← België

Arrest 265277 - Sluitingen van vestigingen - 22/12/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.277 Rolnummer: A. 241077/X-18572 Zaak: Arrest 265277 - Sluitingen van vestigingen - 22/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-09 Raadplegingen: 244 - laatst gezien 2026-06-18 06:17 Fiche Arrest nr 265.277 van 22 december 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Sluitingen van vestigingen Beslissing : Verwerping Schadevergoeding tot herstel toegekend Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 265.277 van 22 december 2025 in de zaak A. 241.077/X-18.572 In zake:

  1. A.H.
  2. de BV L.B. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Leen Verstraete kantoor houdend te 8430 Middelkerke Koninginnelaan 39 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE MIDDELKERKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk De Keuster en Uschi Steurs kantoor houdend te 2980 Zoersel Handelslei 60 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het verzoek
  3. Met een verzoek, ingediend bij de memorie van wederantwoord van 10 juni 2024 in het kader van de vernietigingsprocedure, vragen zowel eerste verzoekster als de tweede verzoekende partij hen een schadevergoeding tot herstel toe te kennen. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij arrest nr. 261.803 van 18 december 2024 vernietigt de Raad van State de beslissing van de burgemeester van de gemeente Middelkerke van 5 december 2023 tot sluiting van het café D. te Middelkerke, tot en met 27 mei 2024, en wordt het debat heropend voor het onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel. X-18.572-1/15 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag overeenkomstig artikel 25/3 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het algemeen procedurereglement) opgesteld. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 oktober
  5. Staatsraad David D’Hooghe heeft verslag uitgebracht. Advocaat Leen Verstraete, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Inne Clinckers, die loco advocaten Dirk De Keuster en Uschi Steurs verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een gedeeltelijk eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. Eerste verzoekster is zaakvoerster van het café D., te Middelkerke, dat wordt uitgebaat door de tweede verzoekende partij. X-18.572-2/15 Op 23 november 2023 stelt de lokale politie ten behoeve van de burgemeester een bestuurlijk verslag op waarvan de conclusie luidt dat het café een cruciale rol speelt in de verkoop van drugs en hierdoor een bedreiging vormt voor de openbare gezondheid en orde in Middelkerke. 3.
  8. De burgemeester van de gemeente Middelkerke legt het café op 28 november 2023 een eerste keer een sluiting van zes maanden op, op grond van artikel 9bis van de wet van 24 februari 1921 ‘betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen’ (hierna: de drugswet). 3.
  9. Na op 5 december 2023 de verzoekende partijen, bij monde van hun raadsvrouw, te hebben gehoord, besluit de burgemeester op 5 december 2023 om zijn beslissing van 28 november 2023 op te heffen en opnieuw op grond van artikel 9bis van de drugswet een sluiting van het café D. op te leggen voor de duur van zes maanden – rekening gehouden met de sluiting van 28 november 2023 tot en met 4 december 2023 – tot en met 27 mei
  10. De sluitingsmaatregel wordt nog dezelfde dag bevestigd door het college van burgemeester en schepenen. Tegen beide beslissingen wordt een beroep tot nietigverklaring ingediend. 3.
  11. Op 19 april 2024 beslist de burgemeester om zijn besluit van 5 december 2023 in te korten en meer bepaald op te heffen met ingang van 1 mei
  12. 3.
  13. Bij arrest nr. 261.803 van 18 december 2024 vernietigt de Raad van State de beslissing van de burgemeester van de gemeente Middelkerke van X-18.572-3/15 5 december 2023 tot sluiting van het betrokken café tot en met 27 mei 2024, dezelfde dag bevestigd door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Middelkerke. De vastgestelde onwettigheid bestaat in de gebrekkige motivering van de duur van de opgelegde sluiting: “
  14. Een sluitingsmaatregel zoals de bestredene dient een formele motivering te bevatten. Opdat ze ‘afdoende’ is, moet uit deze formele redengeving kunnen worden opgemaakt dat de maatregel het resultaat is van een deugdelijke afweging, met zin voor maat en verhouding, van alle betrokken belangen. Te dezen gebruikte de verwerende partij de keuzevrijheid waarover zij beschikt om met de bestreden beslissing een sluiting op te leggen voor de duur van zes maanden. Dit is de maximaal toegelaten termijn. Het is van aard de motiveringsverplichting nog aan te scherpen, des te meer nu het gaat om een eerste politiemaatregel ten aanzien van de betrokken inrichting.
  15. Tijdens de hoorzitting argumenteerden verzoeksters niet alleen dat de rust en veiligheid niet in het gedrang zijn en dat niet alles wat in het bestuurlijk verslag staat, bewezen is, maar werd, wat de zwaarte van een eventuele maatregel betreft, ook gevraagd hoogstens een sluiting voor een beperkte duur op te leggen. Een sluiting van zes maanden heette zeer ingrijpend te zijn en, gelet op de huurovereenkomst en de afnameplicht (van dranken), in de praktijk tot een faillissement te kunnen leiden. In zijn beslissing reageert de burgemeester daarop uitsluitend met een verwijzing naar het bestuurlijk verslag van 23 november 2023 en naar de aanvullende toelichting die de commissaris van politie tijdens de hoorzitting gaf, en waaruit ‘wel degelijk’ blijkt dat het café een centrale rol in de drugshandel speelt en wat de omvang van de activiteiten is. ‘Bijgevolg’, aldus de beslissing van de burgemeester, zijn er voldoende redenen voor een sluiting van zes maanden, om de openbare veiligheid en rust te waarborgen en om druggebruikers, kopers en verkopers te ontmoedigen.
  16. Dat (er aanwijzingen zijn dat) er zich in het café zwaarwichtige, illegale activiteiten met betrekking tot de verkoop, aflevering of vergemakkelijking van het gebruik van drugs voordoen, is een vereiste om überhaupt toepassing te mogen maken van artikel 9bis van de drugswet. En voorts strekt elke sluiting op die grond er per definitie toe om de openbare veiligheid en rust, die net door de drugshandel verstoord wordt, te waarborgen. Een en ander stelt er evenwel niet van vrij dat nog altijd te verduidelijken en te verantwoorden blijft waarom in de specifieke omstandigheden van de zaak, inbegrepen het verweer van verzoeksters, met niet minder dan een sluiting van zes maanden kan worden volstaan om de verstoring van de openbare veiligheid en rust door de drugsgebruikers, -kopers en -verkopers tegen te gaan.
  17. Weliswaar betoogt de burgemeester dat hij bij het nemen van zijn X-18.572-4/15 beslissing aandacht heeft besteed aan het verweer dat verzoeksters (op dit stuk) voerden en erop geantwoord heeft, maar dat blijkt noch uit de – maximale – duur zelf van de opgelegde sluiting, noch uit de redengeving van de sluiting.
  18. De conclusie is dat de bestreden sluitingsmaatregel van 5 december 2023 de formelemotiveringsplicht schendt. De omstandigheid dat uiteindelijk, ten gevolge van de sub randnummer 3.4 gerelateerde beslissing, de sluitingsduur van zes maanden, met 27 dagen is verminderd geworden, verandert dat niet.” IV. Ontvankelijkheid Standpunt van de verwerende partij
  19. De verwerende partij werpt op dat de vordering niet voldoet aan een aantal vormvoorschriften en om die reden niet ontvankelijk is. Aangevoerd wordt dat de vordering op geen enkele manier een verwijzing bevat naar artikel 11bis van de wetten op de Raad van State of enige andere rechtsgrond. Bovendien wordt de vordering niet vermeld in een titel “verzoek tot schadevergoeding tot herstel”. Beoordeling
  20. Artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt: “Elke verzoekende of tussenkomende partij die de nietigverklaring van een akte, een reglement, of een stilzwijgend afwijzende beslissing vordert met toepassing van artikel 14, § 1 of § 3, kan aan de afdeling bestuursrechtspraak vragen om haar bij wijze van arrest een schadevergoeding tot herstel toe te kennen ten laste van de steller van de handeling indien zij een nadeel heeft geleden omwille van de onwettigheid van de akte, het reglement of de stilzwijgend afwijzende beslissing, met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en particulier belang. […].” X-18.572-5/15 Artikel 25/1 van het algemeen procedurereglement bepaalt: “Het in artikel 11bis van de gecoördineerde wetten bedoelde verzoek tot schadevergoeding tot herstel kan geformuleerd worden: 1° gelijktijdig met het beroep tot nietigverklaring; 2° of tijdens de procedure tot nietigverklaring; 3° of ten laatste binnen de zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid werd vastgesteld.” Art. 25/2 van het algemeen procedurereglement luidt: “§
  21. Wanneer het verzoek tot schadevergoeding tot herstel geformuleerd wordt in dezelfde akte als het beroep tot nietigverklaring, bevat de titel van het verzoekschrift bovendien de vermelding ‘verzoek tot schadevergoeding tot herstel’. Het verzoekschrift bevat het bedrag van de gevraagde vergoeding en een uiteenzetting die aantoont welk nadeel geleden wordt door de onwettigheid van de akte, het reglement of de stilzwijgend afwijzende beslissing. §
  22. Wanneer het verzoek tot schadevergoeding tot herstel geformuleerd wordt bij een afzonderlijke akte van het verzoekschrift tot nietigverklaring, wordt deze akte gedateerd en ondertekend door de partij of een advocaat die beantwoordt aan de in artikel 19, vierde lid, van de gecoördineerde wetten vastgelegde bepalingen. In dit geval bevat het verzoekschrift tot schadevergoeding tot herstel bovendien: 1° de titel ‘verzoek tot schadevergoeding tot herstel’; 2° het kenmerk van het beroep tot nietigverklaring of van het desbetreffende arrest; 3° de naam, hoedanigheid en woonplaats of zetel van de partij die de schadevergoeding aanvraagt, evenals de gekozen woonplaats bedoeld in artikel 84, § 2, eerste lid; 4° het bedrag van de gevraagde vergoeding en een uiteenzetting die aantoont welk nadeel geleden wordt door de onwettigheid van de akte, het reglement of de stilzwijgend afwijzende beslissing. §
  23. De stukken die het verzoek staven worden bijgevoegd bij het verzoekschrift, samen met een inventaris. Ze zijn alle overeenkomstig die inventaris genummerd. §
  24. De artikelen 2, § 2, en 3, 4°, zijn van toepassing op het verzoekschrift tot schadevergoeding tot herstel. Bovendien, onverminderd de toepassing van artikel 3bis, wordt dit verzoekschrift niet op de rol ingeschreven indien de vermeldingen bedoeld in paragrafen 1 en 2 er niet hernomen worden of indien er geen inventaris bedoeld in paragraaf 3 is bijgevoegd. In geval van toepassing van het tweede lid, richt de hoofdgriffier aan de verzoekende partij een brief waarin meegedeeld wordt waarom het verzoekschrift niet is ingeschreven op de rol en waarbij die partij verzocht wordt binnen vijftien dagen haar verzoekschrift te regulariseren. De verzoekende partij die haar verzoekschrift regulariseert binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek bedoeld in het derde lid, wordt geacht het te hebben ingediend op de X-18.572-6/15 datum van de eerste verzending ervan. Een verzoekschrift dat niet, onvolledig of laattijdig is geregulariseerd, wordt geacht niet te zijn ingediend.”
  25. Uit de bewoordingen van de memorie van wederantwoord van de verzoekende partijen blijkt duidelijk dat zij een vergoeding vorderen tot herstel van het nadeel dat zij hebben geleden door de ingeroepen onwettigheden. Er kan dan ook geen twijfel over bestaan dat zij hun vordering steunen op artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
  26. Voorts toont de verwerende partij niet aan dat een verzoek tot schadevergoeding tot herstel onontvankelijk zou zijn om de loutere reden dat het procedurestuk niet op de eerste bladzijde het opschrift “verzoek tot schadevergoeding tot herstel” bevat.
  27. De exceptie wordt verworpen. V. Gegrondheid van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel Standpunt van de partijen
  28. De verzoekende partijen lichten hun verzoek als volgt toe: “Indien de onwettige beslissing niet genomen was, zou het café niet gesloten geweest zijn, en zouden verzoekers die maanden inkomsten kunnen verwerven. Het verlies aan inkomsten tijdens deze verplichte sluiting is een schade die zeker voor vergoeding in aanmerking moet komen. Daarnaast is er tevens op zijn minst reputatieschade, dat aldus met een nietigverklaring niet wordt hersteld. Voor [eerste verzoekster] zelf is er ook bijkomend de morele schadevergoeding. Verzoekers begroten hun schadevergoeding als volgt: A. [Eerste verzoekster] - Inkomstenverlies december tot en met april: 5 maanden x 1.000 euro= 5.000 euro - Morele schadevergoeding: 10.000 euro Verzoeker legt haar loonfiches voor anno 2023 en de individuele rekening. X-18.572-7/15 Gezien de zaak werd gesloten en er geen inkomsten waren voor de andere verzoeker, kon verzoekster zichzelf geen loon uitkeren. Er is altijd de vrees geweest om de huur niet meer te kunnen betalen en op straat terecht te komen met haar kinderen (o.a. ook een dochter die pas op 6 januari 2024 – in de gevangenis trouwens – werd geboren). Zij heeft bovendien recht op een morele schadevergoeding gezien het geen betoog hoeft dat de schrik om haar zaak te verliezen, de druk van de verhuurder en de afnameplicht, de schrik om op straat terecht te komen enz. een enorme last zijn op haar schouders. Daarnaast werd zij aan de schandpaal genageld door op de deur van haar zaak aan te plakken dat het er een drugkot was, quod non […], zodat gans Middelkerke uiteraard een bepaalde stempel heeft gedrukt op haar voorhoofd. Nochtans is haar betrokkenheid eerder gering […] en was er absoluut geen reden om haar te straffen met een sluiting van dermate lange periode. Het is voor haar een werkelijke lijdensweg geweest. Er is vandaag nog steeds de schrik of ze het hoofd boven water zal kunnen houden en of een faillissement te vermijden zal vallen. Verzoekster vordert tevens vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet op bovenvermeld bedrag vanaf 28.11.2023, ondergeschikt minstens vanaf 05.12.2023, tot datum van arrest en meer de gerechtelijke interesten vanaf datum arrest tot de dag der algehele betaling, tevens aan de wettelijke interestvoet. B. [De tweede verzoekende partij] - Inkomstenverlies: 52.000 euro - Reputatieschade: 10.000 euro Verzoekster legt afdoende stukken voor omtrent haar omzet van de afgelopen jaren. Recentelijk werd ook bij de boekhouder een raming gevraagd van de omzet van 2023 voor de periode van 1 december 2022-30 april 2023, zijnde een bedrag van +/- 52.000 euro. Tevens worden alle inschrijvingen in het dagontvangstenboek per maand en kopie van de facturen […] voorgelegd ter staving van de cijfers. Dit jaar zou er gegarandeerd minstens een evenwaardig inkomen geweest zijn, zelfs misschien meer. Verzoekster vordert naar analogie met vorig jaar het omzetverlies. Daarnaast is er de reputatieschade. Het verkrijgen van een vernietigingsarrest is geen morele voldoening. De reputatieschade is hiermee absoluut niet hersteld. Verzoekster vordert tevens vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet op bovenvermeld bedrag vanaf 28.11.2023, ondergeschikt minstens vanaf 05.12.2023, tot datum van arrest en meer de gerechtelijke interesten vanaf datum arrest tot de dag der algehele betaling, tevens aan de wettelijke interestvoet.”
  29. De verwerende partij betwist het verzoek om de volgende redenen: X-18.572-8/15 “Verzoekende partijen dienen […] het bewijs te leveren van het vereiste oorzakelijk verband tussen de bij het arrest nr. 261.803 dd. 18 december 2024 vastgestelde onwettigheid én het nadeel dat zij aanvoeren. Ook moeten de verzoekende partijen hun vordering staven met concrete elementen, die de Raad van State toelaten de schade vast te stellen. Uit deze concrete bewijsstukken moet blijken dat het vermeend door [v]erzoekende partijen geleden nadeel zich niet zou hebben voorgedaan zonder die vastgestelde onwettigheid én dat het nadeel door hen correct werd gewaardeerd. a) Gebrek aan enig oorzakelijk verband […] Het dient benadrukt te worden dat door [v]erzoekende partijen niet wordt bewezen dat het door hen ingeroepen geleden nadeel zich niet zou hebben voorgedaan zonder de vastgestelde onwettigheid. Elk oorzakelijk verband tussen de ingeroepen onwettigheid én het nadeel dat wordt aangevoerd, ontbreekt. […] De bestreden beslissing werd vernietigd enkel op grond van een schending van de formele motiveringsplicht. Een schending van de formele motiveringsplicht staat niet in causaal verband met de gevorderde schade. Indien de Verzoekende partijen kennis hadden gehad van de motieven dan had de schade zich nog steeds voorgedaan. De schending van de materiële motiveringsplicht werd door uw Raad niet weerhouden zodat vast staat dat de beslissing wel degelijk steunde op draagkrachtige motieven. Er is dus duidelijk geen causaal verband tussen de onwettigheid die uw Raad in het arrest nr. 261.803 heeft vastgesteld én de schade. […] Bijkomend dient te worden opgemerkt dat het in casu geenszins vaststaat dat café [D.] enkel en alleen door de bestreden beslissingen moest worden gesloten van 5 december 2023 tot en met 30 april
  30. Op het moment dat de verplichte sluiting van het café [D.] werd uitgesproken, zat [eerste verzoekster], zijnde de enige zaakvoerster én uitbaatster van het café, immers in voorlopige hechtenis. Er waren ernstige aanwijzingen van schuld tegen haar. Zonder deze ernstige aanwijzingen van schuld zouden de onderzoeksrechter en de raadkamer immers niet tot voorlopige hechtenis hebben besloten. Dit werd bovendien bevestigd door het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge waarbij [eerste verzoekster] werd veroordeeld tot onder anderen een gevangenisstraf […]. Tijdens deze periode van voorlopige hechtenis was [eerste verzoekster], los van de bestreden beslissingen, in de absolute onmogelijkheid om fysieke prestaties in het café te verrichten. [Eerste verzoekster] kwam slechts op 6 februari 2024 onder voorwaarden vrij. Deze periode van de voorlopige hechtenis van [eerste verzoekster] van 5 december 2023 tot 6 februari 2024 kan hierdoor onder geen enkel beding in aanmerking komen voor enige vergoeding ten voordele van [v]erzoekende partijen. Verzoekende partijen voeren ook geen enkel stuk aan waaruit blijkt dat het café wel had kunnen open blijven. […] Bijkomend moet hierbij nog gewezen worden op het feit dat [eerste verzoekster] is bevallen van een dochter op 6 januari 2024 terwijl zij in X-18.572-9/15 voorlopige hechtenis zat in de gevangenis. Binnen de vernietigingsprocedure werd uitdrukkelijk door [v]erzoekende partijen aangegeven dat het café wel degelijk zou worden gesloten voor zwangerschapsrust. In elk geval zou [eerste verzoekster] verplicht zijn geweest om overeenkomstig de van toepassing zijnde wetgeving gedurende drie weken bevallingrust te nemen, zijnde verplicht één week voor de vermoedelijke bevallingsdatum én twee weken na de bevallingsdatum. Deze periode van drie weken verplichte rust kan dan ook geenszins voor vergoeding in aanmerking komen. […] Meer nog, een mogelijke normale (her)opstart van café [D.] na de vrijlating van [eerste verzoekster] was ook hierna weinig waarschijnlijk. De advocate van [eerste verzoekster] vroeg immers pas op 16 april 2024 […] om terug te mogen heropenen naar aanleiding van de kermis vanaf 16 mei
  31. Verwerende partij is hierop ingegaan en heeft de heropening toegestaan vanaf 1 mei
  32. Door [v]erzoekende partijen wordt een mogelijke (her)opstart na 6 februari 2024 derhalve niet aangetoond. Het is evenwel aan [v]erzoekende partijen om te bewijzen dat zulks wel het geval zou geweest zijn en dat aldus voor wat betreft de periode 6 februari 2024 tot 30 april 2024 er wel een causaal verband bestaat. […] b) Afwezigheid van enig bewijs van geleden schade […] Tenslotte wordt de door [v]erzoekende partijen gevorderde gel[e]den schade ook geenszins correct geraamd, laat staan bewezen. […] De vermeend geleden schade wordt door Verzoekende partijen veel te algemeen becijferd en dit zonder enige concrete berekening of duidelijke link naar enige stuk uit de gevoegde stukkenbundel. Dit is niet ernstig, noch zorgvuldig. […] Desalniettemin wordt in wat volgt, voor zover als mogelijk, door [v]erwerende partij in detail ingegaan op hogervermelde schaderaming van [v]erzoekende partijen.

(1)Gevorderde inkomensverlies in hoofde van [eerste verzoekster] (5.000 Euro) […] Het dient benadrukt […] te worden dat loonfiches van de periode 01.01.2023-31.12.2023 of een overzicht van de individuele rekening van [eerste verzoekster] in de periode 01.01.2023-31.12.2023 niet voldoende zijn teneinde aan te tonen dat [eerste verzoekster] bij het openblijven van café [D.] effectief recht had op een vergoeding van 1.000 Euro per maand in de betrokken periode. Het stukkenbundel van [v]erzoekende partijen bevat geen enkel stuk waaruit blijkt dat [eerste verzoekster] als zaakvoerster en uitbaatster van het café sowieso recht had op enige vergoeding. Er wordt geen management- of arbeidsovereenkomst bijgevoegd. […] [Er] wordt in casu noch bewezen dat [eerste verzoekster] überhaupt in de periode december tot en met april 2024 recht had op enig inkomen vanuit café [D.], noch bewezen dat, als zij toch effectief aanspraak kon maken op enig inkomen vanuit het café, zij zichzelf geen loon kon laten uitkeren door X-18.572-10/15 [de tweede verzoekende partij] Ook brengt [eerste verzoekster] niet het bewijs bij van het hierbij effectief door haar gevorderde bedrag t.b.v. 5.000 Euro.
(2)Gevorderde morele schadevergoeding in hoofde van [eerste verzoekster] (10.000 Euro) […] Niet [v]erwerende partij, doch wel [eerste verzoekster] zelf zorgde ervoor dat haar café in verband werd gebracht met drugsdelicten en enkel zij bevond zich in voorhechtenis. Deze feiten waren ook zonder de verplichte sluiting bekend bij het publiek. […]
(3)Gevorderde inkomensverlies in hoofde van [de tweede verzoekende partij] (52.000 Euro) […] Op basis van het stukkenbundel van [v]erwerende partijen, meer in het bijzonder de stukken 8 en 9, zijnde jaarverslagen […] 01.01.2021- 31.12.2021 en 01.01.2022-31.12.2022, dient evenwel te worden vastgesteld dat de brutomarge van de BV in 2021 slechts 13.636 Euro en in 2022 slechts 23.608 Euro bedroeg. […] Hiernaast wordt door [de tweede verzoekende partij] ter staving van de vermeend door haar geleden schade verwezen naar een raming van haar boekhouder zonder datum en een dagontvangstenboek per maand en facturen […]. Ook deze stukken zijn geenszins relevant. Met deze stukken wordt enkel een door de boekhouder […] geraamde omzet voor de periode 1 december 2022 – 30 april 2023 aangetoond. Deze periode komt niet overeen met de periode van effectieve sluiting van café [D.] op basis van de bestreden beslissingen, zijnde van 5 december 2023 tot en met 30 april 2024. […] Bovendien kan een vermeend misgelopen omzet bezwaarlijk als effectieve schade worden aanvaard. De sluiting van café [D.] had vanzelfsprekend ook een impact op de normale kosten en uitgaven in de betrokken periode […]. […] Tenslotte staat het, in tegenstelling tot wat [v]erzoekende partijen trachten voor te houden, allerminst vast dat [de tweede verzoekende partij] een aan de vorige boekjaren evenwaardig inkomen zou bekomen hebben na de vele politionele tussenkomsten en de voorlopige hechtenis van [eerste verzoekster], dewelke inmiddels publiek bekend zijn. […]
(4)Gevorderde reputatieschade in hoofde van [de tweede verzoekende partij] (10.000 Euro)
  1. Door [de tweede verzoekende partij] wordt een reputatieschade ten bedrage van 10.000 Euro gevorderd. Er kan evenwel geen sprake zijn van enige reputatieschade in hoofde van een handelszaak. Mocht er vooralsnog sprake zijn van reputatieschade, dan vloeit die bovendien niet voort uit de bestreden beslissingen, maar wel uit de feiten die eraan ten grondslag liggen, zijnde de bijzonder ernstige druggerelateerde feiten. Deze werden bovendien vastgesteld in een vonnis zodat er geen sprake X-18.572-11/15 meer kan zijn van een vermoeden van onschuld. Het gevorderde bedrag van 10.000 Euro wordt op geen enkele manier met stukken onderbouwd, laat staan bewezen.” Beoordeling
  2. Opdat de Raad van State de verzoekende partijen een schadevergoeding tot herstel kan toekennen ten laste van de steller van de handeling, dienen zij aan te tonen dat zij een nadeel hebben geleden als gevolg van de onwettigheid van de vernietigde akte.
  3. Wanneer het beroep tot nietigverklaring zoals in casu heeft geleid tot een vernietigingsarrest, komt het de verzoekende partijen toe aan te tonen dat de vastgestelde onwettigheid de rechtstreekse oorzaak is van het door de verzoekende partijen geleden nadeel dat niet (volledig) is hersteld door de tussengekomen vernietiging. De verzoekende partijen moeten ook het bewijs leveren dat het nadeel zich niet zou hebben voorgedaan zonder die vastgestelde onwettigheid.
  4. De vastgestelde onwettigheid te dezen bestaat erin dat niet werd gemotiveerd “waarom in de specifieke omstandigheden van de zaak, inbegrepen het verweer van verzoeksters, met niet minder dan een sluiting van zes maanden kan worden volstaan om de verstoring van de openbare veiligheid en rust door de drugsgebruikers, - kopers en -verkopers tegen te gaan”. Het is de schade ten gevolge hiervan, en niet de schade ten gevolge van een sluiting op zich, die tot een schadevergoeding tot herstel aanleiding kan geven. In dit verband wordt, niet zonder relevantie, in het voormelde arrest nr. 261.803 van 18 december 2024, sub nr. 7, zelfs uitdrukkelijk overwogen dat de verzoekende partijen er kennelijk in berusten “dat er voor de burgemeester goede redenen waren om tot een sluiting met toepassing van artikel 9bis van de drugswet over te gaan”.
  5. De Raad van State neemt aan dat, in de concrete omstandigheden van de zaak, het nadeel dat de onwettigheid heeft toegebracht, bestaat in de reële mogelijkheid dat de sluitingsperiode tot drie maanden beperkt ware geweest, dus X-18.572-12/15 tot begin maart
  6. Nu de opgelegde en ondergane sluiting in de praktijk tot 1 mei 2024 heeft geduurd, wordt aangenomen dat de schade ten gevolge van de vastgestelde onwettigheid bestaat in de reële mogelijkheid dat de sluitingsperiode twee maanden korter ware geweest.
  7. Eerste verzoekster, zaakvoerster van de betrokken inrichting, verzoekt om de vergoeding van het financieel verlies dat zij heeft geleden door het feit dat zij gedurende de sluitingsperiode niet als zaakvoerster heeft kunnen opereren en de vergoeding van haar morele schade. Eerste verzoekster is niet de geadresseerde van de beslissing van de verwerende partij. Haar schade gaat wezenlijk terug op haar relatie met de tweede verzoekende partij. De door eerste verzoekster ingeroepen schade vloeit bijgevolg onvoldoende rechtstreeks uit de sluiting voort.
  8. Ten aanzien van de tweede verzoekende partij komt het auditoraatsverslag tot het besluit dat er voor de betrokken periode redelijkerwijze van kan worden uitgegaan dat er een maandelijkse omzet van 10.726,32 euro zou zijn geweest. De Raad van State sluit zich daarbij aan. Om de betrokken maandelijkse omzet te kunnen genereren, dienen uiteraard ook diverse kosten te worden gemaakt, zoals de aankoop van verbruiksgoederen, die door de sluiting konden worden vermeden. De Raad van State neemt aan dat de door de sluiting vermeden kosten de helft van de omzet bedragen. Het besluit is dat er reden is om aan de tweede verzoekende partij een schadevergoeding tot herstel van 10.726,32 euro toe te kennen.
  9. Wat de gevorderde vergoeding wegens reputatieschade betreft, maken de verzoekende partijen niet aannemelijk dat de imagoschade die zij X-18.572-13/15 beweren te hebben geleden, niet reeds door het tussengekomen vernietigingsarrest wordt hersteld.
  10. In het verzoekschrift wordt gevraagd om de schadevergoeding te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet tot de uiteindelijke dag van betaling. Er is geen reden om deze vraag af te wijzen. De tweede verzoekende partij heeft dan ook recht op vergoedende intresten vanaf 1 maart 2024 tot aan de datum van het voorliggende arrest. Zij heeft bovendien recht op verwijlintresten vanaf de datum van het voorliggende arrest tot de volledige betaling van het bedrag van de schadevergoeding.
  11. Wat de gevorderde rechtsplegingsvergoeding betreft, ziet de Raad van State geen reden om af te wijken van de basisrechtsplegingsvergoeding. BESLISSING
  12. De Raad van State verwerpt het verzoek om schadevergoeding tot herstel ten aanzien van eerste verzoekster.
  13. De Raad van State veroordeelt de gemeente Middelkerke tot betaling van een schadevergoeding tot herstel aan de bv L.B. ten bedrage van 10.726,32 euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 1 maart 2024 tot heden en met de verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf heden tot de volledige betaling van het bedrag van de schadevergoeding.
  14. Eerste verzoekster wordt verwezen in de kosten van het verzoek om schadevergoeding tot herstel wat haar betreft, begroot op een rolrecht van 200 euro.
  15. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het verzoek om schadevergoeding tot herstel wat de tweede verzoekende partij betreft, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een X-18.572-14/15 rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de tweede verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Jan Clement X-18.572-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.277 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.788 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.803 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.