← België

Arrest 265279 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 22/12/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.279 Rolnummer: A. 246220/XII-9936 Zaak: Arrest 265279 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 22/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-22 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-15 09:58 Fiche Arrest nr 265.279 van 22 december 2025 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 265.279 van 22 december 2025 in de zaak A. 246.220/XII-9936 In zake: de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5381 BILZEN-HOESELT-RIEMST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steven Van Geeteruyen en Jef Goffings kantoor houdend te 3700 Tongeren-Borgloon Piepelpoel 13 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 24 oktober 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van de lokalepolitiezone Bilzen-Hoeselt-Riemst waarbij de tussenkomende partij wordt aangesteld als inspecteur van politie. XII-9936-1/19 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij beschikking van 27 oktober 2025 werd de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 december 2025. De nota met opmerkingen, het administratief dossier en het verzoek tot tussenkomst werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthias Boydens, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Jef Goffings, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Els Baeyens, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De tussenkomende partij is inspecteur van politie bij de verzoekende partij. Bij zijn aanwerving wordt hem meegedeeld dat hij een aanwezigheidstermijn van acht jaar in acht moet nemen, wat wordt verduidelijkt als dat hij vanaf het ogenblik dat hij het ambt van inspecteur opneemt, gedurende acht jaar geen mobiliteit kan maken naar een andere politiezone. XII-9936-2/19 3.2. Het koninklijk besluit van 25 juli 2024 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 april 2000 houdende de indeling van het grondgebied van de provincie Antwerpen in politiezones’ (hierna: koninklijk besluit van 25 juli 2024) wijzigt de indeling van het grondgebied van de provincie Antwerpen in politiezones. Met ingang van 8 augustus 2024 – datum van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van het voormelde koninklijk besluit – wordt de lijst van politiezones aangevuld met de zones “Boechout/Mortsel/ Wijnegem/Wommelgem” en “Antwerpen/Borsbeek” (artikel 1, 1° en 2°). Het koninklijk besluit van 25 juli 2024 bepaalt voorts dat in het koninklijk besluit van 28 april 2000 ‘houdende de indeling van het grondgebied van de provincie Antwerpen in politiezones’ de vermeldingen in de lijst van de politiezones van “Antwerpen” en “Boechout/Borsbeek/Mortsel/Wijnegem/Wommelgem” worden opgeheven (artikel 1, 3°) en dat de vermelding in die lijst van “Antwerpen/Borsbeek” wordt vervangen door “Antwerpen” (artikel 2). De artikelen 1, 3°, en 2 treden evenwel pas in werking “op de dag van de instelling van de lokale politie van de in artikel 1, 1° en 1, 2° bedoelde politiezones, zijnde 1 januari 2025”. In plaats van de oude politiezones Boechout/Borsbeek/Mortsel/Wijnegem/Wommelgem en Antwerpen ontstaan met ingang van 1 januari 2025 aldus twee nieuwe politiezones, met name de politiezones Boechout/Mortsel/Wijnegem/Wommelgem (zonder Borsbeek, hierna: politiezone MINOS) en Antwerpen (mét Borsbeek). De aanhef van het koninklijk besluit van 25 juli 2024 vermeldt onder meer: “[…] Gelet op de goedkeuring van de gemeenteraden van het advies van de korpschefs van de politiezones MINOS en ANTWERPEN inzake de naamlijst van de personeelsleden die worden overgeheveld naar de politiezone ANTWERPEN, de inventaris van de roerende goederen die worden overgedragen en de regeling betreffende de overname van de lopende geschillenprocedures met ingang op 1 januari 2025; XII-9936-3/19 Gelet op de met redenen omklede aanvraag van de gemeenteraden van Boechout, Borsbeek, Mortsel, Wijnegem, Wommelgem en Antwerpen tot andere wijziging van de grenzen van de politiezones MINOS en ANTWERPEN; Overwegende dat de vrijwillige samenvoeging van de gemeente Borsbeek en de stad Antwerpen aanleiding geeft tot een andere wijziging van de grenzen van de politiezones MINOS en ANTWERPEN; dat deze wijziging resulteert in de gelijktijdige inrichting van nieuwe politiezones; Overwegende dat de aanvraag tot andere wijziging van de grenzen van de politiezones uitgaat van alle betrokken gemeenteraden, zowel de gemeenteraden van de politiezone die zich opsplitst (i.c. PZ MINOS), als die van de reeds ingestelde politiezone (i.c. PZ ANTWERPEN) waarin de afscheidingsgemeente zal worden opgenomen; dat het van belang is het aandeel te bepalen dat elk van de nieuwe politiezones toekomt na de splitsing; dat een regeling werd uitgewerkt m.b.t. de verdeling van het personeelsbestand, de goederen en de overname van de lopende geschillenprocedures; Overwegende dat in het kader van een andere wijziging van de grenzen van de politiezones, de overgang van de vorige politiezones naar de nieuwe politiezones een zekere chronologie moet volgen; Overwegende dat wanneer de vaststelling van het territoriale ambtsgebied van de nieuwe politiezones de installatie van haar beheersorganen toelaat, de effectieve oprichting van de lokale politie van de nieuwe politiezones zich slechts later zal voordoen; Overwegende dat de vorige politiezones moeten blijven bestaan om de werking van de bestaande politiekorpsen en beheersorganen juridisch te rechtvaardigen tot op het moment van het instellen van de lokale politie van de nieuwe politiezones; dat de lokale politie van de vorige politiezones in tussentijd actief blijft; Overwegende dat de prerogatieven van de organen van de vorige politiezones beperkt blijven tot de handelingen die voortvloeien uit het dagelijkse beheer, die gaan over de dringende zaken of die betrekking hebben op de lopende zaken; Overwegende dat de bevoegdheden van de politieraad en het politiecollege in de nieuwe politiezones, respectievelijk zullen worden uitgeoefend door alle betrokken gemeenteraden en alle betrokken burgemeesters van die nieuwe politiezones tot aan de instelling van de lokale politie.” 3.3. Met ingang van 1 januari 2025 fusioneert de voormalige gemeente Borsbeek met de stad Antwerpen. 3.4. Op 4 juni 2025 verklaart de politieraad van de verwerende partij een plaats van inspecteur vacant. De tussenkomende partij stelt zich hiervoor kandidaat via mobiliteit op 24 juli 2025. In zijn kandidaatstelling verantwoordt de tussenkomende partij waarom hij meent niet aan de aanwezigheidstermijn te moeten voldoen om in aanmerking te komen voor mobiliteit: XII-9936-4/19 “Echter, ik wens een beroep te doen op de statutaire uitzonderingsbepaling van artikel 257quinquies/3 van de Wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna: Wet van 7 december 1998), waarvan ik meen dat deze op mijn situatie van toepassing is ingevolge artikel 257quinquies/11 van dezelfde wet. Deze laatste bepaling stelt uitdrukkelijk dat artikel 257quinquies/3 ook van toepassing is op nieuwe politiezones die het resultaat zijn van een wijziging van de grenzen van de politiezones, anders dan door een vrijwillige samensmelting. Zoals vastgesteld in het Koninklijk Besluit van 25 juli 2024, zijn er met ingang van 1 januari 2025 twee nieuwe politiezones opgericht ingevolge een wijziging van de grenzen: de nieuwe politiezone MINOS (thans zonder Borsbeek) en de nieuwe politiezone Antwerpen (bestaande uit de nieuwe stad Antwerpen, zijnde een fusie van de oude stad Antwerpen en Borsbeek). Hierdoor werden alle personeelsleden overgeheveld naar de nieuw opgerichte politiezones. Uit het samenlezen van artikel 91/11 en artikel 9, derde lid van de Wet van 7 december 1998 volgt dat een wijziging van de politiezones op een andere wijze dan vrijwillige samensmelting leidt tot de oprichting van ‘nieuwe’ politiezones. De gewijzigde geografische grenzen impliceren dat de oude politiezones Antwerpen en MINOS ophouden te bestaan en vervangen worden door nieuwe entiteiten, ongeacht de behoud van hun benaming. Dit wordt bevestigd in de aanhef van het KB van 25 juli 2024, dat de indeling van het grondgebied van de provincie Antwerpen in politiezones wijzigt, met name door de fusie van de gemeente Borsbeek met de stad Antwerpen. Vervolgens worden alle personeelsleden van de voormalige zones MINOS en Antwerpen per 1 januari 2025 overgeheveld naar de nieuwe zones. Artikel 257quinquies/3, § 1, bepaalt dat personeelsleden die worden overgeheveld naar een nieuwe politiezone niet gebonden zijn aan de aanwezigheidstermijn om in aanmerking te komen voor mobiliteit. Artikel 257quinquies/11 verklaart deze bepaling ook uitdrukkelijk van toepassing op politiezones die ontstaan door een wijziging van de grenzen, zoals hier het geval is. Bijgevolg ben ik van oordeel dat sinds 1 januari 2025 een nieuwe politiezone Antwerpen is ingesteld, dat ik als personeelslid van de oude politiezone Antwerpen naar deze nieuwe politiezone ben overgeheveld, en dat ik in toepassing van artikel 257quinquies/3, § 1, samengelezen met artikel 257quinquies/11 van de Wet van 7 december 1998, niet gebonden ben aan de aanwezigheidstermijn om in aanmerking te komen voor mobiliteit. Ik ben derhalve van mening dat ik op geldige wijze een beroep kan doen op een statutair bepaalde uitzondering, waardoor ik geen volledige aanwezigheidstermijn hoef te volbrengen alvorens deel te nemen aan een mobiliteitsprocedure.” 3.5. Op 29 augustus 2025 stelt het politiecollege van de verwerende partij de tussenkomende partij aan als inspecteur. Dit is de bestreden beslissing. XII-9936-5/19 IV. Tussenkomst 4. XXXX blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet zijn verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. V. Schorsingsvoorwaarden 5. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van deze beslissing prima facie kan worden verantwoord. VI. Ernst van het enig middel Uiteenzetting van het middel 6. In een enig middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 257quinquies/1, 257quinquies/3, § 1, 257quinquies/11, eerste en tweede streepje, en 257quinquies/12, van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: wet van 7 december 1998). 7. Artikel 2, § 1, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemene procedureregeling) is op grond van artikel 4, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ van toepassing op een vordering tot XII-9936-6/19 schorsing waarin, zoals te dezen, het verzoekschrift tot nietigverklaring nog niet eerder is ingediend. De vordering moet bijgevolg een samenvatting van het middel bevatten als voor het middel een verdere uiteenzetting nodig is. Luidens het voornoemde artikel 2, § 1, derde lid, van de algemene procedureregeling kan de ontstentenis van de samenvatting van de grief niet leiden tot de niet- ontvankelijkheid van het middel, maar luidens het verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 21 juli 2023 ‘tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ dat deze verplichting invoerde, heeft “die ontstentenis […] als enig mogelijk gevolg voor de verzoeker dat de draagwijdte van zijn grief niet correct samengevat en dus begrepen wordt in het verslag van de auditeur en in het arrest” (BS 26 juli 2023, Ed. 2, 62.630). Te dezen bevat het verzoekschrift weliswaar een uiteenzetting van het middel, maar geen samenvatting van de grieven in de zin van de voornoemde bepalingen, terwijl de verzoekende partij wel aan de hand van zeer omstandige toelichtingen concreter ingaat op de argumenten die volgens haar het middel ondersteunen. Uit wat voorafgaat, volgt dat, zeker in een kortgedingprocedure, de verzoekende partij moet verdragen dat de Raad van State de grieven samenvat en begrijpt zoals hierna wordt gedaan. 8. De verzoekende partij zet uiteen dat een fundamenteel onderscheid moet worden gemaakt tussen een fusie en een defusie van politiezones, wat als gevolg heeft dat de respectieve procedures elk worden geregeld door andere hoofdstukken in titel II van de wet van 7 december 1998, met name de hoofdstukken VII en VIII. Gelet op de eigen logica van een fusie en een defusie zijn de gevolgen ervan eveneens afzonderlijk geregeld in titel VIII van de wet van 7 december 1998, met name in de hoofdstukken V, van toepassing bij een fusie, en VI, van toepassing bij een defusie. Gelet op de gelijkenissen tussen een XII-9936-7/19 fusie en een defusie, zijn bepaalde artikelen die de gevolgen van een fusie regelen, ook van toepassing verklaard bij een defusie. De verzoekende partij verwijst in dat verband naar artikel 257quinquies/11 van de wet van 7 december 1998, waaruit zij afleidt dat de in dat artikel neergelegde rechten, plichten en overgangsmechanismen niet verder reiken dan de personen of posten die zijn opgenomen op de naamlijst bedoeld in artikel 257quinquies/12 van de wet van 7 december 1998. De verzoekende partij voegt daaraan toe dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de actieve overdracht van personeelsleden naar een andere politiezone en de passieve doorstroming van personeelsleden bij de defusie. Volgens de verzoekende partij worden enkel de personeelsleden die worden vermeld op de naamlijst bedoeld in artikel 257quinquies/12 van de wet van 7 december 1998 effectief overgeheveld, zodat bij een defusie artikel 257quinquies/1 van de wet van 7 december 1998 in die zin moet worden geïnterpreteerd dat de overdracht van personeelsleden enkel betrekking heeft op de personeelsleden opgenomen op de naamlijst. Dat heeft volgens de verzoekende partij bij een defusie ook gevolgen voor de toepassing van artikel 257quinquies/3 van de wet van 7 december 1998. Ook die bepaling moet in die zin worden geïnterpreteerd dat zij enkel de overgehevelde personeelsleden betreft die op de naamlijst voorkomen. Voor de andere personeelsleden is er geen sprake van een overheveling, maar van een doorstroming. De verzoekende partij wijst erop dat bij de defusie van de politiezone MINOS en de politiezone Antwerpen een blanco naamlijst werd opgesteld, wat betekent dat geen enkel personeelslid van de ene politiezone werd overgeheveld naar de andere. Ook de tussenkomende partij komt niet voor op de naamlijst en kan dus niet als een overgeheveld personeelslid in de zin van artikel 257quinquies/3 van de wet van 7 december 1998 worden beschouwd. Voorts benadrukt de verzoekende partij het onderscheid tussen een vrijwillige samensmelting van politiezones en een territoriale hertekening van bestaande politiezones. Hoewel artikel 91/11 van de wet van 7 december 1998 spreekt over de gelijktijdige inrichting van verscheidene “nieuwe” politiezones, ingevolge de splitsing van één of meer vorige meergemeentepolitiezones, blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat dit begrip niet in de letterlijke betekenis mag worden geïnterpreteerd. De term “nieuw” dient louter als een juridische fictie, daar de politiezones MINOS en Antwerpen niet zijn opgehouden te bestaan; enkel hun XII-9936-8/19 territoriaal ambtsgebied werd aangepast. De verzoekende partij licht verder toe dat haar interpretatie aansluit bij de principes vervat in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis, die weliswaar enkel van toepassing is op de privésector, maar waarvan de onderliggende logica ook is terug te vinden in de richtlijn nr. 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 ‘inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen’ (hierna: richtlijn 2001/23/EG). Volgens de verzoekende partij moet het begrip “nieuwe politiezone” in artikel 257quinquies/3 van de wet van 7 december 1998 worden geïnterpreteerd in het licht van de feitelijke overdracht van personeelsleden. Enkel personeelsleden die via de naamlijst zoals bedoeld in artikel 257quinquies/12 van de wet van 7 december 1998, effectief zijn overgedragen, kunnen zich beroepen op de vrijstelling van de (verlengde) aanwezigheidstermijn. Personeelsleden reeds in dienst bij de ontvangende politiezone blijven verbonden aan dezelfde werkgever, zodat er voor hen geen sprake is van een overheveling en, bijgevolg, zij zich niet kunnen beroepen op de uitzonderingsregeling. De verzoekende partij besluit dat de verwerende partij rekening had moeten houden met de correcte draagwijdte en interpretatie van de relevante bepalingen van de wet van 7 december 1998. Beoordeling 9. Artikel 9, derde lid, van de wet van 7 december 1998 luidt: “Dit artikel is eveneens van toepassing op de wijziging van de grenzen van de vastgestelde politiezones, andere dan die bedoeld in Titel II, Hoofdstuk VII, voor zover dit niet tot gevolg heeft dat het aantal zones vastgelegd in uitvoering van het eerste lid wordt overschreden.” Artikel 91/11 van de wet van 7 december 1998 luidt: “De wijziging bedoeld in artikel 9, derde lid, geeft aanleiding tot de gelijktijdige inrichting van verscheidene nieuwe politiezones ingevolge de splitsing van één of meer vorige meergemeentepolitiezones. Die wijziging moet een operationele of organisatorische meerwaarde hebben.” Artikel 257quinquies/1 van de wet van 7 december 1998 luidt: XII-9936-9/19 “De personeelsleden van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de vorige politiezones worden respectievelijk overgeheveld naar het operationeel kader en het administratief en logistiek kader van de lokale politie van de nieuwe politiezone.” Artikel 257quinquies/3 van de wet van 7 december 1998 luidt: “§ 1. Het personeelslid overgeheveld naar een nieuwe politiezone is niet gebonden door de aanwezigheidstijd die vereist is om in aanmerking te komen voor de mobiliteit. § 2. De overheveling van het personeelslid naar de nieuwe politiezone wordt niet beschouwd als een verandering van werkgever voor de toepassing van de statutaire bepalingen. § 3. Als de overheveling naar de nieuwe politiezone een verandering van gewone werkplaats met zich meebrengt voor een contractueel personeelslid, dan maakt dit het voorwerp uit van een aanhangsel bij zijn arbeidsovereenkomst.” Artikel 257quinquies/11 van de wet van 7 december 1998 luidt: “Zijn van toepassing op de nieuwe politiezone(

  1. s)resulterend uit de wijziging van de grenzen van de politiezones: – het artikel 257quinquies/1 binnen de perken van de naamlijst bedoeld in artikel 257quinquies/12; – de artikelen 257quinquies/2 tot 6, artikel 257quinquies/2 is niet van toepassing in de omstandigheden bedoeld in artikel 257quinquies/17; – het artikel 257quinquies/7 binnen de perken van de inventaris bedoeld in artikel 257quinquies/12; – het artikel 257quinquies/9, § 1, met dien verstande dat de eindafrekening van de vorige politiezone vergezeld is van de balans.” Artikel 257quinquies/12 van de wet van 7 december 1998 luidt: “De gemeenteraden bedoeld in artikel 91/12 nemen, op advies van de korpschefs van de vorige politiezones, volgende handelingen aan: – de naamlijst van de personeelsleden die worden overgeheveld naar elk van de nieuwe politiezones: de naamlijst wordt als zodanig vastgesteld dat de in artikel 3 voorziene minimale dienstverlening verzekerd is in elke van de nieuwe politiezones; – de inventaris van de roerende goederen die worden overgedragen naar elk van de nieuwe politiezones; – de regeling betreffende de overname van de lopende geschillenprocedures.” 10. Een middel kan slechts ernstig worden bevonden indien het de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan verantwoorden. Dat XII-9936-10/19 brengt mee dat het middel, om als ernstig te kunnen worden aangemerkt, dermate duidelijk dient te zijn dat het bij eerste lezing meteen aannemelijk is dat daarop een nietigverklaring kan worden gesteund, zonder dat een doorgedreven onderzoek van het middel noodzakelijk is. De verzoekende partij voert in wezen aan dat de hiervoor weergegeven rechtsregels in die zin moeten worden geïnterpreteerd dat te dezen enkel personeelsleden die worden vermeld op de naamlijst zoals bedoeld in artikel 257quinquies/12 van de wet van 7 december 1998, effectief zijn overgedragen, en dat enkel die personeelsleden zich kunnen beroepen op de door artikel 257quinquies/3 van de wet van 7 december 1998 verleende vrijstelling van de aanwezigheidstijd om in aanmerking te komen voor mobiliteit. Daar de tussenkomende partij niet voorkomt op de naamlijst, kan zij niet als een overgeheveld personeelslid in de zin van de voormelde rechtsregels worden beschouwd en kan zij bijgevolg geen aanspraak maken op de vrijstelling van de aanwezigheidstijd om in aanmerking te komen voor mobiliteit. Het middel wordt vanuit dat oogpunt op zijn ernst onderzocht. 11. Uit het administratief dossier blijkt dat de betrekking van inspecteur, waarvoor de tussenkomende partij kandideerde, vacant werd verklaard op 4 juni 2025. De mobiliteitscyclus situeert zich dus na 1 januari 2025, zijnde de datum waarop de wijzigingen aan de grenzen van de politiezones MINOS en Antwerpen ingevolge het koninklijk besluit van 25 juli 2024 in werking zijn getreden (zie supra, nr. 3.2). 12. Uit het samenlezen van artikel 91/11 van de wet van 7 december 1998 en artikel 9, derde lid, van diezelfde wet volgt dat de wijziging van de grenzen van de politiezones om een andere reden dan de vrijwillige samensmelting van politiezones, aanleiding geeft tot de gelijktijdige inrichting van verscheidene “nieuwe” politiezones. Van een vrijwillige samensmelting van politiezones is te dezen geen sprake, zodat prima facie wordt vastgesteld dat ingevolge de wijzigingen doorgevoerd aan de grenzen van de politiezone MINOS en de politiezone Antwerpen, met ingang van 1 januari 2025, een “nieuwe” politiezone XII-9936-11/19 MINOS is ingesteld, net zoals er een “nieuwe” politiezone Antwerpen is ingesteld. Dat de benamingen van de betreffende politiezones dezelfde blijven, belet niet dat de politiezones “nieuw” zijn in de zin van artikel 91/11 van de wet van 7 december 1998, daar de grenzen van de politiezones wel degelijk zijn gewijzigd: de politiezone MINOS omvat sinds 1 januari 2025, niet langer het grondgebied van de voormalige gemeente Borsbeek, dat sinds diezelfde datum binnen de (uitgebreide) grenzen van de politiezone Antwerpen valt. Dat ingevolge de wijziging van de grenzen van de politiezones MINOS en Antwerpen twee “nieuwe” politiezones werden ingesteld, volgt prima facie niet enkel uit het samenlezen van de artikelen 91/11 en 9, derde lid, van de wet van 7 december 1998, maar wordt overigens expliciet bevestigd, zowel in de aanhef van het koninklijk besluit van 25 juli 2024, als in artikel 3 van het voormelde koninklijk besluit dat bepaalt dat de dag van de instelling van de politiezones “Boechout/Mortsel/Wijnegem/Wommelgem” en “Antwerpen/Borsbeek” 1 januari 2025 is, datum waarop de benaming “Antwerpen/Borsbeek” luidens artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit wordt vervangen door “Antwerpen”. Uit artikel 1, 3°, samengelezen met artikel 3 van het koninklijk besluit van 25 juli 2024, volgt voorts dat sinds 1 januari 2025 de oude politiezones zijn opgehouden te bestaan. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij aanvoert, is de doorgevoerde wijziging van de grenzen van de politiezones prima facie derhalve niet te herleiden tot een loutere wijziging van het territoriaal ambtsgebied van de bestaande politiezones, noch “blijven de bestaande politiezones behouden”. Dit standpunt druist immers in tegen de duidelijke bepalingen van de artikelen 91/11 en 9, derde lid, van de wet van 7 december 1998. Ook het standpunt van de verzoekende partij dat er sprake is van een “defusie” faalt prima facie in rechte. Uit wat voorafgaat, volgt dat er niet louter sprake is van een “defusie” – lees: een wijziging van de grenzen door opsplitsing – van de politiezone MINOS, maar ook van een uitbreiding van de politiezone Antwerpen, met andere woorden van een wijziging van de grenzen van de beide politiezones. XII-9936-12/19 Ook de verwijzing door de verzoekende partij naar de memorie van toelichting bij de bepaling die de artikelen 91/11 tot 91/15 heeft ingevoegd in de wet van 7 december 1998 doet niet anders oordelen. De door de verzoekende partij beklemtoonde zinssnede “opgaan in een andere politiezone” moet worden gelezen in het geheel van die toelichting, die aansluit bij wat ook in artikel 91/11 van de wet van 7 december 1998 te lezen is, met name dat een wijziging in de grenzen van de politiezones, anders dan via een samensmelting, wel degelijk leidt tot de gelijktijdige inrichting van verscheidende nieuwe politiezones. Het standpunt dat de (oude) politiezones MINOS en Antwerpen niet zijn opgehouden te bestaan, faalt aldus in rechte. 13. De oprichting van de nieuwe politiezones MINOS en Antwerpen heeft prima facie noodzakelijkerwijs de overheveling tot gevolg van alle personeelsleden van de voormalige politiezones MINOS en Antwerpen naar de nieuwe politiezones MINOS en Antwerpen. De verzoekende partij beweert dat de naamlijst, zoals bedoeld in artikel 257quinquies/12 van de wet van 7 december 1998, blanco is, een gegeven dat evenwel niet kan worden geverifieerd, daar de verzoekende partij in gebreke blijft dat stuk neer te leggen. Wat er ook van zij, in de hypothese dat die naamlijst blanco zou zijn, mag prima facie eveneens worden aangenomen dat dit geen afbreuk doet aan het gegeven dat de personeelsleden van de oude politiezone MINOS zijn overgeheveld naar de nieuwe politiezone MINOS en dat de personeelsleden van de oude politiezone Antwerpen, waaronder de tussenkomende partij, zijn overgeheveld naar de nieuwe politiezone Antwerpen. Per 1 januari 2025 zijn de oude politiezones immers opgehouden te bestaan (zie supra, nr. 12). Het standpunt van de verzoekende partij dat enkel de personeelsleden vermeld op de naamlijst bedoeld in artikel 257quinquies/12 van de wet van 7 december 1998 worden overgeheveld naar een nieuwe politiezone, wordt niet bijgevallen. Prima facie is dat standpunt immers onverenigbaar met de hiervoor gedane vaststelling dat ook bij een wijziging van de grenzen van politiezones, de oude politiezones worden opgeheven en vervangen door “verscheidene nieuwe politiezones” zoals bepaald in artikel 91/11 van de wet van XII-9936-13/19 7 december 1998. De bepalingen van de artikelen 257quinquies/11 en 257quinquies/12 van de wet van 7 december 1998 sluiten daarbij overigens aan. Zo spreken beide bepalingen over de vorige politiezones en de nieuwe politiezones, zonder dat uit die bepalingen kan worden afgeleid dat daarnaast de “vorige politiezones” zonder meer zouden blijven voortbestaan zonder “nieuwe” politiezones te worden. De tabula rasa die artikel 91/11 van de wet van 7 december 1998 maakt, heeft prima facie noodzakelijkerwijs tot gevolg dat al de personeelsleden van de vorige politiezones worden overgeheveld naar de nieuwe politiezones. De uiteenzetting van de verzoekende partij over het onderscheid tussen een “actieve overdracht” en een “passieve doorstroming” doet daaraan geen afbreuk. In de mate dat de verzoekende partij daarbij verwijst naar de memorie van toelichting waarin te lezen is dat “de verdeling dan in werkelijkheid enkel betrekking [heeft] op politiezone A vermist het voltallige personeel van politiezone B zal doorstromen naar politiezone C”, waarbij A, B en C in het voorliggende geval moeten worden gelezen als respectievelijk de (oude) politiezone MINOS, de (oude) politiezone Antwerpen en de (nieuwe) politiezone Antwerpen, stelt de Raad van State prima facie vast dat het onderscheid tussen “overhevelen” en “doorstromen”, dat de verzoekende partij hieruit afleidt, geen steun vindt in de wet zelf en derhalve eerder een semantische kwestie blijkt. Ook het argument dat “doorstromen” geen actieve handeling vereist zoals bij een overheveling, doet niet anders oordelen. Daargelaten dat prima facie voor het “doorstromen” van personeelsleden – als afzonderlijke techniek van overdracht van personeel naast de “overheveling” die volgens de verzoekende partij enkel via de voormelde naamlijst kan gebeuren – een rechtsgrond ontbreekt, stelt de Raad van State vast dat ook indien de betrokken gemeenteraden een blanco naamlijst goedkeuren, zij impliciet doch zeker beslissen dat de personeelsleden die niet op de naamlijst worden vermeld, worden overgedragen, te dezen van de oude politiezone MINOS naar de nieuwe politiezone MINOS en van de oude politiezone Antwerpen naar de nieuwe politiezone Antwerpen, zoals hiervoor is vastgesteld. XII-9936-14/19 14. Artikel 257quinquies/3, § 1, van de wet van 7 december 1998 bepaalt dat het personeelslid, dat is overgeheveld naar een nieuwe politiezone niet gebonden is door de aanwezigheidstijd die vereist is om in aanmerking te komen voor de mobiliteit. Deze bepaling, die van toepassing is bij de samensmelting van politiezones, wordt door artikel 257quinquies/11 van de wet van 7 december 1998 ook “van toepassing” verklaard “op de nieuwe politiezone(
  2. s)resulterend uit de wijziging van de grenzen van de politiezones”. Prima facie volgt daaruit dat de aanwezigheidstijd, om in aanmerking te komen voor mobiliteit, evenmin geldt voor personeelsleden die zijn overgeheveld naar de nieuwe politiezones die worden ingesteld ingevolge een wijziging van de grenzen van de politiezones. Zoals hiervoor is vastgesteld (zie supra, nr. 13), moet bij de toepassing van die bepalingen voor ogen worden gehouden dat de oprichting van de nieuwe politiezones MINOS en Antwerpen de overheveling tot gevolg heeft van alle personeelsleden van de voormalige politiezones MINOS en Antwerpen naar de nieuwe politiezones MINOS en Antwerpen. Dit impliceert prima facie dat de vrijstelling van de aanwezigheidstijd voor mobiliteit geldt voor alle personeelsleden van de betrokken politiezones. Het standpunt van de verzoekende partij dat die vrijstelling enkel zou gelden voor de personeelsleden die worden vermeld op de naamlijst, bedoeld in artikel 257quinquies/12 van de wet van 7 december 1998, vindt geen steun in de door haar aangehaalde bepalingen van de wet van 7 december 1998. Allereerst stelt de Raad van State vast dat artikel 257quinquies/11 van de wet van 7 december 1998 het artikel 257quinquies/3 van dezelfde wet, zonder enige restrictie, van toepassing verklaart op de nieuwe politiezones, en dit in tegenstelling tot sommige andere bepalingen betreffende de samensmelting van politiezones die van toepassing worden verklaard, waarbij er wel restricties worden geformuleerd. In de mate dat de verzoekende partij verwijst naar de ratio legis van artikel 257quinquies/3 van de wet van 7 december 1998 zoals die blijkt uit de memorie van toelichting, met name dat de vrijstelling van aanwezigheidstijd geldt omdat de overdracht van het personeelslid naar de nieuwe politiezone niet vrijwillig is, zet zij niet uiteen waarom dat ertoe noopt te besluiten dat die bepaling XII-9936-15/19 niet van toepassing zou zijn bij de overheveling van personeelsleden naar de nieuwe politiezones die ontstaan uit de wijziging van de grenzen van politiezones. 15. Uit wat voorafgaat, volgt dat ook de verwijzing door de verzoekende partij naar de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32bis, van toepassing op de privésector, en de richtlijn 2001/23/EG niet tot een andere beoordeling leidt, daar zij steunt op dezelfde prima facie verkeerd bevonden premisse eensdeels, dat de oude politiezone Antwerpen is blijven bestaan, en anderdeels, dat de personeelsleden van de oude politiezone Antwerpen niet zijn overgeheveld naar een nieuwe politiezone, maar verbonden zijn gebleven aan de oude politiezone. 16. Om haar standpunt te onderbouwen dat de tussenkomende partij zich niet kan beroepen op de vrijstelling van de aanwezigheidstijd om in aanmerking te komen voor mobiliteit overeenkomstig artikel 257quinquies/3, § 1, van de wet van 7 december 1998, samengelezen met artikel 257quinquies/11 van diezelfde wet, steunt de verzoekende partij op een aantal aannames en interpretaties. Zo zou de term “nieuwe politiezone” moeten worden geïnterpreteerd in het licht van de feitelijke overdracht van personeelsleden en zouden enkel personeelsleden die via de naamlijst bedoeld in artikel 257quinquies/12 van de wet van 7 december 1998 zijn overgeheveld zich op de voormelde vrijstelling kunnen beroepen. De gelijktijdige oprichting van nieuwe politiezones in de zin van artikel 91/11 van de wet van 7 december 1998 is volgens de verzoekende partij een juridische techniek om de territoriale hertekening te verankeren, maar impliceert niet dat alle personeelsleden van de “bestaande ontvangende zone” worden geacht te zijn overgeheveld. De “ontvangende politiezone” blijft bestaan en de personeelsleden die er in dienst waren, blijven eraan verbonden, zonder dat zij worden overgeheveld. De veronderstelling dat de oude politiezones ophouden te bestaan en alle personeelsleden worden geacht te zijn overgeheveld naar een nieuwe zone, strookt volgens de verzoekende partij niet met de tekst en de systematiek van de wet van 7 december 1998. Voorts voert de verzoekende partij aan dat het paradoxaal is dat artikel 91/11 van de wet van 7 december 1998 een operationele of organisatorische meerwaarde vereist en dat artikel 257quinquies/3, XII-9936-16/19 van de wet van 7 december 1998 zou toelaten dat alle personeelsleden niet langer gebonden zijn aan de mobiliteitsvoorwaarden. De versoepeling van de mobiliteitsregels zou leiden tot organisatorische druk, instabiliteit en onvoorziene personeelsverschuivingen, wat niet strookt met de doelstelling van de versterking en rationalisering van de politiewerking. De term “nieuwe politiezone” moet volgens de verzoekende partij dan ook worden begrepen als een “bestuurlijke term”, niet als een “materiële oprichting van een nieuwe entiteit”. Het standpunt hiervoor weergegeven, is een aanname waarvan prima facie de juistheid naar het oordeel van de Raad van State allesbehalve duidelijk blijkt, niet uit de door de verzoekende partij aangehaalde bepalingen van de wet van 7 december 1998, maar evenmin uit de geciteerde parlementaire voorbereiding. Andere argumenten van de verzoekende partij komen er essentieel op neer de ongewenste gevolgen aan te wijzen als niet haar zienswijze wordt aangenomen. Die gevolgen zouden indruisen tegen de doelstelling van versterking en rationalisering van de politiewerking. De door de verzoekende partij gevreesde ongewenste gevolgen kunnen evenwel niet opwegen tegen de tekst van de wet. Voorts vormt het loutere gegeven dat een tekstuele versie van een bepaling onlogisch of gebrekkig zou zijn, geen verantwoording om die bepaling eigenhandig te verbeteren en de leemten erin aan te vullen. De argumentatie van de verzoekende partij doet dan ook geen afbreuk aan de hiervoor prima facie gedane vaststellingen. 17. Uit wat voorafgaat, volgt prima facie dat sinds 1 januari 2025 onder meer een nieuwe politiezone Antwerpen is ingesteld, dat de tussenkomende partij is overgeheveld van de oude naar de nieuwe politiezone Antwerpen, dat zij in toepassing van artikel 257quinquies/3, § 1, van de wet van 7 december 1998, samengelezen met artikel 257quinquies/11 van diezelfde wet, niet gebonden is door de aanwezigheidstijd die vereist is om in aanmerking te komen voor de XII-9936-17/19 mobiliteit, zodat de verwerende partij de tussenkomende partij wettig kon aanstellen. Derhalve is van een schending van de door de verzoekende partij aangehaalde rechtsregels prima facie geen sprake. 18. Het enig middel is niet ernstig. VII. Conclusie 19. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING 1. Het verzoek van XXXX tot tussenkomst wordt ingewilligd. 2. De Raad van State verwerpt de vordering. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de tussenkomende partij niet bekendgemaakt. XII-9936-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Ann Coolsaet XII-9936-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.279 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.453 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.