← België

Arrest 265207 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 16/12/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.207 Rolnummer: A. 242483/X-18762 Zaak: Arrest 265207 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 16/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-16 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-15 09:55 Fiche Arrest nr 265.207 van 16 december 2025 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 265.207 van 16 december 2025 in de zaak A. 242.483/X-18.762 In zake : de STAD XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonas De Wit kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Joost Hoste kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 15 juli 2024, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de gouverneur van de provincie XXXX van 17 mei 2024 ‘tot vernietiging van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van XXXX van 4 maart 2024 tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst van een contractueel personeelslid mits uitbetaling van een verbrekingsvergoeding’. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. X-18.762-1/13 Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 oktober
  3. Staatsraad David D’Hooghe heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthias Boydens, die loco advocaat Jonas De Wit verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Caroline Cleynen, die loco advocaten Bart Staelens en Joost Hoste verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Het sinds 1 december 2022 aangestelde waarnemend afdelingshoofd omgeving (hierna: het betrokken personeelslid), is bij de verzoekende partij in dienst sinds 1 augustus 2020 en dit op basis van een contract van onbepaalde duur van 6 juli
  6. 3.
  7. Op 26 februari 2024 neemt het college van burgemeester en schepenen kennis van een aantal opeenvolgende professionele fouten die mogelijks X-18.762-2/13 voldoende zwaar zijn om over te gaan tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van het betrokken personeelslid. Verwezen wordt naar de volgende “professionele fouten”: “ • niet de correcte procedure gevolgd wat betreft ‘openbaarheid van bestuur’ • de vraag niet geregistreerd in het register van de inkomende post • het document niet opgeslagen in de GIS informatieplatform voor intern gebruik; • de naam van de eigenaar van het pand expliciet opgenomen in het document is een inbreuk op de wet op de privacy; Overwegende dat door het ontbreken van het afgeleverde document in het eigen informatiesysteem (GIS) het document ‘vergunningstoestand [S.]straat 14’ bijkomend diende te worden opgevraagd bij de raadsman; Overwegende de vaststelling dat, zoals gesteld, de omgevingsambtenaar meer concreet hiernavolgende opeenvolgende professionele fouten heeft gemaakt, meer bepaald: • geen registratie van een inkomend poststuk dat duidelijk van een formele aard was, • geen opmaak van een beslissing openbaarheid van bestuur volgens de desbetreffende wetgeving en ondanks de uitdrukkelijke vraag daartoe van de betrokken schepen/advocaat, • geen opname van het document ‘vergunningstoestand [S.]straat 14’ in het informatieplatform van het GIS, • het afleveren van een ongetekend document en waarbij de bevoegdheidsvraag inzake handtekeningsbevoegdheid in toepassing van het decreet lokaal bestuur zich stelt, • het document is niet louter een objectieve weergave van de vergunde toestand maar geeft bijkomend een appreciatie aan de desgevallend aanwezige stedenbouwkundige inbreuken; • het document werd onvoldoende accuraat opgesteld: - de historiek blijkt onvolledig °de vergunning 202000043 voor het vellen van 5 bomen op het perceel met de vijver werd niet vermeld °De aangehaalde melding met nr. 202000084 moet 202100084 zijn - In de derde alinea van hoofdstuk 3 (duiding vergunningen) wordt aangehaald dat er om een kadastrale schets werd gevraagd om duidelijkheid te scheppen over de vergunningstoestand op het terrein. Dit in het dossier van 2020 voor het aanleggen van een zwembad. Dit is een foutieve werkwijze in die zin dat een vergunning nooit mag dienen om te handhaven. Voor zover er dus geen werken aan het bijgebouw werden aangevraagd, is de vergunningstoestand ervan irrelevant voor het beoordelen van de aanvraag van het zwembad X-18.762-3/13 - In de vierde alinea wordt verwezen naar ‘strikte voorwaarden’ die werden opgenomen in de aktename
  8. Er werden evenwel geen voorwaarden opgenomen in die aktename. • inbreuk op de wet op de privacy door het noemen van de eigenaar van het betrokken pand; Overwegende dat het duidelijk mag zijn dat dit stuk nooit op deze manier kon worden afgeleverd aan een advocaat om te worden gebruikt in een gerechtelijke procedure, een doel waarvan de betrokkene op de hoogte was zoals blijkt uit het mailverkeer;” 3.
  9. Het betrokken personeelslid wordt op 4 maart 2024 door het college van burgemeester en schepenen gehoord. Op dezelfde dag beslist het college van burgemeester en schepenen tot verbreking van de arbeidsovereenkomst van het betrokken personeelslid, mits betaling van de wettelijk voorziene verbrekingsvergoeding van 13 weken. Die beslissing steunt onder meer op de volgende motieven: “Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen nu wel beter inzicht heeft in de manier waarop het document is tot stand gekomen, de aanleiding en de bedoelingen van de ambtenaar bij de opmaak en het afleveren ervan aan de bevoegde schepen; Overwegende dat evenwel de aangebrachte argumenten niet van dien aard zijn dat dit de vertrouwensbreuk herstelt en een verdere samenwerking in goed vertrouwen mogelijk maakt en wel om volgende redenen: - betrokkene herhaalt dat de ‘vergetelheid’ van de kapmachtiging geen afbreuk doet aan het onvergund karakter van de kaalkap van het betrokken perceel. Dit geeft duidelijk aan dat er toch nog steeds een ongenuanceerd oordeel aanwezig blijft, zonder enige vorm van reflectie of dieper onderzoek desbetreffend naar de redenen van dit handelen van de eigenaar; - de drukte op de dienst: de dienst werd ondersteund door een externe partner, [M.], en dit zowel met voor het management als voor de projecten enerzijds en met een dossierbeheerder anderzijds, maar dat betrokkene zelf herhaalde keren aangaf dat er geen nood was aan extra externe ondersteuning voor het beheren van dossiers en hij ook naliet dossiers over te dragen. Met andere woorden: het bestuur heeft geld noch middelen gespaard om de dienst van de nodige externe ondersteuning te voorzien; - het niet gebruiken van de procedure van openbaarheid van bestuur eigenlijk net meer werk was voor de betrokken ambtenaar dan indien hij deze weg wel had gevolgd (het werk wordt dan zo goed als integraal X-18.762-4/13 geleverd door de administratieve medewerkers van de dienst, de algemeen directeur en haar secretariaat); - werkdruk kan dan ook door het bestuur maar moeilijk aanvaard worden als argument; - de ambtenaar blijkbaar niet schijnt te weten dat ‘het opmaken’ van […] bestuursdocumenten niet de bedoeling is van het decreet openbaarheid van bestuur doch enkel het verstrekken van afschriften of inzage van ‘bestaande’ bestuursdocumenten. Dit is basiskennis voor een ambtenaar, verantwoordelijk voor de dienst omgeving, de dienst bij uitstek waar dergelijke aanvragen veelvuldig binnen komen; Dit terwijl de procedure uitdrukkelijk te vinden is enerzijds op de website van [de verzoekende partij] en zo voor elke burger op een heldere manier toegankelijk is, als anderzijds op het extranet ten bate van de eigen medewerkers; - hij heeft nagelaten om de procedure na te lezen of de hulp in te roepen van de collega’s, de externe interimmanager, de algemeen directeur of zijn team; Van een medewerker, aangesteld om leiding te geven aan de dienst omgeving en die daar absoluut de ambitie toe had wordt een voorbeeldfunctie verwacht. De vaststelling is echter dat hij op geen enkel ogenblik de reflex tot overleg heeft gehad; - hij eigenlijk de gemaakte fouten in het document ‘vergunningstoestand [S.]straat 14’ ontkent of minimaliseert meer bepaald: • de vergetelheid van de melding van het bestaan van een kapvergunning acht hij irrelevant (dixit: doet geen afbreuk aan het onvergund karakter van de totaalkap van dit perceel’). Voor de eigenaar van het betrok[k]en perceel maakt dit echter een groot verschil; • de in de derde alinea, hoofdstuk 3 poging tot handhaving met betrekking tot de al dan niet vergunde bijgebouwen naar aanleiding van een vergunningsaanvraag voor het aanleggen van een zwembad acht hij irrelevant omdat ze de vergunning eigenlijk niet op die basis hebben ‘geweigerd’, maar dat de vergunning gewoon ‘onontvankelijk’ werd verklaard; Opnieuw negeert hij hier eigenlijk de foutieve aanpak en vindt hij dit toch een correcte manier van werken gezien de ‘courante praktijk die in 99% van de gemeenten zou worden toegepast’; • het vermelden van het feit dat er strikte voorwaarden werden opgenomen in de aktename 202100084 terwijl hier geen voorwaarden in terug te vinden zijn; de lichtheid waarmee hij dan op de hoorzitting dit meent te moeten weerleggen door [t]e zeggen dat ze wel ‘mondeling’ besproken zijn. • Van een inbreuk op de wet op de privacy was volgens hem geen sprake want de naam van de eigenaar was door ‘alle partijen gekend’ en de inbreuken eveneens; We citeren: ‘we zien niet hoe dit dan een inbreuk op de privacy kan zijn?’ Overwegende dat dit laatste element (er is geen inbreuk op de privacy want de naam van de eigenaar was door alle partijen gekend) laat vermoeden dat hij eigenlijk wel degelijk op de hoogte was dat dit stuk bedoeld was om te gebruiken in een gerechtelijke procedure; Hij vindt het duidelijk geen enkel X-18.762-5/13 probleem dat hij de naam van de eigenaar vermeldt in het document op het ogenblik van het afleveren van het document; Overwegende dat dit bovendien de vraag oproept bij het bestuur waarom er dan nog een document ‘vergunningstoestand [S.]straat 14’ diende te worden opgemaakt als alle inbreuken toch voldoende gekend waren? Overwegende dat de hoorzitting voor het bestuur heeft duidelijk gemaakt dat betrokkene zeer weinig last heeft van zelfkritisch inzicht, dat hij niet overziet wat eigenlijk de gevolgen zijn van het niet volgen van een uitgeschreven procedure gestoeld op een decretaal kader, zelfs niet wanneer hier uitdrukkelijk naar gevraagd wordt tijdens de hoorzitting; Overwegende dat tijdens de hoorzitting door betrokkene gevraagd wordt [dat] in de beoordeling zou worden rekening gehouden met zijn onberispelijke staat van dienst; Overwegende dat ook hier die onberispelijkheid toch niet zo helder is nu hij in 2021 een schriftelijke verwittiging heeft gekregen wegens het niet naleven van het reglement ‘variabele arbeidstijd’ en de deontologische code (loyauteit), hem ter kennis gebracht bij schrijven van 21 april 2021 en dit in uitvoering van de beslissing van het college van burgemeester en schepen van 19 april 2021; Overwegende dat het klopt dat er fouten kunnen gemaakt worden en dat er omstandigheden zijn die dergelijke fouten begrijpelijk maken, maar dat op dat ogenblik komen tot schuldbesef en dit gebruiken als een kans om te leren is een absolute voorwaarde om met voldoende vertrouwen de arbeidsrelatie verder te zetten; Dat integendeel in deze hoorzitting van introspectie en zelfkritiek zeer weinig blijk wordt gegeven; Overwegende dat het bestuur er niet kan aan voorbijgaan dat de fouten gemaakt door een omgevingsambtenaar in zijn functie een grote impact kunnen hebben en dat een zelfkritische houding dan ook cruciaal is om op een omzichtige wijze om te gaan met de kracht van de functie die men uitoefent; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen, na deze ambtenaar te hebben gehoord van oordeel is dat de overeenkomst dient te worden verbroken, zij het mits het betalen van een verbrekingsvergoeding;” 3.
  10. Op 4 april 2024 dient een vakbondsconsulent namens het betrokken personeelslid een klacht in bij het Agentschap voor Binnenlands Bestuur. 3.
  11. De gouverneur van de provincie XXXX beslist op 17 mei 2024 tot vernietiging van het voormelde besluit van het college van burgemeester en schepenen van de verzoekende partij van 4 maart 2024 tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dit is de bestreden beslissing. X-18.762-6/13 De motivering luidt: “Verantwoording Uit onderzoek van het dossier blijkt dat de vermelde collegebesluiten van 26 februari 2024 en 4 maart 2024 onduidelijkheden en tegenstrijdigheden bevatten over de gebruikte grondslag voor het ontslag van [het betrokken personeelslid]. In de wettelijke motivering van de collegebesluiten van 26 februari 2024 en 4 maart 2024 wordt verwezen naar artikel 35 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (hierna: ‘WAO’). […] Hoewel beide besluiten verwijzen naar de rechtsgrond voor het ontslag om dringende redenen, melden beide besluiten dat een ontslag om dringende reden niet aan de orde is. Daarnaast wordt een verbrekingsvergoeding aan [het betrokken personeelslid] toegekend, wat niet is vastgelegd door artikel 35 WAO. Het is bijgevolg niet duidelijk op welke grond het bestuur zich baseert om [het betrokken personeelslid] te ontslaan. De toepassing van dit artikel geeft echter wel aan dat het ontslag van [het betrokken personeelslid] gestoeld is op redenen van gedrag. Niettemin motiveert het college in het besluit van 4 maart 2024 dat [het betrokken personeelslid] werd ontslagen door het maken van onder andere volgende professionele fouten: • geen registratie van een inkomend poststuk dat duidelijk van een formele aard was, • geen opmaak van een beslissing openbaarheid van bestuur volgens de desbetreffende wetgeving en ondanks de uitdrukkelijke vraag daartoe van de betrokken schepen/advocaat, • geen opname van het document ‘vergunningstoestand [S.]straat 14 in het informatieplatform van het GIS en dit tegen de interne afspraken terzake; • het afleveren van een ongetekend document en waarbij de bevoegdheidsvraag inzake handtekeningsbevoegdheid in toepassing van het decreet lokaal bestuur zich stelt; • het afgeleverde document is niet louter een objectieve weergave van de vergunde/onvergunde toestand maar geeft bijkomend een appreciatie aan de desgevallend aanwezige stedenbouwkundige inbreuken; • het document werd onvoldoende accuraat opgesteld:- de historiek blijkt onvolledig °de vergunning 202000043 voor het vellen van 5 bomen op het perceel met de vijver werd niet vermeld °De aangehaalde melding met nr. 202000084 moet 202100084 zijn -In de derde alinea van hoofdstuk 3 (duiding vergunningen) wordt aangehaald dat er om een kadastrale schets werd gevraagd om duidelijkheid te scheppen over de vergunningstoestand op het terrein. Dit in het dossier van 2020 voor het aanleggen van een zwembad. Dit is een foutieve werkwijze in die zin dat een vergunning nooit mag dienen om te handhaven. Voor zover er dus geen werken aan het bijgebouw werden aangevraagd, is de X-18.762-7/13 vergunningstoestand ervan irrelevant voor het beoordelen van de aanvraag van het zwembad -In de vierde alinea wordt verwezen naar ‘strikte voorwaarden’ die werden opgenomen in de aktename
  12. Er werden evenwel geen voorwaarden opgenomen in die aktename. • inbreuk op de wet op de privacy door het noemen van de eigenaar van het betrokken pand; • … Voormelde fouten wijzen eerder op een ontslag wegens ontoereikend functioneren i.p.v. een ontslag om redenen van gedrag. Verder stelt het college in de motivering van het besluit van 4 maart 2024 dat deze fouten hebben geleid tot een vertrouwensbreuk met [het betrokken personeelslid], wat weer refereert naar een ontslag om dringende redenen en dus om redenen van gedrag. Bovendien motiveert het college dat de hoorzitting voor het bestuur het duidelijk heeft gemaakt dat [het betrokken personeelslid] weinig zelfkritisch inzicht heeft, dat hij niet overziet wat eigenlijk de gevolgen zijn van het niet volgen van een uitgeschreven procedure gestoeld op een decretaal kader, zelfs niet wanneer hier uitdrukkelijk naar gevraagd wordt tijdens de hoorzitting. Dit laatste suggereert weer een ontslag om redenen van gedrag. Er moet worden geconcludeerd dat het college van burgemeester en schepenen […] in zijn besluit van 4 maart 2024 onduidelijk is over de gebruikte grondslag voor het ontslag van [het betrokken personeelslid], nl. een ontslag om redenen van gedrag[…] dan wel op basis van ontoereikend functioneren. Beide grondslagen hebben echter elk een onderscheiden procedure die moet worden gevolgd vooraleer tot ontslag kan worden overgegaan. […] In voorliggend geval betreft het […] mogelijk wel een ontslag van een contractueel personeelslid op basis van zijn gedrag. Bij een ontslag om redenen van gedrag zijn de tuchtrechtelijke principes van toepassing. Indien het ontslag gestoeld is op redenen van gedrag, heeft het college in zijn besluit van 4 maart 2024 bijgevolg het recht van verdediging geschonden. Het gemeenteraadslid dat ter vervanging van een schepen mee het ontslagbesluit heeft genomen heeft [het betrokken personeelslid] immers niet gehoord doordat hij niet op de hoorzitting aanwezig was. Zoals vermeld, kan hoe dan ook het lezen van het verslag van de hoorzitting niet met de aanwezigheid ter zitting worden gelijkgesteld. […] Bij een ontslag op basis van ontoereikend functioneren, moet het personeelslid voorafgaand aan het ontslag worden geëvalueerd volgens de bepalingen van de plaatselijke rechtspositieregeling. […] Uit het besluit van 4 maart 2024 kan nergens worden afgeleid dat [het betrokken personeelslid] voorafgaand aan zijn ontslag werd geëvalueerd volgens de procedure zoals vastgelegd in artikel 194 van het DLB en artikel 67, §2 van de plaatselijke rechtspositieregeling. Indien het ontslag van [het betrokken personeelslid] gestoeld is op ontoereikend functioneren, heeft het college met zijn besluit van 4 maart X-18.762-8/13 2024 bijgevolg artikel 194, vierde lid van het DLB en artikel 67, §2 van de plaatselijke rechtspositieregeling geschonden. Gelet op het feit dat het college van burgemeester en schepenen onduidelijk is in zijn besluit van 4 maart 2024 over de gebruikte grondslag voor het ontslag van [het betrokken personeelslid] en hierover tegenstrijdigheden bevat, moet een schending van de zorgvuldigheidsplicht worden vastgesteld.” 3.
  13. Het college van burgemeester en schepenen neemt op 10 juni 2024 een herstelbeslissing, waarbij “het reeds op arbeidsrechtelijk gebied betekende ontslag mits betaling van een verbrekingsvergoeding van [het betrokken personeelslid] wordt bevestigd [en] waarbij wordt verduidelijkt dat de redenen om tot beëindiging van de samenwerking over te gaan verband hielden met het gedrag van [het betrokken personeelslid]”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  14. De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van artikel 327 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur (hierna: decreet lokaal bestuur), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel.
  15. De verzoekende partij beklemtoont dat, overeenkomstig artikel 327 van het decreet lokaal bestuur, een beslissing enkel mag worden vernietigd indien deze indruist tegen het recht of tegen het algemeen belang. Volgens de verzoekende partij heeft de verwerende partij in casu onvoldoende rekening gehouden met de stukken van het dossier waaruit duidelijk blijkt dat het ontslag X-18.762-9/13 gesteund is op het gedrag en de houding van betrokkene, en niet (uitsluitend) op basis van de wijze van functioneren van de betrokkene. Beoordeling
  16. Volgens de verzoekende partij houdt de bestreden beslissing, in strijd met artikel 327 van het decreet lokaal bestuur, geen toetsing in aan het recht of aan het algemeen belang. In de bestreden beslissing besluit de verwerende partij tot de schending van de zorgvuldigheidsplicht, om reden dat het college van burgemeester en schepenen in zijn besluit van 4 maart 2024 onduidelijk is over de gebruikte grondslag voor het ontslag van het betrokken personeelslid. Zodoende heeft de verwerende partij een toetsing aan het recht doorgevoerd en geen opportuniteitsoordeel uitgesproken. Er is bijgevolg geen sprake van een schending van artikel 327 van het decreet lokaal bestuur.
  17. Volgens de verzoekende partij wordt in de bestreden beslissing ten onrechte aangenomen dat het ontslagbesluit mogelijk ook verband houdt met motieven inzake het functioneren van het betrokken personeelslid, terwijl nochtans zeer duidelijk wordt vermeld waarom de fouten worden beschouwd als zeer zware fouten die elke verdere professionele samenwerking onmogelijk maken, en dit enkel om redenen van gedrag.
  18. De Raad van State valt dit standpunt niet bij. De bestreden beslissing erkent weliswaar uitdrukkelijk dat het besluit van het college van burgemeester en schepenen verwijst naar redenen die te maken hebben met het gedrag van de betrokkene, maar het bestreden besluit stelt ook vast dat de vermelde fouten eerder wijzen op een ontslag wegens ontoereikend functioneren. X-18.762-10/13 De verzoekende partij overtuigt er niet van dat deze overwegingen onjuist zijn en dat de vermelde fouten, gesteund op het gedrag van de verzoekende partij, niet kunnen kaderen in de beoordeling van de wijze waarop een personeelslid binnen de dienst functioneert. Het is net om reden van deze onduidelijkheid, die ook betrekking heeft op de grondslag voor de beslissing tot ontslag, dat de verwerende partij heeft besloten tot een schending van de zorgvuldigheidsplicht. De verzoekende partij toont niet aan dat de verwerende partij niet op een wettige wijze tot het bestaan van de vermelde onduidelijkheid heeft kunnen besluiten.
  19. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  20. De verzoekende partij voert in een tweede middel de schending aan van de artikelen 32 en 37 van de wet van 3 juli 1978 ‘betreffende de arbeidsovereenkomsten’ (hierna: de arbeidsovereenkomstenwet) en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel. Volgens de verzoekende partij gaat het te dezen duidelijk om een ontslag gestoeld op de artikelen 32 en 37 van de arbeidsovereenkomstenwet, en heeft de bestreden beslissing dan ook ten onrechte aangenomen dat de principes inzake tucht mede van toepassing zijn. Voorts betoogt de verzoekende partij dat de hoorplicht wel degelijk werd geëerbiedigd. X-18.762-11/13 Beoordeling
  21. Het tweede middel gaat eraan voorbij dat de bestreden beslissing van oordeel is dat er onduidelijkheid bestaat over de juiste grondslag voor het ontslag. Meer bepaald wijst de bestreden beslissing er net op dat door de verzoekende partij niet werd aangegeven wat precies de grondslag is voor het ontslag. Nu het eerste middel is verworpen, kan het tweede middel dat enkel de hypothese van ontslag op basis van de arbeidsovereenkomstenwet viseert, niet tot vernietiging leiden.
  22. Het tweede middel wordt verworpen. BESLISSING
  23. De Raad van State verwerpt het beroep.
  24. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  25. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij, het betrokken personeelslid en van de betrokken provincie niet bekendgemaakt. X-18.762-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zestien december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Jan Clement X-18.762-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.207 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.