← België

Arrest 265299 - Dierenwelzijn - 23/12/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.299 Rolnummer: A. 246733/XII-9983 Zaak: Arrest 265299 - Dierenwelzijn - 23/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-24 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-15 09:58 Fiche Arrest nr 265.299 van 23 december 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 265.299 van 23 december 2025 in de zaak A. 246.733/XII-9983 In zake: J.M. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Carlé kantoor houdend te 9160 Lokeren Gentse Steenweg 36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 8580 Avelgem Leopoldstraat 63 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 15 december 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestemmingsbeslissing van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid, afdeling Dierenwelzijn van 1 december 2025 waarbij 49 in deze beslissing nader omschreven roofvogels in volle eigendom worden gegeven aan erkende inrichtingen. Verzoekster vraagt tevens om bij wijze van voorlopige maatregel de verwerende partij “te bevelen om de volgens de bestemmingsbeslissing meegenomen vogels […] terug te geven aan verzoekende partij en terug te plaatsen in de kooien van verzoekende partij […] dit [onder] verbeurte van een dwangsom XII-9983-1/11 van 50.000,00 euro per dag dat alle meegenomen vogels niet worden teruggegeven aan en teruggeplaatst in de kooien bij verzoekende partij na de datum van het tussen te komen arrest”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 15 december 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 december
  3. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Luc Carlé, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 3 oktober 2025 doen een inspecteur-dierenarts en twee controleurs van de afdeling Dierenwelzijn samen met de lokale politie, de Federale politie en personeelsleden van het agentschap Natuur en Bos vaststellingen inzake XII-9983-2/11 overtredingen op het dierenwelzijn met betrekking tot de roofvogels van verzoekster. 3.
  6. Op 3 oktober 2025 worden “alle roofvogels die in verblijven gehouden worden die niet voldoen aan de opgelegde normen” van verzoekster bestuurlijk in beslag genomen. Deze beslagbeslissing vormt het voorwerp van een beroep tot nietigverklaring gekend onder nr. A. 246.544/XII-
  7. 3.
  8. Op 29 oktober 2025 wordt verzoekster strafrechtelijk verhoord. 3.
  9. Op 1 december 2025 beslist het afdelingshoofd Dierenwelzijn van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid om in toepassing van artikel 72, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn de volgende roofvogels in volle eigendom te geven aan erkende inrichtingen: “➢ 2 Amerikaanse torenvalken – Falco sparverius ➢ 4 Braziliaanse dwergooruilen – Glaucidium brasilianum ➢ 2 Briluilen – Pulsatrix perspicillata ➢ 10 Cholibaschreeuwuilen – Megacops chiliba ➢ 10 Dwergooruilen – Otus scops ➢ 2 Geparelde dwerguilen – Glaucidium perlatum ➢ 5 Indische dwergooruilen – Otus bakkamoena ➢ 9 Kerkuilen – Tyto alba ➢ 4 Steenuilen – Athene noctua ➢ 1 Westelijke schreeuwuil – Megacops kennicotti.” Dit is de bestreden beslissing. 3.
  10. Op 4 december 2025 wordt de aangetekende zending houdende de bestreden beslissing aangeboden aan verzoekster. XII-9983-3/11 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  11. Op 17 december 2025, daags voor de terechtzitting, heeft verzoekster nog vier stukken toegevoegd aan het dossier “[i]n antwoord op de nota van het Vlaamse Gewest”.
  12. Ter terechtzitting verzet de verwerende partij zich tegen het neerleggen van de nieuwe stukken door verzoekster. De toepasselijke procedureregeling voorziet niet in de mogelijkheid tot de neerlegging van bijkomende stukken in antwoord op de nota van de verwerende partij. De na het indienen van het verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingediende stukken zijn niet ontvankelijk en worden uit het debat geweerd. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  13. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. XII-9983-4/11 VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
  14. Verzoekster zet uiteen dat zij vreest voor permanente schade aan de gezondheid van de dieren wegens de onttrekking van de dieren aan hun natuurlijk habitat waarin sommige al verscheidene jaren, sommige tot 10 jaar, verblijven en wegens de verplaatsing naar een vreemde omgeving. Zij wijst er in dat verband op dat uilen zeer stressgevoelig zijn. Voorts zet verzoekster uiteen dat de dieren een latent besmettingsgevaar lopen, met de zich snel verspreidende vogelgriep, waardoor de uilen een zeer groot risico lopen om te sterven. Zo is volgens de verspreidingskaart van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna: FAVV) op 16 november 2025 een geval van vogelgriep vastgesteld in Oudsbergen/Opglabbeek, waar de vzw Natuurhulpcentrum is gevestigd en waar ongetwijfeld verschillende van de vogels zijn naartoe gebracht. Verzoekster verwijst naar een bericht op de website van dierengezondheidszorg Vlaanderen op 20 oktober 2025 dat het FAVV verwacht dat de situatie van vogelgriep de komende maanden nog zal verergeren. De verplaatsing van in gevangenschap levende vogels tijdens een door het FAVV afgekondigde ophokplicht is volgens verzoekster niet alleen biologisch risicovol, maar ook in strijd met de ratio legis van die maatregel, ingevolge de bijkomende verplaatsingen en concentraties van vogels in opvangcentra en het samen houden van tamme vogels en wilde vogels. De vrees voor ernstige gezondheidsrisico’s van de meegenomen vogels is volgens verzoekster aldus volkomen terecht. Volgens verzoekster zijn vogelgriep en stressgerelateerde aandoeningen, aandoeningen die zich niet ontwikkelen op het ritme van een gerechtelijke procedure, maar op dat van levende organismen. Iedere bijkomende week in een totaal onbekende omgeving met verhoogde besmettingsrisico’s, andere verzorgingsroutine en permanente publieke druk, verhoogt de kans op onherstelbare schade exponentieel. Verzoekster zet voorts uiteen dat zij niet eerder een verzoekschrift kon indienen, daar zij wilde beschikken over het proces-verbaal dat zij op 3 december 2025 door een deurwaarder heeft laten opstellen van de exacte kooiafmetingen om aan te XII-9983-5/11 tonen dat er wel degelijk uilen zijn meegenomen uit kooien die qua afmeting wél voldeden aan de norm. Beoordeling
  15. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. XII-9983-6/11 De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure een verzoekende partij niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling haar volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan zou zijn, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.
  16. Bij de concrete uitwerking van de uiterst dringende noodzakelijkheid moet een verzoekende partij er zich voor hoeden dat begrip niet op een algemene wijze te omschrijven. Algemene beschouwingen die niet worden ondersteund door concrete elementen kunnen niet in aanmerking worden genomen. Het bewijs van de uiterst dringende noodzakelijkheid mag zich niet beperken tot een theoretische uiteenzetting, doch vereist het aanreiken van concrete, specifiek op de verzoekende partij betrekking hebbende en verifieerbare gegevens dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring of gewone schorsingsprocedure niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige, onherroepelijke schadelijke gevolgen, wat, zoals hierna zal blijken, de verzoekende partij te dezen nalaat te doen.
  17. Uit wat voorafgaat, volgt dat, wie meent in een geval te verkeren waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de bestreden beslissing moet worden bevolen, dienovereenkomstig moet handelen. Een verzoekende partij die zonder afdoende reden talmt met het instellen van de XII-9983-7/11 vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, geeft er blijk van die uiterst dringende noodzakelijkheid zelf niet ernstig te nemen.
  18. Te dezen stelt de Raad van State vast dat het beslag van de dieren dateert van 3 oktober
  19. Uit die beslissing tot beslagname blijkt dat binnen een termijn van zestig dagen het departement de bestemming van de in beslag genomen dieren bepaalt, alsook welke de mogelijke bestemmingen zijn. Verzoekster verwijst ter staving van de uiterst dringende noodzakelijkheid naar berichten over de vaststelling en verspreiding van de vogelgriep van 20 oktober 2025 en 16 november
  20. Voorts stelt de Raad van State vast dat verzoekster van de bestreden beslissing kennis nam, minstens kon nemen, op 4 december 2025 zijnde de dag waarop de bestreden beslissing via een aangetekende zending aan verzoekster werd aangeboden. Daarenboven werd zij op 2 december 2025, zoals zij zelf aangeeft in het verzoekschrift, minstens mondeling ingelicht over de bestemmingsbeslissing, daar op dat ogenblik – in haar aanwezigheid – de dieren in kwestie werden meegenomen door de verwerende partij. Vervolgens wacht verzoekster tot 15 december 2025 om een verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te dienen. Dat tijdsinterval spreekt op zich reeds de uiterst dringende noodzakelijkheid tegen. Het laat zich des te minder verantwoorden in het licht van het concrete nadeel dat verzoekster laat gelden, met name de stress van het verplaatsen van de dieren en ingevolge het onderbrengen van de dieren in een andere omgeving, alsook het volgens verzoekster zeer imminente risico op besmetting met de vogelgriep. Indien verzoekster de verplaatsing van de dieren en de huisvesting van de dieren in een vreemde omgeving had willen vermijden, had zij al veel eerder kunnen handelen. Het argument van verzoekster dat zij heeft gewacht om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te dienen, omdat zij wou beschikken over het proces-verbaal dat zij op 3 december 2025 door een gerechtsdeurwaarder heeft laten opstellen over de exacte kooiafmetingen, doet niet XII-9983-8/11 anders oordelen. Er valt immers prima facie niet in te zien hoe de afmetingen van de kooien ruim na de beslagbeslissing en na de bestemmingsbeslissing dermate relevant zou zijn om de wettigheid van die beslissingen te betwisten – wettigheid die wordt beoordeeld op het tijdstip waarop de beslissingen zijn genomen – dat ze het gebrek aan diligentie zouden rechtvaardigen.
  21. Voorts stelt de Raad van State, in de mate dat verzoekster de uiterst dringende noodzakelijkheid staaft met verwijzing naar de stress en risico’s verbonden aan de verplaatsing van de dieren en de huisvesting van de dieren in een andere omgeving, vast dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing deze nadelen niet meer kan verhelpen, daar zij intussen werden ondergaan. Het opnieuw verplaatsen van mogelijk besmette dieren staat haaks op wat verzoekster met haar vordering wenst te bekomen.
  22. Wat het risico op besmetting met de vogelgriep betreft, blijft verzoekster voorts erg vaag in haar uiteenzetting. Met het loutere gegeven dat er op verschillende plaatsen in het land sprake is van vogelgriep, alsook in de omgeving van het natuurhulpcentrum waar een deel van de vogels zou zijn ondergebracht, maakt verzoekster niet concreet aannemelijk dat de vogels een “zeer groot risico” lopen om te sterven. Van de erkende inrichtingen, waaraan de vogels ingevolge de bestreden beslissing zijn toegewezen, mag overigens worden verwacht dat zij de richtlijnen ter bestrijding van de vogelgriep naleven, zoals de verwerende partij terecht onderstreept. Verzoekster toont alleszins niet het tegendeel aan.
  23. In de mate dat verzoekster erop wijst dat quasi alle kooien intussen aan de norm voldoen, stelt de Raad van State vast dat dit argument de grond van de zaak betreft en derhalve de uiterst dringende noodzakelijkheid niet verantwoordt. De ernst van de middelen is een voorwaarde die apart van de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt beoordeeld. De eventuele ernst van de middelen toont de uiterst dringende noodzakelijkheid niet aan. XII-9983-9/11 VII. Conclusie
  24. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. VIII. Voorlopige maatregel Vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel
  25. Verzoekster vraagt dat de Raad van State bij wijze van voorlopige maatregel zou bevelen dat de verwerende partij de ingevolge de bestemmingsbeslissing meegenomen vogels moet teruggeven aan verzoekster en moet terugplaatsen in de kooien van verzoekster onder verbeurte van een dwangsom van 50.000 euro per dag. Beoordeling
  26. Daar uit wat voorafgaat, blijkt dat niet is voldaan aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid en op grond daarvan de voorliggende vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid moet worden verworpen, moet de accessoire vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel hetzelfde lot ondergaan. BESLISSING
  27. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
  28. De Raad van State verwerpt de vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen. XII-9983-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Ann Coolsaet XII-9983-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.299 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.