id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.280 Rolnummer: A. 237082/XIV-39579 Zaak: Arrest 265280 - Overheidsopdrachten - 22/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-09 Raadplegingen: 209 - laatst gezien 2026-06-18 06:17 Fiche Arrest nr 265.280 van 22 december 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Schadevergoeding tot herstel toegekend Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 265.280 van 22 december 2025 in de zaak A. 237.082/XIV-39.579 In zake : de BV D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Carlé kantoor houdend te 9160 Lokeren Gentse Steenweg 36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrick Devers en John Devers kantoor houdend te 9000 Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 22 augustus 2022, strekt tot de toekenning van een schadevergoeding tot herstel, begroot op 9.960 euro, “vermeerderd met de intresten […] vanaf 9 april 2020 datum gunning tot de datum der algehele betaling”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 254.107 van 24 juni 2022 vernietigt de Raad van State de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent van 9 april 2020 tot gunning van de opdracht tot levering van interventietassen- draagtassen aan L. XIV-39.579-1/15 De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 9 september 2025 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 19 november
- Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht uit met als voorwerp “meerjarige overeenkomst voor het leveren van interventietassen- draagtassen voor de politiezone Gent”, voor de duur van vier jaar (met een vermoedelijke hoeveelheid van 300 stuks per jaar). XIV-39.579-2/15 De plaatsingswijze is de onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking. 3.
- Luidens het toepasselijk administratief bestek worden de offertes beoordeeld in het licht van de volgende gunningscriteria: prijs op 40% en kwaliteit op 60%. Drie ondernemingen dienen een offerte in. 3.
- In het gunningsverslag van 24 maart 2020 wordt als volgt geoordeeld over de regelmatigheid van de offertes en de toetsing van de offertes aan de gunningscriteria: “Onderzoek van de regelmatigheid van de offertes De firma’s [C., D. en L.] dienden een regelmatige offerte in. Onderzoek van de gunningscriteria De gunningscriteria zijn: • Kwaliteit: 60% • Prijs: 40% Het gunningscriterium kwaliteit wordt geëvalueerd op basis van de documentatie toegevoegd aan de offerte en de aangeboden stalen. Opvallende minpunten worden bij de cijfermatige beoordeling in mindering gebracht. De firma’s [L. en D.] bieden dezelfde tas aan. Deze zeer stevige modulaire tas is degelijk afgewerkt en heeft de ideale afmetingen. Het model aangeboden door de firma [C.] is niet stevig en minder goed afgewerkt. De achterzijde van de tas is te hoog waardoor deze moeilijk stapelbaar is in het interventievoertuig. Er zijn voorzakken voorzien, maar deze kunnen niet worden afgesloten. Nr. Naam Score (60%) 2 [C.] 30 4 [D.] 60 5 [L.] 60 XIV-39.579-3/15 De score op het gunningscriterium prijs wordt berekend volgens de formule: ‘max. aantal punten x (laagste prijs/inschrijvingsprijs)’, afgerond naar de hogere of lagere eenheid. Nr. Naam Prijs (incl. btw per tas) Score (40%) 2 [C.] [X] EUR 32 4 [D.] 95,35 EUR 32 5 [L.] [x] EUR 40 Totaalscore Nr. Naam Score (100%) 2 [C.] 62 4 [D.] 92 5 [L.] 100 .” 3.
- Op 9 april 2020 beslist de verwerende partij om de opdracht te gunnen aan de bv L. 3.
- Bij arrest nr. 254.107 van 24 juni 2022 vernietigt de Raad van State de voornoemde beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft de memorie van antwoord niet tijdig ingediend. De vaststelling hiervan in het auditoraatsverslag wordt door de verwerende partij in haar laatste memorie niet betwist. Met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt de memorie van antwoord ambtshalve uit het debat geweerd.
- In de mate dat de laatste memorie van de verwerende partij louter het verweer herhaalt dat in de onregelmatig ingediende memorie van antwoord werd gevoerd, wordt dit verweer niet in aanmerking genomen. De laatste memorie, die wezenlijk ertoe strekt de partijen de kans te bieden te reageren op het XIV-39.579-4/15 auditoraatsverslag, zou immers oneigenlijk worden gebruikt en het normale verloop van de rechtsgang verstoren indien zou worden aangenomen dat ze kan worden aangewend om de inhoud van een eerder niet-regelmatig ingediend processtuk, dat de auditeur-verslaggever niet in zijn onderzoek van de zaak heeft mogen betrekken, alsnog mede tot voorwerp van het tegensprekelijke debat te maken.
- De verzoekende partij heeft tijdig een toelichtende memorie ingediend. De memorie van wederantwoord die de verzoekende partij alsnog in antwoord op de laattijdige memorie van antwoord heeft ingediend, is niet voorzien in het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ en wordt ambtshalve uit het debat geweerd. V. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken Standpunt van de partijen
- De verwerende partij vraagt om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door haar neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduidt en waarbij zij de redenen opgeeft waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vraagt. De verzoekende partij vraagt in de laatste memorie om de vertrouwelijkheid van stuk II.4 ‘E-mail dd. 19 juni 2020 van de stad Gent aan [L.] en e-mail dd. 22 juni 2020’ vanwege [L.] aan de stad Gent’, op te heffen. Volgens haar is de inkoopprijs die de leverancier aan de gekozen inschrijver destijds zou hebben gegeven, thans niet meer actueel. De verwerende partij bevestigt in haar laatste memorie haar verzoek om de betrokken stukken als vertrouwelijk te behandelen, aangezien de openbaarmaking de rechtmatige commerciële belangen en de eerlijke mededinging tussen de bedrijven in de toekomst kan schaden. Wat in het bijzonder stuk II. 4 XIV-39.579-5/15 betreft, heeft de bv L. daarin zelf verzocht om met gepaste discretie om te gaan met de aangeleverde informatie. Beoordeling
- Op grond van artikel 26 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: de wet van 17 juni 2013) dient de Raad van State, als de ter zake bevoegde verhaalinstantie, de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om, enerzijds, de vertrouwelijkheid van bepaalde commerciële gegevens en zakengeheimen te waarborgen, en anderzijds, het recht van de partijen op een effectieve rechtsbescherming en op een eerlijk proces te waarborgen, in het bijzonder door te voorzien in een voldoende mate van tegenspraak. Het lichten van de vertrouwelijkheid van een stuk dat vertrouwelijke informatie of zakengeheimen bevat, is slechts mogelijk indien zulks noodzakelijk is om het recht op een eerlijk proces te waarborgen. Wat meer in het bijzonder een daartoe strekkend verzoek uitgaande van een verzoekende partij betreft, betekent dit dat deze partij aannemelijk moet maken dat zij zonder kennisneming van het vertrouwelijk stuk niet over voldoende gegevens beschikt om haar vordering op te stellen of te staven.
- Het betrokken stuk II.4 ‘E-mail dd. 19 juni 2020 van de stad Gent aan [L.] en e-mail dd. 22 juni 2020’ vanwege [L.] aan de stad Gent’ bevat een e- mail van de gekozen inschrijver van 22 juni 2020 aan de verwerende partij met daarin een e-mail van zijn leverancier waarbij deze de inkooprijs per tas bij een levering van 300 tassen bevestigt. De Raad van State ziet geen reden om het verzoek tot vertrouwelijke behandeling van dit stuk af te wijzen, al was het maar omdat voor dit arrest geen steun in dat stuk wordt gezocht noch anderszins ervan gebruik is gemaakt. XIV-39.579-6/15
- De gevraagde opheffing van de vertrouwelijkheid van het betrokken stuk, en bij uitbreiding van alle als vertrouwelijk aangemerkte stukken, wordt niet ingewilligd. VI. Onderzoek van de vordering Standpunt van de partijen
- De verzoekende partij stelt in haar verzoekschrift dat zij ingevolge de onregelmatige beslissing schade heeft geleden. Indien de verwerende partij de door de bv L. ingediende offerte had geweerd, dan stond haar offerte immers als meest gunstig gerangschikt zodat de opdracht met zekerheid aan haar was gegund. De schade staat met andere woorden in oorzakelijk verband met de fout. Indien de opdracht aan de verzoekende partij was gegund, had zij een winst geboekt van 9.960 euro, zijnde de aangeboden verkoopprijs van 78,80 euro verminderd met de aankoopprijs bij de groothandel van 70,50 euro, hetzij 8,30 euro x 1200 tassen. Deze winst dient de verzoekende partij nu te derven. In de toelichtende memorie wordt niets toegevoegd aan deze uiteenzetting.
- In haar laatste memorie betwist de verwerende partij, in antwoord op het standpunt van het auditoraat, de redenering dat, op basis van de vaststelling dat er twee reële inschrijvers waren, de kans dat de opdracht aan de verzoekende partij zou zijn toegekend, wordt geraamd op 50%. Zij benadrukt dat, om na te gaan of er een verlies van kans is geweest, partijen teruggeplaatst moeten worden in de concrete omstandigheden zoals die bestonden net voor de bij arrest van 24 juni 2022 vastgestelde “fout” wat het onzorgvuldig prijsonderzoek van de inschrijvingsprijs van de bv L. betreft. Er dient aldus volgens haar te worden nagegaan wat de uitkomst zou zijn geweest indien er voorafgaand aan de gunningsbeslissing wel een zorgvuldig prijsonderzoek was geweest. Zij stelt dat XIV-39.579-7/15 stuk II.4 aantoont dat indien de verwerende partij de bv L. nader had bevraagd omtrent haar inschrijvingsprijs, deze prijs perfect te verantwoorden was en de uitkomst van de gunningsprocedure dezelfde zou zijn geweest. De kans dat zou zijn gegund aan de verzoekende partij is volgens haar bijgevolg nihil.
- In haar laatste memorie volhardt de verzoekende partij in hoofdorde in haar schade begroot op 9.960 euro, zijnde de verkoopprijs aan 78,80 euro verminderd met de inkoopprijs aan 70,50 euro, hetzij 8,30 euro x 1200 tassen. Deze inkoopprijs komt overeen met de prijs die dezelfde leverancier in een e-mail van 5 mei 2020 aan de bv L. heeft geboden, namelijk 69,30 euro. Zij stelt dat de verwerende partij deze prijzen cijfermatig niet betwist zodat geen verdere bewijsvoering is vereist. Subsidiair sluit zij zich aan bij de beoordeling in het auditoraatsverslag dat de schade ex aequo et bono kan worden begroot op 10% van het aangeboden offertebedrag, hetzij 9.456 euro. Omtrent de kans om de opdracht gegund te krijgen, blijft zij van oordeel dat zij met 100 % zekerheid de opdracht gegund had gekregen. Indien de verwerende partij een zorgvuldig algemeen prijsonderzoek had gevoerd, dan had zij vastgesteld dat de bv L. willekeurig een abnormaal lage prijs had ingediend, die zelfs onder de kostprijs ligt, om de opdracht toch gegund te krijgen. Om die reden had de verwerende partij de offerte van de bv L. moeten weren. Beoordeling A. Voorwaarden voor de toekenning van een schadevergoeding
- Een schadevergoeding tot herstel op grond van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan alleen worden toegekend in zoverre de onwettige bestuurshandeling, ondanks de verwijdering ervan ab initio uit de rechtsordening, schade heeft toegebracht die door de vernietiging niet volledig is hersteld. XIV-39.579-8/15 Het komt een verzoeker toe het bewijs te leveren van de geleden schade, en het vereiste oorzakelijk verband tussen de vastgestelde onwettigheid en het nadeel dat hij aanvoert, waarbij moet blijken dat het nadeel zich niet zou hebben voorgedaan zonder die vastgestelde onwettigheid. Zoals tijdens de parlementaire voorbereiding van artikel 11bis werd verduidelijkt, onderscheidt “de schadevergoeding tot herstel die wordt toegekend met toepassing van deze bepaling [...] zich dus zowel van het herstel van de schade op basis van de artikelen 1382 tot 1386 van het [oud] Burgerlijk Wetboek [thans artikel 6.5 e.v. van het Burgerlijk Wetboek] als van de herstelvergoeding ‘naar billijkheid’ van artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, hoewel ze gemeenschappelijke punten heeft met deze twee begrippen”. Het gaat “om een autonoom begrip waarvan aan de Raad van State de zorg wordt overgelaten om geleidelijk aan de modaliteiten te bepalen in zijn rechtspraak” (Parl.St. Senaat 2012-2013, nr. 5-2é/1, 7). 1) Betreffende de onwettigheid van de akte
- De Raad van State heeft in voornoemd arrest nr. 254.107 van 24 juni 2022 geoordeeld dat geen zorgvuldig prijsonderzoek met betrekking tot de prijs aangeboden door de gekozen inschrijver is uitgevoerd. De gunningsbeslissing is om die reden onwettig. 2) Betreffende het geleden nadeel
- Het nadeel dat de verzoekende partij aanvoert, is het verlies van een kans om de opdracht gegund te krijgen. Ook het verlies van een kans kan een vergoedbare schade uitmaken. XIV-39.579-9/15 3) Betreffende het causaal verband
- Hoewel hiermee niet automatisch is aangetoond dat de offerte van de verzoekende partij ook de eerst gerangschikte regelmatige offerte zou zijn geweest, indien de verwerende partij wel een zorgvuldig algemeen prijsonderzoek zou hebben gevoerd, staat wel vast dat de verzoekende partij zonder de begane onwettigheid een kans zou hebben gekregen om de opdracht gegund te krijgen. Het oorzakelijk verband tussen de begane onwettigheid, enerzijds, en het verlies van een kans, anderzijds, staat bijgevolg vast. De omstandigheid dat het niet zeker is dat de verzoekende partij zonder de begane onwettigheid de best gerangschikte inschrijver zou zijn geweest, doet daaraan geen afbreuk, maar is wel relevant voor de begroting van de omvang van de schade. B. Omvang van de te vergoeden schade
- Bij de begroting van de omvang van een schade die bestaat uit het verlies van een kans dient rekening gehouden te worden met, enerzijds, de waarde van de misgelopen opdracht en, anderzijds, de hoegrootheid van de kans die in hoofde van de verzoekende partij bestond om de opdracht daadwerkelijk gegund te krijgen. 1) De waarde van de misgelopen opdracht
- De verzoekende partij gaat uit van een schade van 9.960 euro, zijnde de gederfde winst, ten belope van ongeveer 12 % van de waarde van de opdracht.
- De verzoekende partij maakt in haar laatste memorie aannemelijk, in antwoord op het auditoraatsverslag, dat wel met (voldoende) zekerheid kan worden uitgemaakt wat de inkoopprijs was die zij met de betrokken leverancier heeft onderhandeld. Zij verwijst daartoe naar haar e-mailbericht van 30 april 2020 aan de verwerende partij waarin zij stelt dat de betrokken leverancier de XIV-39.579-10/15 “dealerprijs” van 70,50 euro per tas bevestigt, prijs die (ongeveer) overeenstemt met de prijs in een offerte voor een levering 300 draagtassen, ten bedrage van 69,30 euro per tas (77 euro – 10%) die dezelfde leverancier in een e-mailbericht van 5 mei 2020 aan de gekozen inschrijver heeft geboden. Met deze e-mails is de omvang van de geleden schade genoegzaam aangetoond. De waarde van de opdracht die de verzoekende partij door het niet-verkrijgen van de opdracht misloopt of de gederfde winst, kan aldus worden geraamd op 9.960 euro. 2) De kans om de opdracht gegund te krijgen
- De door de verzoekende partij geleden schade is het gevolg van het verlies van een kans. Wanneer het onzeker is of de vastgestelde onwettigheid van de bestreden beslissing een noodzakelijke voorwaarde is voor de schade omdat de schade zich ook kon hebben voorgedaan indien de bestreden beslissing rechtmatig was geweest, heeft de benadeelde recht op een gedeeltelijke schadeloosstelling voor de schade in verhouding tot de waarschijnlijkheid waarmee de onwettigheid van de bestreden beslissing de schade heeft veroorzaakt. Bij de begroting van de omvang van een schade die bestaat uit het verlies van een kans moet derhalve rekening worden gehouden met, enerzijds, de schade door het niet-gunnen van de opdracht aan de verzoekende partij en, anderzijds, de hoegrootheid van de kans die in hoofde van de verzoekende partij bestond om de opdracht daadwerkelijk gegund te krijgen.
- De Raad van State heeft in voornoemd arrest nr. 254.107 geoordeeld dat geen zorgvuldig algemeen prijsonderzoek met betrekking tot de prijs aangeboden door de gekozen inschrijver is uitgevoerd, op grond van de volgende overwegingen: “[…] In het licht van die elementen is de Raad van State van oordeel dat het prijsverschil te dezen van die aard is dat een aanwijzing bestond dat XIV-39.579-11/15 de prijs aangeboden door de gekozen inschrijver abnormaal laag zou kunnen zijn. Die aanwijzing had de verwerende partij ertoe moeten brengen om in het kader van het algemeen prijsonderzoek, dat zij op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel met de nodige zorgvuldigheid diende te voeren, een nader onderzoek te doen naar de door de gekozen inschrijver aangeboden prijs.
- Te dezen wordt in het gunningsverslag slechts vermeld dat de drie inschrijvers een regelmatige offerte hebben ingediend. Noch in het verslag, noch in het administratief dossier is enig spoor terug te vinden van een prijsonderzoek, van een verklaring voor het prijsverschil of van de redenen op grond waarvan de door de gekozen inschrijver aangeboden prijs niet als abnormaal laag werd beschouwd en haar offerte dus niet als onregelmatig werd geweerd. Het staat niet aan de Raad van State om voor te schrijven wat een dergelijk onderzoek had moeten inhouden. De Raad van State acht het niettemin nuttig eraan te herinneren dat de verwerende partij de mogelijkheid had om onder meer bij de gekozen inschrijver de ‘nodige inlichtingen’ in te winnen, bijvoorbeeld in verband met de marktprijs, de inkoopprijs en de winstmarge. In elk geval moest de verwerende partij de offerte van die inschrijver aan een zodanig onderzoek onderwerpen dat zij tot de onderbouwde conclusie kon komen dat de door die inschrijver aangeboden prijs, ondanks het vastgestelde verschil ten opzichte van de prijs aangeboden door de verzoekende partij, niet abnormaal laag was.
- De verwerende partij beroept zich, weliswaar ten overvloede, op de bevraging die de politiezone bij de gekozen inschrijver heeft gedaan nadat deze op 30 april 2020 door de verzoekende partij is gewezen op de mogelijkheid dat de gekozen inschrijver een prijs onder de kostprijs heeft aangeboden. Zij verwijst in dit verband naar het antwoord dat de politiezone op 22 juni 2020 van de gekozen inschrijver heeft ontvangen. Volgens haar bevestigt dat antwoord dat er geen noodzaak was om in het kader van het algemeen prijsonderzoek inlichtingen te vragen aan die inschrijver. Wat ook de waarde is van het antwoord dat de gekozen inschrijver op 22 juni 2020 verstrekte, een onderzoek post factum kan niet verhelpen aan het feit dat geen nader onderzoek lijkt te zijn uitgevoerd voordat de bestreden gunningsbeslissing werd genomen.”
- Uit de aldus gedane beoordeling van het middel volgt dat te dezen niet met zekerheid vaststaat dat de verwerende partij de offerte van de gekozen inschrijver als substantieel onregelmatig had moeten beschouwen en deze offerte had moeten weren, zoals de verzoekende partij stelt. De argumentatie van de verwerende partij dat de kans voor de verzoekende partij om de opdracht alsdan gegund te krijgen onbestaande is, kan evenmin worden bijgevallen. Mocht de verwerende partij wel een zorgvuldig algemeen prijsonderzoek hebben uitgevoerd, kan niet worden uitgesloten dat zij XIV-39.579-12/15 zou hebben beslist, hetzij de door de gekozen inschrijver aangeboden prijs alsnog te aanvaarden, hetzij deze prijs als schijnbaar abnormaal laag te beschouwen, en deze, na een ontvangen prijsverantwoording, hetzij te aanvaarden, hetzij de offerte wegens abnormaal lage prijs te weren. Anders dan de verwerende partij betoogt, kan de Raad van State aldus niet nagaan wat de uitkomst zou zijn geweest indien voorafgaand aan de gunningsbeslissing wel een zorgvuldig algemeen prijsonderzoek was uitgevoerd. Het vertrouwelijk stuk II.4 waar zij naar verwijst, dat – na de gunningsbeslissing – louter een bevestiging van de inkoopprijs door de betrokken leverancier bevat, is niet van aard over die (hypothetische) beslissing van de verwerende partij uitsluitsel te geven. In de concrete omstandigheden begroot de Raad van State de kans van de verzoekende partij op het verkrijgen van de opdracht, naar billijkheid, op 50 %. Blijkens het gunningsverslag hebben weliswaar drie ondernemingen een regelmatige offerte ingediend, doch de score van de derde gerangschikte onderneming ligt significant lager dan die van de eerste en de tweede gerangschikte ondernemingen als gevolg van haar lagere score voor het gunningscriterium ‘kwaliteit’, waarmee de vastgestelde onwettigheid geen verband houdt. Bij de begroting van de schade dient bijgevolg rekening te worden gehouden, gelet op het grote puntenverschil met de als derde gerangschikte inschrijver, met twee mogelijk in aanmerking komende inschrijvers. VII. Besluit
- Gelet op wat voorafgaat en vertrekkend van een schadebegroting van 9.960 euro, wordt de schadevergoeding begroot op 50 % van 9.960 euro, dit is 4.980 euro. VIII. Intresten
- De verzoekende partij vraagt om de schadevergoeding te vermeerderen met “de moratoire intrest aan de intrestvoet voorzien in de Wet op XIV-39.579-13/15 de betalingsachterstand bij handelstransacties” vanaf de datum van de vernietigde gunningsbeslissing tot de datum van algehele betaling.
- De wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties is van toepassing op betalingen die strekken tot vergoeding van handelstransacties, terwijl bij een veroordeling tot (buitencontractuele) schadevergoeding een vergoedende rente aan de wettelijke rentevoet wordt toegekend vanaf het moment dat de schade ontstaat. De verzoekende partij heeft recht op vergoedende intresten vanaf 9 april 2020, zijnde de datum van de gunningsbeslissing die moet worden beschouwd als de datum waarop de schade is ontstaan, tot aan de datum van het voorliggende arrest. Zij heeft bovendien recht op verwijlintresten vanaf de datum van het voorliggende arrest tot de volledige betaling van het bedrag van de schadevergoeding. IX. Rechtsplegingsvergoeding
- De verzoekende partij vraagt in haar laatste memorie de toewijzing van een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1726,74 euro. De rechtsplegingsvergoeding strekt ertoe forfaitair tegemoet te komen in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. De verzoekende partij voert geen bijzondere redenen aan die een verhoging van dit forfaitair bedrag zou kunnen verantwoorden.
- Uit wat voorafgaat volgt dat aan de verzoekende partij de basisrechtsplegingsvergoeding wordt toegekend. XIV-39.579-14/15 BESLISSING
- De Raad van State veroordeelt de verwerende partij tot de betaling aan de verzoekende partij van een schadevergoeding tot herstel van 4.980 euro, te verhogen met de vergoedende interest aan de wettelijk interestvoet die verschuldigd is vanaf 9 april 2020, meer de verwijlinteresten aan de wettelijke rentevoet vanaf heden tot de volledige betaling van de schadevergoeding.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.579-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.280 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.