id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.197 Rolnummer: A. 246409/XIV-39948 Zaak: Arrest 265197 - Overheidsopdrachten - 15/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-16 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-15 09:54 Fiches 1 - 2 Arrest nr 265.197 van 15 december 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 265.197 van 15 december 2025 in de zaak A. 246.409/XIV-39.948 In zake: de NV R. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marnix Moerman kantoor houdend te 9930 Lievegem Dekenijstraat 30 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de NV VAN PUBLIEK RECHT INFRABEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nathanaëlle Kiekens, Matthias De Groot en Elise Descheemaeker kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 17 november 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de verwerende partij van 3 november 2025 “waarbij de verzoekende partij niet wordt geselecteerd voor het bestek met nummer [XX/XX/X/XX/009]”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 18 november 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. XIV-39.948-1/20 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 december 2025, om 14.00 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Laurens Defreyne, die loco advocaat Marnix Moerman verschijnt voor de verzoekende partij en advocaten Matthias De Groot en Elise Descheemaeker, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verwerende partij plaatst een raamovereenkomst voor werken in de markt met als voorwerp: “Prestaties van werktuigen met kraandrijver, voor het laden en lossen van spoormaterialen, ballast, betonnen voorwerpen en allerlei werken in de hoofd- en bijsporen verspreid over verschillende sites in de Brussels Hoofdstedelijk Gewest + HSL L1 (Brussel-Zuid - grens met Frankrijk).” Het bestek voorziet in een verdeling van de opdracht in drie percelen: “- Perceel 1: een of meer hydraulische spoorwegkraan (en) voor werken voornamelijk gelegen in het noorden van Brussel, maar eventueel ook enkele werkzaamheden in het zuiden en de HSL L1 (Brussel-Zuid - grens met Frankrijk) - Perceel 2: een of meer hydraulische spoorwegkraan (en) voor werken XIV-39.948-2/20 voornamelijk gelegen in het zuiden van Brussel, maar eventueel ook enkele werkzaamheden in het noorden en de HSL L1 (Brussel-Zuid - grens met Frankrijk) - Perceel 3: Diensten voor installatie / behandeling van subcomponenten van spoorapparatuur met uitzonderlijke kranen in gans Brussel en de HSL L1.” De inschrijvers mogen een offerte indienen voor meerdere percelen. 3.
- Er worden vier offertes ingediend voor perceel 2 waaronder de verzoekende partij. 3.
- Op 3 november 2025 neemt de verwerende partij de gunningsbeslissing met betrekking tot perceel
- In deze beslissing wordt de verzoekende partij niet geselecteerd op grond van de volgende overwegingen: “Kwalitatieve selectie Selectiecriteria volgens artikel 71 van het 3e deel van het bestek :
- Erkenning : categorie G of categorie H, klasse 1 of hoger voor perceel 2
- In te zetten materieel en personeel : Om geselecteerd te worden voor één
(1)perceel moet de inschrijver gelijktijdig kunnen beschikken over minimaal vier
(4)goedgekeurde weg-spoorkranen en minimaal vier
(4)kraanbestuurders met een licentie. Selectiecriteria Inschrijvers Conclusie 1 2 […] OK OK OK […] OK NOKa) NOK
- a)[de verzoekende partij] OK NOKb) NOK
- b)[…] OK NOKC) NOK C) […]
- b)[De verzoekende partij] is niet geselecteerd omdat [zij] niet voldoet aan selectiecriterium nr. 2 zoals bepaald in artikel 71 van de derde deel van het bestek waarin minimaal vier kraanbestuurders met een licentie vereist zijn. In het kader van de selectie kon er geen rekening worden gehouden met kraanbestuurders van andere entiteiten (onderaannemers). De inschrijver heeft in het offerteformulier en in het Uniform Europees XIV-39.948-3/20 Aanbestedingsdocument (UEA) immers aangegeven dat hij geen beroep doet op draagkracht van andere entiteiten in het kader van de selectie. De inschrijver heeft bovendien geen verbintenisverklaring(
- en)van andere entiteiten geen Uniform Europees Aanbestedingsdocument(
- en)van andere entiteiten (zoals vereist conform artikel 46 van het KB van 18/06/2017) bij zijn offerte gevoegd. Bijgevolg wordt er in het kader van de selectie geen rekening gehouden met kraanbestuurders van andere entiteiten (onderaannemers). Uit het onderzoek van de beschikbare informatie ontvangen in het kader de voorgaande gelijkaardige opdracht […] betreffende de hoedanigheid van de kraanbestuurders (eigen personeel van de inschrijver of niet) blijkt dat de inschrijver minder dan 4 van de door haar in haar offerte opgegeven kraanbestuurders eigen personeel van de firma betreffen. Hieruit volgt dat Rentabel nv niet aan het selectiecriterium nr. 2 voldoet en bijgevolg dan ook niet geselecteerd wordt.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep 4. De verzoekende partij vordert formeel in het verzoekschrift de schorsing (en de nietigverklaring) van “de beslissing van de nv van publiek recht INFRABEL dd. 03.11.2025, waarbij de verzoekster niet wordt geselecteerd voor het bestek met nummer [XX/XX/X/XX/009]”. Uit het onderwerp van de kennisgeving en uit de bij het verzoekschrift gevoegde beslissing blijkt dat die betrekking hebben op perceel 2. 5. In deze stand van het geding wordt aangenomen dat het voorliggende beroep enkel betrekking heeft op de beslissing van de verwerende partij om de verzoekende partij niet te selecteren voor perceel 2 van de voormelde opdracht. De vordering wordt hierna vanuit dit oogpunt onderzocht. XIV-39.948-4/20 IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken 6. De verwerende partij vraagt in haar nota om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door haar neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduidt en waarbij zij de redenen opgeeft waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vraagt. 7. De verzoekende partij heeft niet het lichten van de vertrouwelijkheid van deze stukken gevraagd. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 8. Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. VI. Onderzoek van de middelen Vooraf 9. Artikel 2, § 1, tweede tot vierde lid, van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) is op grond van artikel 8, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het koninklijk besluit van 19 november 2024) – dat immers verwijst naar artikel 4, § 1, tweede lid van dat besluit XIV-39.948-5/20 – van toepassing op een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De vordering moet bijgevolg een samenvatting van het middel bevatten als voor het middel een verdere uiteenzetting nodig is. Luidens voornoemd artikel 2, § 1, derde lid, van de algemene procedureregeling kan de ontstentenis van de samenvatting van de grief niet leiden tot de niet- ontvankelijkheid van het middel, maar luidens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 dat deze verplichting invoerde, heeft “die ontstentenis […] als enig mogelijk gevolg voor de verzoeker dat de draagwijdte van zijn grief niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest” (BS 26 juli 2023, 62630). 10. Te dezen bevat het verzoekschrift weliswaar een uiteenzetting van elk middel, maar geen samenvatting van de grieven in de zin van de voornoemde bepalingen, terwijl de verzoekende partij wel aan de hand van omstandige toelichtingen concreter ingaat op de argumenten die volgens haar het middel ondersteunen. Uit wat voorafgaat volgt dat, zeker in een kortgedingprocedure ingeleid bij uiterst dringende noodzakelijkheid waarin ook het recht van verdediging van de overige partijen is beperkt, de verzoekende partij moet verdragen dat de Raad van State de grieven samenvat en begrijpt zoals hierna wordt gedaan. Te dezen heeft de verwerende partij het standpunt van de verzoekende partij voor elk middel samengevat, waaruit mag worden afgeleid dat zij het betrokken middel in die (samengevatte) zin heeft begrepen. Ter terechtzitting formuleerde de verzoekende partij geen opmerkingen inzake deze samenvattingen, zodat de Raad van State, in het licht van wat voorafgaat, er voor de redactie ook mag van uitgaan. A. Eerste middel Standpunt van de partijen XIV-39.948-6/20 11. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 47, § 1, van het koninklijk besluit van 18 juni 2027 “plaatsing overheidsopdrachten in de speciale sectoren’ (hierna: het koninklijk besluit van 18 juni 2017), stellende dat het bestek een onwettigheid bevat, in de mate dat aan de inschrijvers een “Uniform Europees Aanbestedingsdocument” (UEA) is gevraagd waardoor dus de afwijzende beslissing die daarop steunt nietig is. De verwerende partij vat het middel als volgt samen in haar nota met opmerkingen: “15. Met haar eerste middel is verzoekende partij in essentie van oordeel dat de bestreden beslissing onwettig is, omwille van een schending van artikel 47, §1, tweede lid van het KB Plaatsing speciale sectoren. Verzoekende partij meent namelijk dat het Bestek enerzijds een onwettigheid bevat door een UEA te vragen van de inschrijvers, terwijl de geraamde waarde van de Opdracht klaarblijkelijk onder het Europese drempelbedrag voor werken ligt. De bestreden beslissing tot niet-selectie van verzoekende partij voor Perceel 2 van de Opdracht, is daarom eveneens onwettig, in de mate waarin de motivering van deze niet-selectie gesteund werd op de verwijzing naar de vereiste om een ingevuld UEA bij te brengen.” 12. De verwerende partij betwist in de nota met opmerkingen in hoofdorde het belang van de verzoekende partij bij het middel. Zij vat haar verweer ter zake als volgt samen: “16. In hoofdorde zal blijken dat verzoekende partij geen belangschade heeft ten aanzien het door haar geformuleerde eerste middel. Verzoekende partij werd immers niet geselecteerd, gelet op het feit dat zij niet voldeed aan één kwalitatieve selectievereiste, namelijk het beschikken over minimaal 4 gekwalificeerde kraanbestuurders, zoals opgenomen op pagina 21 van het Bestek (stuk 1). Het ontbreken van een UEA voor de onderaannemers is dan ook niet het motief voor de niet-selectie. Dat is wel het niet-voldoen aan de selectie-eisen. De wijze waarop het eigen UEA van verzoekende partij is ingevuld is in dat verband slechts een element van de motivering, waarbij evenwel bepalend is dat geen verbintenisverklaring voor de onderaannemers werd toegevoegd. Het ontbreken van deze verbintenisverklaring volstaat op zich als motivering voor de bestreden beslissing tot niet-selectie, nu hieruit volgt dat verzoekende partij niet voldeed aan de vereisten van het kwalitatieve selectiecriterium. XIV-39.948-7/20 Volledig los van de vraag of er aldus een UEA moest worden voorgelegd of niet, zou verzoekende partij in elk geval niet zijn geselecteerd, gelet op de niet-naleving van de door verwerende partij gestelde kwalitatieve selectievereisten.” 13. Ter terechtzitting gaat de verzoekende partij niet in op dit in hoofdorde aangevoerde verweer. Beoordeling 14. In de huidige stand van het geding wordt de door de verwerende partij gemaakte samenvatting van het middel bijgetreden. 15. Luidens het te dezen toepasselijke artikel 14 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: de wet van 17 juni 2013), waarnaar artikel 15, eerste lid van diezelfde wet verwijst voor vorderingen tot schorsing, moeten de beweerde schendingen de verzoekende partij benadelen of dreigen te benadelen. Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoeker die een zaak voor hem brengt, doet blijken van een belang bij het aangevoerde middel. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast. De Raad van State kan in een kort geding en a fortiori in een kort geding bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts een beperkt onderzoek wijden aan ontvankelijkheidsexcepties. Een verzoekende partij kan er zich immers minder behoorlijk tegen verweren dan in een procedure ten gronde. Daarom past het in een kort geding dat de Raad van State deze excepties eerder zou verwerpen dan aannemen tenzij indien zijn beperkt onderzoek uitwijst dat een dergelijke exceptie een hoge graad van ernst vertoont. XIV-39.948-8/20 16. De kern van het middel lijkt te zijn dat in strijd met artikel 47, § 1, laatste lid, van het koninklijk besluit van 18 juni 2017, in het bestek aan de inschrijvers een UEA is gevraagd, hetgeen volgens de verzoekende partij onwettig is omdat het drempelbedrag voor de overheidsopdrachten voor werken “in de verste verte niet [is] bereikt.” De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven. Er wordt verwezen (zie supra, punt 3.3). Hieruit blijkt dat de verzoekende partij niet is geselecteerd omdat zij niet voldoet aan het selectiecriterium nr. 2 zoals bepaald in het bestek. Zoals hierna uit de beoordeling van de overige middelen zal blijken, toont de verzoekende partij niet aan dat dit (determinerend) motief onwettig is. Zonder dat de Raad van State derhalve moet onderzoeken of al dan niet het gebruik van een UEA mocht worden geëist, volgt uit wat voorafgaat dat, zelfs indien het middel ernstig zou worden bevonden, het motief om de verzoekende partij niet te selecteren overeind blijft. In elk geval zou de verzoekende partij immers niet zijn geselecteerd gelet op de niet-naleving van de in het bestek gestelde kwalitatieve selectievereiste. Uit het voorgaande volgt prima facie niet dat de door de verzoekende partij bekritiseerde onregelmatigheid haar benadeelt of dreigt te benadelen. De aangevoerde onregelmatigheid lijkt aldus niet tot nietigverklaring aanleiding te kunnen geven bij toepassing van artikel 14 van de wet van 17 juni 2013 en bijgevolg evenmin tot schorsing van de tenuitvoerlegging ervan. 17. Uit wat voorafgaat, volgt dat de exceptie van de verwerende partij de vereiste ernst vertoont opdat ze in de huidige stand van de zaak kan worden aangenomen. 18. Het eerste middel is niet ontvankelijk en derhalve niet ernstig. XIV-39.948-9/20 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 19. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 71.2 van het bestek. Zij onderscheidt drie middelonderdelen. De verwerende partij vat het middel als volgt samen in haar nota met opmerkingen: “37. Verzoekende partij is in een eerste middelonderdeel van mening dat ‘artikel 71.2’ van het bestek inzake de toepasselijke kwalitatieve selectiecriteria geschonden wordt, nu de bestreden beslissing stelt dat de kraanbestuurders waarop een beroep gedaan wordt in de offerte ‘werknemers’ moeten zijn van de inschrijver. Dit zou een extra voorwaarde zijn die niet in het bestek werd opgenomen. Daarenboven is het volgens verzoekende partij zeer duidelijk dat zij wel degelijk over vier kraanbestuurders beschikt, en zelfs de certificaten heeft bijgebracht van zes kraanbestuurders, waardoor zij in elk geval aan het selectiecriterium voldoet. Bovendien zou het volgens verzoekende partij onterecht zijn dat verwerende partij stelt dat zij geen beroep heeft gedaan op de draagkracht van andere entiteiten in het kader van de selectie. Uit haar offerteformulier en het feit dat er zes certificaten van kraanbestuurders werden bijgebracht, had moeten blijken dat verzoekende partij wél een beroep doet op de draagkracht van andere entiteiten. 38. In een tweede middelonderdeel stelt verzoekende partij dat zij wél over vier kraanbestuurders beschikt, die haar eigen werknemers zijn. De bestreden beslissing is daarom feitelijk onjuist gemotiveerd. 39. Tot slot is verzoekende partij van oordeel in een derde middelonderdeel dat het selectiecriterium waarbij de certificaten van vier kraanbestuurders moeten worden voorgelegd (die werknemers zijn van de inschrijver), een onredelijk selectiecriterium uitmaakt.” Beoordeling Vooraf 20. In de huidige stand van het geding wordt de door de verwerende partij gemaakte samenvatting van het middel bijgetreden. XIV-39.948-10/20 21. De artikelen 71, 72 en 76 van het bestek bepalen inzake de selectie van de inschrijvers het volgende: “ARTIKEL 71 De inschrijver verklaart in het deel 'Algemene aanwijzing voor alle selectiecriteria' van deel IV van de UEA enkel of hij al dan niet aan alle vereiste selectiecriteria voldoet. De inschrijvers voegen aan hun offerte alle relevante documentatie toe die toelaat te verifiëren of zij voldoen aan de selectiecriteria. Selectiecriteria : 1. Erkenning […] 2. In te zetten materieel en personeel Om geselecteerd te worden voor één
(1)perceel moet de inschrijver beschikken over minimaal vier
(4)goedgekeurde weg-spoorkranen en minimaal vier
(4)kraanbestuurders met een licentie. De geselecteerde inschrijver moet ook rekening houden met de gelijktijdige inzet van spoor-wegkranen die zijn aangevraagd bij andere soortgelijke opdrachten die voor Infrabel zijn gegund. Voorbeeld: Indien een geselecteerde inschrijver voor één
(1)perceel van dit contract wil inschrijven, maar er lopen al twee contracten met Infrabel waarvoor minimaal 3 spoor-wegkranen gelijktijdig moeten worden geleverd, de geselecteerde inschrijver moet kunnen aantonen dat hij tegelijkertijd ten minste (3 + 3 + 4) 10 goedgekeurde spoorwegkranen en een kraanmachinist met licentie kan hebben. Belangrijke opmerking: In artikel 57 van het 3e deel van het bestek wordt ook het minimale niveau bepaald dat vereist is voor de kwalitatieve selectie in geval van gunning van perceel 1 en perceel 2 aan dezelfde inschrijver. Zie artikel 57 hieronder. […] ARTIKEL 72 - DRAAGKRACHT VAN ANDERE ENTITEITEN Om te voldoen aan het/de selectiecriterium/selectiecriteria vermeld onder artikel 70 hierboven, kan de inschrijver beroep doen op de draagkracht van andere entiteiten. Opgelet, de inschrijver kan slechts beroep doen op de draagkracht van andere entiteiten, wanneer deze laatste de diensten waarvoor hun draagkracht vereist is zelf zullen leveren. De inschrijver beantwoordt de vraag die is opgenomen in het deel II.C van het UEA (Informatie over beroep op draagkracht van andere entiteiten). De inschrijver beantwoordt de vraag die is opgenomen in het punt 6 van het offerteformulier (Informatie over beroep op draagkracht van andere entiteiten in het kader van de selectie). Indien de inschrijver beroep doet op de draagkracht van (een) andere entiteit(
- en)in het kader van de selectie voor deze opdracht moet hij een verbintenisverklaring ondertekend door deze andere entiteit(
- en)toevoegen XIV-39.948-11/20 aan zijn offerte. Hiertoe dient de bijlage ‘Model van verbintenisverklaring van een andere entiteit in het kader van de selectie’ van het bestek gebruikt te worden. De inschrijver die beroep doet op de draagkracht van (een) andere entiteit(
- en)voegt bovendien alle nodige documenten aan zijn offerte toe zodat de aanbesteder kan nazien of erin hoofde van de betrokken entiteit geen verplichte uitsluitingsgronden bestaan en of de voorgestelde entiteit voldoet aan het/de toepasselijke selectiecriterium/selectiecriteria. Deze documenten dienen niet aangeleverd te worden indien de aanbesteder ze kan raadplegen via gratis beschikbare databanken of indien deze al ingediend werden in het kader van een andere (geïdentificeerde) procedure en deze nog steeds geldig zijn. […] ARTIKEL 76 De inschrijver voegt de volgende documenten toe aan zijn offerte: - het offerteformulier; - de samenvattende opmeting; - de INGEVULDE bijlage 1 van het veiligheids- en gezondheidsplan conform artikel 30 van het KB van 25.01.01 (BS 07.02.01); - de documenten met betrekking tot de afwezigheid van uitsluitingsgronden en de selectie (rekening houdend met de administratieve vereenvoudiging voor de Belgische inschrijvers) omschreven onder artikel 67 en 71 van het derde deel hierboven; - […] - Een kopie van de licenties van de bestuurders, afgegeven door het FOD Mobiliteit en Vervoer (DVIS) of tenminste een attest dat bevestigt dat de bestuurder(
- s)al een opleiding heeft (hebben) gevolgd bij een erkende instelling om die licentie te verkrijgen. Deze documenten moeten geldig zijn tijdens de uitvoeringsperiode van de werken. - Keuringsverslagen en brevetten van bestuurders. Deze documenten moeten geldig zijn tijdens de uitvoeringsperiode van de werken. Bij gebrek aan bovenvermelde documenten behoudt de aanbestedende overheid zich het recht voor om de offerte onregelmatig te verklaren.” Eerste middelonderdeel 22. In het eerste middelonderdeel gaat de verzoekende partij uit van het eigen standpunt dat “artikel 71.2” van het bestek geschonden wordt, nu de bestreden beslissing stelt dat de kraanbestuurders waarop een beroep gedaan wordt in de offerte ‘werknemers’ moeten zijn van de inschrijver. Dit zou volgens haar een extra voorwaarde zijn die niet in het bestek werd opgenomen. In de mate dat de verzoekende partij in een eerste grief steunt op XIV-39.948-12/20 de feitelijke premisse dat in de bestreden beslissing zou zijn geoordeeld dat de kraanbestuurders eigen werknemers van de inschrijver moeten zijn, blijkt uit de hiervoor weergegeven formele motivering van de beslissing (zie supra, punt 3.3)., dat zij uitgaat van een verkeerde feitelijke lezing van die formele motivering. Hieruit blijkt immers dat de bestreden beslissing tot niet-selectie niet enkel steunt op de vaststelling dat minder dan vier van de door haar in haar offerte opgegeven kraanbestuurders eigen werknemers zijn, maar cumulatief daarmee ook op de vaststelling dat er geen rekening kan worden gehouden met kraanbestuurders van een onderaannemer omdat de verzoekende partij in haar offerte en in haar UEA uitdrukkelijk aangaf geen beroep te doen op de draagkracht van andere entiteiten, noch een verbintenisverklaring, noch een UEA voor een onderaannemer bij haar offerte voegde. In die mate is het middelonderdeel om die reden niet ernstig. De verzoekende partij doet in een tweede grief ook gelden dat zij wel degelijk beschikte over minstens vier kraanbestuurders met de vereiste licentie, hetgeen volgens haar blijkt uit het feit dat zij bij haar offerte zes certificaten van “Operator TW (OTW)” voegde. Niet wordt betwist dat drie ervan kraanbestuurders zijn die geen eigen werknemers van de verzoekende partij zijn. De verzoekende partij toont evenwel niet aan dat zij in een van de daartoe voorziene plaatsen in de offerte heeft aangegeven dat zij bij de uitvoering van de opdracht een beroep zal doen op de draagkracht van een onderaannemer om te voldoen aan het betrokken selectiecriterium. Integendeel, de verwerende partij wijst er op het eerste gezicht terecht op dat de verzoekende partij 1) in haar offerteformulier bij de vraag: “Ik doe een beroep op de draagkracht van (een) andere entiteit(
- en)om te voldoen aan de selectiecriteria van deze opdracht,” het antwoord “JA” heeft doorkruist en 2) geen enkele van de op grond van het bestek vereiste documenten bij de offerte heeft gevoegd indien een beroep wordt gedaan op de draagkracht van een andere entiteit. Met het argument dat zij op dat offerteformulier, bij de informatie betreffende de inschrijver waar de eventuele onderaannemers moeten worden vermeld, vermeldde dat zij de namen zou doorgeven na gunning van de werken, toont zij aldus niet aan dat zij heeft aangegeven dat zij een beroep zou doen op de draagkracht van een onderaannemer in het kader van de selectie. Op het eerste gezicht slaat dit XIV-39.948-13/20 onderdeel van het offerteformulier op de gegevens van onderaannemers in het algemeen, maar hiermee heeft de verzoekende partij op het eerste gezicht enkel aan dat zij bij de uitvoering van de opdracht een beroep zou doen op onderaannemers – waarvan ze de namen pas zou doorgeven na gunning van de opdracht – maar niet dat zij een beroep zou doen op die hun draagkracht om te voldoen aan de selectiecriteria. Overigens bemerkt de Raad van State dat het uitsluitend voorleggen van deze certificaten geen enkel bewijs lijkt te bieden dat de verzoekende partij effectief beschikt over de inzet van deze kraanbestuurders die geen eigen medewerkers zijn. Doordat niet blijkt dat de verzoekende partij een beroep doet op de draagkracht van andere entiteiten in het kader van de selectie, is niet aannemelijk gemaakt dat de verwerende partij haar appreciatieruimte te buiten is gegaan door te besluiten dat er in het kader van de selectie geen rekening kon worden gehouden met kraanbestuurders van andere entiteiten. Aldus toont de verzoekende partij met deze grief niet aan dat ten onrechte is geoordeeld dat niet voldaan is aan deze tweede selectievoorwaarde. Het eerste middelonderdeel is niet ernstig. Tweede middelonderdeel 23. De offertes voor de voorliggende opdracht moesten worden ingediend tegen 8 april 2025 om 11 uur. Op geen enkele wijze blijkt dat meer dan drie kraanbestuurders waarvoor een certificaat werd bijgevoegd, bij de indiening van de offerte voor de voorliggende opdracht een eigen werknemer van de verzoekende partij zou betreffen. In de offerte is nergens sprake van de in het verzoekschrift vermelde vierde, bijkomend in dienst genomen kraanbestuurder. Dit is overigens logisch aangezien de verzoekende partij in het verzoekschrift erkent dat diens indienstneming dateert van 16 juni 2025, wat meer dan twee maanden is na de ultieme datum van indiening van de offertes. Dat de verzoekende partij aldus zou voldoen aan het selectiecriterium op “de begindatum van het bestek dd. 01.07.2025” is te dezen prima facie irrelevant: uit de volgens de verzoekende partij geschonden geachte bestekbepaling blijkt immers dat de inschrijvers bij hun XIV-39.948-14/20 offertes alle relevante documentatie moeten voegen die toelaat te verifiëren of zij voldoen aan de selectiecriteria, waartoe op grond van artikel 76 (zie supra, punt 21) van de offerte “een kopie van de licenties van de bestuurders” behoren. Hieruit alleen al volgt dat de inschrijvers aan de selectiecriteria moeten voldoen op het moment van indiening van de offertes en niet op de datum van de voorziene begindatum van de opdracht. Bijgevolg kon de verwerende partij bij de selectie van de inschrijvers enkel rekening houden met de kraanbestuurders waarover de inschrijver beschikt bij indiening van de offerte, weze het via eigen personeel, weze het via een beroep op de draagkracht van een onderaannemer. De verwerende partij gaat aldus haar appreciatieruimte niet te buiten door geen rekening te houden met een gecertificeerde kraanbestuurder die na de indiening van de offerte in dienst werd genomen door de verzoekende partij. De verzoekende partij voert voorts aan dat de verwerende partij in de bestreden beslissing ten onrechte zou verwijzen naar een ander bestek om beslissingen in het voorliggende dossier te maken, maar in haar grief beperkt zij zich tot een blote bewering zonder uiteen te zetten waarom dit de aangevoerde bestekbepaling zou schenden. Deze grief kan dan ook niet op zijn merites worden onderzocht en is derhalve niet ernstig. Het tweede middelonderdeel is niet ernstig. Derde middelonderdeel. 24. Los van het feit dat de verzoekende partij niet uiteenzet hoe de in dit middelonderdeel geuite kritiek kan worden ingepast in de door haar geschonden geachte bestekbepaling, vraagt de verzoekende partij in haar kritiek de redelijkheid te toetsen van de eis dat minimaal vier kraanbestuurders werknemer van de verzoekende partij moeten zijn. Zij vertrekt hierbij evenwel van een verkeerd uitgangspunt: zoals hiervoor al is gebleken, vereist het betrokken selectiecriterium geenszins dat de vier kraanbestuurders een eigen werknemer moeten zijn van de inschrijver zelf, noch is hiervoor gebleken dat de bestreden beslissing van het door XIV-39.948-15/20 de verzoekende partij voorgehouden standpunt is uitgegaan. Dit maakt de kritiek van de verzoekende partij niet ernstig. Het derde middelonderdeel mist feitelijke grondslag en is derhalve niet ernstig. Conclusie 25. Het tweede middel is niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 26. In een derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van “de beginselen van behoorlijk bestuur” doordat de verwerende partij haar geen mogelijkheid tot rechtzetting heeft gegeven. De verwerende partij vat het middel als volgt samen in haar nota met opmerkingen: “65. In haar derde en laatste middel is verzoekende partij in uiterst ondergeschikte orde van mening dat de bestreden beslissing genomen werd in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, doordat verwerende partij de verzoekende partij geen mogelijkheid tot rechtzetting heeft gegeven. Verzoekende partij stelt dat zij zich duidelijk heeft vergist op het moment van indiening van de offerte, door niet aan te duiden dat zij beroep zou doen op de draagkracht van derden. Deze materiële vergissing zou moeten blijken uit het feit dat verzoekende partij wel zes kwalificatiecertificaten van kraanbestuurders heeft ingediend bij haar offerte, hetgeen zij niet zou hebben gedaan indien zij geen beroep op de draagkracht van onderaannemers wenste te doen. Verzoekende partij stelt dat verwerende partij daarom onzorgvuldig heeft gehandeld door geen verzoek tot rechtzetting te versturen aan verzoekende partij, nu verzoekende partij duidelijk de intentie had om beroep te doen op de draagkracht van haar onderaannemers.” XIV-39.948-16/20 Beoordeling 27. In de huidige stand van het geding wordt de door de verwerende partij gemaakte samenvatting van het middel bijgetreden. Uit de verdere uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoekende partij de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel. Het middel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht. 28. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan de verzoekende partij toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van de overheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door de verzoekende partij van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaan niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. In beginsel wordt elke offerte beoordeeld zoals ze wordt ingediend. Het is derhalve in de eerste plaats een opdracht van een inschrijver om op een diligente wijze kennis te nemen van het bestek en om met de vereiste nauwgezetheid en zorgvuldigheid hierna zijn offerte op te stellen. De zorgvuldigheidsplicht in hoofde van de verwerende partij lijkt dan ook niet op zich een verplichting te doen ontstaan om een offerte alsnog te regulariseren. 29. De verzoekende partij stelt zich op het standpunt dat het haar bedoeling was om een beroep te doen op de draagkracht van een onderaannemer voor het tweede selectiecriterium en dat zij zich heeft vergist toen zij in het UEA XIV-39.948-17/20 aanstipte dat zij geen beroep doet op onderaannemers. Te dezen bepaalt artikel 72 van het bestek (zie supra, punt 21) uitdrukkelijk dat indien de inschrijver beroep doet op de draagkracht van (een) andere entiteit(
- en)in het kader van de selectie voor deze opdracht, hij de vraag beantwoordt die is opgenomen in het deel II.C van het UEA (Informatie over beroep op draagkracht van andere entiteiten) en de vraag die is opgenomen in het punt 6 van het offerteformulier (Informatie over beroep op draagkracht van andere entiteiten in het kader van de selectie). Ook wordt bepaald dat de inschrijver in dat geval een verbintenisverklaring ondertekend door deze andere entiteit(
- en)moet toevoegen aan zijn offerte. Hiertoe dient de bijlage "Model van verbintenisverklaring van een andere entiteit in het kader van de selectie" van het bestek gebruikt te worden. In artikel 67 van het bestek werd eraan herinnerd dat ook voor onderaannemers op wiens draagkracht een beroep wordt gedaan er een UEA moet worden toegevoegd aan de offerte. In haar offerte gaf de verzoekende partij uitdrukkelijk aan geen beroep te doen op de draagkracht van een derde in het kader van de selectiecriteria. Uit haar offerteformulier blijkt dat zij onder punt “7. Informatie over beroep op draagkracht van andere entiteiten in het kader van de selectie (artikel 72 van het 3e deel van het bestek)” bij de vraag: ”Ik doe een beroep op de draagkracht van (een) andere entiteit(
- en)om te voldoen aan de selectiecriteria van deze opdracht” het antwoord “JA” heeft doorkruist. In het UEA dat zij bij haar offerte indiende, heeft de verzoekende partij bovendien eveneens onder de vraag “C. Doet de ondernemer een beroep op de draagkracht van andere entiteiten om te voldoen aan de selectiecriteria van deel IV en de (eventuele) criteria en regels van onderstaande afdeling V?” het bolletje bij het antwoord “Nee” gekleurd en dus uitdrukkelijk “nee” geantwoord. Tot slot heeft zij noch een UEA voor mogelijke onderaannemers bij haar offerte gevoegd, noch een verbintenisverklaring van mogelijke onderaannemers. Gelet op de uitdrukkelijke eisen gesteld in het bestek en op de voormelde uitdrukkelijke vermeldingen door de verzoekende partij zelf in de offerte en op de afwezigheid bij de offerte van enig vereist document met XIV-39.948-18/20 betrekking tot dit selectiecriterium, maakt de verzoekende partij met de loutere bewering dat zij zich heeft vergist bij het aanstippen van het UEA en met het stellen van de open vraag “waarom zij anders de OTW-bewijzen van onderaannemers als bijlage voegde?”, niet aannemelijk dat de verwerende partij de door haar aangebrachte informatie niet correct heeft “geïnterpreteerd.” Zij doet ter zake blijken van een ander standpunt, maar zij maakt daarmee niet aannemelijk dat de verwerende partij tot een onzorgvuldige besluitvorming is gekomen, door tot haar niet-selectie te besluiten op grond van wat de verzoekende partij zelf heeft voorgelegd zonder ter zake om aanvullende inlichtingen te vragen. 30. Het “in dit verband” (zijdelings) aanhalen van het artikel 66, § 3, eerste lid, van de wet 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ – zonder uiteen te zetten in welke mate die bepaling zou zijn geschonden – leidt niet tot een andere conclusie, te meer dat deze bepaling te dezen niet toepasselijk lijkt op de voorliggende opdracht die zich immers situeert binnen de speciale sectoren en het voorts niet in de opdracht van de Raad van State ligt om in het raam van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zelf uit te maken welke bepaling dan wel van toepassing is en in welke mate die dan ook zou zijn geschonden. Het feit tot slot dat, naar wat de verzoekende partij beweert, in een andere zaak de verwerende partij haar de mogelijkheid zou hebben geven “een kleine vergissing in verzoeksters offerte” recht te zetten, doet niet anders besluiten. Niet alleen verzuimt de verzoekende partij het dossier waarmee zij vergelijkt over te leggen – wat maakt dat daardoor de Raad van State zijn wettigheidsonderzoek ter zake niet kan uitvoeren – noch blijkt dat beide “vergissingen” gelijk, minstens gelijkaardig waren, maar bovendien blijkt hieruit niet dat de verwerende partij in het voorliggende dossier onzorgvuldig is opgetreden. 31. Het derde middel is niet ernstig. XIV-39.948-19/20 VII. Besluit 32. Geen van de middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijftien december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-39.948-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.197 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.184 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div