id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.215 Rolnummer: A. 245694/IX-10728 Zaak: Arrest 265215 - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) - 17/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-31 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-15 09:55 Fiche Arrest nr 265.215 van 17 december 2025 Justitie - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 265.215 van 17 december 2025 in de zaak A. 245.694/IX-10.728 In zake: XXXX tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 13 augustus 2025, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van de directeur-generaal van de Penitentiaire Inrich- tingen van 29 juli 2025 waarbij het bezwaar van verzoeker tegen een beslissing tot plaatsing/overplaatsing onontvankelijk wordt verklaard. Voorts vordert verzoeker het bevelen van voorlopige maatrege- len die er kort samengevat op neerkomen dat de verwerende partij een nieuwe be- slissing dient te nemen, dat de afdeling Bestuursrechtspraak diverse injuncties aan de justitiële rechter en de penitentiaire administratie zou moeten opleggen alsook namens verzoeker bij het Hof van Cassatie procedures zou moeten opstarten over zijn internering of een nieuwe advocaat daarvoor zou laten aanstellen via het Bu- reau voor Juridische Bijstand van de balie. IX-10.728-1/6 II. Verloop van de rechtspleging
- Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 93, eerste lid, van het be- sluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 17, § 4, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 december
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. De verzoekende partij is gehoord. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 25 juni 2024 beslist de strafuitvoeringsrechtbank te Antwer- pen, kamer voor de bescherming van de maatschappij, dat verzoeker, een geïnter- neerde persoon, geplaatst wordt in de afdeling tot bescherming van de maatschap- pij Merksplas, in afwachting van een overplaatsing naar een forensisch psychia- trisch centrum. IX-10.728-2/6 Het cassatieberoep van verzoeker tegen dit vonnis wordt verwor- pen. 3.
- Op 25 juli 2025 dient verzoeker bij de directeur-generaal van de penitentiaire inrichtingen een bezwaarschrift in tegen “[de] beslissing tot plaatsing in een FPC”. Op 29 juli 2025 verklaart de directeur-generaal het bezwaar on- ontvankelijk, op grond van de volgende motieven en met de navolgende vermel- ding: “Betrokkene tekent bezwaar aan tegen de beslissing tot plaatsing in het FPC. De KBM besliste op 25/06/2024 tot verdere plaatsing in de ABM Merksplas, in afwachting van een overplaatsing naar een Forensisch Psy- chiatrisch Centrum. Betrokkene tekende cassatieberoep aan, doch dit werd verworpen waardoor het oorspronkelijke vonnis behouden werd. De beslissing tot plaatsing FPC is geen beslissing tot plaatsing/overplaat- sing in de zin van art. 17-18 Basiswet. Er is geen beslissing van de DDB tot plaatsing in het FPC aangezien dit buiten de bevoegdheid van de DDB valt en toekomt aan de KBM. Naast het feit dat art. 167, § 2 Basiswet bepaalt dat de artikelen 17 en 18 en 163 tot 166 betreffende de plaatsing en overplaatsing niet van toepassing zijn op geïnterneerden, is het bezwaarschrift van betrokkene gericht tegen een vonnis van de KBM. Bijgevolg is het bezwaar onontvankelijk. Overeenkomstig artikel 165 van de basiswet van 12 januari 2005 betref- fende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden heeft u het recht om tegen deze beslissing beroep in te stellen bij de Beroepscom- missie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen. Dit beroepschrift wordt uiterlijk 7 dagen na de dag waarop u kennis heeft gekregen van deze beslissing ingediend.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Toepassing kortedebattenprocedure - rechtsmacht van de Raad van State
- Ambtshalve merkt de Raad van State op dat de vraag rijst naar zijn bevoegdheid om kennis te nemen van het voorliggende geschil. IX-10.728-3/6
- Naar het voorwerp bekeken, gaat de bestreden beslissing uit van de directeur-generaal van de penitentiaire inrichtingen die zich uitspreekt over het bezwaar dat verzoeker tot haar heeft gericht volgens de bezwaarprocedure bedoeld in de artikelen 17 en 18 van de basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het ge- vangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’. Indien verzoeker meent dat zijn bezwaar ten onrechte onontvan- kelijk is verklaard, dan had hij die beslissing moeten bestrijden middels een beroep bij de beroepscommissie van de centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen. In de bestreden beslissing is hem op die beroepsmogelijkheid ook gewezen. Een voor hem eventueel ongunstige beslissing van de beroepscommissie had verzoeker dan kunnen bestrijden met een voorziening in cassatie bij de Raad van State. De Raad van State is met andere woorden niet de annulatierech- ter, maar de cassatierechter in zo een procedure. Hij heeft geen rechtsmacht om de wettigheid van de bestreden beslissing van de directeur-generaal te beoordelen en deze in voorkomend geval te vernietigen.
- Uit de door verzoeker aangevoerde middelen, waarin hij zich er- over beklaagt dat er geen beroep open staat tegen de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij en dat de justitiële rechter onwettige beslissingen heeft genomen door hem te interneren, mag worden begrepen dat hij in wezen beoogt van de Raad van State te verkrijgen dat deze de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij van 25 juni 2024 en zelfs de voor- afgaande interneringsmaatregel ongedaan maakt. De kamer voor de bescherming van de maatschappij is een ka- mer van de strafuitvoeringsrechtbank en is deel van de rechterlijke macht. Geen enkele grondwets- of wetsbepaling wijst evenwel de Raad van State de bevoegdheid toe om kennis te nemen van een beroep tot nietigverkla- ring van vonnissen of arresten van de rechtbanken en hoven van de rechterlijke IX-10.728-4/6 orde, en dus van vonnissen of beschikkingen van de strafuitvoeringsrechtbank, of om in de plaats van die rechtscolleges een nieuwe of andersluidende beslissing te nemen, ook niet bij het ontbreken van een beroeps- of cassatiemogelijkheid voor die rechtscolleges.
- Louter ten overvloede merkt de Raad nog op dat hij evenmin be- voegd is om kennis te nemen van beroepen tegen handelingen van administratieve overheden waarbij het bestuur rechtstreeks meewerkt aan de uitvoering van von- nissen en arresten van de justitiële rechter. In de mate dat verzoeker de directeur- generaal verwijt door de verwerping van zijn bezwaar uitvoering te geven aan een uitspraak van de kamer voor de bescherming van de maatschappij betreft het een (rechts)handeling ten aanzien waarvan de Raad van State evenmin rechtsmacht heeft.
- De Raad van State mag geen kennis nemen van het beroep. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak zich leent tot een kort debat. V. De vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen
- De verwerping van het beroep tot nietigverklaring heeft tot ge- volg dat ook de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen, die er het accessorium van is, verworpen moet worden. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De Raad van State verwerpt de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het geding begroot op een rolrecht van 200 euro. IX-10.728-5/6
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeventien december tweeduizend vijfen- twintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.728-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.215 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div