id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.304 Rolnummer: A. 246207/XIV-39904 Zaak: Arrest 265304 - Overheidsopdrachten - 23/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-13 Raadplegingen: 223 - laatst gezien 2026-06-18 06:17 Fiche Arrest nr 265.304 van 23 december 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 265.304 van 23 december 2025 in de zaak A. 246.207/XIV-39.904 In zake:
- XXXX
- de NV E. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Vande Lanotte kantoor houdend te 9030 Mariakerke Durmstraat 29 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de NV GIGARANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vandendriessche, Ian Arnouts en Vybe Gesquiere kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 22 oktober 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van nv Gigarant “van onbekende datum, op 3 oktober 2025 bekendgemaakt per mail aan de raadsman van verzoekers.” II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 28 oktober 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. XIV-39.904-1/9 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 december 2025, om 15:00 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Johan Vande Lanotte, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaten Ian Arnouts en Vybe Gesquiere, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 3 oktober 2025 om 11u11 zendt het “Head of Gigarant” een e-mail naar de raadsman van de verzoekende partijen waarin hij meldt dat “na een grondige evaluatie […] Gigarant [heeft] besloten om geen nieuwe tussenkomsten te verlenen in dossier waarin de [eerste verzoeker] betrokken partij is.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van de vordering
- De verwerende partij werpt in haar nota met opmerkingen een exceptie van niet-ontvankelijkheid van de vordering op, die steunt op een gebrek XIV-39.904-2/9 aan rechtsmacht omdat de verwerende partij geen administratieve overheid is in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
- De Raad van State acht het niet noodzakelijk en om proceseconomische redenen ook niet wenselijk om die exceptie in de huidige stand van de rechtspleging te onderzoeken en te beslechten, aangezien hierna zal blijken dat hij zich vooralsnog niet dient uit te spreken over de grond van het hem voorgelegde geschil, maar kan volstaan met de vaststelling dat de spoedeisendheid van de zaak niet wordt aangetoond en de vordering om die reden hoe dan ook moet worden verworpen. V. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van deze beslissing prima facie kan worden verantwoord. VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting van de spoedeisendheid
- De verzoekende partijen zetten in het verzoekschrift de spoedeisendheid als volgt uiteen: “
- In casu brengt de bestreden beslissing onherroepelijke schadelijke gevolgen met zich mee voor de Eerste en Tweede Verzoeker. In de eerste plaats bedreigt de principiële weigering om een garantie te geven het voortbestaan van het project[…]. Dat betekent in concreto dat de principiële weigering ertoe leidt dat het project niet effectief opgestart kan worden, omdat zonder een kredietverzekering of garantie, het bekomen van een financiering als onmogelijk voor dit project moeten worden beschouwd. Het XIV-39.904-3/9 project is geen onderdeel van een groot bedrijf dat zou garant kunnen staan en ook de aandeelhouders zijn niet in staat een dergelijke garantie te geven, gezien de toch niet kleine investering die moet uitgevoerd worden. Bovendien is de aard van de investering, met name het mogelijk maken van een duurzame omvorming van plastiek naar chemische producten, zonder twijfel zeer innovatief en dus niet zonder risico. Geen enkele bank zal zonder garantie of verzekering een beduidend bedrag willen lenen. Als Gigarant niet in aanmerking komt, moet dan gezocht worden naar buitenlandse (vermoedelijk Amerikaanse) verzekeringen die echter zeer duur zijn en net zo goed de leefbaarheid en dus de start van het project onmiddellijk negatief beïnvloeden. Bovendien blijkt uit de eerste contacten met Amerikaanse verzekeringen dat de dekking zich tot minder risico onderdelen beperkt. Als de activiteiten niet binnen een normale termijn kunnen opgestart worden, is het zeer onzeker dat het project nog kan doorgaan. De kosten zullen oplopen, de markt kan veranderen, de technologische ontwikkelingen zijn immens en het is zeer te vrezen dat de rol van pionier die nu wordt vervuld door het project, niet meer actueel is. Heel wat bedrijven (en niet de kleinste) zijn oplossingen aan het zoeken om de duurzame omvorming van plastiek naar chemische producten te realiseren en ieder uitstel is voor een kleine speler levensbedreigend.
- Bovendien leidt Eerste Verzoeker ook morele schade. Hoewel een moreel nadeel doorgaans door Uw Raad wordt beschouwd als volledig herstelbaar door het arrest waarbij de bestreden beslissing vernietigd wordt, geeft Uw Raad in zijn rechtspraak aan dat er ‘bijzondere omstandigheden (kunnen zijn) die ervan overtuigen dat de morele schade van die aard is dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen zodat het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht’.[..]
- Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn aanwezig in deze zaak. Na het faillissement van [E.], waarbij aan een faillissement altijd enige negatieve connotaties verbonden worden, heeft Eerste Verzoeker zich via het project [R.] terug een geloofwaardigheid opgebouwd. Als nu door een overheidsinstantie als Gigarant een principieel negatieve beoordeling geeft, gebaseerd op een beoordeling van de persoon zelf (en dus zonder enige analyse van het businessplan), dan is dat een bijzonder moeilijk te herstellen probleem, dat lange tijd het ondernemerschap van Eerste Verzoeker negatief zal beïnvloeden. Het lijdt geen twijfel dat een dergelijke negatieve beoordeling al vlug bekend raakt binnen de industriële wereld en al zeker in de financiële wereld.” Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet de vordering tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid XIV-39.904-4/9 verantwoorden die ter ondersteuning van deze vordering wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 4, § 1, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een – voortdurende – tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.
- Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om in haar verzoekschrift de op de omstandigheden van haar zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. In beginsel mag alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift tot schorsing of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet én gestaafd. Tot slot is de beoordeling van de spoedeisendheid voor wie een kans misloopt, niet hetzelfde als voor wie een voordeel wordt ontnomen.
- In essentie voeren de verzoekende partijen aan dat de principiële weigering van een garantie door de verwerende partij ertoe leidt dat het project niet XIV-39.904-5/9 effectief kan worden opgestart, omdat zonder die waarborg geen financiering kan worden verkregen. Door het innovatieve en risicovolle karakter van het project komt externe bankgarantie zonder de tussenkomende partij niet in aanmerking en zijn buitenlandse alternatieven onbetaalbaar en ontoereikend. Als de opstart niet binnen een “normale termijn” kan, is het zeer onzeker dat het project nog kan doorgaan. De verzoekende partijen beroepen zich derhalve in wezen op het verlies van een kans om een eigen project op te starten ingevolge de bestreden weigering tot garantie. Het betreft derhalve een financieel-economisch nadeel. Een dergelijk nadeel verantwoordt in de regel de spoedeisendheid niet. Dat neemt niet weg dat op grond van bijzondere redenen er toch van spoedeisendheid sprake is wanneer blijkt dat de verzoekende partijen niet kunnen wachten op een uitspraak ten gronde. Zo is er sprake van een financiële bijzondere omstandigheid als de activiteiten, concurrentiepositie en zelfs het voortbestaan van de verzoekende partijen op die manier op een ernstige wijze in gevaar worden gebracht. Het komt dan de verzoekende partijen toe om concrete, op hun situatie betrokken gegevens aan te brengen om de spoedeisendheid aan te tonen. Op dat punt komen de verzoekende partijen tekort aan hun bewijsplicht zoals hierna zal blijken. Vooreerst voeren beiden de verzoekende partijen aan dat zij eenzelfde financieel nadeel in hun hoofde ondervinden. Niettemin verschillen zij wezenlijk in hoedanigheid: de eerste verzoeker is een natuurlijke persoon en, blijkens de statuten van de tweede verzoekende partij, gedelegeerd bestuurder daarvan; de tweede verzoekende partij is de rechtspersoon die het project wenst te realiseren waarvoor de verwerende partij de gevraagde garantie heeft geweigerd. In het licht hiervan wordt niet uiteengezet in welke mate beiden de verzoekende partijen op gelijke wijze het gevreesde financieel-economische nadeel dreigen te dragen, noch in welke mate datzelfde nadeel daadwerkelijk in hoofde van beide verzoekende partijen zou bestaan. XIV-39.904-6/9 In ieder geval, en los van het voorgaande, begroten de verzoekende partijen het aangevoerde financieel-economische nadeel niet. Zij maken de omvang ervan, in het licht van hun actuele financiële situatie, niet inzichtelijk en voegen ter zake geen enkel bewijskrachtig stavingsstuk toe. Evenmin verschaffen zij enig inzicht in, of toelichting bij, hun huidige financiële toestand, zodat de Raad van State in het ongewisse blijft omtrent de concrete impact van het mislopen van de financiering van het beoogde project op de situatie van elk van beide verzoekende partijen. Ter terechtzitting benadrukken de verzoekende partijen weliswaar dat het om een startproject gaat en dat een jong, risicovol en innoverend bedrijf zonder reserves geen 2,5 jaar kan wachten. Om de Raad van State er evenwel van te overtuigen dat de impact van de bestreden beslissing voor een dergelijk opstartend bedrijf redelijkerwijze niet kan worden gedragen tot uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring, mag van de verzoekende partijen op zijn minst worden verwacht dat zij deze impact toelichten en relateren aan hun individuele situatie, aan de hand van verifieerbare gegevens en stavingsstukken. Het komt hen toe aan te tonen dat door de weigering van de garantie het beoogde project niet kan worden opgestart en dat het niet-opstarten van het project – dat in wezen neerkomt op het verlies van een economische kans of opportuniteit tot ondernemen – van die aard is dat de weerslag ervan op hun activiteiten, concurrentiepositie en zelfs voortbestaan ernstig in het gedrang komt. In dat verband merkt de Raad van State overigens op dat uit de overgelegde statuten blijkt dat de tweede verzoekende partij werd opgericht bij notariële akte van 24 maart 2025, zodat mag worden aangenomen dat zij ook het in artikel 7:3 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen vereiste financieel plan heeft opgesteld volgens (minstens) het microschema van de jaarrekening, waarin zij samengevat verantwoordt en aantoont dat de financieringsbronnen, inkomsten en resultaten voldoende zijn in het licht van een normale uitoefening van de voorgenomen bedrijvigheid over ten minste twee jaar. Niet blijkt, noch wordt aangetoond, dat het niet kunnen realiseren van het project verder gaat dan de XIV-39.904-7/9 (ingeschatte) normale eigen bedrijfsvoering, noch dat het niet-verkrijgen van de gevraagde garantie niet kon of werd ingecalculeerd. Aldus stellen de verzoekende partijen de Raad van State niet in staat om, op basis van specifiek op hun individuele situatie toegespitste gegevens, te verifiëren of de weigering van de garantie voor de financiering van het door de tweede verzoekende partij beoogde project – en het tijdelijk ondergaan van die beslissing in afwachting van een uitspraak ten gronde – de activiteiten van de verzoekende partijen definitief en onherroepelijk in gevaar dreigt te brengen, dan wel deze op een dermate fundamentele wijze beïnvloedt dat redelijkerwijze niet van hen mag worden verwacht dat zij de normale afwikkeling van het annulatieberoep afwachten.
- De eerste verzoeker voert tevens een moreel nadeel aan, bestaande in de bijzondere omstandigheid dat de negatieve beoordeling gebaseerd is op zijn persoon en, naar verwachting, snel bekend zal raken in de industriële en zeker in de financiële wereld. Hij stelt dat deze omstandigheid zijn ondernemerschap gedurende lange tijd negatief zal beïnvloeden. In wezen beroept hij zich derhalve op reputatieschade als ondernemer.. Deze “bijzondere omstandigheid” overtuigt niet. In beginsel wordt een moreel nadeel hersteld door een eventueel vernietigingsarrest, behoudens wanneer bijzondere omstandigheden worden aangetoond die overtuigen dat het aangevoerde morele nadeel van die aard is dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen, zodat het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht. Een schorsingsprocedure strekt er immers niet toe om elk (moreel) nadeel dat voortvloeit uit een bestreden beslissing versneld te ondervangen. Los van de vraag of er een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen het aangevoerde morele nadeel en de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, en los van de vraag of het standpunt van eerste verzoeker XIV-39.904-8/9 meer is dan een eigen persoonlijke perceptie, onderbouwt eerste verzoeker niet noch maakt hij concreet waarom dit volgens hem een bijzondere omstandigheid vormt die ertoe noopt te besluiten dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen, zodat het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht. Op dat punt schiet hij tekort in zijn stel- en bewijsplicht.
- De spoedeisendheid is niet aangetoond. VII. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.904-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.304 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.