← België

Arrest 265205 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 16/12/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.205 Rolnummer: A. 244253/IX-10629 Zaak: Arrest 265205 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 16/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-15 Raadplegingen: 212 - laatst gezien 2026-06-18 06:17 Fiche Arrest nr 265.205 van 16 december 2025 Onderwijs en cultuur - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 265.205 van 16 december 2025 in de zaak A. 244.253/IX-10.629 In zake: XXX tegen: de VRIJE UNIVERSITEIT BRUSSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kristof Caluwaert en Mauro Gisgand kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 4 maart 2025, strekt tot de nie- tigverklaring van arrest nr. RSTVB-2425-0535 van de Raad voor betwistingen in- zake studievoortgangsbeslissingen van 31 januari
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Bij beschikking nr. 16.229 van 3 april 2025 is het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. IX-10.629-1/20 De verzoekende partij heeft gevraagd dat de procedure wordt voortgezet. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 december
  4. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. De verzoekende partij en advocaat Kamille Kiebert, die loco ad- vocaten Kristof Caluwaert en Mauro Gisgand verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. De feiten, zoals die blijken uit het arrest van de Raad voor be- twistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, kunnen als volgt worden samen- gevat. Verzoeker is in het academiejaar 2023-2024 ingeschreven in de opleiding ‘Educatieve master of Science in de talen’ aan de Vrije Universiteit Brus- sel. Aan die inschrijving heeft de onderwijsinstelling bindende voorwaarden ver- bonden. IX-10.629-2/20 Op 18 maart 2024 beslist de voorzitter van het Multidisciplinair Instituut Lerarenopleiding tot de stopzetting van verzoekers stage in het kader van het opleidingsonderdeel ‘Professioneel leraarschap’. Op beroep van verzoeker be- vestigt de beroepsinstantie van de verwerende partij deze beslissing op 19 april
  7. Een beroep van verzoeker tegen die beslissing wordt verworpen door de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen op 25 september 2024 bij arrest nr. RSTVB-2425-
  8. Omdat verzoeker de bindende voorwaarden niet heeft gehaald op het einde van het academiejaar 2023-2024, wordt hem een maatregel van stu- dievoortgangsbewaking opgelegd: - de eerstvolgende inschrijving voor dezelfde opleiding, evenals voor opleidings- onderdelen ervan onder welk contracttype ook, wordt geweigerd; - bij de eerstvolgende inschrijving in een andere opleiding binnen hetzelfde studie- gebied aan de hogeronderwijsinstelling wordt verzoeker een bindende voorwaarde opgelegd. Verzoeker stelt op 21 september 2024 tegen deze beslissing een administratief beroep in bij de beroepsinstantie van de verwerende partij. Die be- roepsinstantie verklaart het beroep op 21 oktober 2024 ongegrond. Verzoeker stelt bij de Raad voor betwistingen inzake studie- voortgangsbeslissingen een beroep in tegen de voormelde beslissing van de be- roepsinstantie van 21 oktober
  9. Met het thans bestreden arrest nr. RSTVB- 2425-0535 van 31 januari 2025 verwerpt de Raad voor betwistingen inzake studie- voortgangsbeslissingen dat beroep. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  10. Met een verzoekschrift van 24 februari 2025 vordert verzoeker de nietigverklaring van arrest nr. RSTVB-2425-0535 van 31 januari 2025 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. Op 4 maart 2025, IX-10.629-3/20 nog binnen de beroepstermijn, dient hij een “verbeterde versie” van het verzoek- schrift in, waarmee verzoeker geacht moet worden impliciet te verzaken aan zijn eerste verzoekschrift. Het beroep wordt beoordeeld aan de hand van de “verbeterde versie” van het verzoekschrift. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  11. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 15 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ iuncto artikel 149 van de Grond- wet en “het algemeen rechtsbeginsel ‘non bis in idem’”. Verzoeker licht toe dat de Raad voor betwistingen inzake studie- voortgangsbeslissingen in zijn arrest stelt dat hij niet dient te antwoorden op mid- delen ontwikkeld in de wederantwoordnota, behalve wanneer de grondslag ervan pas later aan het licht is kunnen komen of wanneer dergelijk middel de openbare orde raakt. Volgens verzoeker heeft hij in zijn wederantwoordnota het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem, dat de openbare orde raakt en minstens voortvloeit uit artikel 14.7 IVBPR en artikel 4.1 van het zevende protocol bij het EVRM, aan- gehaald. Subsidiair stelt hij dit argument reeds in zijn initiële verzoekschrift aan de Raad te hebben aangevoerd en hij citeert hiertoe een passage uit dat verzoekschrift. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen heeft in het arrest nagelaten te antwoorden op dit middel en als logische consequentie ontbreekt dan ook iedere motivering in verband met dit middel, hetgeen een schending is van artikel 149 van de Grondwet. IX-10.629-4/20 Beoordeling
  12. Verzoeker zet niet uiteen op welke wijze het bestreden arrest een schending inhoudt van artikel 15 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechts- colleges’, zodat het middel in die mate niet ontvankelijk is.
  13. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die reden- geving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet is nageleefd is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er daarom nog geen sprake van een motiveringsgebrek.
  14. Volgens verzoeker heeft de Raad voor betwistingen inzake stu- dievoortgangsbeslissingen nagelaten te antwoorden op de aangevoerde schending van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem. In het bestreden arrest van de Raad voor betwistingen inzake stu- dievoortgangsbeslissingen staat te lezen: “Om ontvankelijk te zijn, moet een middel evenwel in het inleidend ver- zoekschrift ontwikkeld worden (artikel 15, tweede lid Procedurebesluit), behalve wanneer de grondslag ervan pas later aan het licht is kunnen komen of wanneer het de openbare orde raakt. In een wederantwoordnota mag dus geen nieuw middel uiteengezet worden. De verzoekende partij werpt voor het eerst in haar wederantwoordnota mid- delen op over: - de schending van ‘ne bis in idem’ […], - […]. IX-10.629-5/20 De argumentatie van verzoekende partij in haar wederantwoordnota heeft enerzijds betrekking op de wijze waarop het intern beroep werd behandeld en raakt anderzijds de openbare orde niet. Deze middelen, die voor het eerst in de wederantwoordnota zijn uiteenge- zet, vallen dus niet onder één van de uitzonderingen. Ze kunnen daarom niet in het debat betrokken worden.” De Raad heeft dit middel op duidelijke en ondubbelzinnige wijze beantwoord. Het is niet tegenstrijdig om eerst op algemene wijze uiteen te zetten wanneer een middel aangevoerd in de wederantwoordnota op ontvankelijke wijze kan worden ontwikkeld en vervolgens vast te stellen dat in casu niet is voldaan aan de uitzonderingen. Of de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin- gen al dan niet terecht heeft gesteld dat het middel niet de openbare orde raakt en dat het middel voor het eerst in de wederantwoordnota is uiteengezet, is vreemd aan de vraag of de Raad heeft voldaan aan zijn jurisdictionele motiveringsplicht.
  15. Het eerste middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  16. Het tweede middel van verzoeker is genomen uit de schending van het proportionaliteitsbeginsel. Verzoeker zet uiteen dat hij op 25 september 2024 werd uitge- sloten van een stage door de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbe- slissingen in zijn arrest nr. RSTVB-2425-0097 door de communicatie die hij han- teerde op zijn stageplek. Conform artikel II.246, § 9, van de Codex Hoger Onder- wijs (“CHO”) leidde die vroegtijdige beëindiging van het opleidingsonderdeel ‘Professioneel leraarschap’ ertoe dat hij automatisch werd uitgesloten van beide examenkansen voor het academiejaar 2023-2024, waardoor hij redelijkerwijze IX-10.629-6/20 geen studierendement meer kon boeken voor dat opleidingsonderdeel, met als rechtstreeks gevolg dat hij het rendementsvereiste van 75% – zijnde de bindende voorwaarde die hem in het begin van het academiejaar 2023-2024 werd opgelegd – niet meer kon behalen. Door niet te voldoen aan die bindende voorwaarde is hem op 14 september 2024 de proclamatiecode ‘inschrijving niet toegelaten’ toegekend, hetgeen een weigering tot herinschrijving gedurende zes academiejaren inhoudt. Volgens verzoeker nam de Raad voor betwistingen inzake stu- dievoortgangsbeslissingen voormelde maatregel met het voornaamste argument dat hij geen enkele overmachtssituatie kon voorleggen die het niet-behalen van de 75%-drempel zou kunnen legitimeren. Dit betekent dat de feitelijke overmachtssi- tuatie of de bijzondere individuele omstandigheden waarin verzoeker verkeerde in het academiejaar 2023-2024, namelijk het eigenlijke verbod om examens af te leg- gen als gevolg van een stage-uitsluiting, hardnekkig werden miskend. Bijgevolg heeft de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen de over- machtssituatie van verzoeker niet op een redelijke wijze toegepast. Verzoeker besluit dat de stage-uitsluiting onmiddellijk en onver- mijdelijk een herinschrijvingsweigering voor de komende zes academiejaren als gevolg had, hetgeen thans kan worden aangemerkt als een dubbel uitsluitingsme- chanisme. Dit buitensporig gevolg, dat buiten de controle van verzoeker ligt en aldus een overmachtssituatie of minstens een bijzondere individuele omstandig- heid vormt, schendt de principes van de proportionaliteit.
  17. In de memorie van wederantwoord laat verzoeker gelden dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen geen beoordeling heeft gegeven van het middel van de proportionaliteit dat in zijn extern beroep is opgeworpen, hetgeen neerkomt op een schending van de motiveringsplicht, zoals vereist door artikel 149 van de Grondwet. Vervolgens merkt verzoeker op dat in het bestreden arrest geen enkele feitelijke of concrete toelichting wordt geboden van de zogenaamde IX-10.629-7/20 “handelingen” die aan de stage-uitsluiting ten grondslag lagen van het arrest van 25 september
  18. Aangezien diezelfde handelingen evenwel als dragende motie- ven dan wel als uitgangspunt worden aangewend ter onderbouwing van de nieuwe studievoortgangsmaatregel in het bestreden arrest, wordt hiermee de motiverings- plicht miskend zoals vereist krachtens artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘be- treffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’. Verzoeker merkt ook op dat ‘inschrijving niet toegelaten’ geen op zichzelf staande maatregel is, maar wel een direct gevolg van de stage-uit- sluiting zoals de interne beroepscommissie zelf aangeeft en op zichzelf een situatie van overmacht of bijzondere omstandigheid uitmaakt, buiten het bereik van de stu- dent, aangezien het hier gaat om een “streng gevolg” en dus “een gebeurtenis die niets van doen heeft met de verzoekende partij en die niet voorzien, verhinderd of overwonnen kon worden”. Beoordeling
  19. Voor zover verzoeker in de memorie van wederantwoord voor het eerst een schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet en van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- lingen’, is dit middel laattijdig en, bijgevolg, niet ontvankelijk.
  20. Overeenkomstig artikel II.246, § 6, CHO mag een hogeronder- wijsinstelling afwijken van het weigeren van een inschrijving van een student, in- dien een student overmacht of bijzondere omstandigheden kan aantonen. Voor zover verzoeker aanvoert dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen een maatregel ‘weigering tot herinschrijving’ heeft genomen, miskent hij de bevoegdheid van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. De Raad stelt in het bestreden arrest zijn bevoegd- heid immers niet in de plaats van deze van de onderwijsinstelling, maar beoordeelt IX-10.629-8/20 enkel of de beslissing van de interne beroepsinstantie wettig en in overeenstem- ming met de beginselen van behoorlijk bestuur is. Voor zover het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  21. In het bestreden arrest oordeelt de Raad voor betwistingen in- zake studievoortgangsbeslissingen over de overmacht of bijzondere individuele omstandigheden als volgt: “Vervolgens kan de hogeronderwijsinstelling afwijken van het weigeren van een inschrijving van een student, indien een student overmacht of bij- zondere individuele omstandigheden kan aantonen (artikel II.246, § 6 CHO). De verzoekende partij roept in haar intern beroepschrift als bijzondere om- standigheid in dat ze nooit de mogelijkheid heeft gekregen om het vak ‘Pro- fessioneel Leraarschap’ af te leggen of de stage te voltooien. In de bestreden beslissing reageert de interne beroepsinstantie daarop dat de verzoekende partij geen objectieve elementen aanbrengt als bijzondere omstandigheden. Ze meent dat de ongepaste communicatie die tot de stopzetting van de stag[e] geleid heeft, niet ingeroepen kan worden als een uitzonderlijke om- standigheid in het voordeel van de student. De Raad beoordeelt de beslissing van de interne beroepsinstantie op dat punt niet als onredelijk. De Raad kan de verzoekende partij dan ook niet volgen, wanneer ze in de procedure bij de Raad stelt dat ze niet verantwoordelijk is voor het niet behalen van de bindende voorwaarde, maar dat het om een overmachtssi- tuatie gaat en dat de omstandigheden die geleid hebben tot het stopzetten van de stage, uitzonderlijk zijn. Overmacht is immers ‘een gebeurtenis die niets van doen heeft met de ver- zoekende partij en die niet voorzien, verhinderd of overwonnen kon wor- den’ […]. Maar ook bijzondere omstandigheden, wat ruimer is dan overmacht, hou- den in dat de te beperkte studievoortgang veroorzaakt werd door redenen die buiten de student zelf lagen. In dit geval is de uitsluiting voor het opleidingsonderdeel ‘Professioneel Leraarschap’ evenwel het gevolg van de stopzetting van de stage, die op zijn beurt het gevolg is van de handelingen van de student zelf, waarvan de Raad in zijn verwerpingsarrest van 25 september 2024 heeft gesteld dat de conclusie van de interne beroepsinstantie daarover niet onredelijk is. De interne beroepsinstantie kan dan ook redelijk stellen dat deze handelin- gen alleen de verzoekende partij toegerekend kunnen worden. IX-10.629-9/20 Opnieuw ziet de Raad geen reden waarom de interne beroepsinstantie daar- bij niet zou mogen verwijzen naar het arrest van 25 september
  22. Bo- vendien eerbiedigt de interne beroepsinstantie met deze motivering het ge- zag van gewijsde van dat arrest. Samenvattend beoordeelt de Raad daarom dat de interne beroepsbeslissing om de inschrijving van de verzoekende partij te weigeren dan ook niet on- zorgvuldig tot stand gekomen, noch onredelijk is. Het middel wordt verworpen.” 15.
  23. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen is, als administratief rechtscollege, niet onderworpen aan het proportionaliteitsbe- ginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Het middel kan echter zo worden opgevat, dat verzoeker aan de Raad verwijt het begrip ‘overmacht’ te miskennen. 15.
  24. Door overmacht te beoordelen als “een gebeurtenis die niets van doen heeft met de verzoekende partij en die niet voorzien, verhinderd of overwon- nen kon worden” en bijzondere omstandigheden als “redenen die buiten de student zelf lagen”, miskent de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin- gen geenszins de draagwijdte van deze begrippen.
  25. Als cassatierechter mag de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf treden. De Raad van State kan dan ook niet opnieuw beoordelen of de door verzoeker in het middel aangehaalde feitelijke gegevens als overmacht kwalificeren. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen oor- deelt onaantastbaar of de aangevoerde feiten en omstandigheden een geval van overmacht uitmaken. De Raad van State gaat als cassatierechter enkel na of de bodemrechter uit de feiten en omstandigheden die hij in aanmerking neemt, wettig overmacht heeft kunnen afleiden of het bestaan van overmacht wettig heeft kunnen verwerpen. Met de bewering dat de Raad voor betwistingen inzake studievoort- gangsbeslissingen de overmachtssituatie van verzoeker “niet op een redelijke wijze [heeft] toegepast” wegens het “buitensporige gevolg” ervan, toont verzoeker dit laatste alleszins niet aan. IX-10.629-10/20
  26. Het middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  27. Het derde middel is genomen uit de schending van het zorgvul- digheidsbeginsel. Aangezien de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangs- beslissingen geen enkel psychologisch onderzoek heeft verricht middels wettelijk erkende deskundigen naar de toerekenbaarheid van de gedragsproblemen van ver- zoeker, berust zijn redenering over de toerekenbaarheid van de communicatiepro- blemen aan verzoeker op een geheel ongefundeerde en ongeldige grondslag die door de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen niet zomaar kan worden uitgesproken in een arrest. In het bestreden arrest ontbreekt elk wette- lijk bewijselement, zoals een deskundigenrapport, dat als valide juridisch element kan dienen om de aansprakelijkheid van verzoeker voor zijn gedragsproblemen tijdens zijn spaak gelopen stage aan te tonen. Met zijn ongefundeerde uitspraak heeft de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen derhalve het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Beoordeling
  28. Het zorgvuldigheidsbeginsel is als algemeen beginsel van be- hoorlijk bestuur niet van toepassing op de uitspraken van een administratief rechts- college.
  29. Het middel is onontvankelijk. IX-10.629-11/20 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  30. In een vierde middel voert verzoeker de schending aan van de motiveringsplicht bedoeld in artikel II.246, § 5, CHO. Verzoeker citeert deze bepaling en de passage uit zijn verzoek- schrift aan de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen waaruit blijkt dat hij deze motivering al expliciet had gevraagd. Hij wijst op zijn academi- sche prestaties in het academiejaar 2023-2024 en op het feit dat hij zich in de af- rondende fase bevindt van zijn masteropleiding en enkel nog een laatste stage en zijn masterproef moet voltooien. De Raad voor betwistingen inzake studievoort- gangsbeslissingen heeft nagelaten te motiveren waarom een toekomstige inschrij- ving geen positief resultaat zou opleveren, terwijl verzoeker niet werd geweigerd omwille van ondermaatse academische prestaties, maar louter als gevolg van de stage-uitsluiting wegens persoonlijkheidsproblemen die zich voordeden tijdens één welbepaalde stage.
  31. In de memorie van wederantwoord geeft verzoeker uitvoerig be- schouwingen bij het systeem van bindende voorwaarden. Die bezwaren tonen vol- gens hem onmiskenbaar aan dat hij aanspraak kan maken op de stringente motive- ringsplicht conform artikel II.246, § 5, CHO. Hij concludeert dat het bestreden ar- rest niet voldoet aan de motiveringsplicht zoals vereist krachtens artikel 149 van de Grondwet aangezien nergens op verifieerbare wijze wordt uiteengezet waarom een volgende inschrijving voor de lerarenopleiding aan de VUB geen kans op een positief resultaat zou bieden. Deze motivering is tevens vereist op grond van artikel II.246, § 5, CHO. IX-10.629-12/20 Beoordeling
  32. Artikel II.246, § 5, CHO luidt: “Als uit de gegevens van het individueel dossier van een student blijkt dat een volgende inschrijving in het hoger onderwijs geen positief resultaat zal opleveren kan een instelling de inschrijving van de student op gemotiveerde wijze weigeren.”
  33. Artikel II.246, § 5, CHO legt een motiveringsplicht op aan de onderwijsinstelling en is niet van toepassing op de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. In zoverre verzoeker in deze bepaling een motive- ringsplicht leest die de bodemrechter bij zijn uitspraak moet naleven, faalt het mid- del naar recht.
  34. De schending van artikel 149 van de Grondwet voert verzoeker in dit middel voor het eerst aan in de memorie van wederantwoord, wat laattijdig en dus onontvankelijk is.
  35. Het middel wordt verworpen. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
  36. Het vijfde middel is genomen uit “de schending van de motive- ringsplicht van artikel II.246 § 9 (CHO) en de daarbij horende expliciete parlemen- taire voorbereiding”. Volgens verzoeker liet de Raad voor betwistingen inzake studie- voortgangsbeslissingen in zijn arrest van 25 september 2024 optekenen dat per- soonlijkheidsproblemen tijdens een opleidingsonderdeel zoals een stage enkel on- derworpen kunnen worden aan een studievoortgangsmaatregel die decretaal kan leiden tot een vroegtijdige stopzetting van een stage, maar zeker niet tot een ab IX-10.629-13/20 initio herinschrijvingsweigering. Verzoeker citeert de parlementaire voorbereiding van artikel II.246, § 9, CHO. Hij argumenteert dat de beslissing van de Raad om hem de voort- zetting van zijn algehele academische carrière in de lerarenopleiding te ontzeggen door hem voor de zes volgende academiejaren de inschrijving ab initio te weigeren, op basis van handelingen die het gevolg zijn van persoonlijkheidsproblemen die zich uitsluitend hebben voorgedaan tijdens één stage, een fundamenteel spannings- veld creëert tussen de Vlaamse decretale bepalingen en de motivering van de be- streden beslissing. Hoewel de parlementaire voorbereiding bij het ontwerpdecreet driemaal uitvoerig werd aangehaald, werd dit argument door de Raad niet adequaat behandeld, dan wel slechts oppervlakkig vermeld in het bestreden arrest, waardoor een kennelijke leemte ontstaat. Beoordeling
  37. Artikel II.246, § 9, CHO luidt: “De instelling kan in bijzondere gevallen en op objectieve gronden de stage of een ander praktisch opleidingsonderdeel vroegtijdig beëindigen, als een student door zijn gedragingen blijk heeft gegeven van ongeschiktheid voor de uitoefening van een beroep waartoe de opleiding die hij volgt, hem op- leidt. De student van wie de stage of het praktische opleidingsonderdeel met toe- passing van het eerste lid is beëindigd, heeft geen recht op een tweede exa- menkans als vermeld in artikel II.
  38. De beslissing om de stage of praktisch opleidingsonderdeel vroegtijdig te beëindigen, wordt omstandig gemotiveerd.”
  39. Het bestreden arrest heeft een maatregel van studievoortgangs- bewaking houdende, onder meer, weigering tot herinschrijving tot voorwerp en niet een vroegtijdige beëindiging van een stage. In zoverre verzoeker kritiek levert op die maatregel of op een ander arrest van de Raad voor betwistingen inzake stu- dievoortgangsbeslissingen dat daarop betrekking heeft, is het middel niet ontvan- kelijk. Bovendien richten artikel II.246, § 9, CHO en de daarin opgenomen moti- veringsplicht zich tot de onderwijsinstelling en niet tot de Raad voor betwistingen IX-10.629-14/20 inzake studievoortgangsbeslissingen. In zoverre is het middel evenmin ontvanke- lijk.
  40. Luidens artikel 14, § 2, RvS-Wet doet de Raad van State uit- spraak, bij wijze van arresten, over de cassatieberoepen ingesteld tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. De parlementaire voorbereiding van een decreet is noch een ‘wet’, noch een substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm als bedoeld in dat artikel. In zoverre verzoeker in het middel de schending aanvoert van de parlementaire voorbereiding van een decretale bepaling, is het middel niet ontvan- kelijk.
  41. Het middel faalt. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel
  42. Het zesde middel is genomen uit de schending van het “ultra vi- res beginsel”. De maatregel van de Raad voor betwistingen inzake studievoort- gangsbeslissingen, zijnde de inschrijvingsweigering op basis van persoonlijkheids- kenmerken, druist volgens verzoeker volledig in tegen de “Vlaamse parlementaire rechtsnormen”. IX-10.629-15/20 De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen beschikt voorts niet over de discretionaire bevoegdheid om eigenhandig, zonder wettelijk deskundigenrapport, te oordelen over de toerekenbaarheid van persoon- lijkheidsproblemen van studenten om deze als gevolg hiervan ab inito te weigeren voor hun opleiding. Bovendien voorziet het Vlaamse Onderwijsdecreet XXIV ner- gens erin dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen een eerdere uitspraak kan herzien of na een eerdere uitspraak op latere datum een nieuwe, bijkomende studievoortgangsmaatregel kan opleggen op basis van iden- tieke feiten. Beoordeling
  43. Zoals hiervóór al is opgemerkt, vergist verzoeker zich in zoverre hij aanneemt dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen hem een maatregel oplegt of “zelf [oordeelt] over de toerekeningsvatbaarheid van persoonlijkheidsproblemen van studenten”.
  44. Door na te gaan of de beroepen beslissing van de onderwijsin- stelling wettig is en in overeenstemming met de algemene beginselen van behoor- lijk bestuur, overschrijdt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbe- slissingen niet de hem door de decreetgever opgedragen bevoegdheid.
  45. Dat een rechterlijke beslissing mogelijk in strijd is met “Vlaamse parlementaire rechtsnormen” – daargelaten nog dat verzoeker deze niet aanwijst en blijkens zijn citaat in de toelichting alweer enkel alludeert op parlementaire voor- bereidingen – betekent niet dat die rechter zijn bevoegdheid te buiten gaat.
  46. Het middel wordt verworpen. IX-10.629-16/20 G. Zevende middel Uiteenzetting van het middel
  47. Het zevende middel is genomen uit de schending van “het fina- liteitsbeginsel”. Het finaliteitsbeginsel, aldus verzoeker, “vereist dat een eerdere uitspraak, die niet is aangevochten in cassatie en bijgevolg uitvoerbaar is, bindend blijft en niet door een latere beslissing van diezelfde instantie kan worden door- kruist”. Volgens verzoeker wordt door de tweede uitspraak van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, waarbij hem een inschrij- vingsweigering wordt opgelegd voor zes academiejaren op basis van dezelfde fei- ten die reeds aanleiding gaven tot de stage-uitsluiting van de eerste uitspraak van 25 september 2024, het finaliteitsbeginsel geschonden. Dit beginsel is volgens ver- zoeker vastgelegd in hoofdstuk IV van het Gerechtelijk Wetboek, meer bepaald in de artikelen 23 tot en met 28 GerW.
  48. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker bij wijze van “erratum” dat dit middel is genomen uit de schending van het gezag van gewijsde. Hij zet ook op uitvoerige wijze uiteen waarom de uitleg die de verwerende partij koppelt aan het gezag van gewijsde niet alleen juridisch onhoud- baar is, maar ook misleidend en in strijd met de artikelen 23 tot 28 GerW. In het arrest van 25 september 2024 stelde de Raad voor betwis- tingen inzake studievoortgangsbeslissingen louter de aanwezigheid vast van stage- gerelateerde communicatieproblemen, zonder enige toerekening van schuld of ver- wijtbaarheid, noch impliciet noch expliciet, aan verzoeker. In het thans bestreden arrest sluit de Raad ten onrechte het overmachtsbegrip en bijzondere IX-10.629-17/20 omstandigheden uit. Verzoeker stelt daarom vast dat de Raad zich niet beperkt heeft tot een feitelijke toetsing van de wettigheid van de studievoortgangsmaatre- gel, maar zich impliciet heeft uitgelaten over persoonsgebonden attitudeaspecten zonder deskundige onderbouwing, hetgeen dreigt te vervallen in een beoordeling van ethische of psychologische aard die buiten zijn wettelijke opdracht valt. Der- gelijke ongefundeerde en ongemotiveerde ultra vires-herbeoordeling van een ge- dragsprobleem impliceert een onrechtmatige revisie van een definitief geworden vaststelling en houdt dus een zware schending in van het gezag van gewijsde van het arrest van 25 september
  49. Verzoeker besluit: “De RSTVB heeft het gezag van gewijsde van het eerste arrest RSTVB- 2425-0097 op tweeërlei wijze geschonden. Aan de ene kant heeft hij in het tweede arrest RSTVB-2425-0535 zonder enige nieuwe feitelijke grondslag toegestaan dat dezelfde gedragingen aanleiding konden geven tot afwij- kende en disproportionele rechtsgevolgen, waardoor het eerste arrest ipso facto in een tweede kon uitmonden. Aan de andere kant heeft de RSTVB zonder feitelijke onderbouwing of juridische motivering de objectieve vast- stelling uit het eerste arrest gewijzigd door in het tweede arrest plots te oor- delen dat de gedragingen tijdens de stage, welke in het eerdere arrest ob- jectief en zonder schuld- of verwijttoerekening waren vastgesteld, thans ‘voorzien, verhinderd of overwonnen’ hadden kunnen worden, waardoor het toepasselijke overmachtsbegrip en de mogelijkheid van ontoereke- ningsvatbaarheid zonder wettelijk of deskundig bewijs ten onrechte worden uitgesloten. Beide procedurele handelingen vormen een flagrante schending van de eer- biediging van het gezag van gewijsde van arrest RSTVB-2425-0097 en on- dermijnen fundamenteel de rechtszekerheid die door het eerste arrest diende te worden gewaarborgd door de RSTVB.” Beoordeling
  50. Daargelaten dat de Raad van State geen “finaliteitsbeginsel” als algemeen rechtsbeginsel bekend is, hebben de artikelen 23 tot 28 GerW betrekking op het gezag van gewijsde.
  51. In het arrest van 25 september 2024 doet de Raad voor betwis- tingen inzake studievoortgangsbeslissingen uitspraak over een beroep tegen een beslissing van de interne beroepsinstantie van de verwerende partij van 19 april 2024 over een studievoortgangsbeslissing van 18 maart 2024 waarbij de stage van IX-10.629-18/20 verzoeker wordt stopgezet wegens ongeschiktheid voor de uitoefening van het be- roep. Het thans bestreden arrest heeft een ander voorwerp: het doet uitspraak over een beslissing van de beroepsinstantie van 21 oktober 2024 met be- trekking tot een studievoortgangsbeslissing houdende bindende voorwaarden en het spreekt zich niet uit over de studievoortgangsbeslissing van 18 maart
  52. Het gezag van gewijsde van een rechterlijke uitspraak kan in beginsel niet worden ge- schonden door het rechtscollege zelf dat de uitspraak heeft gedaan en dat nadien uitspraak moet doen in een ander geschil, zelfs tussen dezelfde partijen, over een ander voorwerp. In het inleidend verzoekschrift verzuimt verzoeker daarenboven om toe te lichten hoe dit arrest het gezag van gewijsde van het eerste arrest schendt. Hij kan dit hoe dan ook niet op ontvankelijke wijze verhelpen in de memorie van wederantwoord.
  53. Het middel is onontvankelijk. BESLISSING
  54. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  55. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  56. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.629-19/20 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zestien december tweeduizend vijfentwin- tig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.629-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.205 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.