id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.188 Rolnummer: A. 242233/XIV-39455 Zaak: Arrest 265188 - Reglementen (economische zaken) - 12/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-12 Raadplegingen: 184 - laatst gezien 2026-06-18 20:14 Fiche Arrest nr 265.188 van 12 december 2025 Economische zaken - Reglementen (economische zaken) Beslissing : Vernietiging Inwilliging tussenkomst bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2019 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ecli_input ECLI:BE:GHCC:2020.ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2020.ARR ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
(83)in dienst heeft, en dit enkel en alleen al omwille van de loonkosten. Wat betreft de vergelijking tussen baggerbedrijven van klasse 7 en klasse 8, herhaalt de verwerende partij dat het niet om vergelijkbare categorieën gaat. De verwerende partij brengt daartoe met haar laatste memorie een tabel bij inzake de tewerkstelling in baggerbedrijven van de klasse 8 respectievelijk de klasse 7 voor de baggersector in juni 2025. Uit die gegevens zou blijken dat de mediaan van de tewerkstelling van de in klasse 8 erkende aannemers 258 FTE bedraagt. De verzoekende partij telt 45 werknemers. Met een beperkt aantal werknemers en bijgevolg een beperkte capaciteit, is het veel moeilijker om op korte termijn veel mankracht te mobiliseren voor verschillende grote opdrachten die terzelfdertijd moeten worden uitgevoerd. Voor een grote complexe opdracht van klasse 8 (waarvoor geen limietbedrag wordt opgelegd), zou een bedrijf met een beperkt aantal werknemers moeten kunnen vertrouwen op tijdelijke krachten, onderaannemers, draagkracht van derden of uitbestede diensten, hetgeen grote risico’s op het vlak van continuïteit en beschikbaarheid inhoudt. Een wijziging van de personeelsvereiste is dan ook niet aan de orde, ook al werden de maximumbedragen van de erkenningsklassen opgetrokken gelet op de aanzienlijke stijging van de bouwkosten van de laatste jaren. De maximumbedragen werden met 20% verhoogd waarbij het bestreden besluit een antwoord geeft op een zeer uitzonderlijke situatie die op een korte periode van enkele jaren is ontstaan met een forse en uitzonderlijke sterke stijging van de bouwkosten – die redelijk stabiel waren gebleven – tot gevolg. Sinds 2021 heeft een snelle (structurele en conjuncturele) stijging van de bouwkosten plaatsgevonden, te wijten aan XIV-39.455-33/45 verschillende oorzaken, zoals de inflatie, duurdere bouwmaterialen, hogere loonkosten en energiekosten en de coronapandemie. Het criterium van onderscheid is bovendien proportioneel ten opzichte van het nagestreefde doel nu er niet nodeloos te hoge voorwaarden worden opgelegd aan de betrokken aannemers. Specifiek wat het derde [lees: het tweede] middel betreft, stelt de verwerende partij nog dat het standpunt van de verzoekende partij niet kan worden gevolgd in de mate deze wijst op het gemaakte onderscheid tussen de activiteiten die onder Type A (zoals baggeren) en onder Type B (waarbij minder werklieden zijn vereist) vallen of, nog, op de afwijkingen op artikel 11 van het koninklijk besluit van 26 september 1991, zoals voorzien in artikel 12 (waarin wordt voorzien in een nog lagere personeelsvereiste), en vervolgens meent dat voor de baggersector in een gelijkaardige regeling zou moeten worden voorzien. Uit de cijfers die de verwerende partij met haar laatste memorie over de baggersector bijbrengt, zou blijken dat baggerbedrijven uit klasse 8 wel degelijk nog steeds een aantal werknemers hebben dat zowel individueel als in de mediaan als gemiddeld substantieel en significant en proportioneel veel hoger ligt dan dat van de verzoekende partij. Beoordeling A. Betreffende de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het eerste en het tweede middel 32. Zoals de verwerende partij in het auditoraatsverslag heeft kunnen lezen, viseren de aangevoerde middelen en bijgevolg het annulatieberoep, niet zozeer (het verzuim
- om)de bestaande vereisten inzake personeelsbestand met het oog op indeling van bedrijven in een bepaalde klasse of type aan te passen, doch wel de verhouding, dit is de evenredigheid, tussen de nieuwe aangepaste maximumbedragen voor de indeling van de werken in verschillende klassen en de bestaande (ongewijzigde) vereisten om de technische bekwaamheid van aannemers te beoordelen voor het verkrijgen van een erkenning in een bepaalde klasse. Het XIV-39.455-34/45 annulatieberoep is dus wel degelijk gericht tegen de bestreden bepaling, te dezen artikel 1 van het bestreden besluit dat de nieuwe maximumbedragen vaststelt. Meer concreet, betwist de verzoekende partij immers over het eerste en het tweede middel heen, dat de verwerende partij bij de vaststelling van die nieuwe maximumbedragen haar discretionaire bevoegdheid heeft uitgeoefend met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel, in het bijzonder doordat er geen proportionaliteit meer is tussen de (nieuwe) aangepaste maximumbedragen en de bestaande (ongewijzigde) vereisten, in het bijzonder op het vlak van het personeelsbestand met het oog op de indeling van bedrijven in een bepaalde klasse of type. In haar laatste memorie blijft de verwerende partij niet alleen herhalen dat de verzoekende partij in feite met haar aantal werklieden werken wenst uit te voeren van een onbeperkt bedrag – en dus in wezen een erkenning klasse 8 ambieert –, maar blijft zij ook daarop haar verweer richten waarop zij vervolgens besluit dat een gebeurlijke vernietiging van artikel 1 daartoe (de erkenning van de verzoekende partij in de klasse 8) nooit zal kunnen leiden. Echter, en anders dan de verwerende partij dat ziet, leest de Raad van State, zoals het auditoraat, in het verzoekschrift niet dat de verzoekende partij zou beogen met haar aantal werklieden werken uit te voeren van een onbeperkt bedrag, en dus zou willen handelen als een klasse 8 bedrijf. De verzoekende partij bevestigt dat ook in zowel haar memorie van wederantwoord als haar laatste memorie waarin zij duidelijk blijft herhalen dat zij wel degelijk een klasse 7 – erkenning heeft, een klasse 7 – bedrijf is en dat ook wil blijven. Zij ambieert geen erkenning in de klasse 8. De Raad van State ziet dat niet anders en stelt met de verzoekende partij vast dat de verwerende partij het door de verzoekende partij beoogde voordeel herschrijft nu dat er geenszins in bestaat dat zij zoals een klasse 8 - bedrijf toegang zou krijgen tot overheidsopdrachten en concessies voor werken voor een onbeperkt bedrag. Zij zoekt integendeel te beargumenteren dat het optrekken van het bedrag voor de klasse 7 bedrijven tot 6.396.000 euro geenszins volstaat om de doorheen de tijd ontstane wanverhouding c.q. disproportionaliteit XIV-39.455-35/45 tot de bestaande vereisten voor klasse 7 bedrijven, te herstellen. Wat de verzoekende partij beoogt is aan te tonen dat het maximumbedrag dat voor werken voor klasse 7 bedrijven door het bestreden besluit is vastgelegd, niet de toets van de wettelijkheid kan doorstaan omdat “elke proportionaliteit” zoek is en blijft tussen eensdeels het aldus bepaalde maximumbedrag en anderdeels de bestaande voorwaarden inzake personeel zoals die zijn vervat in artikel 11 van het koninklijk besluit van 26 september 1991. 33. De excepties van de verwerende partij wat het eerste en het tweede middel betreft, zijn bijgevolg ongegrond. B. Betreffende de gegrondheid van het eerste en het tweede middel Vooraf 34. Het bestreden artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 april 2024 (hierna: het bestreden besluit) wijzigt artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 september 1991 (zie supra, punten 3.4 en 3.7). In het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 26 september 1991 valt onder meer te lezen dat het de toepassingsmaatregelen van de (kader)wet van 20 maart 1991 wil vaststellen ten einde “een volledig nieuw – aan de Europese richtlijnen (inzake overheidsopdrachten) aangepast – erkenningssysteem in werking te laten treden”. De ontwikkelingen in het Gemeenschapsrecht inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken lagen immers, zo stelt dit verslag, mede aan de basis van de wet van 20 maart 1991 (BS, 18 oktober 1991, 23286). Wat de criteria betreft aan de hand waarvan de financiële en economische draagkracht en de technische bekwaamheid van de ondernemingen om een erkenning te verkrijgen wordt beoordeeld, valt in het verslag onder meer nog te lezen dat bij het bepalen van die criteria rekening is gehouden met “ontwikkelingen in de bouwsector, onder meer wat betreft de nieuwe XIV-39.455-36/45 technologieën en de consequenties ervan voor de tewerkstelling” (BS, 18 oktober 1991, p. 23289). Wat, tot slot, specifiek de bedragen voor de indeling volgens de omvang van de werken betreft, wordt in het verslag aan de Koning nog gesteld dat “[d]e bedragen die overeenstemmen met de erkenning in de verschillende klassen derwijze [werden] ingevuld om een genoegzame mededinging te verzekeren”, en, nog, dat de bedragen moeten worden geactualiseerd om rekening te houden met de aanzienlijke verhoging van de bouwkosten (BS 18 oktober 1991, 23287). Aanvankelijk voorzag het koninklijk besluit van 26 september 1991 inderdaad in een vijfjaarlijkse aanpassing van de thans in geding zijnde maximumbedragen in functie van de schommelingen van het ABEX-indexcijfer. Deze bedragen zouden door de bevoegde minister regelmatig, namelijk vijfjaarlijks, worden geactualiseerd en aangepast in functie van de evolutie van de prijzen (onder meer lonen en materialen) in de bouwsector waardoor het systeem “aan betrouwbaarheid wint” (BS, 18 oktober 1991, 23287). De betrokken vijfjaarlijkse herziening werd evenwel niet doorgevoerd en uiteindelijk opgeheven met een koninklijk besluit van 13 mei 2016 (zie supra, punt 3.6). 35. Uit de parlementaire voorbereiding bij het ontwerp van wet dat heeft geleid tot de wet van 20 maart 1991 blijkt dat de globale herziening van de erkenningsregeling in 1991 werd doorgevoerd in het licht van het gewijzigde interne recht op het vlak van aanbestedingen ingevolge de ontwikkelingen ter zake in het Gemeenschapsrecht, thans het Unierecht (Parl. St. Senaat, 1990-1991, 1067/1, 2). Zoals hoger reeds is aangegeven blijkt ook uit het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 26 september 1991 dat met de erkenningsregeling is beoogd een volledig nieuw – aan de Europese richtlijnen (inzake overheidsopdrachten) aangepast – erkenningssysteem in werking te laten treden. XIV-39.455-37/45 De regelgeving inzake de erkenning van aannemers voor werken heeft een dubbel doel. Deze strekt er enerzijds toe de overheden-opdrachtgevers, dankzij de actualisering van de erkenningsvoorwaarden en een uitbreiding van de controle ter zake, afdoende garanties te verstrekken wat de kwaliteit van de aannemers betreft. Anderzijds zal de nieuwe regeling de gelijke behandeling van de aannemers van overheidswerken binnen de economische unie waarborgen, evenals een vlotte toegang van de kleine en middelgrote ondernemingen tot de markt van deze overheidsopdrachten (Parl. St. Senaat, 1990-1991, 1067/1, 1-2). 36. Artikel 70, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: het koninklijk besluit van 18 april 2017) legt een koppeling tussen de plaatsingsprocedure en de regeling inzake de erkenning van aannemers. Die bepaling luidt als volgt: “Wanneer bij een opdracht voor werken, de werken die er het voorwerp van uitmaken overeenkomstig artikel 3, eerste lid, van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken, slechts mogen worden uitgevoerd door ondernemers die ofwel hiertoe erkend zijn, ofwel aan de voorwaarden ertoe voldoen of nog het bewijs geleverd hebben van het feit dat ze voldoen aan de voorwaarden voor de erkenning bepaald door of krachtens de voormelde wet, vermelden de aankondiging van de opdracht of, bij gebrek daaraan, de opdrachtdocumenten welke erkenning vereist is in overeenstemming met de eerder aangehaalde wet en haar uitvoeringsbesluiten.” Krachtens artikel 3, eerste lid, van de wet van 20 maart 1991 kunnen de overheidsopdrachten en de concessies voor werken bedoeld in artikel 2 van diezelfde wet, waarvan de geraamde waarde een bij koninklijk besluit vastgesteld bedrag overschrijden, slechts worden uitgevoerd door ondernemers, zowel publiek- als privaatrechtelijke, die op het moment van de sluiting van de opdracht of van de concessieovereenkomst hetzij te dien einde erkend zijn, hetzij het bewijs hebben geleverd dat zij de voorwaarden opgelegd door of krachtens deze wet vervullen. Krachtens artikel 4, § 1, eerste lid, 5° en 6°, van diezelfde wet dienen aannemers om een erkenning te verkrijgen te voldoen aan onder meer de volgende voorwaarden: 5° over voldoende technische bekwaamheid beschikken; en 6° voldoende financiële en economische draagkracht hebben. Het komt de Koning toe daartoe de criteria te bepalen (artikel 4, § 2 van de wet van 20 maart 1991). XIV-39.455-38/45 Krachtens artikel 7, § 1, van diezelfde wet, worden de werken ingedeeld in verschillende klassen volgens het bedrag van de inschrijving en in verschillende categorieën en ondercategorieën volgens hun aard. Ook deze indeling wordt vastgesteld bij koninklijk besluit, net zoals het totaal bedrag van al de werken, zowel openbare als private, die door dezelfde aannemer gelijktijdig mogen worden uitgevoerd op het ogenblik van het gunnen van de opdracht (artikel 7, § 3). 37. De beleidsvrijheid die de verwerende partij te dezen geniet bij het implementeren van deze kaderwet, moet binnen de perken van de doelstellingen ervan blijven, evenals binnen de grenzen van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel waarvan de proportionaliteitstoets deel uitmaakt. Het beginsel van gelijke behandeling is overigens, een algemeen rechtsbeginsel van de Unie dat in de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is verankerd (bijvoorbeeld HvJ 14 september 2010, nr. C-550/07 P. ECLI:EU:C:2010:512; HvJ 30 april 2025, nr. C-278/24, Genzyński, ECLI:EU:C:2025:299, punt 80). De criteria waaraan aannemers moeten voldoen om een erkenning te verkrijgen moeten dus beperkt blijven tot die welke kunnen garanderen dat een onderneming over voldoende technische bekwaamheid en voldoende financiële en economische draagkracht beschikt om de werken uit te voeren. Erkenningsvoorwaarden dienen overigens in het licht van het gelijkheidsbeginsel, daarin begrepen de proportionaliteitstoets, verband te houden met en in verhouding te staan tot de aard en de omvang van de (uit te voeren) werken. Zoals hoger in punt 35 is uiteengezet, blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 maart 1991 dat deze in 1991 aangepaste regeling er mede toe strekt de gelijke behandeling van de aannemers van overheidswerken binnen de economische unie te waarborgen, evenals een vlotte toegang van de kleine en middelgrote ondernemingen tot de markt van deze overheidsopdrachten (Parl. St. Senaat, 1990-1991, 1067/1, 1-2). XIV-39.455-39/45 38. De grondwettelijke regels met betrekking tot de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten een onderscheiden behandeling van bepaalde categorieën van aannemers niet uit, voor zover voor dat onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Die verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat de aangewende middelen redelijkerwijze niet evenredig zijn met het beoogde doel, wat inhoudt dat het gemaakte onderscheid inhoudelijk niet, minstens niet afdoende, kan worden verantwoord. Toepassing 39. Te dezen, bekritiseert de verzoekende partij (eerste middel) de koppeling die blijft tussen het (bestaande) vereiste van een minimum aantal personeelsleden om te worden ingedeeld in een bepaalde klasse en de nieuwe – met het bestreden besluit gewijzigde – maximumbedragen van de opdracht waardoor de door het bestreden besluit nieuw vastgestelde maximumbedragen niet (langer) in verhouding staan tot het vereiste aantal personeelsleden. Aldus wordt haar nodeloos de toegang ontzegd tot opdrachten waarvoor zij wel degelijk over de nodige technische en beroepsbekwaamheid beschikt. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden omdat het onderscheid tussen bedrijven van klasse 7 en 8 en het daaraan beantwoordende maximumbedrag geen verantwoording (meer) vindt in het criterium van minstens 83 werklieden voor werken die een bedrag van 6.396.000 euro overstijgen. Bovendien volgt voor ondernemingen van klasse 8 het toepassingsgebied van hun exclusieve bevoegdheid qua overheidsopdrachten quasi volledig de reële evolutie van de kostprijs van de bouwwerken, terwijl dat niet zo is voor de bedrijven van klasse 7, die hun exclusieve actieterrein in reële termen beperkt zien worden en de facto worden gedegradeerd tot bedrijven van klasse 5. Voorst ontwaart de verzoekende partij (tweede middel) een schending van het gelijkheidsbeginsel doordat aan baggerbedrijven de limiet van 6.396.000 euro onverkort wordt opgelegd zonder dat er een spoor is van enige materiële motivering waarom het onderscheid tussen ondernemingen van type A eensdeels en type B of bedrijven genoemd in artikel 12 van het koninklijk besluit van 26 september 1991 anderdeels, in het licht van de gewijzigde maximumbedragen, niet XIV-39.455-40/45 aan herdenking toe is. Weliswaar kan de Koning van oordeel zijn dat voor bepaalde ondernemingen strengere eisen zijn vereist voor een werk van een bepaalde omvang, maar dit onderscheid kan niet willekeurig zijn. 40. Uit het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij het (enkel) wijzigen van de maximumbedragen als volgt motiveert: “De wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken bepaalt in artikel 7, § 1 en § 3 dat bij koninklijk besluit per erkenningsklasse maximumbedragen worden vastgesteld. Bij koninklijk besluit van 26 september 1991 werden deze bedragen vastgesteld, met name in artikel 3, § 2 en § 3. Deze bedragen zijn tot nu toe ongewijzigd gebleven. De bouwkosten zijn in de laatste jaren evenwel significant gestegen, onder meer door een stijging van de energie-, materiaal- en transportkosten. Dit heeft voor gevolg dat aannemers vandaag niet meer de werken waarvoor ze erkend werden, aan het huidig prijsniveau kunnen uitvoeren, hoewel zij over de nodige technische bekwaamheid en financiële draagkracht beschikken. Het ontwerp verhoogt daarom de maximumbedragen per klasse en organiseert op deze manier een eerlijke concurrentie en gelijke behandeling van aannemers in een gelijk speelveld zonder marktverstorende effecten en waarbij rekening wordt gehouden met de stijging van de bouwkosten”. 41. Hieruit blijkt dat de bestreden wijziging kan worden ingepast in de doelstelling van de erkenningsregeling, namelijk verzekeren dat het beschikken over de vereiste klasse-erkenning de technische, economische en financiële draagkracht van de aannemer voor de uitvoering van overheidsopdrachten en concessies voor werken waarborgt. Tevens blijkt dat werd vastgesteld dat de (sterke) stijging van de bouwkost aannemers verhinderde te kandideren voor opdrachten boven de (oorspronkelijke) maximumbedragen terwijl zij wel over de nodige technische bekwaamheid en financiële draagkracht beschikken. Met het bestreden besluit heeft de verwerende partij de mededinging verruimd, zoals zij in de memorie van antwoord benadrukt. 42. Echter, zoals de verwerende partij in het auditoraatsverslag heeft kunnen lezen, is daarmee nog niet aangetoond dat de verhouding c.q. de vereiste proportionaliteit tussen de technische en financiële geschiktheid om een kwaliteitsvolle uitvoering van de werken te garanderen en de (nieuwe) XIV-39.455-41/45 maximumbedragen is hersteld en het gelijkheidsbeginsel waarvan de proportionaliteitstoets deel uitmaakt, werd gerespecteerd. Meer nog: uit het advies van de Commissie voor Overheidsopdrachten van 24 maart 2024 blijkt dat de voorgestelde regeling slechts tijdelijk van aard is, in afwachting van een grotere hervorming van de erkenningsreglementering. Uit de bijkomende toelichting die de FOD Economie aan de Inspectie van Financiën heeft verstrekt, mag deze dan wel aangeven, zoals ook de verwerende partij in haar laatste memorie tracht te doen, dat “[i]edereen eigenlijk voorstander [is]”, dat neemt niet weg dat uit de schriftelijke en elektronische procedure die de Commissie voor de Overheidsopdrachten in haar schoot heeft gevoerd, blijkt dat “een ganse reeks opmerkingen” werden geformuleerd. Zo is erop gewezen dat de bedragen vermeld in artikel 10 (§§ 2 en 3) en artikel 11, § 2, van het koninklijk besluit van 26 september 1991, die gelinkt zijn aan de financiële en economische draagkracht enerzijds en de technische bekwaamheid anderzijds, ongewijzigd blijven, wat “als incoherent (of onevenwichtig) wordt beschouwd gelet op de doorgevoerde indexering”. Op deze incoherentie c.q. onevenwicht wordt niet ingegaan, laat staan dat een verantwoording zou zijn verstrekt voor het voortbestaan ervan. Het volstaat daartoe niet – mede in het licht van het gebrek aan (index)aanpassing gedurende meer dan dertig jaar – te stellen dat deze opmerkingen “niets te maken [hebben] met het voorwerp van het ontwerp zelf”, maar een algemene herziening van diverse bepalingen betreffen waarvoor een technische werkgroep in de schoot van de Commissie voor erkenning der aannemers is opgericht. 43. Voorts betwist de verwerende partij de berekening die de verzoekende partij maakt aan de hand van de vrij consulteerbare ABEX-index niet. Volgens deze berekening zou een aanpassing van het maximumbedrag binnen de klasse 7, waartoe de verzoekende partij behoort, aan de schommelingen van de ABEX-index neerkomen op een verhoging met een factor 2,5. In dat verband moet er aan worden herinnerd dat blijkens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 26 september 1991, de XIV-39.455-42/45 bedragen die overeenstemmen met de erkenning in de verschillende klassen derwijze worden ingevuld dat (
- i)een genoegzame mededinging wordt verzekerd én (
- ii)bij het bepalen van de criteria rekening wordt gehouden met de ontwikkelingen in de bouwsector, onder meer wat betreft nieuwe technologieën en de impact ervan op de tewerkstelling (zie supra, punt 34). Niet blijkt dat nieuwe inzichten hieromtrent aan de basis hebben gelegen van de schrapping door het koninklijk besluit van 13 mei 2016 van de (vijfjaarlijkse) aanpassing van de maximumbedragen aan de schommelingen van het ABEX-indexcijfer. Uit wat voorafgaat volgt dat, deze elementen samengenomen, niet is aangetoond dat de met het bestreden besluit verhoogde maximumbedragen in evenwicht zijn met of proportioneel in verhouding staan tot de (ongewijzigde) criteria gelinkt aan de technische bekwaamheid en financiële draagkracht volgens het koninklijk besluit van 26 september 1991. Toegepast op de verzoekende partij als aannemer van klasse 7 kan gelet op eensdeels de evolutie van het ABEX-indexcijfer (verhoogd met een factor 2,5) en anderdeels de nieuwe technologieën met impact op de tewerkstelling, de stijging van de bouwkost “in de laatste jaren” niet verantwoorden dat haar onverkort de toegang wordt ontzegd tot overheidsopdrachten en concessies voor werken met een omvang van meer dan 6.396.000 euro. 44. Het gegeven dat de bestreden regeling een tijdelijke steunmaatregel zou zijn voor een sector in crisis, in afwachting van een grotere hervorming van de erkenningsreglementering, doet hieraan geen afbreuk. Uit wat voorafgaat volgt dat niet aannemelijk is gemaakt dat de bestreden regeling op afdoende wijze invulling geeft aan de doelstelling van de erkenningsregeling, mede in het licht van de regelgeving inzake overheidsopdrachten. 45. Tot slot, in zoverre de verwerende partij in haar laatste memorie nog doet gelden dat het, wat de klasse 7 en de klasse 8 betreft, niet om vergelijkbare XIV-39.455-43/45 categorieën zou gaan doch “om twee verschillende categorieën van aannemers die een totaal verschillende capaciteit hebben en een totaal ander niveau van technische en beroepsbekwaamheid”, wat zij in haar laatste memorie – en dat voor het eerst – nog cijfermatig tracht te illustreren “aan de hand van feitelijke gegevens voor de baggersector in juni 2025”, dient vastgesteld dat daarmee geen rekening kan worden gehouden. Immers, niet blijkt dat dergelijke argumentatie door de verwerende partij niet reeds in de memorie van antwoord kon worden ontwikkeld, daargelaten nog dat al evenmin blijkt dat dergelijke overwegingen en cijfers bij de totstandkoming van het bestreden besluit zijn betrokken ter verantwoording van de met het bestreden besluit gewijzigde bedragen, laat staan in hun verhouding tot de bestaande criteria die de technische en beroepsbekwaamheid moeten garanderen. Bovendien, door hiervan pas in de laatste memorie gewag te maken, is het onderzoek van deze gegevens en de erbij ontwikkelde argumentatie aan het onderzoek door het auditoraat onttrokken zodat het er zich ook niet over heeft kunnen uitspreken. Deze argumentatie is bijgevolg laattijdig en derhalve niet ontvankelijk. 46. Het eerste en het tweede middel, samengenomen, zijn in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING 1. Het verzoek tot tussenkomst van de vzw E. wordt verworpen. 2. De Raad van State vernietigt het koninklijk besluit van 14 april 2024 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 26 september 1991 tot vaststelling van bepaalde toepassingsmaatregelen van de wet van 20 maart 1991 houdende XIV-39.455-44/45 regeling van de erkenning van aannemers van werken’, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 26 april 2024. 3. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 4. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. 5. Het door de verzoekende partij tot tussenkomst betaalde recht van 150 euro dient te worden terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Inge Vos, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-39.455-45/45 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.188 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.998 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 ECLI:EU:C:2010:512 ECLI:EU:C:2025:299 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div