id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.263 Rolnummer: A. 241582/X-18635 Zaak: Arrest 265263 - Plannen van aanleg - 19/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-13 Raadplegingen: 213 - laatst gezien 2026-06-18 06:13 Fiche Arrest nr 265.263 van 19 december 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 265.263 van 19 december 2025 in de zaak A. 241.582/X-18.635 In zake : de NV C.L. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ilse Cuypers kantoor houdend te 2600 Antwerpen Posthofbrug 6, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anne-Sophie Claus kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 29 maart 2024, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 1 december 2023 ‘tot vaststelling van het landinrichtingsplan ‘Oostakker-Noord’. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Lise Vandenhende heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. X-18.635-1/14 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 december
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Yannick Ballon, die loco advocaat Ilse Cuypers verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Anne-Sophie Claus, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partij is een vastgoedbeleggingsfonds. Zij is eigenaar van een perceel, gelegen te Gent, kadastraal gekend als Gent, afdeling 13, B/194R2 (44813BO 194/00R002) (hierna blauw ingekleurd): X-18.635-2/14 3.
- Op 10 maart 2022 keurt de planbegeleidingsgroep het ontwerp van landinrichtingsplan Oostakker-Noord goed. 3.
- Van 19 april 2022 tot 18 mei 2022 organiseert de stad Gent over het voormelde ontwerp een openbaar onderzoek. Tijdens dit onderzoek worden drie bezwaren ingediend. 3.
- Op 23 juni 2022 verleent de stad Gent een gunstig advies over het ontwerp. De deputatie van de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen verleent geen advies. 3.
- Bij besluit van de Vlaamse regering van 1 december 2023 wordt het landinrichtingsplan ‘Oostakker-Noord’ vastgesteld. Dit is het bestreden besluit, dat bepaalt: “Hoofdstuk
- Vaststelling van het landinrichtingsplan en algemene bepalingen Artikel
- Het landinrichtingsplan ‘Oostakker-Noord’, opgenomen in bijlage 1 die bij dit besluit is gevoegd, wordt vastgesteld. X-18.635-3/14 […] Hoofdstuk
- Vestiging van een erfdienstbaarheid tot openbaar nut conform artikel 2.1.3, derde lid, van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting Art.
- Een erfdienstbaarheid tot openbaar nut die gericht is op recreatie, vermeld in maatregel 3.3, wordt gevestigd op een deel van het perceel Gent/13e afdeling/sectie B/194R2(44813B0194/00R002). Het voorwerp, de beschrijving en de lokalisering van de erfdienstbaarheid tot openbaar nut zijn opgenomen in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd. Hoofdstuk
- Slotbepaling Art.
- De Vlaamse minister, bevoegd voor de omgeving en de natuur, is belast met de uitvoering van dit besluit.” 3.
- Bijlage 2 bij het bestreden besluit luidt: “Bijlage
- Vestigen van een erfdienstbaarheid tot openbaar nut als vermeld in artikel 9 1/ Voorwerp Met dit besluit wordt een erfdienstbaarheid tot openbaar nut gevestigd die gericht is op recreatie, in functie van de realisatie van een trage verbinding tussen de woonkernen van Oostakker Wittewalle en Desteldonk langs de koppelingsgebieden Oostakker-Noord en Desteldonk-Zuid. 2/ Beschrijving erfdienstbaarheid tot openbaar nut De erfdienstbaarheid tot openbaar nut heeft betrekking op het vestigen van een recht van doorgang voor het publiek van 5 m breedte en met een lengte van 492 m langs de noordelijke oeverzone van de langsgracht op de gehele zuidelijke grens van het perceel Gent, 13e afdeling, sectie B, nr. 194R/
- Dit recht van doorgang ten gunste van het publiek is beperkt tot voetgangers, die daarvan kunnen gebruikmaken op elk moment en zonder dat ze daarvoor een reden moeten opgeven. Door de vestiging van de erfdienstbaarheid heeft de beheerder van het wandelpad het recht alle werken uit te voeren die nodig zijn voor het gebruik en het behoud van het wandelpad. Hierbij primeert de functie als beheerstrook voor de waterloop boven het gebruik als wandelpad. Niemand mag handelingen stellen waardoor het wandelpad wordt gewijzigd of beschadigd, of waardoor het gebruik als wandelpad wordt belemmerd. 3/ Kadastrale gegevens van het perceel bezwaard met een erfdienstbaarheid tot openbaar nut De erfdienstbaarheid tot openbaar nut wordt gevestigd op een deel van volgend perceel: - Gent/13e afdeling/sectie B/194R2 (44813B0194/00R002). De concrete lokalisering en de afmetingen van de erfdienstbaarheid tot openbaar nut zijn aangeduid in het onderstaande opmetingsplan. X-18.635-4/14 ” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Een eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 2.1.3 van het decreet van 28 maart 2014 ‘betreffende de landinrichting (hierna: het decreet landinrichting), de artikelen 10, 11, 16, 17, 35 en 39 van de Grondwet, artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol (hierna: EAP) bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens “in het licht van het beginsel van de gelijkheid van burgers voor de openbare lasten”, en uit het evenredigheids-, zorgvuldigheids-, en motiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 5.
- In een eerste middelonderdeel houdt de verzoekende partij voor dat de vestiging van de erfdienstbaarheid op haar perceel op foute gegevens is gesteund. Zo kent de kwestieuze grondstrook géén feitelijk gebruik als wandelpad. Ook loopt de erfdienstbaarheid dood op een privaat perceel van derden, waardoor er onzekerheid bestaat over het feit of het wandeltracé wel gebruikt kan worden. Bovendien staat artikel 2.1.3 van het decreet landinrichting op gespannen voet met X-18.635-5/14 artikel 13 van het decreet van 3 mei 2019 ‘houdende de gemeentewegen’ (hierna: gemeentewegendecreet). Waar het gemeentewegendecreet vereist dat een grondstrook dertig jaar door het publiek moet gebruikt worden om als gemeenteweg in aanmerking te komen, legt het decreet landinrichting geen enkele minimumtermijn op. Het houdt een ongelijkheid in, waarover de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof dient te worden gesteld: “Schendt artikel 2.1.3 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel vervat in art. 10 en 11 Gw. juncto art. 16 Gw. En artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM, in de mate dat dit artikel het mogelijk maakt om middels een erfdienstbaarheid tot openbaar nut een publiek recht van doorgang, in casu een wandelpad, te vestigen om een feitelijk gebruik juridisch te verankeren, evenwel zonder dat in hoofde van de vestigende overheid een bewijslast rust inzake dit gebruik en zonder dat vereist is dat dit gebruik zich reeds gedurende een bepaalde minimumtermijn voordoet, zoals het bewijs van het dertigjarig gebruik dat vereist wordt door artikel 13 van het Gemeentewegendecreet en zonder dat dit gebruik moet worden vastgelegd door een politiek verkozen orgaan, zoals dat vereist wordt door artikel 13 van het Gemeentewegendecreet” 5.
- In een tweede middelonderdeel betoogt de verzoekende partij dat de kwestieuze erfdienstbaarheid een disproportionele aantasting van haar eigendomsrecht inhoudt. Zij stelt al een aanzienlijk deel van de openbare lasten te dragen, omdat de kwestieuze grondstrook samenvalt met de beheerstrook voor de waterbeheerder. De verwerende partij houdt hiermee geen rekening, daar waar de landbouwers wel worden gespaard. Volgens de verzoekende partij houdt dit een schending van het gelijkheidsbeginsel in. Beoordeling 6.
- Artikel 2.1.3 van het decreet landinrichting luidt: “Om het doel van een landinrichtingsproject of een project, plan of programma te realiseren, kunnen volgende erfdienstbaarheden tot openbaar nut worden gevestigd: 1° erfdienstbaarheden tot openbaar nut gekoppeld aan inrichtingswerken uit kracht van wet als vermeld in artikel 2.1.1, tweede lid; X-18.635-6/14 2° andere erfdienstbaarheden tot openbaar nut als vermeld in het derde lid. Erfdienstbaarheden tot openbaar nut gekoppeld aan inrichtingswerken uit kracht van wet zijn gericht op de instandhouding van inrichtingswerken uit kracht van wet als vermeld in artikel 2.1.1, tweede lid. Diegene die het betrokken landinrichtingsplan of inrichtingsnota heeft vastgesteld, stelt na uitvoering van de betrokken inrichtingswerken uit kracht van wet vast welke erfdienstbaarheden tot openbaar nut gevestigd worden en op welke kadastrale percelen deze erfdienstbaarheden gevestigd worden. Het besluit tot vestiging van de erfdienstbaarheden tot openbaar nut bevat ten minste de kadastrale gegevens van de percelen waarop erfdienstbaarheden tot openbaar nut worden gevestigd met de beschrijving van de erfdienstbaarheid die wordt gevestigd. Andere erfdienstbaarheden tot openbaar nut zijn gericht op landschapszorg, natuurontwikkeling, recreatie, mobiliteit, natuureducatie, waterhuishouding, milieuverbeteringen, verbeteren van de landbouwstructuur of conservering van archeologische en cultuurhistorische overblijfselen. Deze erfdienstbaarheden worden gevestigd door de opname van de erfdienstbaarheid tot openbaar nut in het landinrichtingsplan of de inrichtingsnota. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de procedure voor het vestigen en de beschrijving van erfdienstbaarheden tot openbaar nut, alsook voor de tegenstelbaarheid aan derden en voor vergoedingen ter schadeloosstelling.” 6.
- De bestreden beslissing motiveert de vestiging van de kwestieuze erfdienstbaarheid tot algemeen nut als volgt: “Om de volgende redenen is de vestiging van de erfdienstbaarheid tot openbaar nut vereist: 1) De noordelijke oeverzone van de langsgracht doet momenteel dienst als ruimingszone voor de waterloop. Deze zone wordt op vandaag ook gebruikt door wandelaars en andere gebruikers waardoor zich hier spontaan een (wandel)tracé heeft gevormd. Deze zone valt samen met de beheerstrook van de waterloop. 2) Er bestaan op vandaag geen veilige wandelverbindingen tussen de woonkernen van Oostakker en Desteldonk. Er zijn onvoldoende recreatieve mogelijkheden in dit sterk verstedelijkt gebied. 3) De vestiging van een erfdienstbaarheid tot openbaar nut biedt een oplossing voor dit knelpunt door de juridische verankering van het huidige gebruik en het creëren van een duurzame en transparante oplossing voor de bestendiging van het huidige gebruik van het tracé als grazig wandelpad door het toepassen van een consequent maaibeheer en het verzekeren van de publieke toegankelijkheid van het wandelpad. 4) De recreatieve verbinding heeft een algemeen belang in kader van het gebruik van het pad door de buurtbewoners en werknemers van de bedrijven in een havencontext met onvoldoende veilige en aangename X-18.635-7/14 recreatiemogelijkheden. De gevolgen van de vestiging van de erfdienstbaarheid op het privaat belang zijn verwaarloosbaar aangezien de strook langs de waterloop niet ten volle beschikbaar is omdat deze samenvalt met de beheerstrook voor de waterbeheerder. Er is geen bijkomende hinder te verwachten aangezien het pad op vandaag al een gebruik kent. 5) De erfdienstbaarheid moet op deze locatie gevestigd worden aangezien hierop vandaag al een gebruik door wandelaars is ontstaan, aangezien de locatie niet ten volle beschikbaar is voor het bedrijf omwille van de beperkingen volgend uit de beheerstrook voor de waterbeheerder. Indien het pad op de zuidelijke oever gerealiseerd wordt dient er landbouwgrond aangesneden [te] worden. De landbouw is bij de realisatie van de bebossings- en andere doelstellingen in het landinrichtingsplan al sterk getroffen.” 6.
- Uit artikel 2.1.3 van het decreet landinrichting volgt dat in een landinrichtingsplan een erfdienstbaarheid tot openbaar nut kan worden gevestigd die op recreatie is gericht. De parlementaire voorbereiding van het decreet landinrichting verduidelijkt dat de erfdienstbaarheid van openbaar nut ook kan worden ingezet “in functie van de uitbouw van een recreatief netwerk”, zoals een wandelpad (Parl.St. Vl.Parl. 2013-2014, nr. 2361/1, 34). 6.
- Het blijkt niet, en de verzoekende partij beweert ook niet, dat een grondstrook reeds als wandelpad zou dienen gebruikt te worden opdat een erfdienstbaarheid tot openbaar nut in functie van een wandelpad zou kunnen gevestigd worden. In dit licht volstaat het motief van het bestreden besluit dat er “vandaag geen veilige wandelverbindingen tussen de woonkernen van Oostakker en Desteldonk [bestaan]”, dat er “onvoldoende recreatieve mogelijkheden in dit sterk verstedelijkt gebied [zijn]”, en dat “[d]e recreatieve verbinding […] een algemeen belang [heeft] in kader van het gebruik van het pad door de buurtbewoners en werknemers van de bedrijven in een havencontext met onvoldoende veilige en aangename recreatiemogelijkheden”, om de kwestieuze erfdienstbaarheid te verantwoorden. 6.
- Bovendien overtuigt de verzoekende partij er niet van dat het bestreden besluit ten onrechte van een bestaand gebruik van de grondstrook als wandelpad is uitgegaan. De foto die de verwerende partij met haar memorie van antwoord bijbrengt en het bezwaar van de nv S., waarin wordt benadrukt dat “de X-18.635-8/14 zone naast de langsgracht sinds enige tijd, met name sinds het begin van de uitbraak van de coronapandemie in maart 2020, oneigenlijk wordt gebruikt door buurtbewoners als wandelpad”, blijken dit ook te bevestigen. Dat de voormelde foto niet in het administratief dossier is opgenomen, zoals de verzoekende partij bekritiseert, is niet van aard om het bestreden besluit te vitiëren, temeer nu een bestaand gebruik als wandelpad niet is vereist (randnummer 6.4). Ten andere zij opgemerkt dat de verzoekende partij tijdens het openbaar onderzoek geen enkele opmerking over het feitelijk gebruik van de wandelweg heeft gemaakt. 6.
- De verzoekende partij doet evenmin aannemen “dat de erfdienstbaarheid doodloopt op een privaat perceel van derden”, waardoor een praktisch gebruik van de wandelweg onmogelijk zou zijn. Immers blijkt het perceel waar de erfdienstbaarheid van openbaar nut op uitloopt, eigendom te zijn van de nv N., die met het landinrichtingsplan heeft ingestemd. 6.
- De door de verzoekende partij gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijke Hof (randnummer 5.1) gaat er ten onrechte van uit dat de in artikel 13 van het gemeentewegendecreet voorziene mogelijkheid om een grondstrook in aanmerking te nemen als gemeenteweg waarbij deze strook onder bepaalde voorwaarden zonder financiële vergoeding opgenomen kan worden in het openbaar domein, vergelijkbaar zou zijn met het vestigen van een erfdienstbaarheid tot openbaar nut met het oog op recreatie, zoals bedoeld in artikel 2.1.3 van het decreet landinrichting. Bovendien is uit randnummer 6.4 gebleken dat een feitelijk gebruik als wandelpad niet decretaal vereist is om een erfdienstbaarheid tot openbaar nut te vestigen. Er is dan ook geen reden om de gesuggereerde vraag te stellen. 6.
- Het eerste middelonderdeel wordt verworpen. 7.
- In haar tweede middelonderdeel meent de verzoekende partij dat de erfdienstbaarheid “in de vorm van een wandelpad” haar draagkracht voor de openbare lasten op disproportionele wijze miskent. X-18.635-9/14 7.
- In zoverre de verzoekende partij met dit betoog een schending aanvoert van het beginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten, moet erop gewezen worden dat dit beginsel volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie inhoudt dat de overheid niet zonder vergoeding lasten kan opleggen die groter zijn dan die welke een particulier in het gemeenschappelijk belang moet dragen. Uit dat beginsel vloeit voort dat de onevenredig nadelige gevolgen van een op zich rechtmatige overheidsdaad, niet ten laste van de getroffene behoren te komen, maar gelijkelijk over de gemeenschap dienen te worden verdeeld. Aangezien de toepassing van het beginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten ertoe strekt de gelijkheid van de burgers te herstellen wanneer burgers als gevolg van een op zich rechtmatige overheidsdaad abnormaal worden getroffen, valt niet in te zien hoe dat beginsel dienstig als vernietigingsgrond tegen een beweerdelijk onwettig overheidsbesluit aangevoerd kan worden. 7.
- Uit het bestreden besluit vloeien voor de verzoekende partij beperkingen voort die rechtens geen onteigening en evenmin eigendomsberoving zijn, doch die wel kunnen worden aangemerkt als een inmenging in het recht op eigendom. Een dergelijke inmenging houdt evenwel niet ipso facto een schending in van de aangevoerde rechtsregels. Zo bepaalt het tweede lid van artikel 1 EAP dat het recht op ongestoord genot op geen enkele wijze het recht aantast dat een staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang. Om rechtmatig te zijn dienen de eigendomsbeperkingen te beantwoorden aan een rechtmatig evenwicht tussen het algemeen belang en de bescherming van het recht van eenieder op het ongestoorde genot van zijn eigendom. Er moet een redelijk verband van evenredigheid bestaan tussen de door het bestreden besluit ingeschreven beperkingen van verzoeksters eigendomsrechten en het door het bestreden besluit beoogde doel. X-18.635-10/14 7.
- In de bestreden beslissing wordt het algemeen belang, met name het vestigen van een veilige wandelverbinding tussen de woonkernen Oostakker en Desteldonk, afgewogen tegen de gevolgen van de erfdienstbaarheid voor de verzoekende partij, waarbij in rekening wordt gebracht dat de betreffende grondstrook momenteel reeds “dienst [doet] als ruimingszone voor de waterloop”, dat zij “op vandaag ook gebruikt [wordt] door wandelaars en andere gebruikers waardoor zich hier spontaan een (wandel)tracé heeft gevormd”, en dat er “onvoldoende recreatieve mogelijkheden [zijn] in dit sterk verstedelijkt gebied”. De locatie van het wandelpad wordt ook verantwoord doordat een wandelpad op de zuidelijke oever betekent dat landbouwgrond wordt aangesneden. De verzoekende partij stelt in haar verzoekschrift weliswaar ingevolge het bestreden besluit “hinder van wandelaars en alle aanverwante hinder die hiermee gepaard kan gaan” te zullen ondergaan, maar licht niet in het minst toe welke concrete hinder dit voor haar zou inhouden. Waar zij eerst in haar memorie van wederantwoord toelicht dat “een beperking voor het volledige gebruik van het industrieterrein voor alle industriële doeleinden”, waaronder “Seveso-activiteiten of bijvoorbeeld de exploitatie van windturbines” een “disproportionele aantasting” van haar eigendomsrecht inhoudt, is haar betoog laattijdig en derhalve onontvankelijk. Bovendien wordt de kwestieuze grondstrook, zoals gezien, thans reeds als wandelpad en beheerzone voor de waterloop gebruikt. Ten aanzien van deze reeds bestaande beperkingen, poneert de verzoekende partij louter dat zij “volkomen vreemd” zijn aan de beperkingen die haar eigendom ingevolge het bestreden besluit ondergaat. Eerst in haar laatste memorie, en derhalve opnieuw op laattijdige en onontvankelijke wijze, licht de verzoekende partij dit laatste enigszins toe, waar zij stelt “in de toekomst voor bepaalde activiteiten […] rekening [te zullen] moeten houden met verstrengde criteria vermits wandelaars op ieder moment het wandelpad zouden kunnen gebruiken”, wat volgens haar een “gans andere impact [heeft] dan de aanwezige beheerstrook voor de waterloop”. Zij gaat daarmee bovendien opnieuw voorbij aan het bestaande gebruik van de kwestieuze grondstrook als wandelpad. X-18.635-11/14 7.
- In het licht van wat voorafgaat, overtuigt de verzoekende partij er niet van dat de beslissing om de erfdienstbaarheid tot openbaar nut op haar perceel te vestigen, de grenzen van de redelijkheid zou te buiten gaan of anderszins onwettig zou zijn. Zij toont niet aan dat er geen redelijk verband van evenredigheid tussen de door het bestreden besluit ingestelde beperkingen en het door dit besluit nagestreefde doel zou bestaan. 7.
- Het gelijkheidsbeginsel is onder meer geschonden wanneer in rechte en in feite gelijke situaties zonder objectieve en redelijke verantwoording ongelijk worden behandeld. De verzoekende partij die de schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoert, moet dit in haar verzoekschrift met concrete en precieze gegevens aantonen. Het bestreden besluit bevat een uitgebreide motivering ter verantwoording van de vestiging van de erfdienstbaarheid van openbaar nut op de kwestieuze locatie. Met haar loutere bewering dat een schending van het gelijkheidsbeginsel voorligt, nu de vestiging van de erfdienstbaarheid op haar perceel geenszins verantwoord kan worden door te verwijzen naar vermeende lasten van landbouwers op de zuidelijke oever, voldoet de verzoekende partij niet aan de op haar rustende bewijslast. 7.
- Het tweede middelonderdeel wordt eveneens verworpen.
- Het middel wordt in zijn geheel verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Een tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 2.1.1 en 2.1.4 van het decreet landinrichting, artikel 2.1.1.4 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 juni 2014 ‘betreffende de landinrichting’ (besluit X-18.635-12/14 landinrichting), artikel 1 EAP, alsook uit het motiverings-, redelijkheids-, en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In essentie voert de verzoekende partij aan dat de bestreden beslissing op impliciete wijze aangeeft dat zij geen aanspraak kan maken op een vergoeding voor het waardeverlies van haar gronden omdat niet voldaan zou zijn aan de voorwaarden van artikel 2.1.4 van het decreet landinrichting en artikel 2.1.1.4 van het besluit landinrichting. Volgens de verzoekende partij “zou [zij] moeten worden vergoed voor de daling in de venale waarde van haar onroerend goed t.g.v. de vestiging van een erfdienstbaarheid tot openbaar nut”, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.1.4 van het decreet landinrichting. Beoordeling 10.
- In zoverre de verzoekende partij van oordeel is dat zij “zou moeten worden vergoed voor de daling in de venale waarde van het onroerend goed t.g.v. de vestiging van een erfdienstbaarheid tot openbaar nut”, en zodoende meent recht te hebben op een vergoeding, heeft het middel, anders dan de verzoekende partij meent, wel degelijk betrekking op de erkenning van een subjectief recht, voor de beoordeling waarvan de Raad van State niet bevoegd is. 10.
- Voorts dient te worden vastgesteld dat overeenkomstig het toentertijd geldende artikel 2.1.1.4, § 1, van het besluit landinrichting de landcommissie de vergoeding voor waardeverlies van gronden dient te bepalen, wat zij volgens de verzoekende partij in haar laatste memorie inmiddels ook heeft gedaan. Het feit dat het bestreden landinrichtingsplan een kostenraming en financieringsplan bevat, waaruit volgens de verzoekende partij “blijkt dat er aan de vestiging van de kwestieuze erfdienstbaarheid geen kosten verbonden zijn”, is niet van aard om het bestreden besluit te vitiëren, nu het bestreden besluit, anders dan de verzoekende partij het ziet, niets afdoet aan de beslissingsbevoegdheid van de landcommissie. 10.
- Het middel wordt verworpen. X-18.635-13/14 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Jan Clement X-18.635-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.263 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div