id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.157 Rolnummer: A. 246487/X-19216 Zaak: Arrest 265157 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-12 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-06-15 06:07 Fiche Arrest nr 265.157 van 10 december 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Verwerping dwangsom Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.157 no lien 286363 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 265.157 van 10 december 2025 in de zaak A. 246.487/X-19.216 In zake: M.B. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nicolas Vermeulen kantoor houdend te 1000 Brussel Brederodestraat 13 bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Guillaume Vyncke kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B tegen: het BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Manuela Von Kuegelgen, Renaud Van Melsen en Laurine Gillot kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 250 bus 10 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:
(16)bevat; dat het project beoogt een oplossing te bieden voor de reeds bestaande overlast; dat de beperkte openingsuren voor de gebruikersruimte bedoeld zijn om de bezoeken te concentreren tijdens de dag; en dat uit de hierboven vermelde studies blijkt dat de aanwezigheid van een gebruikersruimte tevens een positief effect heeft op de algemene veiligheid in de publieke ruimte; Overwegende dat het centrum een capaciteit zal hebben van 100 tot 150 bezoeken per dag, en dat dit cijfer betrekking heeft op het aantal bezoeken en niet op het aantal unieke bezoekers, aangezien bepaalde personen het centrum meerdere keren per dag kunnen bezoeken; Overwegende dat het project voorziet in een tijdelijke opvangcapaciteit van 16 plaatsen, die is inbegrepen in de totale capaciteit van 100 à 150 bezoeken per dag; Gelet op het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie tot uitvoering van de ordonnantie van 22 juli 2021 betreffende de erkenning en subsidiëring van diensten die actief zijn op het gebied van het beperken van de risico’s van druggebruik (04/07/2024); Gelet op artikel 45 van dit besluit, waarin wordt vastgesteld dat de capaciteit voor het aantal bezoeken wordt bepaald door het aantal ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.157 X-19.216-8/24 aanwezige personeelsleden; dat, wanneer er gemiddeld minimaal 100 consumptiehandelingen per dag onder toezicht plaatsvinden, het multidisciplinair team van de dienst als volgt moet worden samengesteld: • 1 hoofdverpleegkundige van de dienst: houder van een diploma in de verpleegkunde, met minimaal vijf jaar klinische ervaring in een multidisciplinair team, en ervaring in de behandeling van verslavingen of geestelijke gezondheidszorg; • 6 opvoeders of maatschappelijk assistenten; • 4 verpleegkundigen; • 1 coördinator; Overwegende dat in het kader van het project ongeveer 35 tot 40 personen zullen worden aangeworven, waaronder de directie, de opvangteams, maatschappelijk werkers, medisch personeel en ondersteunend personeel; dat de ruimte voor druggebruik en de noodopvang zullen worden beheerd door de vzw Transit, terwijl de vzw Lama zal instaan voor de raadplegingen; dat die twee verenigingen een solide ervaring hebben in de begeleiding van drugsverslaafden in Brussel; en dat het team zal bestaan uit zowel bestaand personeel als nieuwe aanwervingen; Overwegende dat de voorziening een reeks concrete maatregelen omvat om een kwalitatief hoogstaande sociale en relationele omkadering te garanderen: permanente aanwezigheid van een veiligheidsagent op de site, dagelijkse aanwezigheid van straathoekwerkers van het LinkUp-project die verantwoordelijk zijn voor bemiddeling in de openbare ruimte, organisatie van regelmatige wijkvergaderingen met buurtbewoners en lokale autoriteiten, en oprichting van een rechtstreeks communicatiekanaal (telefoonlijn, referentiepersoon van het project); Overwegende dat die voorzieningen zorgen voor een voortdurende verbinding met de wijk, een snelle reactie in geval van een incident en proactief beheer van buurtrelaties; Overwegende dat het toegangssysteem, de meerdere ingangen, het sas en de binnenorganisatie van het gebouw zijn ontworpen om te voorkomen dat mensenmassa’s zich verzamelen in de openbare ruimte en om het gebruik binnen de site te houden; Overwegende dat de openingen beveiligd zullen worden (aluminium tralies in de openingen, beperkte openingstijden), om overloop naar de openbare weg te voorkomen en tegelijkertijd voldoende ventilatie van de lokalen te garanderen; Overwegende dat er rookruimtes binnen zijn voorzien, uitgerust met een specifiek rookfiltratie- en behandelingssysteem, waardoor dat gebruik kan worden gekanaliseerd en geur- en geluidshinder in de openbare ruimte kan worden vermeden; Overwegende dat aan de achterzijde van het gebouw een volledig afgesloten en akoestisch geïsoleerd hondenhok beschikbaar wordt gesteld voor de tijdelijke opvang van honden die bepaalde gebruikers vergezellen, waardoor het risico op overlast en buurtconflicten wordt beperkt; […] Conclusie: Overwegende dat, hoewel de nabijheid van scholen en woningen aanleiding kan geven tot bezorgdheden, het project beantwoordt aan een aangetoonde ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.157 X-19.216-9/24 en dringende behoefte aan opvang en begeleiding van zeer kwetsbare personen, in het bijzonder druggebruikers die in de wijk rondzwerven ; dat het beoogt zowel hun levensomstandigheden als het leefkader van de buurtbewoners te verbeteren door een gestructureerd, omkaderd en tijdelijk antwoord te bieden op een hardnekkig maatschappelijk probleem dat reeds op het terrein aanwezig is ; dat daartoe concrete beheersmaatregelen worden voorzien, waaronder beperkte openingsuren, de permanente aanwezigheid van gekwalificeerd personeel, sociale begeleiding, bemiddeling door straathoekwerkers, veiligheidsmaatregelen op en rond de site, en een communicatiekanaal met de buurt ; dat het project dus niet tot doel heeft de bestaande overlast te versterken, maar wel een kader creëert waarbinnen deze gecontroleerd, begeleid en geleidelijk afgebouwd kan worden ; dat in die zin bepaalde opmerkingen van buurtbewoners, waarin bepaalde legitieme bezorgdheden worden geuit, niet gegrond lijken te zijn; Overwegende dat, zoals hierboven in de motivatie vermeld, studies aantonen dat gebruikersruimtes bijdragen aan de verbetering van de openbare veiligheid, geen toename van drugsgerelateerde misdrijven veroorzaken en helpen om overlast in de publieke ruimte te verminderen; Overwegende dat de capaciteit van het centrum beperkt is tot 100 à 150 bezoeken per dag; Overwegende dat het onderzoeksrapport ‘Crackgebruik in de openbare ruimte in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest’ en het tweede tussentijdse verslag van het Rev-DRoom-project aangeeft dat een gebruikersruimte voornamelijk bezoekers uit de onmiddellijke omgeving aantrekt; Overwegende dat uit het voorgaande blijkt dat, gelet op de beperkte capaciteit van het centrum en het lokale bereik, de opening van een dergelijk centrum geen aanzuigeffect veroorzaakt; Overwegende dat het effectenrapport aantoont dat er rigoureus is geanticipeerd op alle mogelijke overlast en dat er voldoende preventie- en controlemaatregelen zijn getroffen om ervoor te zorgen dat het project op een gecontroleerde en aanvaardbare manier wordt ingepast in de stedelijke omgeving; Overwegende dat het gaat om een tijdelijke bezetting met een uitgesproken sociaal karakter, die volledig past binnen het regelgevend kader zoals bedoeld in punt 2.3 van de bijlage bij het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 17 maart 2022 betreffende stedenbouwkundige vergunningen van beperkte duur; Overwegende dat uit wat voorafgaat, volgt dat het project voldoet aan de criteria van goede plaatselijke aanleg, dat het verenigbaar is met de hoofdbestemming van het gebied in kwestie en met de kenmerken van het omringende stadskader, en dat het een omkaderde, evenredige en tijdelijke reactie vormt op een aangetoonde behoefte van collectief belang.” 3.15.
- Op 19 en 20 november 2025 keuren respectievelijk de gemeenteraad van de gemeente Sint-Jans-Molenbeek en het Verenigd College van de eerste tussenkomende partij het protocolakkoord over de werking van het drugsgebruikerscentrum goed. X-19.216-10/24 3.15.
- In het protocolakkoord over de werking van het drugsgebruikerscentrum wordt onder meer het volgende gesteld: “De [nood]opvang zal 24 uur per dag, 7 dagen per week toegankelijk zijn voor gebruikers van de [consumptiezaal].” IV. Tussenkomst
- Daar het bestreden besluit de belangen van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van Iriscare raakt, dient hun verzoek tot tussenkomst te worden ingewilligd. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. VI. Ernst van de middelen A. Het vierde middel Het aangevoerde middel 6.
- Het vierde middel is genomen “uit de schending van de ‘goede plaatselijke aanleg’ en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, alsook uit ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.157 X-19.216-11/24 de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, uit de ontstentenis aan feitelijke grondslag [en] uit de schending van artikel 188, eerste lid [van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (hierna: BWRO)]”. 6.
- Verzoeker voert in een eerste middelonderdeel aan dat de verwerende partij zich “klakkeloos” heeft aangesloten bij een “waslijst” aan studies en wetenschappelijke rapporten die door de tweede tussenkomende partij zijn bijgebracht. Verzoeker meent dat de verwerende partij is uitgegaan van de feitelijk onjuiste piste dat het drugsgebruikerscentrum exclusief bedoeld is voor de behoeften van de buurt en alleen een oplossing wil geven aan de zeer plaatselijke overlast in en rond het metrostation Ribaucourt. Uit het opzet van de “educatieve zone” op het openbare domein blijkt echter dat de werkelijke doelgroep alle drugsgebruikers zijn die zich bevinden in een zone van 4,91 km² (15 minuten wandelafstand) en dus ook de gebruikers die zich bevinden in metrostations Simonis, Graaf van Vlaanderen, Zwarte Vijvers, Rogier en Sint-Katelijne. De verwerende partij volgt “klakkeloos” de bewering van de aanvrager dat de capaciteit nu plotsklaps gereduceerd zou zijn naar “100 à 150 bezoeken per dag”, en niet 150 individuele bezoekers per dag, terwijl de capaciteit in werkelijkheid minstens 300 tot 420 bezoeken per dag betreft (oftewel 150 à 210 bezoekers per dag). Verzoeker wijst er nog op dat de verwerende partij zelf erkent dat 25% van de gebruikers van het reeds bestaande drugsgebruikerscentrum in de Gate-wijk afkomstig zijn uit een andere wijk dan de Gate-wijk. Volgens verzoeker is 25% “aanzienlijk” zodat er – anders dan de verwerende partij beweert – wel degelijk een aanzuigeffect wordt gegenereerd. De werkelijke behoefte van de buurt op basis van representatieve wetenschappelijke tellingen over het aantal reeds aanwezige drugsgebruikers werd nog altijd niet onderzocht in het effectenverslag en in het administratief dossier, hoewel verzoeker daarop ettelijke malen heeft gehamerd in zijn bezwaarschrift. De verwerende partij neemt zomaar aan dat er nu ook nachtopvang wordt voorzien, maar op heden betreft dit volgens verzoeker een open werf waarvoor de infrastructuurwerken nog zeker één jaar zullen duren. De opvangplaatsen ’s nachts zijn bovendien niet voldoende voor de werkelijke capaciteit die men voor de consumptiezaal beoogt. X-19.216-12/24 In een tweede – ondergeschikt – middelonderdeel, voert verzoeker aan dat de verwerende partij een onderzoek had moeten voeren naar de werkelijke stand van de werf op vandaag, waaruit dan zou gebleken zijn dat de bouwwerken voor de noodopvang vanaf de tweede verdieping nog moeten starten of nog maar net gestart zijn. Bovendien had de verwerende partij de mitigerende maatregelen die zij kennelijk noodzakelijk acht om de veiligheid te garanderen in de buurt, zoals de bemiddeling door straathoekwerkers in de “educatieve zone” op het openbare domein, in het bestreden besluit moeten opnemen als “harde” vergunningsvoorwaarden in de zin van artikel 188, eerste lid, BWRO. Beoordeling 7.
- Vooreerst moet worden gewezen op de in randnummer 3.14.2 geciteerde overwegingen van het bestreden besluit. Daaruit komt naar voor dat, zelfs als zou er – zoals bij het bestaande drugsgebruikerscentrum in de Gate-wijk – een minderheid van een vierde van de gebruikers afkomstig zijn uit aangrenzende wijken, er op basis van wetenschappelijke studies toch mag worden van uitgegaan dat er geen toestroom van drugsgebruikers zal ontstaan die de veiligheidsproblemen in de Ribaucourtwijk doet toenemen, en dat het nieuwe drugsgebruikerscentrum precies het kadert creëert om de overlast als gevolg van de aanwezigheid van drugsverslaafden in de openbare ruimte af te bouwen. Op het eerste gezicht maakt verzoeker niet aannemelijk dat de verwerende partij de grenzen van de redelijkheid te buiten is gegaan of anderszins de aangevoerde rechtsregels heeft geschonden door op grond van de laatstgenoemde overwegingen aan te nemen dat het drugsgebruikerscentrum, anders dan verzoeker vreest, de veiligheidsproblemen in de wijk niet zal doen toenemen. Voorts wordt de berekening van verzoeker dat men op grond van de perimeter van de “educatieve zone” en het aantal voorziene personeelsleden tot een capaciteit van “150 à 210 bezoekers” per dag komt, voorshands niet gevolgd, al was het maar omdat de tussenkomende partijen niet zonder pertinentie opmerken dat geen rekening is gehouden met feit dat een substantieel deel van het personeelsbestand niet toeziet op de consumptiehandelingen, maar tewerkgesteld ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.157 X-19.216-13/24 wordt in de omkadering, de algemene werking, de uitvoering van de mitigerende maatregelen en de nachtopvang. Daar – alvast in de huidige stand van de procedure – niet wordt meegegaan in de capaciteitsberekening van verzoeker, kan voorshands ook niet worden ingestemd met de gevolgtrekking dat er te weinig plaatsen in de noodopvang zouden zijn. 7.
- Artikel 188, eerste lid, BWRO bepaalt dat de gemachtigde ambtenaar de afgifte van een vergunning afhankelijk kan stellen van voorwaarden om een goede plaatselijke aanleg te waarborgen. Noch uit deze bepaling, noch uit één van de andere ingeroepen rechtsregels lijkt een verplichting te volgen om de manier waarop het drugsgebruikerscentrum zal werken exhaustief om te zetten in voorwaarden van de bestreden stedenbouwkundige vergunning voor een bestemmingswijziging en voor renovatiewerken met aanpassingen aan de voorgevel en het bouwen van een noodtrap. Zo blijkt op het eerste gezicht niet dat de verwerende partij onwettig gehandeld heeft door deze omzetting niet nodig te achten voor het vereiste dat de noodopvang permanent open moet zijn, nu deze permanente opening reeds ingeschreven is in het protocolakkoord over de werking van het drugsgebruikerscentrum, en nu artikel 43, eerste lid, c), van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 4 juli 2024 ‘tot uitvoering van de ordonnantie van 22 juli 2021 betreffende de erkenning en subsidiëring van de diensten die actief zijn op het vlak van de beperking van de aan druggebruik verbonden risico’s’ als uitdrukkelijke erkenningsvoorwaarde voor een dienst die een dergelijke opvang uitbaat, oplegt dat “de opvang […] 24 uur per dag, 7 dagen per week [moet] geopend zijn”. Dezelfde redenering lijkt te gelden voor de bemiddeling door straathoekwerkers in de “educatieve zone” op het openbare domein die eveneens ingeschreven is in het protocolakkoord over de werking van het drugsgebruikerscentrum. De omstandigheden dat uit twee door verzoeker neergelegde foto’s blijkt dat de bouwwerken voor de noodopvang op de tweede verdieping op 11 september 2025 nog maar net aangevangen waren en dat deze werken nog veel tijd zullen vergen, hebben wezenlijk betrekking op de uitvoering van de vergunning en lijken als zodanig de onwettigheid van het bestreden besluit niet aan ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.157 X-19.216-14/24 te tonen. Dat er voor de verwerende partij een specifieke verplichting gold om de stand van de werken te controleren maakt verzoeker prima facie niet aannemelijk. 7.
- Het middel is niet ernstig. B. Het eerste en het tweede middel De aangevoerde middelen 8.
- In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van “art. 175/15 (projecten waarvoor een effectenverslag moet worden opgesteld), 175/16 (minimale inhoud van het milieueffectrapport), 175/17 (volledigheids- en ontvankelijkheidsonderzoek vergunningsaanvraag), 175/19 (documenten onderworpen aan een openbaar onderzoek), 175/20 (openbaar onderzoek – nuttig gevolg) en 190 (motivering met betrekking tot de impact) van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (BWRO), van rubriek 24 van bijlage B bij het BWRO, van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, van het recht op toegang tot informatie en inspraak over milieuaangelegenheden overeenkomstig het Verdrag van Aarhus [en] van artikel 23 [van de Grondwet]”. 8.
- Aangaande het eerste middel licht verzoeker toe dat hij in zijn bezwaarschrift heeft aangeklaagd dat in het aanvraagdossier de reële behoefte van de buurt niet werd onderzocht en dat dergelijke informatie niet in het openbaar onderzoek ter inzage lag, zodat de vergunningverlenende overheid onmogelijk in staat was om na te gaan of de capaciteit van het drugsgebruikerscentrum afgestemd is op de reële behoefte van de eigen wijk, eerder dan een “aanzuigeffect” te creëren voor andere drugsverslaafden uit het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Na het schorsingsarrest van de Raad van State heeft de tweede tussenkomende partij op vraag van de verwerende partij een waslijst aan studies en wetenschappelijke rapporten toegevoegd aan het aanvraagdossier, maar verzoeker heeft daarvan op geen enkele wijze kennis kunnen nemen in het openbaar onderzoek, hetgeen een aanfluiting vormt van zijn rechtsbescherming en zijn grondwettelijk gewaarborgd ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.157 X-19.216-15/24 recht op een gezond leefmilieu. Bovendien heeft de verwerende partij de vergunningsaanvraag ten onrechte volledig en ontvankelijk verklaard, terwijl het effectenverslag nochtans “kaduuk en onvolledig is”. 9.
- In het tweede middel wordt “ondergeschikt aan het eerste middel” de schending aangevoerd van “artikel[…] 191 §4 BWRO (wijziging van de aanvraag met betrekking tot aspecten die niet bijkomstig zijn), het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, van het recht op toegang tot informatie en inspraak over milieuaangelegenheden overeenkomstig het Verdrag van Aarhus [en] van het recht op een gezond leefmilieu overeenkomstig art. 23 [van de Grondwet]”. 9.
- Verzoeker wijst er in het tweede middel op dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar studies en wetenschappelijke rapporten waaruit de jarenlange aanwezigheid van de drugsproblematiek in de Ribaucourtwijk zou blijken, en dat een drugsgebruikerscentrum geen aanzuigeffect zou genereren, maar dat hij geen inzage heeft gehad in deze studies ondanks het feit hij ze heeft opgevraagd via een verzoek tot openbaarheid van bestuur. Volgens verzoeker heeft de verwerende partij dat verzoek wetens en willens algeheel onbeantwoord gelaten. Bovendien zijn de doorgevoerde wijzigingen allerminst “van bijkomstig belang”, gelet op de twee omstandige negatieve adviezen van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Jans-Molenbeek en de twee uitgebreide bezwaarschriften van verzoeker. De beoordeling van de effecten van het project op de veiligheid van de onmiddellijke omgeving is van essentieel – en dus niet van bijkomstig – belang. Beoordeling 10.
- Zoals vermeld (randnr. 3.12) heeft de tweede tussenkomende partij – die een inzake welzijn en sociale bescherming gespecialiseerde instelling van openbaar nut is – na het schorsingsarrest van de Raad van State aan de verwerende partij antwoordelementen bezorgd ter weerlegging van verzoekers ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.157 X-19.216-16/24 bezwaren met betrekking tot het gebrek aan inpasbaarheid in de woonomgeving, de omvang van het project en het door verzoeker gevreesde “aanzuigeffect”. Deze antwoordelementen blijken te steunen op – wat verzoeker noemt – een “waslijst” aan studies en wetenschappelijke rapporten. Op het eerste gezicht vormen deze studies en rapporten louter de onderbouwing van de weerlegging van verzoekers bezwaarschrift en de ongunstige adviezen van de gemeente Sint-Jans-Molenbeek. Dat die weerlegging aldus is onderbouwd, toont voorshands niet aan dat er wijzigingen aan het project werden doorgevoerd of dat de verwerende partij niet met kennis van zaken over de aanvraag heeft kunnen oordelen. Prima facie overtuigt verzoeker er niet van dat dit gebruik van de studies en de wetenschappelijke rapporten er de verwerende partij toe had moeten brengen om een nieuw openbaar onderzoek te organiseren. Daarbij kan nog worden bedacht dat er geen verplichting lijkt te gelden om studies en wetenschappelijke rapporten exhaustief in een effectenrapport op te nemen. Voorts is het op het eerste gezicht terecht dat de verwerende partij erop wijst dat er wel degelijk is ingegaan op de vraag van verzoeker om hem de kwestieuze studies en wetenschappelijke rapporten over te maken, zodat verzoekers argumentatie in zoverre feitelijke grondslag mist. 10.
- Ten slotte steunt verzoekers kritiek op het effectenrapport wezenlijk op zijn capaciteitsberekening waarover hiervoor (randnr. 7.1) geoordeeld is dat er – alvast in de huidige stand van de procedure – niet in kan worden meegegaan. Op het eerste gezicht maakt verzoeker niet aannemelijk dat het effectenrapport “kaduuk en onvolledig is” of dat de verwerende partij de vergunningsaanvraag ten onrechte volledig en ontvankelijk verklaard zou hebben. 10.
- De middelen zijn niet ernstig. X-19.216-17/24 C. Het derde middel Het aangevoerde middel 11.
- Het derde middel is genomen uit de schending uit de schending van het BBP en “uit [de schending van] de algemene beginselen van behoorlijk bestuur waaronder de formele motiveringsplicht, [het] zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht; uit de ontstentenis van de vereiste juridische en feitelijke grondslag [en] uit [de schending van] het beginsel patere legem quam ipse fecisti”. 11.
- Verzoeker wijst erop dat krachtens het BBP in het betrokken pand vanaf de tweede verdieping slechts de functie “wonen” toegelaten is, terwijl de bestreden stedenbouwkundige vergunning een voorziening van collectief belang toelaat op de tweede tot de zesde verdieping van het gebouw. In een eerste middelonderdeel, voert verzoeker aan dat het algemeen voorschrift 0.7 van het GBP een uitzonderingsbepaling is en geen algemeen bestemmingsvoorschrift dat ermee strijdige voorschriften van een eerder bijzonder bestemmingsplan zou opheffen. In een tweede – ondergeschikt – middelonderdeel, voert verzoeker aan dat de aanvraag hoe dan ook niet voldoet aan de volgende voorwaarden uit artikel 3.5 van het GBP voor de gebieden met gemengd karakter: “1° het stedenbouwkundig karakter van de bouwwerken en installaties strookt met dat van het omliggend stedelijk kader […]; 2° de aard van de activiteiten is verenigbaar met het wonen; 3° de continuïteit van het wonen is verzekerd.” Volgens verzoeker heeft de verwerende partij nagelaten om de aanvraag te toetsen aan de voorwaarde uit het algemene voorschrift 0.7 van het GBP dat de voorziening van collectief belang verenigbaar moet zijn met de hoofdbestemming van de betrokken zone en met de kenmerken van het omliggende X-19.216-18/24 stedelijk kader. Uit verzoekers bezwaren en de ongunstige adviezen van de gemeente Sint-Jans-Molenbeek blijkt nochtans dat de mogelijke overlast een significante impact zal hebben op de leefkwaliteit van de omwonenden. Beoordeling 12.
- In de gemengde zone waarin het kwestieuze gebouw zich bevindt, laten zowel het in 1992 vastgestelde BBP als het in 2001 vastgestelde GBP ‘voorzieningen van collectief belang’ – zoals het drugsgebruikerscentrum er één is – toe. 12.
- Volgens de stedenbouwkundige voorschriften van het BBP is in het betrokken pand vanaf de tweede verdieping slechts de functie “wonen” toegelaten (hierna: het bijzonder voorschrift inzake de woonfunctie uit het BBP). 12.
- Het GBP bepaalt: “A. Algemene voorschriften voor alle gebieden 0.
- Deze algemene voorschriften zijn van toepassing op al de gebieden van het plan, ongeacht de grenzen en beperkingen bepaald in de bijzondere voorschriften die erop van toepassing zijn […] 0.
- Voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten kunnen in alle gebieden worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de hoofdbestemming van het betrokken gebied en met de kenmerken van het omliggend stedelijk kader.” De voorwaarden die het GBP oplegt om een voorziening van collectief belang toe te laten in een zone die – zoals te dezen – als hoofdbestemming wonen heeft, worden hierna aangeduid als de voorwaarden inzake de woonfunctie uit het GBP. 12.
- Mede gelet op het gestelde in randnummer 7.1, maakt verzoeker prima facie niet aannemelijk dat de verwerende partij de aangevoerde rechtsregels geschonden zou hebben door op grond van de in randnummer 3.14.2 geciteerde overwegingen aan te nemen dat voldaan is aan de voorwaarden inzake de woonfunctie uit het GBP. X-19.216-19/24 Voorts is de verwerende partij er op het eerste gezicht terecht van uitgegaan dat er te dezen afgeweken mocht worden van het bijzonder voorschrift inzake de woonfunctie uit het BBP nu ervoor gezorgd is dat het project – met de woorden van het bestreden besluit – “op een gecontroleerde en aanvaardbare manier wordt ingepast in de stedelijke omgeving” en er voldaan is aan de voorwaarden inzake de woonfunctie uit het GBP. 12.
- Het middel is niet ernstig. D. Het vijfde middel Het aangevoerde middel 13.
- Het vijfde middel is genomen “uit de schending van het onpartijdigheids- en onafhankelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, uit de hoorplicht, uit het verbod op machtsafwending, uit art. 2/6, 2°, a) van het ‘Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 13 november 2008 tot bepaling van de handelingen en werken die vrijgesteld zijn van een stedenbouwkundige vergunning, van het advies van de gemachtigde ambtenaar, van de gemeente, van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, van de overlegcommissie evenals van de speciale regelen van openbaarmaking of van de medewerking van een architect’ […], van de artikelen 2 en 3 van de formele motiveringswet, van de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur [en] uit de ontstentenis van feitelijke grondslag”. 13.
- Verzoeker zet uiteen dat hij er de verwerende partij vanaf het eerst mogelijke nuttige moment op gewezen heeft dat zij zowel het petje van vergunningsaanvrager als van vergunningverlenende overheid op heeft door haar subsidies aan de vzw Transit en de onrechtstreekse financiering van de tweede tussenkomende partij. De gemachtigde ambtenaar die het bestreden besluit heeft genomen, is benoemd en staat onder het hiërarchisch toezicht van de regering van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Volgens verzoeker heeft de staatssecretaris ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.157 X-19.216-20/24 belast met Stedenbouw en Erfgoed in het Brussels parlement duidelijk de kant gekozen van de tweede tussenkomende partij. Urban.Brussels laat na om handhavend op te treden tegen de door de tweede tussenkomende partij uitgevoerde illegale bouwwerken. In de bestreden beslissing heeft de verwerende partij de kant gekozen van een fictief ‘wijkcomité van de Leopold II-straat en de Ribaucourt- wijk’, maar heeft hij geen rekening gehouden met de veiligheidsbelangen van een dertigtal buurtbewoners en handelaars die van meet af aan de illegale toestand van het project aan de kaak stellen. Beoordeling 14.
- Terecht wijst de verwerende partij erop dat de toepassing van het beginsel van onpartijdigheid de totstandkoming van regelmatige beslissingen niet mag verhinderen door het optreden van het bevoegde orgaan te belemmeren. Even terecht benadrukken de tussenkomende partijen dat het drugsgebruikerscentrum een voorziening van collectief belang is. Het lijkt in de rede te liggen dat een dergelijke voorziening met gemeenschapsmiddelen wordt gefinancierd en de steun geniet van politieke mandatarissen. Voorts lijkt verzoekers kritiek in verband met de beweerde illegale bouwwerken de onwettigheid van het bestreden besluit niet aan te tonen. Prima facie geldt hetzelfde voor de omstandigheid dat de verwerende partij een standpunt heeft ingenomen dat overeenstemt met het standpunt van een buurtcomité. 14.
- Wie machtsafwending aanvoert, moet daartoe voldoende ernstige, welbepaalde en overeenstemmende vermoedens aandragen waaruit kan worden afgeleid dat andere dan rechtmatige doeleinden door het bestuur werden nagestreefd. Opdat er van machtsafwending sprake kan zijn, moet daarenboven het ongeoorloofde kenmerk het enige doel van de bestreden beslissing zijn geweest. X-19.216-21/24 Verzoeker lijkt niet aan deze bewijslast te voldoen, al was het maar omdat hij er niet in slaagt de onwettigheid aan te tonen van de in randnummer 3.14.2 geciteerde motivering van het bestreden besluit. 14.
- Tot slot kan verzoeker er voorshands niet van overtuigen dat de hoorplicht en het onafhankelijkheidsbeginsel te dezen toepasselijk zouden zijn. 14.
- Het middel is niet ernstig. E. Het zesde middel Het aangevoerde middel 15.
- Het zesde middel is genomen “uit de schending van artikel 3 §2, eerste lid van de Wet van 24 februari 1921 betreffende de handel in giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, zoals gewijzigd bij de wet van 21 maart 2023 […]; uit het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur [en] uit de ontstentenis van de rechtens vereiste juridische grondslag”. 15.
- Volgens verzoeker voorziet de vergunningsaanvraag in de oprichting van een “educatieve zone” op het openbaar domein waar straathoekwerkers van de dienst actief op het vlak van risicobeperking druggebruikers zullen trachten te overtuigen zich naar het drugsgebruikerscentrum te begeven om aldaar drugs te consumeren. Hij meent dat dergelijke doorverwijzing overeenstemt met het faciliteren van het druggebruik. Volgens hem heeft de verwerende partij dergelijke “bemiddeling door straathoekwerkers” als mitigerende maatregel beschouwd om de aanvraag verenigbaar te achten met de goede plaatselijke aanleg, zodat deze maatregel integraal deel uitmaakt van de bestreden beslissing. X-19.216-22/24 Desgevallend moet volgens verzoeker de volgende prejudiciële vraag gesteld worden aan het Grondwettelijk Hof: “Is artikel 4 van de Ordonnantie van 22 juli 2021 betreffende de erkenning en subsidiëring van de diensten die actief zijn op het vlak van de beperking van de aan druggebruik verbonden risico’s bestaanbaar met de bevoegdheidsverdelende regels, te weten artikel 5, § 1, 1°, eerste lid, 8°, artikel 10 en artikel 11 van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot Hervorming der Instellingen, in zoverre een strafuitsluitende verschoningsgrond wordt gecreëerd voor de erkende dienst die actief is op het vlak van risicobeperking voor het begeleiden en advies verlenen op het openbaar domein aan personen over de manieren om psychoactieve substanties of als drugs geclassificeerde substanties te gebruiken zoals dat voortvloeit uit art. 3, §1, 5° van voormelde Ordonnantie van 22 juli 2021, terwijl deze handeling strafbaar wordt gesteld door art. 3§2, eerste lid, samen te lezen met het derde lid, van de Wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, zoals gewijzigd bij de Wet van 21 maart 2023?” Beoordeling 16.
- Op het eerste gezicht vertrekt het middel vanuit het onjuiste uitgangspunt dat de bestreden stedenbouwkundige vergunning zou voorzien in een “educatieve zone” op het openbaar domein. De op dit foutieve uitgangspunt gestoelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof wordt niet gesteld. 16.
- Het middel is niet ernstig. VII. Besluit
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende X-19.216-23/24 noodzakelijkheid en de daaraan gekoppelde vorderingen tot het opleggen van dwangsommen worden toegewezen. BESLISSING
- Het verzoek van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en Iriscare tot tussenkomst wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vorderingen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en tot het opleggen van dwangsommen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tien december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Jan Clement X-19.216-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.157 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div