← België

Arrest 265203 - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) - 16/12/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.203 Rolnummer: A. 243835/IX-10606 Zaak: Arrest 265203 - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) - 16/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-15 Raadplegingen: 219 - laatst gezien 2026-06-18 06:16 Fiche Arrest nr 265.203 van 16 december 2025 Justitie - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 265.203 van 16 december 2025 in de zaak A. 243.835/IX-10.606 In zake: het INRICHTINGSHOOFD VAN DE GEVANGENIS LEUVEN-CENTRAAL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karine Van Gulck kantoor houdend te 2600 Berchem Deken De Winterstraat 26 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ruben Vanderheiden kantoor houdend te 3001 Heverlee Industrieweg 4 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 24 december 2024, strekt tot de nietigverklaring van beslissing BC/24-0093 van de beroepscommissie van de Cen- trale toezichtsraad voor het gevangeniswezen van 18 november 2024. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking nr. 16.163 van 27 januari 2025 is het cassatiebe- roep toelaatbaar verklaard. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.606-1/15 Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer heeft een verslag opge- steld. De verzoekende partij heeft gevraagd dat de procedure wordt voortgezet. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 december 2025. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Karine Van Gulck, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Ruben Vanderheiden, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer, gemachtigd om ter te- rechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De beroepscommissie van de Centrale toezichtsraad voor het ge- vangeniswezen heeft in de bestreden beslissing de volgende samenvatting van de feiten gegeven: “Op 15 december 2023 legde de directie van Leuven Centraal een tuchtbe- slissing op van 15 dagen individueel regime voor het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties. Naast deze tuchtbeslissing werden bovendien 5 punten toegekend in het kader van het puntensysteem. IX-10.606-2/15 Klager [thans: verweerder in cassatie] diende klacht in tegen de beslissing tot toekenning van 5 punten. De klachtencommissie van Leuven Centraal heeft de klacht gegrond verklaard en de beslissing tot toekenning van 5 punten vernietigd.” Met de thans bestreden beslissing verklaart de beroepscommis- sie het beroep ontvankelijk, maar ongegrond, bevestigt zij de beslissing van de klachtencommissie van Leuven-Centraal van 1 maart 2024 en vernietigt zij de be- slissing tot het toekennen van punten. 3.2. De stukken waarop de Raad van State acht mag slaan, leren over het voormelde “puntensysteem” wat volgt. De gevangenis Leuven-Centraal is een penitentiaire inrichting met een gedifferentieerd regime. Dit regime houdt in dat aan de gedetineerde, naar- gelang de vleugel waar deze verblijft, meer of minder vrijheden worden toegekend. Een “reglement basisregime”, zijnde bijlage 3 van het huishou- delijk reglement van de inrichting, bepaalt dat inkomende gedetineerden starten in een vleugel met een zogenaamd basisregime en van daaruit kunnen “evolueren” naar het opendeurregime. Mutaties tussen de vleugels worden afhankelijk gesteld van het gedrag van de gedetineerde. Van belang voor de voorliggende zaak zijn de volgende bepalingen van voormeld “reglement basisregime”: “Criteria voor overstap naar andere regimes 1. Van het opendeurregime naar het basisregime a. Principes: Een gedetineerde maakt de overstap naar het basisregime indien hij ge- dragsmatig niet geschikt is om in het opendeurregime te verblijven. Op de wijze zoals hieronder bepaald zal deze overstap in die zin het gevolg zijn van het plegen van tuchtinbreuken die een grote druk leggen op de beheersbaarheid van het goede leefklimaat binnen het opendeurregime. Binnen de Basiswet bestaan 2 categorieën overtredingen (basiswet titel VII tuchtregime, hoofdstuk II tuchtrechtelijke inbreuken, art. 129 en 130). Binnen elke categorie werden in het kader van een overstap naar het basis- regime die overtredingen geselecteerd die een grote druk leggen op de be- heersbaarheid van het goede leefklimaat binnen het opendeurregime. Voor wat betreft categorie 1 worden de volgende overtredingen geselec- teerd: IX-10.606-3/15 […] Voor wat betreft categorie 2 worden de volgende overtredingen geselec- teerd: […] b. Puntensysteem Bij de overstap naar het Basisregime wordt met een puntensysteem gewerkt dat voor iedereen van toepassing is: Het plegen van de hierboven opgesomde tuchtinbreuken geeft automatisch aanleiding tot de toepassing van dit reglement en dus tot het toekennen van een welbepaald aantal punten, zoals hieronder verduidelijkt. Het toekennen van deze punten maakt dus een automatisch gevolg uit van het plegen van één van de geselecteerde en door de directie bewezen ver- klaarde tuchtinbreuken, ongeacht welke tuchtsanctie er door de directie aan verbonden wordt. Inbreuken van de eerste categorie: 5 punten […] Inbreuken van de tweede categorie: 3 punten Er wordt ook rekening gehouden met termijnen. De gehanteerde periode hangt af van de aard van de inbreuk: Overtredingen van cat. 1: score 5 (of per uitzondering 10) tellen 18 maan- den mee Overtredingen van cat. 2: score 3 tellen 12 maanden mee Bij een score van 10 punten wordt de gedetineerde onmiddellijk overge- plaatst naar het basisregime. Dit staat volledig los van een eventuele opge- lopen sanctie. Op het moment dat iemand start in het basisregime, worden de tellers weer op 0 gezet.” 3.3. De mededeling die het voorwerp vormt van de klacht van ver- weerder, luidt: “De directie meldt u dat, ten gevolge van de beslissing van de tuchtsanctie 15.12.2023, 5 punten werden bijgeteld aan uw saldo met betrekking tot het basisregime. Uw saldo bedraagt momenteel 5 punten. Bij een score van 10 punten wordt automatisch tot een overplaatsing naar het basisregime besloten. Leuven, De directie, [handtekening]” IX-10.606-4/15 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 149 van de Grondwet. Verzoekster heeft in haar beroepschrift van 18 maart 2024 tegen de beslissing van de klachtencommissie van de gevangenis Leuven-Centraal van 1 maart 2024 uiteengezet hoe de twee redenen waarom de beroepscommissie haar rechtspraak in juli 2023 heeft gewijzigd, in de zin dat zij sedertdien klachten tegen de toekenning van punten ontvankelijk acht, zijn verholpen. Deze twee redenen zijn: (

  1. i)de vermeende inconsequente toepassing van het puntensysteem door de directie en (
  2. ii)het feit dat er meerdere versies van het reglement aangaande het basisregime in omloop zouden zijn geweest. In de bestreden beslissing van 18 november 2024 is de beroeps- commissie hierop niet ingegaan en zij heeft derhalve niet specifiek geantwoord op dit middel dat een afzonderlijke juridische betwisting voert in vergelijking met de overige middelen uit het beroep. Door dit middel niet te beantwoorden schendt de beslissing van de beroepscommissie van 18 november 2024 artikel 149 van de Grondwet. In de toelichting bij het middel wijst verzoekster erop dat, dank- zij een consequente toepassing, de toekenning van punten in alle gevallen terug te brengen is tot een louter administratieve en automatische toepassing van het regle- ment basisregime en dus geen individuele beslissing van de directeur is in de zin van artikel 148 van de basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangenis- wezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ (“basiswet”). Ook het feit dat er twee versies van de brochure in omloop geweest zijn, werd verholpen. Het enige IX-10.606-5/15 logische gevolg is dat de beroepscommissie volgens haar eigen rechtspraak klach- ten tegen het toekennen van punten (opnieuw) onontvankelijk dient te bevinden. De beroepscommissie heeft dit argument niet beantwoord. Zij heeft zich beperkt tot de opmerking dat het inrichtingshoofd de werking zou heb- ben aangepast zodat de brochure steeds op dezelfde manier wordt toegepast. Beoordeling 5. In haar beroepschrift bij de beroepscommissie voert verzoekster aan dat de klacht onontvankelijk is wegens een gebrek aan een individuele beslis- sing door of namens de directeur zoals bedoeld in artikel 148 van de basiswet – standpunt dat de beroepscommissie voorheen innam, maar later wijzigde. Volgens verzoekster zijn de twee redenen voor die wijziging van de rechtspraak weggeno- men en dient de beroepscommissie dus opnieuw aan te sluiten bij haar vroegere uitspraken waarin klachten tegen de toekenning van punten in Leuven-Centraal als onontvankelijk waren afgewezen. 6. In de bestreden beslissing beantwoordt de beroepscommissie dit middel als volgt: “Het inrichtingshoofd geeft aan dat de beslissing tot het toekennen van pun- ten rechtstreeks voortvloeit uit de brochure. Ze zou haar werking hebben aangepast, zodat deze brochure steeds op dezelfde manier wordt toegepast. Volgens art. 148 van de basiswet is de klachtencommissie bevoegd voor elke klacht tegen een beslissing door of namens de directeur, die ten aan- zien van de gedetineerde wordt genomen. De beslissing tot het toekennen van punten is een beslissing die naast de tuchtbeslissing wordt genomen en een onmiddellijke impact heeft op de situatie van de gedetineerde. Deze beslissing voegt immers punten toe aan het totaal van betrokkene, nadat er een bepaalde tuchtinbreuk is vastgesteld. Door het toevoegen van de punten, kan de betrokkene van regime moeten veranderen, zodat er een onmiskenbare geïndividualiseerde impact is. Het toekennen van punten, wat gelinkt is met een eventuele regimewijzi- ging, is bovendien een bevoegdheid die valt onder de verantwoordelijkheid van de directeur. De directie is verantwoordelijk voor celtoewijzing of re- gimewijziging.[…] De beslissing tot toekenning van punten, dat indirect een IX-10.606-6/15 regimemutatie tot gevolg kan hebben, is bijgevolg een beslissing die door of namens de directeur genomen moet worden. De beroepscommissie besluit dat de toekenning van punten bijgevolg een beslissing van de directeur ten aanzien van de gedetineerde is in de zin van art. 148 van de basiswet, waartegen klager klacht kan indienen.” 7. Anders dan verzoekster betoogt, heeft de beroepscommissie hiermee geantwoord op het middel over de onontvankelijkheid van de klacht. In dat antwoord kan verzoekster lezen om welke redenen, ook al ware deze onjuist of onwettig, de beroepscommissie van oordeel is dat de klacht betrekking heeft op een beslissing in de zin van artikel 148 van de basiswet en ontvankelijk is, wat de procespartijen en de Raad van State toelaat te begrijpen waarom de ermee strijdige argumenten opgeworpen in het beroepschrift niet werden aangenomen, namelijk omwille van de argumenten die de beroepscommissie expressis verbis heeft opge- nomen. De beroepscommissie schendt aldus artikel 149 van de Grondwet niet. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 8. Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 148 van de basiswet. De beroepscommissie schendt volgens verzoekster artikel 148 van de basiswet door de omschrijving “elke beslissing die door of namens de di- recteur ten aanzien van [de gedetineerde] genomen werd” op zodanige wijze te lezen dat elke toepassing van een algemene regel met betrekking tot een bevoegd- heid die onder de verantwoordelijkheid valt van de directeur, vatbaar is voor be- klag. In casu heeft de directeur (of een gemachtigde) geen geïndividualiseerde be- slissing genomen. Het gaat om de automatische toepassing van een voor elke ge- detineerde geldend en aan elke gedetineerde ter kennis gebracht reglement dat deel uitmaakt van het huishoudelijk reglement van de gevangenis. Het reglement wordt voor elke gedetineerde in alle gevallen op dezelfde wijze consequent toegepast. IX-10.606-7/15 Wanneer een bepaalde tuchtinbreuk werd gepleegd, wordt auto- matisch het aantal punten toegekend dat conform het reglement voor deze tuchtin- breuk is voorzien. Wanneer tien punten zijn bereikt, betekent dit automatisch dat de gedetineerde van het opendeurregime naar het basisregime overstapt. Er is geen beoordelingsmarge, geen mogelijkheid tot afwijking, uitzondering of mildering. Het is niet omdat de toepassing van bepaalde regels betrekking heeft op een bevoegdheid die valt onder de verantwoordelijkheid van de directeur, dat tegen deze toepassing een klacht bij de klachtencommissie kan worden inge- diend. Dit kan enkel tegen een geïndividualiseerde beslissing, in de zin van arti- kel 148 van de basiswet, wat een mate van beoordelingsmarge vereist. De oor- spronkelijke klacht van verweerder valt dan ook niet onder het beklagrecht en is onontvankelijk. 9. In de memorie van wederantwoord onderstreept verzoekster dat de beroepscommissie artikel 148 van de basiswet heeft geschonden “door ervan uit te gaan dat omdat de toepassing van bepaalde regels betrekking heeft op een be- voegdheid die valt onder de verantwoordelijkheid van de directeur, tegen deze toe- passing een klacht […] kan worden ingediend”. Het criterium dat de kwestie onder de verantwoordelijkheid van de gevangenisdirectie valt op zich is niet voldoende om in aanmerking te komen voor een klacht bij de klachtencommissie. Dit kan enkel tegen een geïndividualiseerde beslissing. Enkel wanneer er een mate van be- oordelingsmarge is, is er sprake van een beslissing in de zin van artikel 148 van de basiswet. Als het over het automatisch toepassen van regels gaat, is er integendeel geen sprake van een beslissing in de zin van artikel 148 van de basiswet. Beoordeling 10. Het middel is gericht tegen de verwerping door de beroepscom- missie, om de sub 6 aangehaalde redenen, van de opgeworpen exceptie van onont- vankelijkheid. IX-10.606-8/15 11. Artikel 148, eerste lid, van de basiswet luidt: “Onverminderd de mogelijkheid voor een gedetineerde om zich te richten tot de directie en de Commissie van toezicht, kan een gedetineerde bij de Klachtencommissie beklag doen over elke beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van hem genomen werd.” 12.1. Anders dan verzoekster dit ziet, heeft het beroepsorgaan in de bestreden uitspraak niet geoordeeld dat louter het criterium dat de puntentoeken- ning onder de verantwoordelijkheid van de gevangenisdirectie valt, volstaat voor de ontvankelijkheid van de klacht. De beroepscommissie heeft vastgesteld, eens- deels, dat “er een onmiskenbare geïndividualiseerde impact is” en, anderdeels, dat de puntentoekenning te kwalificeren is als “een beslissing die door of namens de directeur genomen moet worden”. 12.2. Het in artikel 148, eerste lid, van de basiswet bedoelde klacht- recht van de gedetineerde betreft een beslissing die “ten aanzien van hem genomen werd”: het klachtrecht is aldus beperkt tot geïndividualiseerde beslissingen ten aan- zien van de eigen detentiesituatie van de klager. Door te oordelen dat “er een onmiskenbare geïndividualiseerde impact is”, heeft de beroepscommissie vastgesteld dat aan die voorwaarde is vol- daan. De klacht heeft als voorwerp de op verzoeker geïndividuali- seerde toepassing van het reglement basisregime, namelijk de toekenning van pun- ten volgens het in dat reglement opgenomen puntensysteem ingevolge “de tucht- sanctie 15.12.2023”. Die beslissing tot toekenning van punten treft verzoeker bij- gevolg individueel en is een beslissing die “ten aanzien van hem” is genomen. Verzoekster beweert niet, terecht, dat de klacht van verweerder gericht is tegen een algemene regel, inzonderheid (de bijlage bij) het huishoudelijk reglement. IX-10.606-9/15 Met het argument dat zij niet méér doet dan een huisregel auto- matisch toepassen, weerlegt zij evenmin dat door het “toevoegen van punten”, “er een onmiskenbare geïndividualiseerde impact is” op de betrokken gedetineerde, zodat dergelijke handeling van puntentoekenning een geïndividualiseerde impact heeft als bedoeld in artikel 148, eerste lid, van de basiswet. 13.1. Anders dan verzoekster dit ziet, heeft het beroepsorgaan in de bestreden uitspraak voorts ook niet in het algemeen geoordeeld dat elke toepassing van een algemene regel met betrekking tot een bevoegdheid die onder de verant- woordelijkheid valt van de directeur vatbaar is voor beklag. De bestreden uitspraak geeft slechts aan dat de directie “verantwoordelijk [is] voor celtoewijzing of regi- mewijziging” en dat het toekennen van punten “gelinkt is met een eventuele regi- mewijziging” en “een bevoegdheid [is] die valt onder de verantwoordelijkheid van de directeur”. 13.2. Luidens artikel 16, § 1, van de basiswet wordt in iedere gevan- genis door het inrichtingshoofd een huishoudelijk reglement opgesteld. Luidens de bijlage ‘reglement basisregime’ bij het huishoudelijk reglement van Leuven-Centraal, maakt het toekennen van punten “een automatisch gevolg uit van het plegen van één van de geselecteerde en door de directie bewezen verklaarde tuchtinbreuken”. Dat betekent dat de toekenning van de punten gebeurt (
  3. i)met toepassing van een door het instellingshoofd zelf opgesteld huishoudelijk regle- ment waarin datzelfde instellingshoofd de voor toekenning van punten in aanmer- king komende gedragingen heeft aangewezen en (
  4. ii)na een beoordeling door de directie van het bewezen zijn van de tuchtinbreuk. 13.3. Gelet op die gegevens, oordeelt de beroepscommissie niet in strijd met artikel 148, eerste lid, van de basiswet, als zij vaststelt wat volgt: IX-10.606-10/15 “Het toekennen van punten, wat gelinkt is met een eventuele regimewijzi- ging, is bovendien een bevoegdheid die valt onder de verantwoordelijkheid van de directeur. De directie is verantwoordelijk voor celtoewijzing of re- gimewijziging.[…] De beslissing tot toekenning van punten, dat indirect een regimemutatie tot gevolg kan hebben, is bijgevolg een beslissing die door of namens de directeur genomen moet worden.” De beroepscommissie oordeelt aldus op goede grond dat de toe- kenning van punten een beslissing vereist die wordt genomen onder de verantwoor- delijkheid van de directeur. Of de verwerking of de mededeling ervan nu gebeurt op administratief niveau, dan wel uitgaat van en ondertekend is door “de directie”, verhindert niet dat de toekenning van punten aan de directeur moet worden toegeschreven en dus een beslissing is “door of namens” de directeur in de zin van artikel 148, eerste lid, van de basiswet. 14. Kortom, van het in artikel 148 van de basiswet bedoelde klacht- recht zijn niet de klachten uitgesloten tegen geïndividualiseerde beslissingen die de directeur neemt, weliswaar ter uitvoering van een door hemzelf opgestelde al- gemene regeling, al ware deze bindend, maar die niet gericht zijn tegen die alge- mene regeling zelf. Zelfs indien de puntentoekenning een automatisme is eenmaal de in het ‘reglement basisregime’ opgesomde voorwaarden zijn vervuld, blijft dit een geïndividualiseerde beslissing door of namens de directeur zelf over de speci- fieke detentiesituatie van een gedetineerde, zonder dewelke de rechtstoestand van de klager niet wijzigt. Zulke beslissing tot toekenning van punten is voorts te onder- scheiden van de “beslissingen waarvan de directeur zelf slechts de uitvoerder is”, als bedoeld in het eindverslag van de commissie ‘basiswet gevangeniswezen en rechtspositie van gedetineerden’ (Parl.St. Kamer 2000-01, nr. 1076/001, 269), waarmee beslissingen zijn bedoeld die uitgaan van derden, met als voorbeeld “de beslissing die door de onderzoeksrechter [krachtens artikel 20, § 3, 1°, van de wet van 20 juli 1990 ‘betreffende de voorlopige hechtenis’] wordt genomen om het IX-10.606-11/15 bezoek te verbieden van in zijn bevel vermelde personen van buiten de inrichting. In dit geval is de beslissing van de directeur om dit bezoek niet toe te staan niet zijn beslissing”. 15. Het middel, dat uitgaat van de verkeerde premisse dat het klacht- recht, bedoeld in artikel 148, eerste lid, van de basiswet enkel ziet op beslissingen die door of namens de directeur ten aanzien van de gedetineerde worden genomen voor zover deze een discretionaire bevoegdheid inhouden, faalt naar recht. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 16. Verzoekster voert een derde middel aan, genomen uit de schen- ding van artikel 16 van de basiswet. De basiswet verbiedt volgens verzoekster geenszins het inrichtingshoofd van de gevangenis om nadere regels te bepalen in het huishoudelijk reglement omtrent de concrete invulling van het regime. Nu het gunstregime niet nader wordt geregeld in de basiswet doch de basiswet evenmin bepalingen bevat die een dergelijk regime verbieden, is de concrete invulling en tevens regeling van het verkrijgen en verliezen van de gunst van het opengevange- nisregime een materie die mag worden geregeld in het huishoudelijk reglement, op voorwaarde dat dit geen met de basiswet strijdige bepalingen bevat. De beroepscommissie geeft een foutieve interpretatie aan arti- kel 16 van de basiswet door te stellen dat het huishoudelijk reglement geen bepa- lingen mag bevatten die niet geregeld zijn in de basiswet en het huishoudelijk re- glement geen geldige rechtsgrond kan vormen voor bepalingen waarin niet in de basiswet is voorzien. IX-10.606-12/15 Beoordeling 17. Over de grond van de zaak oordeelt de beroepscommissie in de bestreden uitspraak als volgt: “Zoals het inrichtingshoofd aangeeft is de werking van het puntensysteem omschreven in het huishoudelijk reglement van de gevangenis van Leuven Centraal. Art. 16 van de basiswet voorziet het volgende over het huishoudelijk regle- ment: Art. 16. § 1. In iedere gevangenis wordt door het inrichtingshoofd een huishoudelijk reglement opgesteld overeenkomstig de bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen en overeenkomstig de door de minister gegeven instructies. § 2. De huishoudelijke reglementen worden ter goedkeuring aan de minister voorgelegd. § 3. Een exemplaar van het huishoudelijk reglement wordt ter be- schikking gesteld van de gedetineerden. Uit dat artikel vloeit voort dat het huishoudelijk reglement geen bepalingen mag voorzien die niet voorzien zijn in de wet. De basiswet voorziet op geen enkele manier in een systeem van automatische regimemutatie na een tucht- inbreuk. De beroepscommissie is dan ook van oordeel, net als de Fransta- lige beroepscommissie[…], dat het huishoudelijk reglement dan ook geen geldige rechtsbasis kan zijn om zulk systeem van automatische regimemu- tatie te voorzien, wanneer dat niet is voorzien door de basiswet. Het is de directie daarentegen wel toegestaan om een ordemaatregel te ne- men omwille van een probleem van orde of veiligheid. In dat geval dient zij echter steeds individueel te motiveren waarom een probleem van orde of veiligheid bestaat. Men kan niet slechts verwijzen naar een passage in het huishoudelijk reglement. In dat geval is er namelijk geen sprake van een individuele motivering van de beslissing conform artikel 8 van de basiswet, waarbij het voor de gedetineerde duidelijk is waarom de ordemaatregel noodzakelijk is ter bewaring van de orde en veiligheid. De beroepscommissie besluit dat de beslissing tot toekenning van punten dan ook vernietigd moet worden, gelet op het gebrek aan wettelijke basis en het gebrek aan individuele motivering.” 18. In het derde cassatiemiddel uit verzoekster kritiek op het motief in de bestreden uitspraak over artikel 16 van de basiswet. 19. Er dient te worden vastgesteld dat de beroepscommissie, na haar motivering over de onwettigheid van het puntensysteem, ook nog tot de onwettig- heid van de voor haar bestreden beslissing besluit wegens het gebrek aan “een IX-10.606-13/15 individuele motivering van de beslissing conform artikel 8 van de basiswet”. De beroepscommissie oordeelt “dat de beslissing tot toekenning van punten dan ook vernietigd moet worden, gelet op het gebrek aan wettelijke basis en het gebrek aan individuele motivering”. Verzoekster voert geen enkel cassatiemiddel aan tegen dit motief van de bestreden uitspraak. 20. Het derde cassatiemiddel levert aldus kritiek op een motief in de bestreden beslissing dat niet tot nietigverklaring kan leiden, omdat de bestreden beslissing dan nog steeds op een geldig motief zal steunen, zijnde het motief dat niet is aangevochten met een cassatiemiddel. De eventuele omstandigheid dat het derde cassatiemiddel gegrond zou zijn, kan dus geen afbreuk doen aan de wettig- heid van de vernietiging van de beslissing van verzoekster, waartoe de beroeps- commissie is overgegaan in het beschikkend gedeelte van de bestreden uitspraak. 21. Het derde middel is niet ontvankelijk. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechts- plegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende par- tij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verwerende partij niet bekendgemaakt. IX-10.606-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zestien december tweeduizend vijfentwin- tig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.606-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.203 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.