← België

Arrest 265269 - Overheidsopdrachten - 22/12/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.269 Rolnummer: A. 246440/XIV-39954 Zaak: Arrest 265269 - Overheidsopdrachten - 22/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-22 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-15 09:57 Fiche Arrest nr 265.269 van 22 december 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 265.269 van 22 december 2025 in de zaak A. 246.440/XIV-39.954 In zake: de BV B. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Blommaert, Günther L’heureux en Tess Leppers kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE OVERIJSE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Rasschaert kantoor houdend te 9620 Zottegem Gentse Steenweg 323 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 18 november 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing genomen in de zitting van 28 oktober 2025 betreffende de overheidsopdracht voor diensten met als voorwerp ‘Multilaterale raamovereenkomst busvervoer – maximale looptijd 48 maanden’, waarbij verwerende partij de offerte van verzoekende partij substantieel onregelmatigheid heeft verklaard.” II. Verloop van de rechtspleging XIV-39.954-1/19
  2. Bij beschikking van 20 november 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 december 2025, om 14.00 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tess Leppers, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Manik Peferoen, die loco advocaat Wim Rasschaert verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederick Ongena heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De verwerende partij plaatst een “multilaterale raamovereenkomst busvervoer - maximale looptijd 48 maanden” in de markt. Het bestek voorziet in een verdeling van de opdracht in drie percelen: “- Perceel 1: ‘geregeld busvervoer’ - Perceel 2: ‘ongeregeld busvervoer’ - Perceel 3: ‘Busvervoer tijdens paas- en zomervakantie’”. XIV-39.954-2/19 Daarnaast voorziet het bestek in een optionele overname van drie gemeentebussen. De inschrijvers mogen een offerte indienen voor meerdere percelen. 3.
  5. Drie inschrijvers dienen een offerte in, waaronder de verzoekende partij. 3.
  6. Op 28 oktober 2025 neemt de verwerende partij de gunningsbeslissing “aanduiding van de opdrachthouders voor de overheidsopdracht 'Multilaterale raamovereenkomst busvervoer - maximale looptijd 48 maanden’” In deze beslissing wordt de verzoekende partij substantieel onregelmatig bevonden op grond van de volgende overwegingen: “Motivering Na grondig nazicht en vergelijking van de 3 offertes, alsook op basis van de gevoerde onderhandelingsgesprekken, wordt vastgesteld dat: • Offerte [verzoekende partij] - niet regelmatige offerte. De offerte wordt als substantieel onregelmatig beschouwd en derhalve niet weerhouden. Motivering substantiële onregelmatigheid: o De door de inschrijver opgegeven prijzen zijn niet gebaseerd op de bepalingen van de inventaris (routes, aantal bussen, zitplaatsen, enz.) maar op eigen aannames en ervaringen uit het verleden. o De opgegeven prijzen zijn bovendien vaak voorwaardelijk, met meldingen zoals ‘prijzen kunnen verminderd worden naargelang praktische details’ en ‘prijzen geldig enkel indien vertrek vanaf 8u40 en terug in Overijse vóór 14u40’. o Dergelijke voorwaarden zijn niet conform het bestek en leiden er toe dat de offerte onvergelijkbaar is met de andere offertes. o Tijdens gesprekken met de zaakvoerder bleek bovendien dat de inschrijver onvoldoende garanties kan bieden inzake vereiste kennis van de Nederlandse taal bij de chauffeurs, wat een dwingende bepaling uit het bestek betreft. Op basis hiervan wordt de offerte van Bus & Coach Services als substantieel onregelmatig en dus als niet aanvaardbaar verklaard.” XIV-39.954-3/19 Dit is de bestreden beslissing. IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken
  7. De verwerende partij vraagt in haar nota om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door haar neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduidt en waarbij zij de redenen opgeeft waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vraagt.
  8. De verzoekende partij heeft niet het lichten van de vertrouwelijkheid van deze stukken gevraagd. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  9. Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  10. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 66, 81 en 83 van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten (hierna: de wet van 17 juni 2016), van artikel 76 van het koninklijk besluit van 18 juni 2017 “plaatsing overheidsopdrachten in de speciale XIV-39.954-4/19 sectoren’ (hierna: het koninklijk besluit van 18 juni 2017), van “het patere legem - beginsel, het gelijkheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het mededingingsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur,” “doordat verwerende partij in de bestreden beslissing heeft besloten de regelmatige ingediende offerte van verzoekende partij na onderhandelingen en na haar eigen verzoeken tot verduidelijkingen, aanpassingen van prijzen en hoeveelheden, substantieel onregelmatig te verklaren op grond van het motief dat verzoekende partij prijzen zou hebben voorgesteld op basis van eigen aannames en ervaringen uit het verleden, dat de prijzen voorwaardelijk zouden zijn en dat verzoekende partij onvoldoende garanties zou bieden dat de chauffeurs de Nederlandse taal machtig zijn; terwijl een aanbesteder de regelmatigheid van de offertes dient te onderzoeken; dat verzoekende partij een offerte heeft ingediend conform de bepalingen van het bestek en door invulling van de inventaris waarbij de hoeveelheden reeds werden ingevuld; dat de offerte van verzoekende partij niet behept is met een (substantiële) onregelmatigheid.” De verzoekende partij vat het middel als volgt samen: “
  11. In het eerste middel zet verzoekende partij uiteen dat haar offerte niet substantieel onregelmatig is en dus niet geweerd had kunnen worden. Daarnaast stelt verzoekende partij dat in het geval verwerende partij vragen had bij de toelichtingen van de offerte van verzoekende partij en gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, hij onzorgvuldig heeft gehandeld door geen bijkomende toelichtingen te vragen op grond van artikel 66, §3 van de Wet Overheidsopdrachten. Verwerende partij heeft evenwel de kans geboden aan een andere inschrijver om verduidelijkingen te brengen aan de offerte. Aldus schendt verwerende partij minstens ook het gelijkheidsbeginsel en het mededingingsbeginsel.” Beoordeling Eerste grief: betreffende de schending van artikel 76 van het koninklijk besluit van 18 juni 2017
  12. In een eerste grief doet de verzoekende partij gelden dat haar XIV-39.954-5/19 offerte niet substantieel onregelmatig is op grond van artikel 76, § 1 of § 2, van het koninklijk besluit van 18 juni
  13. Krachtens artikel 76, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 is een offerte substantieel onregelmatig wanneer zij van aard is de inschrijver een discriminerend voordeel te bieden, tot concurrentievervalsing te leiden, de beoordeling van de offerte van de inschrijver of de vergelijking ervan met de andere offertes te verhinderen, of de verbintenis van de inschrijver om de opdracht onder de gestelde voorwaarden uit te voeren onbestaande, onvolledig of onzeker te maken. Overeenkomstig artikel 76, § 3, van hetzelfde besluit verklaart de aanbestedende overheid, wanneer wordt gebruikgemaakt van een openbare procedure, zoals te dezen, de substantieel onregelmatige offerte nietig. Het staat in de eerste plaats aan de aanbestedende overheid om te beoordelen of met toepassing van artikel 76, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 een offerte met een substantiële onregelmatigheid is behept. Het komt aan de Raad van State enkel toe om desgevraagd na te gaan of de aanbestedende overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Het is vanuit dit oogpunt dat deze grief wordt onderzocht.
  14. De formele motivering van de bestreden beslissing wat het substantieel onregelmatig verklaren betreft van de offerte van de verzoekende partij, is hiervoor weergegeven. Er wordt naar verwezen (zie supra, punt 3.3). Hieruit blijkt dat de verzoekende partij niet is geselecteerd in de eerste plaats omdat de door de verzoekende partij opgegeven prijzen niet gebaseerd zijn op de bepalingen van de inventaris maar op eigen aannames en ervaringen uit het verleden en op het gegeven dat de opgegeven prijzen bovendien vaak voorwaardelijk zijn. XIV-39.954-6/19 Luidens punt I.4 “prijsvaststelling” van het bestek wordt de opdracht beschouwd als een opdracht tegen prijslijst en de opdracht wordt gegund op basis van de eenheidsprijzen opgegeven in de offerte. Punt I.7 “vorm en inhoud van de offerte” van het bestek bepaalt dat de inschrijver de inventaris invult op het eventueel bij het bestek behorende formulier. Die inventaris vormt bijlage B bij het bestek. Hij vermeldt, per post, een vermoedelijke hoeveelheid voor een jaar en laat, vervolgens, ruimte voor de inschrijver om, per post, een eenheidsprijs in cijfers en een totaalprijs op te geven. Met betrekking tot het eerste perceel wordt vastgesteld dat de posten 1.1 tot en met 1.5, zoals opgenomen in de inventaris, voor hun concrete omschrijving uitdrukkelijk verwijzen naar bijlage C van het bestek. Voornoemde bijlage C bevat de gedetailleerde planning per weekdag, met vermelding van de volgende elementen: het vertrek- en aankomstuur per rit; het aantal te voorzien zitplaatsen per rit; de opstap- en afstaphalte per rit; het aantal kilometers per rit. Ten aanzien van de posten 2.1 en 2.2 vermeldt de inventaris zelf de vereiste capaciteit, met name: voor post 2.1: 49 + 30 personen (zie het bestek);voor post 2.2: 33 personen (zie het bestek).Wat beide laatstgenoemde posten betreft, bepaalt het bestek: “Posten 2.1 en 2.2: het vervoer van kinderen op woensdagmiddagen (aantal +/- 35 weken) tijdens het schooljaar, op te halen aan de verschillende scholen in Overijse en te vervoeren naar het gemeentelijk vrijetijdscentrum ‘Kamp Kwadraat’, Nijvelsebaan 190 te Overijse. Voorbeeld: vervoer naar IBO (Kamp Kwadraat) -Route 1: capaciteit 49 + 30 plaatsen Kamp Kwadraat, Nijvelsebaan190, Overijse 11u45 VDS De Lanetuin Tombeek, Lanestraat 57, 12u00 Overijse Gemeentelijke kleuterschool Lotharingenkruis, 12u15 Patrijzenlaan 23a, Overijse Vrije Basisschool Maleizen, Terhulpensesteenweg 12u25 524, Overijse XIV-39.954-7/19 GBO, Heuvelstraat 57, Overijse 12u40 Kamp Kwadraat, Nijvelsebaan190, Overijse 12u55 -Route 2: capaciteit 33 personen Kamp Kwadraat, Nijvelsebaan190, Overijse 11u45 Gemeentelijke Basisschool Jezus-eik, 12u00 Brusselsesteenweg 592, 3090 Overijse Vrije basisschool Jezus-Eik, Witherendreef 25, 12u05 3090 Overijse Sint-Jozefsschool Eizer, Duisburgsesteenweg 134, 12u20 3090 Overijse Kamp Kwadraat, Nijvelsebaan190, Overijse 12u40 Opmerking: De uitvoering van deze routes kan gebeuren met één of meerdere bussen, afhankelijk van de beschikbare capaciteit (bijvoorbeeld een dubbeldekker of combinatie van voertuigen). Het staat de inschrijver vrij om de meest geschikte oplossing aan te bieden, mits de gevraagde capaciteit verzekerd wordt. De bovenstaande informatie wordt enkel meegegeven om de inschrijvers een beter inzicht te geven in de operationele realiteit, maar de planning kan steeds worden aangepast.” Uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij, voorafgaand aan de indiening van haar offerte, een verduidelijking heeft gevraagd omtrent de interpretatie van de bepaling “49 + 30 plaatsen” vermeld in post 2.
  15. De verwerende partij heeft hierop geantwoord dat het gaat om 49 + 30 zitplaatsen, welke – afhankelijk van de grootte van het voertuig – kunnen worden voorzien door één of twee bussen. Evenwel heeft de verwerende partij in een e-mail van 14 oktober 2025 aangegeven dat, met het oog op de vergelijkbaarheid van de offertes, dient te worden uitgegaan van het inzetten van één grote bus.
  16. Uit het in de nota opgenomen uittreksel van de offerte van de verzoekende partij – waarvan de Raad van State bevestigt dat dit uittreksel overeenstemt met de inhoud van het als vertrouwelijk neergelegde stuk – blijkt dat de verzoekende partij, op de inventaris van het eerste perceel, de volgende handgeschreven opmerking heeft geplaatst: “prijs geldig voor 43 zit en 24 staanplaatsen, dit volstaat voor de dienst”. Deze opmerking betreft prima facie post XIV-39.954-8/19 2.
  17. Wat het tweede perceel betreft, vermeldt de inventaris zelf de beschrijving met de vereiste capaciteit. Uit het in de nota opgenomen uittreksel van de offerte van de verzoekende partij – waarvan de Raad van State bevestigt dat dit uittreksel overeenstemt met de inhoud van het als vertrouwelijk neergelegde stuk – blijkt dat de verzoekende partij twee handgeschreven opmerkingen heeft geplaatst: een eerste opmerking geeft aan dat voor verschillende nader bepaalde posten de prijzen kunnen worden verminderd naar gelang de praktische details. Een tweede opmerking lijkt betrekking te hebben op een aantal nader bepaalde posten en geeft aan dat de prijzen enkel geldig zijn indien vertrek vanaf 8u40 en terug in Overijse voor 14u
  18. Uit de formele motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij oordeelt dat die door de inschrijver gestelde voorwaarden en de daaruit volgende prijszetting niet conform het bestek zijn en zorgen voor een onvergelijkbaarheid met de andere ingediende offertes. In haar nota verduidelijkt zij dat door dergelijke “voorbehouden” te koppelen aan de prijzen voor bepaalde posten, de vergelijkbaarheid onmogelijk worden gemaakt met de andere offertes waarin dergelijke voorbehouden niet worden gemaakt. Op het eerste gezicht kon de verwerende partij, zonder de grenzen van haar beoordelingsruimte te miskennen, uit deze expliciete “opmerkingen” door de verzoekende partij op de ingevulde inventaris inzake het aantal vereiste zitplaatsen voor een traject, de prijzen voor bepaalde posten en het vertrek- en aankomstuur voor bepaalde trajecten, afleiden dat dit “door de inschrijver gestelde voorwaarden [zijn]” inzake de percelen 1 en 2, die zorgen voor onvergelijkbaarheid met de andere offertes. De verzoekende partij betwist weliswaar dat dit voorwaarden zijn verbonden aan haar (eenheids)prijzen en prijsvorming en gaat hierbij uit van een (voor het eerst in het verzoekschrift) uitgedrukte eigen beoordeling van die “opmerkingen”, maar zij geeft hiermee een niet ondersteund eigen standpunt weer dat niet dat van de verwerende partij is. XIV-39.954-9/19 Aldus geeft zij weliswaar een eigen beoordeling over de relevantie en waarde van haar “opmerkingen”, maar zij maakt hiermee niet aannemelijk dat de verwerende partij tot een conclusie is gekomen die de grenzen van haar beoordelingsruimte te buiten zou gaan. Aangezien dit onregelmatigheden zijn die op de prijs of de prijsopgave betrekking hebben – te meer dat de prijs te dezen het enige gunningscriterium is – blijft op het eerste gezicht de verwerende partij binnen haar appreciatieruimte – minstens weerlegt de verzoekende partij dit niet door enkel een eigen beoordeling van de aard van die onregelmatigheden te geven in het verzoekschrift – door te oordelen dat de opmerkingen van de verzoekende partij in de inventaris van percelen 1 en 2 een substantiële onregelmatigheid zijn in de zin van artikel 76, § 1, derde lid van het koninklijk besluit van 18 april
  19. De voorgaande, op het eerste gezicht wettig bevonden motieven zijn afdoende om te besluiten tot de substantiële onregelmatigheid van de offerte van de verzoekende partij. De verzoekende partij heeft dan ook op het eerste gezicht geen belang meer bij haar kritieken op de andere overwegingen dienaangaande omdat aldus vaststaat dat haar offerte terecht als substantieel onregelmatig werd afgewezen.
  20. In die mate is het middel niet ernstig. Betreffende de tweede grief: het niet bieden van een kans tot verduidelijking dan wel regularisatie terwijl de kans wel werd geboden aan een andere inschrijver
  21. Op zich lijkt de verzoekende partij niet te betwisten dat de aanbestedende overheid op grond van artikel 66, § 3, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016 weliswaar onder de daar vermelde voorwaarden, waaronder het gelijkheidsbeginsel, beschikt over de mogelijkheid om een kandidaat te vragen om de inlichtingen en documenten met betrekking tot de selectie aan te vullen of toe te lichten, doch deze mogelijkheid is geen verplichting, ook niet samen genomen met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het is immers overigens in de eerste plaats een opdracht voor de inschrijver om zijn offerte met de nodige zorgvuldigheid op te XIV-39.954-10/19 stellen. Op zich voert de verzoekende partij in deze grief niet met concrete argumenten op haar zaak toegespitst aan, dat er te dezen wel gronden waren voor de verwerende partij om toch van die mogelijkheid gebruik te maken, maar lijkt zij daarentegen wel aan te voeren dat de verwerende partij deze optie wel heeft toegestaan aan een van de gekozen inschrijvers, aldus de verzoekende partij op ongelijke voet behandelend. Deze kritiek vindt op het eerste gezicht evenwel geen steun in het administratief dossier, minstens toont de verzoekende partij dat niet concreet aan. Uit de stukken van het dossier blijkt op het eerste gezicht eerder dat de verwerende partij aan alle inschrijvers, inclusief de verzoekende partij, vragen tot verduidelijking heeft gesteld, maar uit niets blijkt dat aan een inschrijver de mogelijkheid werd geboden tot het rechtzetten van substantiële onregelmatigheden van een offerte. Aldus maakt de verzoekende partij op het eerste gezicht niet aannemelijk dat er op dit punt sprake is van een ongelijke behandeling van de kandidaten. In de mate dat de verzoekende partij voorts stelt dat nergens uit het gunningsverslag volgt waarom de verwerende partij haar offerte substantieel onregelmatig moest verklaren en haar geen verzoek tot verduidelijking had kunnen richten, blijkt uit de beoordeling van de voorafgaande grief dat de motieven waarom de offerte van de verzoekende partij als substantieel onregelmatig werd bevonden, formeel zijn uitgedrukt in de bestreden beslissing, en waarvan hiervoor is vastgesteld dat de verzoekende partij er de onwettigheid niet van aantoont. Aangezien terecht de offerte als substantieel onregelmatig werd beoordeeld en de in het artikel 66, § 3 van de wet van 17 juni 2016 geboden mogelijkheid zich niet lijkt te kunnen lenen tot het regulariseren van de vastgestelde substantiële onregelmatigheden, lijkt derhalve een vraag tot verduidelijking niet te passen binnen de in de geschonden geachte bepaling voorziene mogelijkheid tot het vragen van een vervollediging, aanvulling of verduidelijking. Uit het gunningsverslag moet dan ook niet blijken waarom aan de verzoekende partij geen verzoek tot verduidelijking is gericht. XIV-39.954-11/19
  22. Het middel is in de aangegeven mate niet ernstig. Overige geschonden geachte bepalingen en beginselen
  23. Wat de overige door de verzoekende partij in het middel aangevoerde en geschonden geachte regels en beginselen betreft, wordt er geen specifieke argumentatie opgebouwd, zodat deze grieven geacht moeten worden ofwel samen te vallen met wat hiervóór al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn. Conclusie
  24. Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  25. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 73 en 83 van de wet van 17 juni 2016, van de artikelen 39, 73, § 1, 75 en 76 van het koninklijk besluit van 18 juni 2017, van artikel 5, 9° van de wet van 7 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: de wet van 7 juni 2013) juncto de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de wet van 29 juli 1991), van het zorgvuldigheidsbeginsel, het patere legem -beginsel en het gelijkheidsbeginsel,” “doordat verwerende partij is overgegaan tot het gunnen van de drie percelen van de Opdracht aan twee ondernemers, terwijl zij niet heeft nagegaan of deze inschrijvers voldoen aan de selectiecriteria en doordat verwerende partij in het verslag van nazicht van de offertes, waarop de bestreden beslissing is gebaseerd, niet heeft onderzocht of de gekozen inschrijver[s] voldoen aan de selectiecriteria; terwijl het artikel 5, 9° van de Rechtsbeschermingswet juncto de artikelen 2 en 3 XIV-39.954-12/19 van de Formele Motiveringswet een aanbestedende overheid verplicht om de juridische en feitelijke motieven van een beslissing te vermelden en dat deze motieven afdoende moeten zijn zodat een inschrijver in staat is de redenen te kennen voor de beslissing in kwestie.” De verzoekende partij vat het middel als volgt samen: “
  26. Verzoekende partij zet in het tweede middel uiteen dat verwerende partij heeft nagelaten om te onderzoeken of de gekozen inschrijver voldoet aan alle selectiecriteria. Bij gebreke aan enig onderzoek, kon verwerende partij – in het licht van de geldende bepalingen en het gelijkheidsbeginsel – onmogelijk de Overheidsopdracht gunnen aan de gekozen inschrijvers.”
  27. De verwerende partij doet gelden dat de verzoekende partij geen belang heeft bij dit middel, omdat die niet het tegendeel aantoont in haar verzoekschrift, namelijk dat de gekozen inschrijvers effectief niet zouden voldoen aan de vereiste uitsluitings- of selectiecriteria, waardoor de opdracht niet aan deze inschrijvers zou mogen worden gegund. Bovendien erkent volgens de verwerende partij, de verzoekende partij met dit middel ook impliciet dat het onderzoek naar de selectiecriteria niet zou werden uitgevoerd, waardoor zij ook nooit zou kunnen worden geselecteerd en aldus de opdracht nooit aan haar gegund kon worden. Beoordeling
  28. Een onderzoek en een beoordeling van de door de verwerende partijen aangevoerde exceptie van gebrek aan belang bij het middel is slechts noodzakelijk indien het middel ernstig zou worden bevonden, hetgeen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.
  29. Uit de bestreden gunningsbeslissing blijkt dat “de inhoud van het verslag van vergelijking van de offertes van 21 oktober 2025 […] integraal [wordt] hernomen.”. Uit de opsomming van de bijlagen in fine van deze beslissing blijkt dat dit verslag van 21 oktober 2025 deel uitmaakt van de bestreden beslissing. De XIV-39.954-13/19 verzoekende partij voert niet aan – en toont niet aan – dat zij dat niet heeft ontvangen. De verzoekende partij verzuimt in haar verzoekschrift het voornoemde stuk, waarbij de verwerende partij zich expliciet heeft aangesloten, in haar kritiek te betrekken. Uit de enkele lezing van het “Verslag van nazicht van de offertes” blijkt dat een volledige titel daarvan is gewijd aan “Uitsluitingsgronden en kwalitatieve selectie van de inschrijvers”, eindigend met een tabel onder het opschrift “Samenvatting van het nazicht van de inschrijvers”, waarin voor elke inschrijver – met inbegrip van de verzoekende partij – wordt vermeld dat deze voldoet aan alle gestelde criteria. Hieruit volgt dat de verwerende partij daadwerkelijk een onderzoek heeft verricht naar de toepasselijke uitsluitingsgronden en selectiecriteria voor alle inschrijvers, inclusief de verzoekende partij. Voorts blijkt onder meer dat alle inschrijvers werden geselecteerd “op basis van het Uniform Europees Aanbestedingsdocument”. De verzoekende partij, die – zoals hiervoor is vastgesteld – om redenen die haar eigen zijn, in haar verzoekschrift nalaat deze formeel uitgedrukte motieven in haar kritiek te betrekken, brengt geen enkel bezwaar aan tegen de argumenten die uit de formele motivering blijken. Haar stelling dat zij uit deze motivering niet zou kunnen afleiden of nagaan of de gekozen inschrijvers de vereiste informatie en documenten hebben overgelegd waaruit blijkt dat zij niet onder een uitsluitingsgrond vallen en voldoen aan de selectiecriteria, ontbeert op het eerste gezicht feitelijke grondslag.
  30. De overige aangevoerde grieven en geschonden geachte bepalingen en beginselen gaan, in de mate dat er een specifieke argumentatie is opgebouwd, op het eerste gezicht allen uit van de hiervoor verkeerd bevonden feitelijke grondslag. Ze missen derhalve de vereiste ernst. Wat de overige door de verzoekende partij in het middel aangevoerde en geschonden geachte regels en beginselen betreft, waarvoor geen XIV-39.954-14/19 specifieke argumentatie is opgebouwd, worden deze grieven geacht ofwel samen te vallen met wat hiervóór al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn.
  31. Het tweede middel is niet ernstig. C. Derde middel Standpunt van de partijen
  32. In een derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 81, 83 en 84 van de wet van 17 juni 2016, van de artikelen 33, 35 en 36 van het koninklijk besluit van 18 juni 2017, van de artikelen 4, 8° en 5, 9° van de wet van 7 juni 2013 juncto de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 19991, van het transparantiebeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, en de formele- en materiëlemotiverignsplicht, “doordat verwerende partij in het gunningsverslag overgaat tot gunning van de Opdracht zonder enig prijs- en kostenonderzoek te voeren, terwijl, eerste onderdeel, een aanbesteder krachtens artikel 84 Wet Overheidsopdrachten en 35 KB Plaatsing en het zorgvuldigheidsbeginsel verplicht is een zorgvuldig prijs- en kostenonderzoek uit te voeren op de totale en eenheidsprijzen van de offertes, dat een aanbesteder bij de vaststelling van een schijnbaar abnormale prijs of kost of wanneer hiertoe voldoende aanwijzingen bestaan, hij verplicht is om op grond van artikel 36 KB Plaatsing een prijsbevraging te richten aan de ondernemer die een schriftelijke verantwoording dient te bezorgen over de samenstelling van de abnormale prijs, dat een duidelijk prijsverschil vastgesteld kan worden tussen de prijzen die verzoekende partij heeft aangeboden en prijzen die de gekozen inschrijvers hebben aangeboden, terwijl, tweede onderdeel, uit de formele en materiële motiveringsplicht volgt dat een beslissing moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die de beslissing in rechte kunnen verantwoorden en dat bovendien deze motieven draagkrachtig dienen te zijn, dat op grond van de artikelen 4, 8° en 5, 8° van de Rechtsbeschermingswet verwerende partij weerslag had moeten geven van het (vermeend) prijs- en kostenonderzoek in XIV-39.954-15/19 het gunningsverslag, dat verwerende partij geheel heeft nagelaten de gunningsbeslissing te baseren op draagkrachtige motieven door de Opdracht te gunnen zonder een prijs-en kostenonderzoek te voeren.” De verzoekende partij vat het middel als volgt samen: “
  33. Het derde middel bestaat uit twee onderdelen.
  34. In het eerste onderdeel van het derde middel voert verzoekende partij aan dat verwerende partij helemaal geen prijs- en kostenonderzoek heeft uitgevoerd op de (finale) offertes. Nochtans is verwerende partij als aanbestedende overheid op grond van de artikelen 83 en 84 van de Wet Overheidsopdrachten en artikel 35 van het KB Plaatsing gehouden om een deugdelijk en zorgvuldig prijs- en kostenonderzoek uit te voeren op de ingediende offertes. Voor zover deze onderzoeken effectief hebben plaatsgevonden, plaatst verzoekende partij ernstige vraagtekens bij de wijze waarop dit onderzoek is uitgevoerd, en meer in het bijzonder of dit gebeurde met de vereiste zorgvuldigheid. Immers blijkt uit het onderdeel ‘Financiële aspecten’ dat er aanzienlijke en opvallende prijsverschillen bestaan tussen de aangeboden prijzen van de gekozen inschrijvers en de prijs die verzoekende partij heeft aangeboden. Uit geen enkel stuk blijkt dat verwerende partij überhaupt enig prijs- en kostenonderzoek heeft uitgevoerd.
  35. In tweede onderdeel van het derde middel voert verzoekende partij aan dat, zelfs indien verwerende partij een prijs- en kostenonderzoek — zou hebben uitgevoerd, quod non, zij hiervan melding had moeten maken in het gunningsverslag. De motieven stellen de inschrijvers immers in staat te begrijpen op welke wijze verwerende partij tot haar beslissing is gekomen en bieden hun de mogelijkheid na te gaan of deze beslissing op rechtmatige wijze en binnen de grenzen van redelijkheid tot stand is gekomen. Door in het gunningsverslag geheel geen weerslag te geven van enig verricht onderzoek, maar zich te beperken tot standaardformuleringen en nietszeggende formules, schendt verwerende partij minstens de artikelen 4, 8° en 5, 8° van de Rechtsbeschermingswet, alsook het transparantiebeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en zowel de formele als de materiële motiveringsplicht”.
  36. De verwerende partij doet gelden dat de verzoekende partij geen belang heeft bij dit middel, omdat zij geenszins aantoont dat haar prijzen effectief normaal zijn ten opzichte van de prijzen van de gekozen inschrijvers die zogezegd abnormaal hoog zijn, hoewel de prijzen zoals de verzoekende partij zelf erkent in XIV-39.954-16/19 haar verzoekschrift een heel stuk lager lagen dan die van de gekozen inschrijvers. Bijgevolg toont de verzoekende partij geenszins aan dat haar offerte “per definitie regelmatig zou zijn verklaard wegens afwezigheid van abnormale prijzen, waardoor de opdracht zogezegd aan haar gegund zou zijn geworden.” Beoordeling
  37. Een onderzoek en een beoordeling van de door de verwerende partijen aangevoerde exceptie van gebrek aan belang bij het middel is slechts noodzakelijk indien het middel ernstig zou worden bevonden, hetgeen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.
  38. De omstandigheid dat in de gunningsbeslissing zelf geen melding van enig prijs- of kostenonderzoek zou zijn gemaakt, is niet relevant. Bij de beoordeling van het tweede middel is immers gebleken dat in de bestreden gunningsbeslissing “de inhoud van het verslag van vergelijking van de offertes van 21 oktober 2025 […] integraal [wordt] hernomen” en dat dit verslag van 21 oktober 2025 als bijlage bij de bestreden beslissing integraal deel ervan uitmaakt. De verzoekende partij verzuimt in haar verzoekschrift het voornoemde stuk, waarbij de verwerende partij zich expliciet heeft aangesloten, in haar kritiek te betrekken. Uit de enkele lezing van dat “Verslag van nazicht van de offertes” blijkt op het eerste gezicht dat een prijsonderzoek werd gevoerd, alsook welke methodiek hiervoor is gebruikt, en welke conclusies aan dit onderzoek zijn verbonden. Uit wat voorafgaat volgt dat het eerste middelonderdeel bijgevolg uitgaat van een verkeerde feitelijke voorstelling en derhalve niet ernstig is.
  39. Uit wat voorafgaat blijkt dat de bestreden beslissing, met het erin begrepen verslag van 21 oktober 2025 van vergelijking van de offertes, op het XIV-39.954-17/19 eerste gezicht de regelmatigheid van de offerte formeel motiveert. In de mate dat de verzoekende partij in dit middelonderdeel bij haar kritieken uitgaat van het standpunt dat er geen enkel prijs- of kostenonderzoek werd gevoerd, gaat zij voorbij aan hetgeen in het voornoemde verslag van 21 oktober 2025 is uiteengezet, waaruit blijkt dat onderzocht werd of er abnormale prijzen werden vastgesteld en waarin is gemotiveerd waarom dat te dezen niet het geval is. Om redenen die haar eigen zijn, gaat de verzoekende partij voorbij aan dit stuk en de erin vervatte motieven. Haar kritieken in het tweede middelonderdeel geuit zonder dat stuk hierbij te betrekken, kunnen derhalve niet op hun merites worden getoetst en zijn derhalve prima facie niet ernstig.
  40. De overige aangevoerde grieven en geschonden geachte bepalingen en beginselen gaan, in de mate dat er een specifieke argumentatie is opgebouwd, op het eerste gezicht allen uit van de hiervoor verkeerd bevonden feitelijke grondslag. Ze missen derhalve de vereiste ernst. Wat de overige door de verzoekende partij in het middel aangevoerde en geschonden geachte regels en beginselen betreft, waarvoor geen specifieke argumentatie is opgebouwd, worden deze grieven geacht ofwel samen te vallen met wat hiervóór al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn.
  41. Het derde middel is niet ernstig. VII. Besluit
  42. Geen van de middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt dan ook verworpen. BESLISSING
  43. De Raad van State verwerpt de vordering. XIV-39.954-18/19
  44. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-39.954-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.269 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.