden beslissing op en verwijst ze naar een ongunstig advies van de procureur des Konings waarin wordt gesteld dat er sprake dient te zijn van “onberispelijk gedrag”. Nochtans kan op grond van de artikelen 11, § 1, tweede lid, en 13, eerste lid, van de wapenwet de vergunning of het recht om een wapen voorhanden te hebben enkel worden be- perkt, geschorst of ingetrokken indien blijkt dat dit de openbare orde kan verstoren. Ook de Raad van State heeft reeds geoordeeld dat van een wapenbezitter geen “vlekkeloos gedrag” wordt vereist en dat het recht om een wapen voorhanden te hebben enkel kan worden ingetrokken indien dit de openbare orde kan verstoren. De beweerde afwezigheid van een “onberispelijk gedrag” of een “geschikte mora- liteit” kan dus geen grondslag of decisief criterium vormen om het wapenbezit in te trekken. Voorts stelt verzoeker dat in de bestreden beslissing uit een beweerd gebrek aan “onberispelijk gedrag”, “geschikte moraliteit” of “conflict-oplossende of verzoenende ingesteldheid” ten onrechte wordt afgeleid dat er per definitie een bedreiging is voor de openbare orde en veiligheid aangezien er geen enkel actueel feit is waaruit een dergelijke bedreiging blijkt. Naar het oordeel van verzoeker mis- kent de bestreden beslissing bovendien de stukken van het administratief dossier in zoverre wordt overwogen dat “uit het moraliteitsonderzoek van de lokale politie blijkt […] dat u iemand bent van [wie] de buren schrik hebben en dat u om die reden wordt gemeden”. Uit het moraliteitsonderzoek van de lokale politie van 16 juni 2023 blijkt namelijk geenszins dat er problemen zijn met de buren, dat zij schrik hebben of dat verzoeker wordt gemeden. Er wordt immers gesteld dat “[v]oor zover […] bekend […] er geen moeilijkheden [zijn] tussen [verzoeker] en IX-10.515-13/35 zijn buren”. Volgens verzoeker is hierdoor het zorgvuldigheidsbeginsel geschon- den. 4.3. In het tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat (
- i)in de bestreden beslissing niet wordt aangetoond dat het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren, (
- ii)de aangenomen mogelijke verstoring van de openbare orde niet steunt op actuele feiten, (iii) het proportioneel karakter van de intrekking van het wapenbezit niet afdoende wordt gemotiveerd en (
- iv)de intrekking van het wapenbezit als zwaarste maatregel onredelijk en disproportio- neel is. In de toelichting bij het middelonderdeel argumenteert verzoeker dat de verwerende partij moet aantonen dat er sprake is van een mogelijke versto- ring van de openbare orde, die bovendien nog actueel moet zijn bij het nemen van de bestreden beslissing. Volgens verzoeker is dit in casu niet het geval en blijkt dit ook niet uit de bestreden beslissing of de stukken van het administratief dossier. Verzoeker betoogt dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar een ver- keersinbreuk uit 2013 en een navolgende veroordeling uit 2014, wat dateert van tien jaar vóór de bestreden beslissing is genomen. Zowel uit het administratief dos- sier als uit het moraliteitsonderzoek van de politie blijkt dat hij sinds november 2021 niet meer voorkomt in de databanken. De laatste tien jaar is er geen enkel vaststaand of bewezen feit in hoofde van verzoeker. Er is geen enkele veroordeling uitgesproken, zelfs geen proces-verbaal opgesteld. Uit het moraliteitsonderzoek van de politie blijkt dat verzoeker sedert zijn achttiende jaagt zonder enig probleem met buurtjagers en dat hij nooit is veroordeeld voor een jachtinbreuk. Ook het agentschap Natuur en Bos bevestigt dat verzoeker niet negatief wordt vermeld in de databanken. Voorts blijkt uit het administratief dossier dat er zeven (oude) mel- dingen zijn in de periode 2017-2021, waarvan er vijf door verzoeker zelf werden gedaan als slachtoffer van agressie en wegens derden die zijn domein hebben be- treden. Verzoeker heeft daarbij het recht niet in eigen hand genomen maar de feiten correct gemeld aan de politiediensten. De andere twee meldingen betreffen, eens- deels, een ongeloofwaardige melding van een derde die verzoekers domein heeft IX-10.515-14/35 betreden en zelf agressief heeft uitgehaald naar verzoeker – feiten waarover ver- zoeker destijds een andersluidende melding heeft gedaan – en, anderdeels, een mel- ding van de politiediensten omtrent een vraag om informatie van verzoeker over de mogelijkheid tot wapenbezit. Naar het oordeel van verzoeker bevat het admini- stratief dossier derhalve geen enkel actueel feit waaruit kan worden afgeleid dat wapenbezit een bedreiging zou vormen voor de openbare orde. De bestreden beslissing komt, aldus verzoeker, niet verder dan herhaalde verwijzingen naar zeer oude en niet dienstige feiten, namelijk een fami- liediscussie uit 2009 en de reeds aangehaalde verkeersinbreuk uit 2013, waaraan wordt toegevoegd dat verzoeker “recent” in conflict zou zijn getreden met passan- ten die zich op zijn eigendom hebben begeven. Uit de meldingen van verzoeker zelf als slachtoffer van agressie en indringers op zijn domein – die niet recent zijn maar dateren uit de periode 2017-2021 – kan volgens verzoeker geen agressiepro- blematiek worden afgeleid. Evenmin blijkt daaruit dat hij een gevaar zou vormen voor de openbare orde en veiligheid, laat staan specifiek in functie van wapenbezit. Voorts kan de enkele ongeloofwaardige melding van een derde geenszins als een vaststaand of bewezen feit worden beschouwd. Volgens verzoeker komt de bestre- den beslissing niet verder dan de bevestiging dat er inderdaad geen actuele feiten zijn, en wordt louter geponeerd dat “uit het geheel van de gekende feiten” blijkt dat verzoeker geen verzoenende ingesteldheid zou hebben, waarbij wordt gesteld dat de processen-verbaal noch de meldingen hebben geleid tot vervolging, hoewel er de laatste tien jaar zelfs helemaal geen processen-verbaal zijn opgesteld. Voorts bevat de bestreden beslissing een lange motivering waarin verzoeker herhaaldelijk ten onrechte wordt afgeschilderd als een “moeilijk persoon” met een “ongeschikte” moraliteit en wordt voortdurend verwezen naar een zogenaamde “agressieproble- matiek”, maar dit blijkt niet uit de stukken, niet uit enig actueel bewezen feit en al zeker niet uit de eigen meldingen van verzoeker. De intrekking van het wapenbezit steunt derhalve op onvoldoende bewezen feiten. Er is geen enkel bewezen relevant feit gedurende de afgelopen tien jaar. IX-10.515-15/35 Tot slot argumenteert verzoeker dat de intrekking van het recht om wapens voorhanden te hebben niet in redelijke verhouding staat tot de feiten aangezien er geen actuele feiten zijn, laat staan dat ze bewezen zijn. Hij klaagt ook aan dat in de bestreden beslissing niet wordt gemotiveerd waarom en welke feiten in evenredigheid zouden staan tot de intrekking van zijn wapenbezit. Er wordt slechts verwezen naar een vaag beweerd “risico” voor de openbare orde en veilig- heid. 4.4. In het derde middelonderdeel voert verzoeker aan dat de bestre- den beslissing niet toelaat te begrijpen waarom zijn pertinente bezwaren en opmer- kingen uit zijn beroepschrift en aanvullend verweer niet worden bijgevallen. In de toelichting bij het middelonderdeel argumenteert verzoeker dat in de bestreden beslissing niet wordt geantwoord op zijn terechte argumentatie dat er sinds 2014 geen enkele veroordeling voorligt, hem geen feiten ten laste zijn gelegd, het administratief dossier geen enkel bewezen feit bevat en er de laatste tien jaar zelfs geen proces-verbaal is opgesteld. Voorts laat verzoeker gelden dat in de bestreden beslissing wordt geponeerd dat er sprake zou zijn van een “weerkerende agressieproblematiek” zon- der dat er een bewezen feit, een proces-verbaal of een veroordeling in zijnen hoofde bestaat. Daarbij worden ook de stukken uit het administratief dossier miskend, zo- als het moraliteitsverslag van de lokale politie waaruit blijkt dat (
- i)verzoeker in- zake wapenbezit niet negatief wordt vermeld in de databanken, hetgeen ook wordt bevestigd door het agentschap Natuur en Bos, (
- ii)verzoeker reeds sedert zijn acht- tiende jaagt zonder problemen, (iii) er geen andere actuele feiten zijn en zelfs geen actuele meldingen met betrekking tot verzoeker en (
- iv)er geen problemen met de buren zijn gekend, in tegenspraak met wat in de bestreden beslissing wordt gesteld. Verzoeker merkt ook op dat in de bestreden beslissing, zowel met verwijzing naar het ongunstige advies van de procureur des Konings als in de eigen motieven, ten onrechte wordt aangenomen dat een (beweerd en onbewezen) IX-10.515-16/35 gebrek aan een onberispelijk of vlekkeloos gedrag, dan wel een gebrek aan een zogenaamde “geschikte moraliteit” een wettig criterium of wettige rechtsgrond zou vormen om het recht om wapens voorhanden te hebben in te trekken en dit in weer- wil van zijn pertinente bezwaren en opmerkingen. Tot slot stelt verzoeker dat in de bestreden beslissing inzake de proportionaliteit van het intrekken van het wapenbezit wel wordt verwezen naar het redelijkheidsbeginsel en de belangenafweging waartoe de verwerende partij is gehouden, maar dat vervolgens dergelijke proportionaliteitstoets of belangenafwe- ging niet volgt en de maatregel niet wordt getoetst aan enig bewezen, concreet en actueel feit. De bestreden beslissing vervalt slechts in onjuiste algemeenheden om- trent het zogezegde “agressieve” gedrag van verzoeker en het gebrek aan “ge- schikte moraliteit”. Aldus schendt de bestreden beslissing, zo meent verzoeker, de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet en de materiëlemotiveringsplicht. 5. In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker inzake het eerste middelonderdeel dat zelfs indien “een geschikte moraliteit” een wettig cri- terium zou zijn om het recht om een vuurwapen voorhanden te hebben in te trek- ken, de verwerende partij erkent dat een en ander niet blijkt uit het moraliteitson- derzoek van 16 juni 2023. De stelling van de verwerende partij dat niet zou worden verwezen naar het moraliteitsonderzoek van 16 juni 2023 maar naar het morali- teitsonderzoek van 19 augustus 2014 blijkt volgens verzoeker niet uit de bestreden beslissing. Hij vindt het ook geenszins aannemelijk dat de bestreden beslissing niet zou zijn gestoeld op het moraliteitsonderzoek dat eraan voorafgaat, maar op een moraliteitsonderzoek dat voorafgaat aan een beslissing van meer dan tien jaar ge- leden. Zelfs indien de stelling van de verwerende partij zou worden bijgevallen, is naar het oordeel van verzoeker daarmee niet weerlegd dat er geen gebrek aan een geschikte moraliteit blijkt uit het recentste moraliteitsonderzoek. In zoverre de ver- werende partij stelt dat de afwezigheid van een geschikte moraliteit geen decisief criterium was om het recht op wapenbezit in te trekken, repliceert verzoeker dat de IX-10.515-17/35 verwerende partij de duidelijke tekst van de bestreden beslissing miskent aangezien er wordt overwogen dat wapenbezit “enkel en alleen” wordt toegelaten aan dege- nen die daartoe “over een geschikte moraliteit” beschikken, dat verzoekers mora- liteit niet “voldoet” en dat daaruit een bedreiging voor de openbare orde volgt. Met betrekking tot het tweede middelonderdeel argumenteert verzoeker dat een analyse van de meldingen waarbij hij slachtoffer én melder was onmogelijk tot de vaststelling kan leiden dat er concrete misdrijven of feiten bewe- zen zijn, laat staan dat er een actuele veroordeling zou bestaan. Dat hij steeds zelf behoorlijk aan de politie heeft gemeld dat derden zich op zijn eigendom begeven, afval achterlaten en hem verbaal en fysiek bedreigen, kan volgens verzoeker on- mogelijk worden beschouwd als een bedreiging van de openbare orde en veilig- heid. Integendeel getuigt dit van behoorlijk burgerschap. Voorts benadrukt verzoe- ker dat er de laatste tien jaar geen enkel vaststaand, dienstig feit is bewezen. Hij is niet alleen nooit veroordeeld, er is ook geen enkel feit vastgesteld. In zoverre de verwerende partij verwijst naar arrest nr. 213.889 van 16 juni 2011 waaruit moet blijken dat een veroordeling voor een misdrijf niet is vereist, repliceert verzoeker dat aan die zaak totaal andere feiten ten grondslag lagen. Er valt, naar het oordeel van verzoeker, geen enkele parallel met zijn zaak te trekken. Er is geen sprake van soortgelijke zwaarwichtige feiten of van een gerechtelijk onderzoek. Er is zelfs geen proces-verbaal opgesteld. De beoordeling uit dat arrest is derhalve niet toe- pasbaar op zijn geval. In zoverre de verwerende partij omtrent het gebrek aan mo- tivering en het gebrek aan proportioneel karakter van de intrekking als zwaarste maatregel opmerkt dat zij dienaangaande over een discretionaire beoordelingsbe- voegdheid beschikt, repliceert verzoeker dat een discretionaire bevoegdheid niet inhoudt dat de verwerende partij haar beslissing niet dient te motiveren, laat staan dat zij zonder enig motief inzake de keuze tussen maatregelen zonder meer de in- trekking van het recht om wapens voorhanden te houden als zwaarste maatregel mag opleggen. Aangaande het derde middelonderdeel ontkent verzoeker de stel- ling van de verwerende partij dat hij gemakkelijk in conflict zou komen met IX-10.515-18/35 toevallige voorbijgangers. Hij stelt dat hij in werkelijkheid wordt geconfronteerd met derden die zich onrechtmatig toegang verschaffen tot zijn terrein, dat hij hen daarop wijst en vervolgens melding doet bij de politiediensten wanneer hij gecon- fronteerd wordt met derden die zich tegenover hem agressief opstellen. Volgens verzoeker gaat het niet om toevallige voorbijgangers en is het ook onjuist dat de betrokken personen geen onderlinge band hebben. Het gaat steeds over derden die zonder toestemming zijn domein betreden. Verzoeker benadrukt nogmaals dat er hem sinds de veroordeling voor een verkeersinbreuk op 24 juni 2014 – tien jaar geleden – geen enkel actueel feit ten laste is gelegd, laat staan dat hij zou zijn ver- volgd of veroordeeld. Er is zelfs geen proces-verbaal opgesteld voor zwaarwichtige feiten waaruit zou kunnen worden afgeleid dat wapenbezit een gevaar zou vormen voor de openbare orde. 6. In zijn laatste memorie ontkent verzoeker dat hij enige intentie zou hebben of hebben gehad om een knuppel te bezitten, laat staan te gebruiken. Integendeel heeft hij destijds schertsend aan de politie gezegd dat hij toch niet met een knuppel kan rondlopen om zijn eigendom te bewaken. Verzoeker wist en weet dat het geen optie is om met een knuppel rond te lopen en hij heeft dit ook zo gemeld. In de inlichtingenfiche wordt dit ten onrechte anders weergegeven. Ove- rigens betreft het een inlichtingenfiche, geen proces-verbaal en geen verklaring van verzoeker, laat staan een verklaring bij de politie die door de betrokkene is nagele- zen en ondertekend. Uit dezelfde “inlichtingen” blijkt trouwens dat verzoeker heeft aangegeven de politiediensten te zullen bellen mocht hij problemen hebben. Bo- vendien blijkt uit de andere meldingen in het dossier dat verzoeker nooit met een knuppel – die hij evident niet bezit – of enig ander verboden wapen heeft rondge- lopen. Er is geen enkel feit in die zin vastgesteld, laat staan dat er een veroordeling zou zijn. Zelfs indien verzoeker ernstig de vraag zou hebben gesteld of hij zich mag verdedigen indien er zich een confrontatie zou voordoen waarbij derden zonder toestemming zijn eigendom betreden, is dit geen feit waaruit zou kunnen blijken dat verzoeker ooit een wapen zou aanwenden, laat staan dat er een vastgesteld feit of een veroordeling zou bestaan. Verzoeker benadrukt dat hij nooit is veroordeeld en dat er nooit enig onderzoek naar geweldpleging tegenover derden is geweest. IX-10.515-19/35 Hij heeft daarentegen een blanco strafblad en is een fervent jager sedert zijn acht- tiende, zonder enige veroordeling of enig jachtconflict. Beoordeling 7. De toelichting bij de drie middelonderdelen leert dat verzoeker verschillende argumenten herhaalt in verschillende middelonderdelen. Voorts blijkt dat verzoeker in het tweede middelonderdeel de schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel. De vraag of dat beginsel is miskend, is pas aan de orde wan- neer vaststaat dat de motieven van de bestreden beslissing in feite en in rechte het oordeel van de verwerende partij verantwoorden dat aan verzoeker geen vuurwa- penbezit kan worden toegestaan, hetgeen verzoeker in de verschillende middelon- derdelen ook betwist met diverse argumenten. Om die reden worden hierna de drie middelonderdelen samen behandeld, waarbij eerst verzoekers argumentatie in ver- band met de formelemotiveringsplicht wordt onderzocht, vervolgens zijn argumen- tatie inzake de deugdelijkheid van de motivering en ten slotte zijn argumentatie aangaande het redelijkheidsbeginsel. 8. De door de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet voor- geschreven formelemotiveringsplicht moet verzoeker toelaten de concrete redenen te achterhalen die de verwerende partij tot haar beslissing hebben geleid. De ver- werende partij moet daarbij niet op elk argument van verzoeker antwoorden en dit weerleggen. Het volstaat dat verzoeker in de bestreden beslissing de redenen vindt die de verwerende partij ertoe brengen hem het vuurwapenbezit te ontzeggen. De formelemotiveringsplicht vereist dat de verwerende partij op afdoende wijze aan- geeft waarom zij tot een welbepaalde beslissing komt, maar houdt in de regel niet in dat zij uitdrukkelijk verantwoordt waarom zij andere mogelijke beslissingen níét heeft genomen. 9. Uit de motivering van de bestreden beslissing (aangehaald sub 3.9) blijkt dat de verwerende partij tot het besluit komt dat “er duidelijke indicaties [zijn] dat het voorhanden hebben van vergunningplichtige vuurwapens in IX-10.515-20/35 [verzoekers] hoofde een potentieel gevaar inhoudt voor de openbare orde en vei- ligheid”. De verwerende partij steunt dit oordeel op de vaststelling dat er een “weerkerende agressieproblematiek” bestaat in hoofde van verzoeker waarbij hij “disproportioneel reageert op situaties waarin [hij] zich onmachtig voelt”. Verzoe- kers gedrag heeft “al meermaals [geleid] tot een escalatie van het probleem met verbale en soms zelfs fysieke agressie tot gevolg”. Volgens de verwerende partij zou “[h]et toekennen van vuurwapenbezit aan bij uitstek iemand die zich conflic- tueus opstelt en waarvan uit verschillende incidenten reeds is gebleken dat dit tot verbale of soms fysieke agressie heeft geleid […] ingaan tegen het preventieve uitgangspunt van de wapenwet” en moet worden vastgesteld “dat particulier vuur- wapenbezit in [verzoekers] hoofde een te groot risico zou inhouden voor de open- bare orde en veiligheid”. De “weerkerende agressieproblematiek” blijkt volgens de ver- werende partij uit het feit “dat er zowel in het verleden als recent nog sprake was van incidenten met verbale of fysieke agressie”. Wat de incidenten met verbale of fysieke agressie uit het verleden betreft, verwijst de verwerende partij vooreerst naar een proces-verbaal wegens “opzettelijke slagen en verwondingen” naar aan- leiding van een ruzie in 2009 tussen verzoeker en zijn broer en schoonzus. Dit proces-verbaal is om opportuniteitsredenen geseponeerd. Voorts verwijst de ver- werende partij naar een proces-verbaal van 9 juni 2013 wegens “ernstige feiten van verkeersagressie” waarbij “zowel de andere weggebruikers als de verbaliserende politieambtenaren geconfronteerd [werden] met [verzoekers] agressief gedrag”. Meer specifiek heeft verzoeker “andere weggebruikers in gevaar [gebracht] mid- dels een opzettelijke poging tot aanrijding”, heeft hij zich daarbij “aanmatigend en weerbarstig” opgesteld en “bedreigde [hij] andere weggebruikers”. Bij vonnis van 26 juni 2014 is verzoeker hiervoor veroordeeld tot een geldboete en een verlies van het recht tot sturen van vijftien dagen. Wat de recente incidenten met verbale of fysieke agressie betreft, verwijst de verwerende partij naar het feit dat tussen 2019 en 2021 “door de lokale politie zeven meldingen [werden] opgemaakt van moei- lijkheden met een persoon waarin [verzoeker] betrokken was”. Deze moeilijkheden “hebben betrekking op voetgangers en fietsers die zich per ongeluk op [verzoekers] IX-10.515-21/35 eigendom begeven waarna er problemen ontstaan”. Het kwam daarbij “meermaals tot hoog oplopende discussies en een aantal keer bijna tot een handgemeen met deze passanten”. Die “weerkerende agressieproblematiek” in hoofde van verzoe- ker vormt voor de minister van Justitie een voldoende en dus determinerend motief om de bestreden beslissing te schragen aangezien hij daarover stelt dat “[d]e weer- kerende problematiek van agressie […] als gegeven op zich reeds voldoende [is] om hieruit een concreet en reëel gevaar […] af te leiden voor de openbare orde en veiligheid”. 10. Aldus blijkt dat de verwerende partij heeft voldaan aan de op haar rustende formelemotiveringsplicht. Uit de motivering van de bestreden beslis- sing blijkt immers om welke redenen verzoekers recht om vuurwapens voorhanden te hebben blijft ingetrokken en wat het determinerend motief van de verwerende partij daarvoor is. 11. Zoals gezegd, vereist de formelemotiveringsplicht niet dat de verwerende partij op alle bezwaren en opmerkingen van verzoeker uit zijn beroep- schrift en aanvullend verweer afzonderlijk antwoordt en deze weerlegt. Verzoekers argumentatie dat er geen elementen voorhanden zijn waaruit kan worden afgeleid dat zijn wapenbezit een potentieel gevaar zou vormen voor de openbare orde en dat de intrekking steunt op een gebrek aan onberispelijk of vlekkeloos gedrag in plaats van een potentieel gevaar voor de openbare orde wordt alvast afdoende be- antwoord met de uiteenzetting van de motieven die de verwerende partij tot haar beslissing hebben gebracht. 12. Tot slot reikt de formelemotiveringsplicht niet zover dat de ver- werende partij in de bestreden beslissing een motivering moet opnemen met be- trekking tot de proportionaliteit van de beslissing om verzoeker niet opnieuw het recht te verlenen om vuurwapens voorhanden te hebben. IX-10.515-22/35 13. Er kan geen schending van de formelemotiveringsplicht worden vastgesteld. 14. De materiëlemotiveringsplicht houdt in casu in dat de bestreden beslissing moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte verantwoorden dat het voorhanden hebben van wapens de openbare orde kan verstoren. De wapenwet bepaalt niet op grond van welke feiten, noch op grond van welke criteria, de vraag moet worden beoordeeld of het voorhanden heb- ben van een vuurwapen de openbare orde kan verstoren. De minister van Justitie beschikt over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het vlak van het bewezen verklaren van de feiten waarop hij steunt om tot dit oordeel te komen, als op het vlak van de kwalificatie van die feiten als gronden tot het beoordelen van de verstoring van de openbare orde. Aangezien de wapenwet inzake het bewezen verklaren van de feiten geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de minister ook op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het dossier om tot zijn overtuiging te komen. Hij mag daarbij niet alleen steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen of vermoedens. Het valt aan de Raad van State in het kader van zijn wettigheids- toezicht niet toe om zelf te beoordelen of het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. De Raad van State is enkel bevoegd om desge- vraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de toe- passelijke wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar be- sluit is gekomen. 15. Bij de beoordeling van verzoekers argumentatie aangaande de formelemotiveringsplicht is reeds vastgesteld dat uit de bestreden beslissing blijkt dat – in tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert – de verwerende partij hem het wapenbezit heeft ontzegd omdat zij van oordeel is dat dit de openbare orde kan IX-10.515-23/35 verstoren. Zo overweegt de verwerende partij in de bestreden beslissing onder meer dat “[o]p basis van het administratief dossier werd vastgesteld dat er zich proble- men hebben voorgedaan die zouden kunnen wijzen op een gevaar voor de openbare orde en veiligheid”, dat “[d]e weerkerende problematiek van agressie […] als ge- geven op zich reeds voldoende [is] om hieruit een concreet en reëel gevaar […] af te leiden voor de openbare orde en veiligheid” en dat “particulier vuurwapenbezit in [verzoekers] hoofde een te groot risico zou inhouden voor de openbare orde en veiligheid”. Dat in de bestreden beslissing ook wordt vermeld dat verzoeker “geen gemakkelijk persoon” is of “geen conflict-oplossende of verzoenende ingesteld- heid” heeft, doet geen afbreuk aan het feit dat de verwerende partij toepassing heeft gemaakt van het juiste criterium om verzoeker het wapenbezit te ontzeggen. Voorts blijkt dat in de bestreden beslissing nergens wordt gesteld dat voor wapenbezit een “onberispelijk” of “vlekkeloos” gedrag wordt vereist. In zoverre verzoeker aanvoert dat in het ongunstig advies van de procureur des Ko- nings wordt gesteld dat er sprake dient te zijn van onberispelijk gedrag, moet wor- den opgemerkt dat die kritiek niet de bestreden beslissing zelf treft en op zich niet tot de nietigverklaring ervan kan leiden. Terecht voert verzoeker aan dat de verwerende partij in de be- streden beslissing stelt dat wapenbezit wordt voorbehouden aan “zij die daartoe over een geschikte moraliteit beschikken” (de Raad cursiveert). Met die overwe- ging brengt de verwerende partij het risico op een verstoring van de openbare orde in verband met de moraliteit van diegene die wapens wil bezitten. Dit mag niet verbazen aangezien het vaststaat dat indien iemand niet over de moraliteit beschikt die welbepaald van een wapenbezitter mag worden verwacht, diens wapenbezit de openbare orde in het gedrang brengt. Dat de verwerende partij het risico op een verstoring van de openbare orde in verband brengt met en afleidt uit verzoekers moraliteit is dan ook geenszins onwettig. Zij overweegt dienaangaande terecht in de bestreden beslissing dat “[d]e wapenwet […] preventie [vooropstelt] en […] wapenbezit enkel en alleen uitzonderlijk [toelaat] aan zij die daartoe over een ge- schikte moraliteit beschikken” en dat “[d]ergelijke moraliteit […] minstens IX-10.515-24/35 voldoende verantwoordelijkheidszin [veronderstelt], hetgeen impliceert dat men de gevolgen draagt van zijn handelen en bewust opteert voor een gedrag dat geen on- nodige risico’s doet ontstaan”. 16. Verzoeker voert aan dat niet is aangetoond dat zijn wapenbezit de openbare orde kan verstoren en dat de aangenomen verstoring van de openbare orde niet steunt op actuele feiten. Zoals hierna zal blijken, kan die argumentatie niet worden bijgevallen. 17. Blijkens de bestreden beslissing is het determinerend motief om verzoeker het wapenbezit te ontzeggen een “weerkerende agressieproblematiek” in hoofde van verzoeker, waarover de verwerende partij stelt dat dit “als gegeven op zich reeds voldoende [is] om hieruit een concreet en reëel gevaar […] af te leiden voor de openbare orde en veiligheid”. Die “weerkerende agressieproblematiek” blijkt volgens de verwerende partij uit het feit “dat er zowel in het verleden als recent nog sprake was van incidenten met verbale of fysieke agressie”. 18. Wat het verleden betreft, verwijst de verwerende partij vooreerst naar een proces-verbaal wegens “opzettelijke slagen en verwondingen” naar aan- leiding van een ruzie in 2009 tussen verzoeker en zijn broer en schoonzus. Dit proces-verbaal is om opportuniteitsredenen geseponeerd. Verzoeker ontkent op geen enkele wijze de feiten die aan dit pro- ces-verbaal ten grondslag liggen. Hij kan ook bezwaarlijk ontkennen dat het een incident betreft met verbale of fysieke agressie. 19. Voorts verwijst de verwerende partij naar een proces-verbaal van 9 juni 2013 wegens “ernstige feiten van verkeersagressie” waarbij “zowel de an- dere weggebruikers als de verbaliserende politieambtenaren geconfronteerd [wer- den] met [verzoekers] agressief gedrag”. Verzoeker heeft “andere weggebruikers in gevaar [gebracht] middels een opzettelijke poging tot aanrijding”, hij heeft zich daarbij “aanmatigend en weerbarstig” opgesteld en hij “bedreigde andere IX-10.515-25/35 weggebruikers”. Bij vonnis van 26 juni 2014 is verzoeker hiervoor veroordeeld tot een geldboete en een verlies van het recht tot sturen van vijftien dagen. Gelet op de strafrechtelijke veroordeling, staat het bestaan van dit feit vast. Verzoeker kan ook niet ontkennen dat het een incident met verbale of fysieke agressie betreft. 20. Gelet op de voorgaande feiten – die door verzoeker niet worden ontkend en dus vaststaan – is het niet onredelijk dat de verwerende partij oordeelt dat er in het verleden sprake was van incidenten met verbale of fysieke agressie door verzoeker. 21. Wat de recente incidenten met verbale of fysieke agressie door verzoeker betreft, verwijst de verwerende partij naar het feit dat tussen 2019 en 2021 “door de lokale politie zeven meldingen [werden] opgemaakt van moeilijk- heden met een persoon waarin [verzoeker] betrokken was”. Deze moeilijkheden “hebben betrekking op voetgangers en fietsers die zich per ongeluk op [verzoekers] eigendom begeven waarna er problemen ontstaan”. Een eerste melding van verzoeker dateert van 6 juli 2019. Uit die melding blijkt dat verzoeker een vrouw heeft aangesproken die zich op zijn oprit bevond en dat het daarbij tot een discussie is gekomen tussen verzoeker en een derde, waarbij de fietser hem zou hebben uitgescholden. Op 12 augustus 2019 doet verzoeker een nieuwe melding waar- bij hij zich beklaagt over diverse personen die over zijn eigendom zouden passeren. De meeste passanten die hij daarover aanspreekt, zouden volgens verzoeker arro- gant en aanmatigend reageren en zich niets aantrekken van zijn eigendom wat leidt tot frustratie bij verzoeker. Daarbij zou het “al meermaals tot hoog oplopende dis- cussies en een aantal keer bijna tot handgemeen zijn gekomen met passanten”. Blij- kens die melding heeft verzoeker toen aan de politie gevraagd of hij niet met een grote knuppel zijn eigendom mag bewaken. Voorts wordt in die melding ook IX-10.515-26/35 verwezen naar feiten van 11 augustus 2019 waarbij sprake is van een incident met de organisator van een fotozoektocht. Verzoeker zou de betrokkene hebben aange- sproken, waarbij hij agressief overkwam en met de arm zwaaide. Vervolgens komt het tot een discussie over het feit of de betrokkene zich al dan niet op verzoekers eigendom bevindt. Wanneer de betrokkene zou hebben gezegd “ge moet geen schrik hebben hoor” zou verzoeker hebben geantwoord “manneken toch, zo’n ventjes als gij leg ik er alle dagen twee tussen mijn boterham”. Een derde melding dateert van 13 september 2019. Verzoeker klaagt opnieuw over het feit dat er mensen in zijn tuin rondlopen en voor zijn dreef parkeren. Verzoeker meldt dit “omdat hij vreest dat de situatie zal escaleren”. Op 8 juni 2020 meldt verzoeker zich opnieuw bij de politie om- dat een man met een hond zich op zijn eigendom bevindt. Volgens de melding verklaart verzoeker daarbij dat er “weer wat woorden gevallen zijn” en dat dit “een veelvoorkomend probleem [is] sedert het nieuwe fietspad”. Een vijfde melding dateert van 2 augustus 2020. Verzoeker ver- klaart dat er drie wielertoeristen op zijn privéterrein aanwezig waren. Volgens de melding zou verzoeker de wielertoeristen hebben gevraagd de plaats te verlaten, waarna één man verbaal agressief zou zijn geworden en iets naar het voertuig van verzoeker zou hebben gegooid, waardoor het werd bevuild. Een zesde melding dateert van 10 februari 2021. Volgens een oproep van enkele wandelaars werden zij bedreigd door verzoeker en heeft hij hen “vastgegrepen”. Hij zou “[staan] roepen en tieren, wil hen dus niet laten gaan”. Vervolgens is de politie ter plaatse moeten komen. De wandelaars hebben de poli- tie te kennen gegeven dat zij niet weg mochten van verzoeker en verzoeker heeft dit bevestigd. Voorts hebben de wandelaars verklaard dat zij zich niet bewust wa- ren van het feit dat zij zich op privé-eigendom bevonden, dat verzoeker op een bepaald moment is komen aanlopen en luid en agressief naar hen bleef roepen. Verzoeker zou zich “zeer agressief” hebben opgesteld en krachtig aan de lijn van IX-10.515-27/35 hun hond hebben getrokken. Zij mochten niet verder van verzoeker, waarop zij de politie hebben gebeld. Verzoeker erkent dat hij naar de dames heeft geroepen en hen achterna is gelopen. Tevens erkent hij hun hond bij de lijn te hebben gegrepen. Hij verklaart ook dat hij al meermaals melding heeft gemaakt van problemen op zijn privé-eigendom en dat hij wenst dat dit stopt. De politie heeft uiteindelijk be- middeld en de interventie afgesloten. Een laatste melding dateert van 22 november 2021. Volgens de melding van verzoeker heeft hij een jogger aangesproken die zich op zijn eigendom bevond. De jogger zou verbaal agressief zijn geworden, de deur van verzoekers voertuig hebben geopend en hard hebben dichtgegooid. Thuis zou verzoeker heb- ben vastgesteld dat de zijspiegel was beschadigd. Ook de jogger heeft het voorval aan de politie gemeld. Volgens diens verklaring zou het tot een discussie met ver- zoeker zijn gekomen, waarbij verzoeker hem heeft uitgescholden. Verzoeker zou de betrokkene met de auto de weg hebben afgesneden waarbij hij de jogger heeft geraakt en er schade is ontstaan aan de spiegel. Verzoeker zou de jogger vervolgens hebben gevolgd tot aan zijn huis. 22. Verzoeker voert aan dat die meldingen geen vaststaande of be- wezen feiten zijn. Hij is de afgelopen tien jaar niet vervolgd of veroordeeld en er is zelfs geen proces-verbaal opgesteld. Verzoeker gaat er evenwel aan voorbij dat de verwerende partij bij de beoordeling of er al dan niet sprake is van een mogelijke verstoring van de openbare orde, niet alleen mag steunen op vaststaande bewijzen zoals een straf- rechtelijke veroordeling, maar ook op andere gegevens zoals een proces-verbaal dat niet tot een strafrechtelijke veroordeling heeft geleid, getuigenissen, vermoe- dens, enzovoort. Zo mag de verwerende partij ook steunen op meldingen aan de politie om aan te tonen dat wapenbezit de openbare orde kan verstoren. Uiteraard dient de verwerende partij bij de feitenvinding alle gegevens uit het dossier met betrekking tot de feiten in aanmerking te nemen bij de beoordeling van de bewijs- waarde van deze feiten. IX-10.515-28/35 23. Verzoeker argumenteert ook dat vijf meldingen van hem afkom- stig zijn, als “slachtoffer van agressie en wegens derden die ongevraagd zijn do- mein betraden”. Dit betekent evenwel niet dat de verwerende partij met die mel- dingen geen rekening zou mogen houden, zeker wanneer – zoals de verwerende partij doet – uit die meldingen kan worden afgeleid dat verzoekers gedrag of hou- ding een potentieel gevaar voor de openbare orde met zich mee kan brengen. 24. Voorts kan worden vastgesteld dat verzoeker het merendeel van de feiten die blijken uit deze meldingen in het geheel niet ontkent. Omtrent de melding van 12 augustus 2019 stelt verzoeker pas in zijn laatste memorie – en dus laattijdig – dat de vraag om met een grote knuppel zijn eigendom te bewaken schertsend was bedoeld en dat hij nooit de intentie had om daadwerkelijk met een knuppel rond te lopen. Daarbij ontkent verzoeker op geen enkele wijze de overige inhoud van de melding, namelijk dat hij al meermaals passanten heeft aangesproken die zich op zijn eigendom bevonden en dat het daar- bij “al meermaals tot hoog oplopende discussies en een aantal keer bijna tot hand- gemeen [is] gekomen met passanten”. Over de melding van 22 november 2021 stelt verzoeker enkel dat ze “ongeloofwaardig” is en dat hij hierover “een andersluidende melding [heeft gedaan]”. Het klopt dat verzoeker en de jogger met wie het incident zich heeft voorgedaan er een andere versie van de feiten op nahouden. Verzoeker ontkent echter niet dat er op 22 november 2021 opnieuw moeilijkheden waren met een persoon die zich op zijn eigendom bevond. Daarenboven kan het betwisten van een enkel feit uit de meldin- gen geen doel treffen. De bestreden beslissing steunt immers niet op alle concrete feiten uit de meldingen afzonderlijk. Het is uit het amalgaam van meldingen dat de verwerende partij afleidt dat er ook “recent nog sprake [is] van incidenten met IX-10.515-29/35 verbale of fysieke agressie”. Het is dát motief dat verzoeker aan het wankelen moet brengen. Door één enkel feit uit de meldingen in vraag te stellen – want meer doet verzoeker niet – kan hij daar niet in slagen. 25. Het geheel van de meldingen die door verzoeker niet worden ontkend in ogenschouw genomen, blijkt dat er onder meer sprake is van “woor- den”, “hoog oplopende discussies”, “luid en agressief geroep” door verzoeker en “bedreigingen” aan het adres van wandelaars. Voorts blijkt dat het “een aantal keer bijna tot handgemeen [is] gekomen met passanten” en dat verzoeker wandelaars heeft “vastgegrepen” en hen heeft verboden de plaats te verlaten. Deze gegevens worden door geen enkel element uit het dossier tegengesproken. Verzoeker heeft ze ook niet betwist. In die omstandigheden acht de Raad van State het niet onredelijk dat de verwerende partij oordeelt dat uit de meldingen, samen genomen, kan worden afgeleid dat “[verzoekers] houding of […] gedrag […] conflicten op de spits [drijft] en […] reacties [uitlokt] die uitmon- den in een escalatie van het initieel probleem” en dat hij “snel gefrustreerd [raakt] en […] die frustratie [uit] middels verbale of soms zelfs fysieke agressie, al dan niet bewust”, met andere woorden dat er ook “recent nog sprake [is] van incidenten met verbale of fysieke agressie”. 26. Verzoeker voert ook aan dat de feiten uit 2009 en 2013 zeer oud en niet dienstig zijn. Hiervóór is reeds gebleken dat de feiten wél dienstig zijn aange- zien ze getuigen van incidenten met verbale of fysieke agressie in het verleden. Voorts mag de verwerende partij rekening houden met oudere feiten ten laste van verzoeker, wanneer zij ook steunt op recente feiten die erop wijzen dat het voor- handen hebben van wapens door verzoeker de openbare orde kan verstoren. Uit de recente feiten kan immers blijken dat aan de minder recente feiten niet ieder belang moet worden ontzegd. IX-10.515-30/35 27. De verwerende partij is van oordeel dat er dergelijke recente fei- ten zijn, namelijk recente incidenten met verbale of fysieke agressie door verzoeker die worden afgeleid uit meldingen die dateren van de periode 2019-2021. 28.1. Verzoeker is van oordeel dat die feiten op zich niet meer recent of actueel zijn. Die stelling verdient geen bijval. 28.2. Of feiten voldoende actueel zijn, staat ter beoordeling van de verwerende partij. Zij beschikt dienaangaande over een discretionaire beoorde- lingsbevoegdheid. Er bestaat geen welbepaalde termijn waarna feiten hun actueel karakter verliezen. De verwerende partij dient voor elk geval afzonderlijk te on- derzoeken of de feiten nog een actueel karakter hebben. Daarbij wordt bedacht dat hoe ernstiger de feiten zijn, hoe langer ze een actueel karakter kunnen blijven ver- tonen. Het valt aan de Raad van State in het kader van zijn wettigheids- toezicht niet toe om zelf te beoordelen of een feit voldoende actueel is. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. 28.3. Gelet op de omstandigheid dat de feiten uit de meldingen relatief recent zijn – uit de periode van 2019 tot november 2021 – en dat ze gelet op de veelheid en de aard ervan – incidenten met verbale of fysieke agressie door ver- zoeker – een zekere graad van ernst vertonen, acht de Raad van State het niet on- redelijk dat de verwerende partij oordeelt dat de feiten uit de meldingen bij het nemen van de bestreden beslissing nog steeds een actueel karakter hebben. IX-10.515-31/35 29. Aangezien er voldoende actuele feiten voorhanden zijn, mag de verwerende partij ook de oudere feiten uit 2009 en 2013 bij haar beoordeling be- trekken. 30. Gelet op de vaststaande feiten – eensdeels de oudere feiten uit 2009 en 2013 waaruit blijkt dat er in het verleden sprake was van incidenten met verbale of fysieke agressie door verzoeker en anderdeels de nog voldoende actuele feiten uit de periode 2019-2021 waaruit blijkt dat er ook recent sprake is van inci- denten met verbale of fysieke agressie door verzoeker – treedt de verwerende partij de perken van haar beoordelingsbevoegdheid niet te buiten als zij stelt dat “er sprake is van een weerkerende agressieproblematiek waarbij [verzoeker] dispro- portioneel reageert op situaties waarin [hij] zich onmachtig voelt”, dat verzoekers gedrag “al meermaals [leidde] tot een escalatie van het probleem met verbale en soms zelfs fysieke agressie tot gevolg, niet enkel bij [verzoeker] maar tevens bij de ‘tegenstander’”, dat “niet [valt] te overzien wat de gevolgen zouden zijn mocht [verzoeker] op een gelijkaardige wijze omgaan met frustraties indien [hij] in bezit zou zijn van een vuurwapen” en dat “[d]e weerkerende problematiek van agressie […] als gegeven op zich reeds voldoende [is] om hieruit een concreet en reëel ge- vaar […] af te leiden voor de openbare orde en veiligheid indien [verzoeker] op- nieuw het bezit van vuurwapens zou worden toegestaan”. Dat het moraliteitsverslag van de lokale politie bepaalde elemen- ten bevat die gunstig zijn voor verzoeker, vermag aan die conclusie geen afbreuk te doen. 31. In zoverre verzoeker ook nog kritiek uit op het motief dat “[u]it het moraliteitsonderzoek van de lokale politie blijkt […] dat [verzoeker] iemand [is] van wie de buren schrik hebben en dat [hij] om die reden wordt gemeden”, omdat het in strijd zou zijn met het moraliteitsonderzoek van de lokale politie van 16 juni 2023, moet worden opgemerkt dat dit niet het determinerend motief is van de bestreden beslissing – een weerkerende agressieproblematiek in hoofde van ver- zoeker – maar slechts een aanvullend en derhalve overtollig motief. Verzoekers IX-10.515-32/35 kritiek op dit motief kan niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. 32. Een schending van de materiëlemotiveringsplicht is niet aange- toond. 33. Tot slot voert verzoeker aan dat de intrekking van het recht om vuurwapens voorhanden te hebben niet in een redelijke verhouding staat tot de fei- ten, aangezien er geen actuele feiten zijn, laat staan dat ze bewezen zijn. 34. Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen begin- sel van behoorlijk bestuur veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de be- slissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrij- heid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts ge- schonden zijn indien de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden be- slissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheidsbeginsel miskent. 35. Hiervóór is reeds vastgesteld dat er naast de oudere feiten uit 2009 en 2013 ook actuele feiten zijn en dat de verwerende partij mocht aannemen dat de feiten bewezen zijn en dat er een “weerkerende agressieproblematiek” in hoofde van verzoeker uit blijkt. In die omstandigheden treedt de verwerende partij de perken van de redelijkheid niet te buiten met het oordeel dat een preventieve maatregel inzake verzoekers wapenbezit noodzakelijk is ter vrijwaring van de openbare orde en dat aan verzoeker niet opnieuw het recht kan worden verleend IX-10.515-33/35 om vuurwapens voorhanden te houden. In zoverre verzoekers verwijzingen in het middel naar het feit dat hij sedert zijn achttiende jaagt zonder problemen met buurt- jagers, dat hij nooit is veroordeeld voor een jachtinbreuk, dat hij niet negatief voor- komt in de databanken van het agentschap Natuur en Bos en dat het moraliteitsver- slag van de lokale politie van 16 juni 2023 ook bepaalde elementen bevat die gun- stig zijn voor verzoeker begrepen moeten worden als mogelijke verzachtende om- standigheden, moet worden vastgesteld dat deze elementen niet vermogen afbreuk te doen aan de voormelde conclusie dat het oordeel van de verwerende partij om aan verzoeker niet opnieuw het recht te verlenen om vuurwapens voorhanden te houden niet onredelijk is. Verzoeker toont immers niet aan dat het ondenkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde om- standigheden tot dezelfde beslissing zou komen. 36. Ook een schending van het redelijkheidsbeginsel wordt door ver- zoeker niet aangetoond. 37. Het middel is in geen van zijn onderdelen gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de ver- werende partij. Het door de verzoekende partij ten onrechte betaalde rolrecht ten bedrage van 200 euro en de bijdrage van 24 euro dienen te worden terugbetaald. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.515-34/35 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tien december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.515-35/35 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.143 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div