id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.252 Rolnummer: A. 246185/VII-43059 Zaak: Arrest 265252 - Arbeids- en beroepskaarten - 19/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-12 Raadplegingen: 212 - laatst gezien 2026-06-18 06:16 Fiche Arrest nr 265.252 van 19 december 2025 Economische zaken - Arbeids- en beroepskaarten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 265.252 van 19 december 2025 in de zaak A. 246.185/VII-43.059 In zake : 1. N.V. A. 2. B.S. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wouter Vaassen, Tristan Carolus en Gauthier Berth kantoor houdend te 1000 Brussel Zavelstraat 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Devloo kantoor houdend te 8500 Kortrijk Koning Alberstraat 24/1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. Met een enig verzoekschrift, ingediend op 20 oktober 2025, vorderen de verzoekende partijen de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Vlaamse minister van Onderwijs, Justitie en Werk van 9 september 2025 inzake het beroep tegen een weigering van een toelating tot arbeid (meer dan 90 dagen) met gecombineerde vergunning. Zij vorderen tevens “het bevel om t.t.v. voorlopige maatregel de beslissingen dd. 5 augustus en 18 augustus 2025 buiten toepassing te laten (opdat) (
- en)de beslissing d.d. 18 juli 2025 uit te voeren”. VII-43.059-1/9 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 30 oktober 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Pierrot T’Kindt heeft een verslag over de vordering tot schorsing en tot het bevelen van voorlopige maatregelen opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 december 2025, om 14.00 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Wouter Vaassen, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Louise Delbeke, die loco advocaat Rik Devloo verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Pierrot T’Kindt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De eerste verzoekende partij heeft een aanvraag tot toelating tot arbeid met gecombineerde vergunning ingediend voor tweede verzoeker, voor “verhuizer / chauffeur C of CE”. Deze aanvraag werd ingewilligd met een VII-43.059-2/9 beslissing van 6 september 2023 voor de periode van 14 september 2023 tot en met 13 september 2024. Een eerste hernieuwingsaanvraag van 22 juni 2024 werd ingewilligd met een beslissing van 24 juli 2024 voor de periode van 14 september 2024 tot en met 13 september 2025. 3.2. De eerste verzoekende partij dient op 3 juni 2025 een tweede hernieuwingsaanvraag in. De dienst Economische Migratie van het departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie willigt deze aanvraag in op 18 juli 2025, doch beslist op 5 augustus 2025 tot intrekking van de beslissing van 18 juli 2025. Met een beslissing van 18 augustus 2025 weigert de dienst Economische Migratie alsnog de hernieuwingsaanvraag. Op 29 augustus 2025 tekent de eerste verzoekende partij administratief beroep aan tegen de weigeringsbeslissing van 18 augustus 2025. Met een beslissing van 9 september 2025 verklaart de bevoegde Vlaamse minister het beroep ongegrond en bevestigt zij de weigeringsbeslissing van 18 augustus 2025. Dit is de bestreden beslissing. 3.3. De verzoekende partijen hebben op 11 september 2025 met een enig verzoekschrift reeds een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en tot het bevelen van voorlopige maatregelen en een beroep tot nietigverklaring tegen de bestreden beslissing ingesteld. In die zaak, met het nummer 245.913/VII-43.024, is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en tot het bevelen VII-43.059-3/9 van voorlopige maatregelen verworpen met ’s Raads arrest nr. 264.917 van 21 november 2025. IV. Grondvoorwaarden voor een schorsing 4. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van deze beslissing prima facie kan worden verantwoord. Uiteenzetting van de spoedeisendheid 5. De verzoekende partijen wijzen erop dat zij de huidige vordering hebben ingesteld “om te verhinderen dat [zij] (verdere) materiële en immateriële schade zouden ondergaan ten gevolge van wederrechtelijke aannames terzake en/of toepassingen van het (arbeids- en verblijfs)vergunningsrechtelijke kader”, inzonderheid doordat de bestreden beslissing de weigeringsbeslissing van 18 augustus 2025 bevestigt nadat op 18 juli 2025 tot een voorwaardelijke goedkeuring werd beslist met een geldigheidsduur tot 13 september 2026. Ingevolge deze plotse wijziging bevinden tweede verzoeker en zijn gezin zich in een (potentieel) wederrechtelijke situatie, zodat zij praktisch gezien dienen te verhuizen naar Turkije en daar een maandenlange procedure moeten beginnen. De verzoekende partijen hebben erop vertrouwd dat tweede verzoeker vergund in de Europese Unie kon verblijven tot 13 september 2026. Tweede verzoeker heeft zijn echtgenote en zijn driejarig kind naar België laten komen en het kind is hier ingeschreven in een school. Indien enkel de beslissingen van (5
- en)18 augustus 2025 en 9 september 2025 zouden worden uitgevoerd en niet deze van 18 juli 2025, zou tweede verzoeker met zijn familie het land moeten VII-43.059-4/9 verlaten. Zij merken nog op dat een nieuwe aanvraag buiten de EU zou moeten worden ingediend en dat de behandeling ervan maanden in beslag zou nemen. Verder moet er volgens de verzoekende partijen ook rekening mee worden gehouden dat tweede verzoeker, zonder de voormelde “plotse wijziging”, een zelfstandige aanvraag had kunnen indienen voor werk en verblijf van onbepaalde duur, zonder enige (financiële) evaluatie van een specifieke werkgever. De bestreden beslissing maakt dit echter onmogelijk. De verzoekende partijen leiden dit af uit een beslissing van de dienst Economische Migratie van 6 oktober 2025, waarmee dergelijke aanvraag onontvankelijk is verklaard, en uit de motieven ervan, namelijk dat geen geldige arbeidsovereenkomst meer kan worden voorgelegd ingevolge het verlies van het recht op verblijf van tweede verzoeker vanaf 14 september 2025 en dat de duur van de tewerkstelling van tweede verzoeker in België slechts 22 maanden bedraagt in plaats van de vereiste 24 maanden. Er kan dus niet worden gesteld dat tweede verzoeker niet aantoont geen vergunning te kunnen krijgen via een nieuwe aanvraag en het betreft ook geen hypothetisch nadeel. Door de intrekking van de aanvankelijke inwilliging van de aanvraag voor een toelating tot arbeid met gecombineerde vergunning wordt tweede verzoeker met zijn gezin, in het beste geval, terug onderworpen aan een precair verblijf (met jaarlijkse aanvragen/toelatingen/vergunningen) om het leven in België te kunnen verderzetten. In een erger, volgends de verzoekende partijen waarschijnlijk en zelfs imminent geval, zal tweede verzoeker moeten terugkeren naar een ander (niet-EU-)land, wellicht Turkije. Beoordeling 6. Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Het doel is dan ook het kort geding te hanteren wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne opgelost kan worden. VII-43.059-5/9 Naar luid van artikel 17, § 2, van de RvS-wet moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan een verzoekende partij toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, gelet op de nadelige gevolgen die een – voortdurende – tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaken. De spoedeisendheid wordt niet vermoed. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden ingesteld “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties te willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, van de RvS-wet). Uit wat voorafgaat, volgt dat het niet zal volstaan te wijzen op de afwezigheid van een schorsend karakter van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State of te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. Tot slot moet een schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing ook een nuttig effect hebben. Ze dient een verzoekende partij te behoeden van de gevreesde schade. VII-43.059-6/9 7. Op grond van de volgende motieven heeft de Raad van State in zijn arrest nr. 264.917 van 21 november 2025 de door de verzoekende partijen ingestelde vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid verworpen omdat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet was aangetoond: “Met de algemene opmerking dat zij “plots alsnog geen hernieuwing” krijgt van de toelating tot arbeid met gecombineerde vergunning en dat zij “(verdere) materiële en immateriële schade”, wil verhinderen, toont de eerste verzoekende partij niet aan dat zij de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar veroorzaakt, niet kan dragen gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en zelfs niet gedurende de doorlooptijd van een gewone vordering tot schorsing. De eerste verzoekende partij brengt geen enkel concreet gegeven bij waaruit zou kunnen worden afgeleid dat haar voortbestaan in het gedrang zou komen door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. […] Tweede verzoeker wijst er in essentie op dat hij zich vanaf 14 september 2025 in een “(potentieel) wederrechtelijke situatie” bevindt zodat hij praktisch gezien met zijn gezin zal moeten verhuizen naar Turkije, waar hij een maandenlange procedure zal moeten beginnen om te kunnen terugkeren naar België. Dat verzoeker met zijn gezin het grondgebied van het Rijk zou moeten verlaten, vloeit niet – minstens niet rechtstreeks – voort uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, die immers geen verwijderingsmaatregel bevat. Tweede verzoeker gaat er overigens aan voorbij dat hij telkens slechts beschikte over een beperkt verblijf, waarvoor jaarlijks een nieuwe aanvraag (hernieuwing) moest worden ingediend. Uit de bijgebrachte stukken blijkt dat tweede verzoekers echtgenote en kind slechts beschikken over een A-kaart, met 12 juni 2025 als afgiftedatum en 13 september 2025 als einddatum. Tweede verzoeker heeft er aldus zelf voor gekozen zijn gezinsleden naar België te laten komen vooraleer een beslissing over de hernieuwingsaanvraag was genomen (de gunstige doch nadien ingetrokken beslissing dateert immers pas van 18 juli 2025). Verder brengt tweede verzoeker geen enkel gegeven bij waaruit kan blijken dat een tijdelijke terugkeer naar het land van herkomst in afwachting van een nieuwe aanvraag het gezin dermate zou ontwrichten dat de onmiddellijke schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zich zou opdringen. Het feit dat tweede verzoekers kind van drie jaar oud in een school in Aartselaar zou zijn ingeschreven, doet niet anders besluiten, gelet op de jeugdige leeftijd van het kind en zijn recente aankomst in België. Noch de e-mail van de FOD Binnenlandse Zaken van 12 september 2025, noch de beschikking in kort geding van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel van 12 september 2025, waarin wordt vastgesteld dat er prima facie geen sprake is van een inbreuk op schijnbare rechten van eisende partijen en waarin geen uitspraak wordt gedaan over de hoogdringendheid, doet afbreuk aan de voorgaande vaststellingen.” VII-43.059-7/9 In de mate dat de verzoekende partijen dezelfde elementen aanhalen om tot de spoedeisendheid te besluiten als de elementen die zij hebben aangehaald om tot de uiterst dringende noodzakelijkheid te besluiten, kan de bovenstaande beoordeling worden herhaald. De verzoekende partijen duiden niet aan waarom en maken derhalve niet aannemelijk waarom het verloop van de annulatieprocedure niet zou kunnen worden afgewacht. Aan de feitelijke en juridische gevolgen van de bestreden beslissing is sedertdien niets veranderd. 8. De verzoekende partijen verwijzen verder naar de beslissing van de dienst Economische Migratie van 6 oktober 2025, waarmee tweede verzoekers aanvraag om toelating tot arbeid van 12 september 2025 onontvankelijk is verklaard. Deze beslissing is het gevolg van een door tweede verzoeker ingediende aanvraag met een ander voorwerp en die op andere juridische gronden is gesteund dan de thans bestreden beslissing, waarvan ze volledig losstaat. Bijkomend wordt opgemerkt dat tweede verzoeker niet betwist dat hij geen beroep heeft aangetekend tegen de voormelde beslissing van 6 oktober 2025. Tot slot doet ook de meergenoemde beslissing van 6 oktober 2025 geen afbreuk aan de vaststellingen in ’s Raads arrest nr. 264.917 van 21 november 2025 inzake de gevolgen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. 9. De verzoekende partijen tonen de spoedeisendheid niet aan. Conclusie 10. Aangezien de in artikel 17, § 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bedoelde uiterst dringende noodzakelijkheid niet is aangetoond, is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. VII-43.059-8/9 V. De vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen 11. Vermits de spoedeisend niet blijkt te zijn aangetoond, dient ook de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen te worden verworpen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en tot het bevelen van voorlopige maatregelen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-43.059-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.252 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.317 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div