← België

Arrest 265305 - Reglementen (cultuur, media en telecommunicatie) - 24/12/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.305 Rolnummer: A. 240377/IX-10368 Zaak: Arrest 265305 - Reglementen (cultuur, media en telecommunicatie) - 24/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-12 Raadplegingen: 218 - laatst gezien 2026-06-18 06:17 Fiche Arrest nr 265.305 van 24 december 2025 Onderwijs en cultuur - Reglementen (cultuur, media en telecommunicatie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.305 no lien 286877 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 265.305 van 24 december 2025 in de zaak A. 240.377/IX-10.368 In zake : de VZW BEHEERDERS INTERNATEN GEMEENSCHAPSONDERWIJS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim Mertens en Philippe Dreesen kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Vanheule kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 30 oktober 2023, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2023 ‘over de onderwijsinternaten’. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Daniël Plas heeft een verslag opgesteld. IX-10.368-1/37 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 oktober
  3. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Voorzitter Liesbeth L’hoëst en advocaat Philippe Dreesen, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Dirk Vanheule, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Daniël Plas, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoekende partij heeft tot doel de professionele belangen van de beheerders van de internaten in het Gemeenschapsonderwijs te verdedigen. 3.
  6. Met het decreet van 16 juni 2023 ‘over de onderwijsinternaten’ (hierna: decreet onderwijsinternaten) wordt beoogd een nieuw decretaal kader vast te leggen voor de erkenning, financiering en subsidiëring van de onderwijsinternaten. Het voormelde decreet maakt van de internaten autonome organisaties, die in aanmerking komen voor erkenning, financiering en subsidiëring. Voorts voorziet het decreet in een schaalvergroting. IX-10.368-2/37 Wat de omkadering betreft, heeft een onderwijsinternaat recht op omkadering voor gewone verblijfsdagen en aanvullende omkadering voor onder andere bijkomende verblijfsdagen en ‘Samen Onderwijsinternaat Maken’ (hoofdstuk 7 van het decreet onderwijsinternaten). Die omkadering wordt uitgedrukt in omkaderingsrekeneenheden (ORE). Het bestuur van een onderwijsinternaat kan de ORE alleen aanwenden voor de werking van het onderwijsinternaat (artikel 31, eerste lid, van het decreet onderwijsinternaten). Daarbij bepaalt de Vlaamse Regering de personeelscategorieën voor onderwijsinternaten en deelt zij die in wervings-, selectie- en bevorderingsambten in (artikel 29 van het decreet onderwijsinternaten). Vervolgens wordt aan elk ambt een aantal ORE toegekend, dat wordt vastgelegd op basis van een bekwaamheidsbewijs of een salarisschaal (artikel 30 van het decreet onderwijsinternaten). Tevens moet er binnen de beschikbare ORE per onderwijsinternaat minimum één halftijdse of maximum één voltijdse betrekking in het ambt van directeur worden ingericht (artikel 31, derde lid, van het decreet onderwijsinternaten). Het bevorderingsambt van directeur vervangt dat van beheerder. 3.
  7. Met het thans bestreden besluit wordt uitvoering gegeven aan het decreet onderwijsinternaten. Artikel 10, 1°, van het bestreden besluit voorziet in het bevorderingsambt van directeur. Krachtens artikel 12, 1°, van het bestreden besluit dienen de personeelsleden voor dit ambt houder te zijn van een bekwaamheidsbewijs van ten minste bachelor. Artikel 14, eerste lid, 1°, van het bestreden besluit stipuleert dat een directeur van een onderwijsinternaat wordt betaald volgens salarisschaal 165, zoals vastgesteld in het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 ‘houdende de salarisschalen van bepaalde personeelsleden van het onderwijs’. IX-10.368-3/37 IV. Ontvankelijkheid van het beroep – belang Exceptie
  8. De verwerende partij werpt op dat het de verzoekende partij aan het rechtens vereiste belang ontbreekt. Zij argumenteert dat de verzoekende partij het beroep richt tegen artikel 14, 1° (versta: artikel 14, eerste lid, 1°), van het bestreden besluit waarin wordt bepaald dat de directeur van het onderwijsinternaat wordt bezoldigd volgens salarisschaal 165 omdat deze salarisschaal lager is dan die welke gelden voor de directeurs van andere onderwijsinstellingen. Evenwel worden de beheerders van de onderwijsinternaten nu reeds betaald volgens salarisschaal
  9. Het bestreden besluit benadeelt de leden van de verzoekende partij bijgevolg niet op het vlak van de verloning en brengt hun professionele belangen niet in het gedrang. Dat de directeurs van de onderwijsinternaten niet worden betaald volgens een hogere salarisschaal, volstaat volgens de verwerende partij niet om gewag te kunnen maken van een benadeling. Zij meent dat een gebeurlijke nietigverklaring van de voormelde bepaling van het bestreden besluit dit nadeel niet kan verhelpen. Beoordeling
  10. Luidens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van deze wetten, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden zijn vervuld: zij dient door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden en de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling moet haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen. Dit geldt evenzeer bij het aanvechten van reglementaire akten. IX-10.368-4/37 Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er evenwel over te waken dat de belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast.
  11. Het decreet onderwijsinternaten vervangt het ambt van beheerder van een onderwijsinternaat door het ambt van directeur. Hoewel de schaalvergroting waarin het voormelde decreet voorziet, ertoe leidt dat niet elke beheerder directeur wordt, betwist de verwerende partij niet dat er beheerders en leden van de verzoekende partij zijn die in het ambt van directeur van een onderwijsinternaat worden aangesteld. Deze directeurs worden bezoldigd volgens de hen door het bestreden besluit toegekende salarisschaal
  12. De nietigverklaring van het bestreden besluit – en in het bijzonder van artikel 14, eerste lid, 1° – zou tot gevolg hebben dat de Vlaamse Regering ertoe gehouden is om opnieuw een salarisschaal vast te stellen voor het bevorderingsambt van directeur in een onderwijsinternaat. Die nietigverklaring biedt dan ook een kans op de toekenning van een gunstigere salarisschaal. Die vaststelling volstaat om het belang van de verzoekende partij bij haar beroep aan te nemen.
  13. De exceptie faalt. V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  14. In een enig middel voert de verzoekende partij de schending aan van “het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten, CAO nr. XII en […] de algemene beginselen van behoorlijke wetgeving en behoorlijke ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.305 IX-10.368-5/37 regelgeving, meer bepaald het gelijkheidsbeginsel, zoals ook gewaarborgd wordt in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet”. 9.
  15. In een eerste middelonderdeel betoogt de verzoekende partij dat uit de parlementaire voorbereiding bij artikel 60, 3°, van het decreet onderwijsinternaten blijkt dat de vroegere functie van beheerder wordt opgewaardeerd tot ‘directeur’. De decreetgever beoogt volgens haar een gelijke behandeling na te streven ten opzichte van de andere onderwijsinstellingen. Ook uit de conceptnota ‘Onderwijsinternaten, een plaats binnen de samenleving’, die het initiatief vormt voor de uitwerking van de hervorming van de onderwijsinternaten, blijkt de doelstelling om het ambt van beheerder daadwerkelijk op te waarderen. De verzoekende partij leest in de voormelde nota dat daaraan een loonsverhoging wordt gekoppeld om de loonspanning tussen de directeurs van het basisonderwijs en de internaatdirecteurs te verminderen. Door in artikel 14 van het bestreden besluit aan de directeur van een onderwijsinternaat dezelfde salarisschaal 165 toe te kennen als die welke reeds van toepassing was voor de beheerders, is er naar het oordeel van de verzoekende partij geen sprake meer van een opwaardering. De Vlaamse Regering gaat volgens de verzoekende partij eraan voorbij dat het decreet onderwijsinternaten aan een directeur van een onderwijsinternaat meer taken en verantwoordelijkheden heeft toebedeeld dan de beheerders hadden. Zo streeft het decreet naar schaalvergroting, maar beoogt het niet het aantal locaties waar verblijf wordt aangeboden, te verminderen. Dit impliceert volgens haar dat een directeur de verantwoordelijkheid moet dragen over een groter werkingsgebied en meer middelen. Sedert 1 september 2023 zijn alle internaten ook autonoom en draagt de directeur per definitie de eindverantwoordelijkheid, terwijl die vroeger kon berusten bij de directie van de onderwijsinstelling waaraan het internaat was verbonden. Uit wat voorafgaat, besluit de verzoekende partij dat het decreet onderwijsinternaten geen rechtsgrond biedt om voor de directeurs salarisschaal 165 te behouden en dat de Vlaamse Regering het decreet niet correct heeft uitgevoerd. Een en ander strijdt volgens de verzoekende partij ook met het uitgangspunt van de hervorming, namelijk ‘loon naar (meer) werk’, wat impliceert ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.305 IX-10.368-6/37 dat directeurs een loonsverhoging zouden moeten krijgen gelet op de uitbreiding van hun takenpakket. In het bestreden besluit is daarvan geen sprake, terwijl de decreetgever is uitgegaan van een loonsverhoging voor directeurs. In dat verband wijst de verzoekende partij erop dat artikel 74 van het decreet onderwijsinternaten voorziet dat beheerders die ingevolge de schaalvergroting geen directeur worden, salarisschaal 165 behouden tenzij het uitvoeringsbesluit hen een gunstiger regime toekent. De decreetgever gaat dus uit van de mogelijkheid van een gunstiger regime voor beheerders die geen directeur worden, wat strookt met het uitgangspunt ‘loon naar werk’. In het bestreden besluit krijgen de nieuwe directeurs echter dezelfde salarisschaal toegekend als de beheerders die geen directeur worden. De nieuwe directeurs krijgen bijgevolg geen vergoeding voor de uitbreiding van hun verantwoordelijkheden en takenpakket. Voorts voert de verzoekende partij aan dat het bestreden besluit de in CAO nr. XII ‘Protocol van de onderhandelingen die gevoerd werden betreffende een akkoord van sectorale sociale programmatie voor de jaren 2021- 2024 voor de sector ‘Onderwijs’ van de Vlaamse Gemeenschap tussen de Vlaamse Regering en de representatieve vakorganisaties ACOD, FCSOD (en ACV Voeding en diensten) en VSOA’ (hierna: CAO nr. XII) voorziene loonspanning van 35% tussen het loon van een directeur en van een leerkracht niet respecteert. Zij argumenteert dat, ingevolge het decreet onderwijsinternaten, de internaten worden beschouwd als autonome onderwijsinstellingen, met aan het hoofd daarvan een directeur. De loonspanning van 35% met het loon van een leerkracht moet derhalve ook voor hen worden voorzien. Ook de sociale partners hebben dit opgemerkt naar aanleiding van de totstandkoming van het bestreden besluit. 9.
  16. In een tweede middelonderdeel voert de verzoekende partij de schending van het gelijkheidsbeginsel aan. Zij argumenteert dat de afdeling Wetgeving van de Raad van State in advies nr. 73.815/1 van 28 juni 2023 over het ontwerp van besluit over de onderwijsinternaten heeft opgemerkt dat het gelijkheidsbeginsel in het gedrang komt door voor directeurs van onderwijsinternaten salarisschaal 165 te behouden, terwijl directeurs van scholen doorgaans in aanmerking komen voor een andere salarisschaal – versta: met een ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.305 IX-10.368-7/37 hoger salaris tot gevolg. Niettemin heeft de Vlaamse Regering het verschil in behandeling behouden. In de daartoe in de nota aan de Vlaamse Regering verstrekte verantwoording vallen volgens de verzoekende partij drie motieven te onderscheiden en zij legt vervolgens uit waarom ze niet deugdelijk zijn. Een eerste motief betreft volgens de verzoekende partij de budgettaire mogelijkheden. Daaromtrent stelt zij dat het in wezen een herhaling inhoudt van de eerdere verantwoording voor het verschil in behandeling aangezien er louter wordt geconcretiseerd wat onder de algemene bewoordingen “extra impuls te gebruiken voor meer handen op de vloer” moet worden begrepen, namelijk “voor het mogelijk maken van vervangingen vanaf 1 dag voor alle personeelsleden”. Deze verantwoording blijft een verwijzing naar de budgettaire mogelijkheden, waaromtrent de afdeling Wetgeving van de Raad van State heeft gesteld dat een dergelijke motivering niet volstaat om het verschil in behandeling te verantwoorden. Bovendien voorziet CAO nr. XII in een minimale loonspanning van 35% voor schooldirecteurs, hetgeen het bestreden besluit ontzegt aan de directeurs van onderwijsinternaten. Ook hieraan komt de Vlaamse Regering niet tegemoet. Het tweede motief is volgens de verzoekende partij de stelling dat de inhoud van de functie van directeur niet is gewijzigd in vergelijking met de inhoud van de functie van beheerder. Dienaangaande argumenteert de verzoekende partij dat dit indruist tegen het decreet onderwijsinternaten, waarmee is getracht om een antwoord te bieden op de onderliggende realiteit dat de beheerders van internaten in de praktijk gelijkaardige taken uitvoeren als directeurs in scholen, terwijl daar geen gelijkwaardige vergoeding tegenover staat. Zoals de afdeling Wetgeving van de Raad van State heeft aangegeven, is het verschil in behandeling niet verenigbaar met het gelijkheidsbeginsel gelet op de evolutie van de onderwijsinternaten en het toegroeien van de organisatorische regels van de onderwijsinternaten naar de organisatorische regels van de andere onderwijsinstellingen, waardoor de taken en verantwoordelijkheden van een directeur van een onderwijsinternaat grotere gelijkenissen gaan vertonen met de taken en verantwoordelijkheden van een directeur van een andere ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.305 IX-10.368-8/37 onderwijsinstelling, mede rekening houdend met de doelstellingen die aan het decreet onderwijsinternaten ten grondslag liggen. Dat de inhoud van de functie niet zou wijzigen, houdt volgens de verzoekende partij geen verantwoording in voor het feit dat de internaatdirecteurs, van wie het takenpakket steeds grotere gelijkenissen vertoont met dat van schooldirecteurs, niet in aanmerking komen voor een gelijke vergoeding. De minister van Onderwijs laat uitschijnen dat het louter het feit betreft dat de term ‘beheerder’ verouderd was. Of de leidinggevende van een onderwijsinternaat de titel beheerder dan wel directeur draagt, is naar het oordeel van de verzoekende partij evenwel niet relevant om het verschil in behandeling te verantwoorden. Het takenpakket en de verantwoordelijkheden, die gelijkaardig zijn aan die van schooldirecteurs, zijn daarentegen wel relevant om de salarisschaal te bepalen. Bovendien gaat de minister eraan voorbij dat met het decreet onderwijsinternaten de taken en verantwoordelijkheden van de directeurs zijn uitgebreid. Sinds 1 september 2023 zijn alle internaten autonoom en het decreet heeft ingezet op schaalvergroting. De leidinggevenden dragen hierdoor meer verantwoordelijkheid dan vόόr de decreetwijziging het geval was. De inhoud van de functie is dus wel degelijk veranderd, waardoor de geboden verantwoording niet strookt met het decreet. Het derde motief is volgens de verzoekende partij dat de norm steunt op een personeelsequipe van vijf internaatmedewerkers van het niveau ‘ten minste bachelor’, terwijl in de andere onderwijsniveaus de personeelsequipes veelal groter zijn en ieder onderwijsniveau eigen specifieke kenmerken heeft. De verzoekende partij betoogt dat de minister hiermee laat uitschijnen dat directeurs van onderwijsinternaten niet vergelijkbaar zouden zijn met directeurs van scholen. Dit strookt echter niet met het uitgangspunt van het decreet onderwijsinternaten dat het ambt van beheerder moet worden opgewaardeerd omdat hun taken steeds meer naar elkaar zijn toegegroeid. Zoals de afdeling Wetgeving heeft aangegeven, zijn hun taken wel degelijk vergelijkbaar. De personeelsequipe omvat volgens de verzoekende partij ook slechts één aspect van het ambt. Daarbij wijst zij erop dat in tegenstelling tot schooldirecteurs, een internaatdirecteur permanent bereikbaar moet zijn voor noodgevallen. Bovendien voorziet het decreet in een schaalvergroting waarbij alle internaten sinds 1 september 2023 autonoom zijn, ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.305 IX-10.368-9/37 waardoor de personeelsequipe van een internaat in principe zal toenemen. De verzoekende partij merkt op dat het verschil in behandeling ook in zeer algemene bewoordingen wordt verantwoord in zoverre wordt gesteld dat in andere onderwijsniveaus de personeelsequipes “veelal” groter zijn, hetgeen dus niet noodzakelijk het geval is. Dat ieder onderwijsniveau zijn eigen specifieke kenmerken heeft, laat volgens de verzoekende partij op zichzelf niet verstaan waarom school- en internaatdirecteurs niet vergelijkbaar zouden zijn en verantwoordt nog minder het verschil in behandeling. De verzoekende partij is ook de mening toegedaan dat het derde motief in strijd is met het eerste motief dat enkel de budgettaire mogelijkheden de Vlaamse Regering verhinderen om op de vraag tot loonsverhoging in te gaan. Uit de verantwoording dat “[h]et behouden van de salarisschaal 165 voor de directeurs [voortvloeit] uit de afspraken die met de sociale partners zijn gemaakt bij cao XII om het cao-budget voor de internaten prioritair in te zetten voor het mogelijk maken van vervangingen vanaf 1 dag voor alle personeelsleden en niet voor een loonsverhoging van de beheerders” kan volgens haar worden afgeleid dat de vraag voor een gelijke behandeling met schooldirecteurs en dus een loonsverhoging wel degelijk gerechtvaardigd is. Tot slot betoogt de verzoekende partij dat de verantwoording in de nota aan de Vlaamse Regering enkel ingaat op het verschil in behandeling tussen schooldirecteurs en internaatdirecteurs onderling terwijl de ongelijkheid ruimer is. De internaatdirecteurs worden immers op dezelfde wijze ingeschaald als beheerders die op 1 september 2023 geen directeur worden. Dit is eveneens een ongelijke behandeling ten opzichte van directeurs op andere onderwijsniveaus. Zij hebben doorgaans een andere salarisschaal die leidt tot een hoger salaris dan de personeelsleden die niet in het ambt van directeur worden aangesteld binnen dat andere onderwijsniveau. Dit verschil in behandeling verantwoordt de minister niet. 10.
  17. Op de door de verwerende partij opgeworpen exceptie dat het middel onontvankelijk is in zoverre de schending zou worden aangevoerd van andere algemene beginselen van behoorlijke wetgeving en regelgeving dan het gelijkheidsbeginsel bij gebrek aan verduidelijking hieromtrent, repliceert de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord dat de schending van het ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.305 IX-10.368-10/37 gelijkheidsbeginsel ook inhoudt dat de verwerende partij niet zorgvuldig en binnen de grenzen van de redelijkheid heeft gehandeld en aldus ook het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel heeft geschonden. 10.
  18. Wat het eerste middelonderdeel betreft, onderstreept de verzoekende partij dat de decreetgever de bedoeling had om met de invoering van het directeursambt de functie van beheerder op te waarderen. Dat daarmee een loonsverhoging gepaard gaat, volgt volgens de verzoekende partij uit de omschrijving van het ambt van directeur. In het andere geval zou er geen sprake zijn van een opwaardering van het ambt. Een onderwijsinternaat is immers een onderwijsinstelling. Voortaan zijn de beheerders directeur van een onderwijsinstelling en komen zij dus in aanmerking voor het loon van een directeur van een onderwijsinstelling. Voorts is de verzoekende partij van oordeel dat artikel 74 van het decreet onderwijsinternaten wel degelijk inhoudt dat de decreetgever voor minstens het directeursambt is uitgegaan van een loonsverhoging. Dienaangaande argumenteert zij dat de beheerders die op 1 september 2023 niet worden aangesteld als directeur op grond van die bepaling salarisschaal 165 behouden, tenzij zij recht hebben op een nog gunstiger regime. Voor directeurs is in de overgangsbepalingen niet in een soortgelijke bescherming voorzien en volgens de verzoekende partij is de reden daarvoor dat de invoering van het directeursambt in principe een loonsverhoging impliceert. Wat het niet respecteren van de in CAO nr. XII voorziene loonspanning van 35% betreft, argumenteert de verzoekende partij dat de verwerende partij uit de term ‘schoolleiders’ verkeerdelijk afleidt dat deze bepaling niet van toepassing zou zijn op de leidinggevende van een onderwijsinternaat. In het toepassingsgebied van CAO nr. XII wordt immers verwezen naar de personeelsleden bedoeld in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, waartoe ook de personeelsleden van onderwijsinternaten behoren. Als voorafgaande opmerking wordt bij het toepassingsgebied ook vermeld dat met de term ‘school’ eveneens instelling of centrum wordt bedoeld. IX-10.368-11/37 Welnu, een onderwijsinternaat is een onderwijsinstelling in de zin van artikel 2 van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs. Bijgevolg is de minimale loonspanning van 35% ook van toepassing op de directeur van een onderwijsinternaat. In zoverre de verwerende partij opmerkt dat het bereiken van de minimale loonspanning van 35% slechts een inspanningsverbintenis zonder concrete ingangsdatum betreft en dat de eerste aanzetten in 2022 en 2023 hebben geleid tot een minimale loonspanning van 31% voor de directeurs van onderwijsinstellingen, wijst de verzoekende partij erop dat met het behoud van salarisschaal 165 haar leden niet eens komen aan een loonspanning van 31% tussen het ambt van directeur van een onderwijsinternaat en de wervingsambten. Zij meent dan ook dat haar leden recht hebben op een hoger loon, waarbij een loonspanning van minstens 31% wordt gerespecteerd. 10.
  19. Aangaande het tweede middelonderdeel ontkent de verzoekende partij dat het onderscheid in behandeling berust op een objectief criterium, een gewettigd doel nastreeft, op pertinente wijze bijdraagt tot de realisatie van de doelstelling en de evenredigheid tussen de aangewende middelen en het beoogde doel respecteert. Inzake het objectief criterium van onderscheid betoogt zij dat, anders dan wat de verwerende partij beweert, de vergoeding volgens salarisschaal 165 het verschil in behandeling zelf is en niet het objectief onderscheidingscriterium. Op zich is een vergoeding in salarisschaal 165 immers geen criterium om een directeur van een onderwijsinternaat te onderscheiden van een directeur van een andere onderwijsinstelling. Wat de legitieme doelstelling betreft, laat zij gelden dat de verantwoording dat “de middelen beperkt zijn en […] de voorkeur werd gegeven om de extra impuls te gebruiken voor meer handen op de vloer” een louter budgettaire reden is, waarover de afdeling Wetgeving van de Raad van State heeft opgemerkt dat dit niet volstaat om het verschil in behandeling te verantwoorden. Volgens de verzoekende partij is die extra impuls in de praktijk ook onwerkbaar. Blijkens de nota aan de Vlaamse Regering in het kader van de definitieve ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.305 IX-10.368-12/37 goedkeuring van het bestreden besluit betreft dit immers de mogelijkheid om vanaf één dag vervangingen te voorzien voor alle personeelsleden. Welnu, in de praktijk kent dit amper toepassing omdat het niet mogelijk is om personeel te vinden voor korte vervangingen. Inzake de pertinentie van het onderscheid in behandeling argumenteert de verzoekende partij dat aangezien de doelstelling om vervangingen vanaf één dag voor alle personeelsleden te voorzien in de praktijk onwerkbaar is, het verschil in behandeling ingevolge het gebrek aan loonsverhoging voor een directeur van een onderwijsinternaat niet bijdraagt aan de nagestreefde doelstelling. Wat dan de evenredigheid tussen het aangewende middel en het beoogde doel betreft, benadrukt de verzoekende partij dat de door de verwerende partij aangehaalde redenen voor het verschil in behandeling louter budgettair zijn, terwijl uit het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State blijkt dat een algemene verwijzing naar budgettaire redenen niet kan volstaan ter verantwoording. Volgens de verzoekende partij is het niet redelijk om directeurs van onderwijsinternaten geen loonsverhoging toe te kennen terwijl hun takenpakket is uitgebreid en hun verantwoordelijkheden zijn toegenomen. Zij merkt op dat de afdeling Wetgeving van de Raad van State in haar advies heeft gesteld dat gelet op de evolutie van de onderwijsinternaten en het toegroeien van de organisatorische regels van de onderwijsinternaten naar de organisatorische regels van de andere onderwijsinstellingen, de taken en verantwoordelijkheden van een directeur van een onderwijsinternaat grotere gelijkenissen zijn gaan vertonen met de taken en verantwoordelijkheden van een directeur van een andere onderwijsinstelling. Hoewel hun taakstelling niet identiek is, vertoont ze steeds meer gelijkenissen. De verzoekende partij meent dan ook dat zelfs al zouden haar leden geen aanspraak kunnen maken op een gelijke verloning, zij wel een gelijkwaardige verloning mogen claimen. Voorts ontkent de verzoekende partij dat ingevolge het decreet onderwijsinternaten enkel de benaming van de functie van beheerder is gewijzigd naar directeur. Zij haalt diverse voorbeelden aan waaruit moet blijken dat het takenpakket wel degelijk is uitgebreid. De verzoekende partij ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.305 IX-10.368-13/37 betwist ook de stelling van de verwerende partij dat een uitbreiding van het takenpakket niet hoeft in te houden dat directeurs van onderwijsinternaten aanspraak kunnen maken op een loonsverhoging aangezien de titel ‘directeur’ wordt gebruikt voor diverse categorieën van leidinggevenden in het onderwijs die ook op verschillende wijzen zijn ingeschaald. Dienaangaande wijst zij erop dat ondanks het feit dat hun taken en verantwoordelijkheden steeds meer gelijkenissen zijn gaan vertonen, directeurs in andere onderwijsinstellingen, zelfs op een gelijk opleidingsniveau, salarisschalen hebben die leiden tot gevoelig hogere lonen. Nu dit verschil in behandeling louter is ingegeven door budgettaire motieven is deze maatregel volgens de verzoekende partij niet proportioneel in het licht van de doelstelling. Zij is van oordeel dat het in alle redelijkheid niet valt te verantwoorden dat een directeur van een onderwijsinternaat steeds meer taken op zich moet nemen en meer beschikbaar moet zijn zonder dat hiertegenover een hogere vergoeding staat. Vervolgens trekt de verzoekende partij de door de verwerende partij aangehaalde cijfers over de grootte van de personeelsequipes in andere onderwijsniveaus in twijfel. De verzoekende partij merkt op dat die gegevens niet gestaafd zijn, waardoor ze niet te controleren zijn. Zij meent ook dat de door de verwerende partij aangehaalde ratio een vertekend beeld geeft en stelt dat de grootte van de basisschool geen enkele rol speelt in het takenpakket van de directeur. In een grotere school heeft de directeur immers de mogelijkheid om taken uit te besteden aan beleids- en ondersteunend personeel, terwijl de waardering ten opzichte van een directeur in een kleinere school gelijk blijft. Beide directeurs worden bezoldigd volgens salarisschaal 879, waarbij noch het aantal leerlingen, noch de grootte van de personeelsequipe, relevant is voor de verloning. Volgens de verzoekende partij blijkt uit een functiebeschrijving van een directeur van een school ten opzichte van deze van een directeur van een onderwijsinternaat dat die laatste meer taken op zich moet nemen. Bovendien moet rekening worden gehouden met het feit dat een directeur van een onderwijsinternaat permanent beschikbaar moet zijn. In zoverre de verwerende partij bij het trachten in de verf te zetten van het verschil tussen de taken van directeurs van onderwijsinternaten en van andere onderwijsinstellingen opmerkt dat directeurs van scholen ook deel uitmaken van het college van directeurs van de scholengroep waartoe ze behoren, stelt de verzoekende partij dat niet elke school behoort tot een scholengroep zodat ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.305 IX-10.368-14/37 dit mogelijke verschil het onderscheid in behandeling niet kan verantwoorden. Bovendien leidt de samenwerking binnen een scholengroep net tot een kleinere taaklast omdat directeurs onderling beleidsvoorbereidend en -uitvoerend werk kunnen verdelen. Waar de verwerende partij doet gelden dat de nieuwe vervangingsregels het takenpakket van de directeur van een onderwijsinternaat verlichten doordat er meer ruimte zal overblijven voor leidinggevende taken, repliceert de verzoekende partij dat dit bezwaarlijk als een verkleining van het takenpakket kan worden omschreven. De directeur staat immers in voor het aanwerven van het vervangend personeel, hetgeen geen sinecure is. Doorgaans wordt niemand gevonden voor een korte vervangingsopdracht en indien dit wel het geval is, zal de directeur extra ondersteuning moeten bieden aan het vervangende personeelslid. In de mate dat de verwerende partij stelt te streven naar een vermindering van de loonspanning tussen de lonen van de directeurs van het basisonderwijs en de directeurs van onderwijsinternaten – hetgeen nog niet betekent dat ze op gelijke voet moeten worden betaald – stelt de verzoekende partij dat zij geen identieke vergoeding nastreeft maar een gelijkwaardige vergoeding. Het behoud van salarisschaal 165 heeft daarbij op geen enkele wijze bijgedragen aan de beoogde vermindering van de loonspanning. Evenmin is de minimale loonspanning van 35%, minstens 31%, tussen de directeur en de aangestelde personeelsleden gerespecteerd. Dat nog niet alle fusies hebben plaatsgevonden, acht de verzoekende partij niet relevant. Zij betoogt dat de decreetgever meer taken heeft toegekend aan de directeurs van onderwijsinternaten zodat zij in principe aanspraak kunnen maken op een loonsverhoging. Het is niet opportuun hen dit te onthouden omdat in het schooljaar 2027-28 nog een aantal fusies kunnen gebeuren. Bovendien betreft dit een post hoc motivering, die niet in de nota aan de Vlaamse Regering wordt vermeld. Het gaat ook andermaal om een louter budgettair motief, dat het verschil in behandeling niet kan verantwoorden. Volgens de verzoekende partij is het niet proportioneel om de directeur van een onderwijsinternaat dat niet gefusioneerd zal worden voor de lopende schooljaren niet correct te vergoeden. En indien een onderwijsinternaat wel deel zal uitmaken van een fusie, zal dit extra taken en verantwoordelijkheden met zich meebrengen om de fusie in goede banen te leiden. IX-10.368-15/37 Tot slot stipt de verzoekende partij aan dat beheerders die na 1 september 2023 geen directeur van een onderwijsinternaat worden, salarisschaal 165 behouden als overgangsmaatregel. Beheerders die dan wel als directeur worden aangesteld, behouden eveneens die salarisschaal terwijl hun takenpakket uitbreidt. Nochtans genieten directeurs van andere onderwijsinstellingen een hogere verloning, onder meer gelet op de minimale loonspanning ten opzichte van ondergeschikte personeelsleden. Volgens de verzoekende partij houdt het enkele feit dat hier sprake is van een overgangsmaatregel geen redelijke verantwoording in. 11.
  20. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij met betrekking tot de ontvankelijkheid van het middel, in zoverre erin de schending wordt aangevoerd van andere algemene beginselen van behoorlijke wetgeving en behoorlijke regelgeving dan het gelijkheidsbeginsel, dat zij in het verzoekschrift meermaals heeft aangehaald dat de verwerende partij het verschil in behandeling niet afdoende verantwoordt. Volgens de verzoekende partij houdt dat een schending in van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het redelijkheidsbeginsel. Er blijkt immers uit dat de verwerende partij onvoldoende rekening heeft gehouden met alle facetten van het ambt van directeur van een onderwijsinternaat (schending van het zorgvuldigheidsbeginsel) en dat zij haar beslissing redelijkerwijze niet verantwoordt (schending van het redelijkheidsbeginsel). In het verzoekschrift heeft zij ook nog aangevoerd dat de verwerende partij heeft nagelaten om op zorgvuldige wijze de loonspanning voorzien door CAO nr. XII bij haar beoordeling te betrekken. Wat de ontvankelijkheid van het middel betreft in zoverre erin de schending wordt aangevoerd van CAO nr. XII, betoogt de verzoekende partij dat de Vlaamse Regering zich heeft verbonden tot een correcte en volledige uitvoering van deze CAO en dus ook om de minimale loonspanning tussen de salarisschaal van een directeur en van het personeel onder zijn bevoegdheid te verwezenlijken. Naar het oordeel van de verzoekende partij is de CAO bindend voor de verwerende partij en kan de Raad van State nagaan of zij bij de totstandkoming van het bestreden besluit de bindende bepalingen in deze CAO al ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.305 IX-10.368-16/37 dan niet heeft nageleefd. Als de CAO al een louter contractuele grondslag zou hebben, impliceert dit volgens de verzoekende partij niet dat de Raad van State hieraan niet mag toetsen. De verwerende partij heeft zichzelf een regel opgelegd en de overheid moet de regels naleven die zij heeft uitgevaardigd. CAO nr. XII verplicht de Vlaamse Regering ook niet om een welbepaalde salarisschaal aan te nemen met betrekking tot welbepaalde beroepsgroepen binnen het onderwijs, maar wel om een minimale loonspanning in acht te nemen. In dat opzicht betreft het geschil tussen de partijen geen geschil van subjectief recht – de verzoekende partij kan uit de CAO geen welbepaalde concrete gedraging in hoofde van de verwerende partij afdwingen – maar een geschil binnen de objectieve geschillenbeslechting. Volgens de verzoekende partij beschikt de verwerende partij over een discretionaire bevoegdheid, maar gaat die niet zover dat zij kan beslissen om niet in een minimale loonspanning – van 31% nu, die moet evolueren naar 35% – te voorzien tussen de leden van de verzoekende partij en de aan hen ondergeschikte wervingsambten. In arrest nr. 154/2005 van 20 oktober 2005 heeft het Grondwettelijk Hof weliswaar geoordeeld dat de bepalingen binnen de CAO geen directe reglementaire normen bevatten – dit zijn normen die derden binden – maar dit neemt volgens de verzoekende partij niet weg dat de CAO de Vlaamse Regering bindt om de principes uit die CAO om te zetten in regelgeving en dat de verzoekende partij er belang bij heeft dat zij dit naleeft. 11.
  21. Aangaande het eerste middelonderdeel argumenteert de verzoekende partij dat artikel V.47, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2016 ‘betreffende codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs’ (hierna: de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs) bepaalt dat de Vlaamse Regering rekening kan houden met de aard van het ambt, wat te dezen niet is gebeurd aangezien de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met de opwaardering van het ambt van beheerder naar directeur. Met verwijzing naar arrest nr. 216.047 van 27 oktober 2011 stelt de verzoekende partij dat deze opwaardering een decretale grondslag heeft zodat de Vlaamse Regering ermee rekening moest houden en dat het in elk geval niet aan een wettelijke grondslag daartoe zou ontbreken. Bovendien heeft de opwaardering een decretale grondslag die betrekking heeft op de aard van het ambt, wat zelfs één van de criteria is die ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.305 IX-10.368-17/37 worden vermeld in artikel V.47, § 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs. Uit het voornoemde arrest blijkt voorts dat de aard van het ambt niet afhangt van het aantal leerlingen en bijgevolg ook niet van de grootte van de onderwijsequipe. 11.
  22. Inzake het tweede middelonderdeel argumenteert de verzoekende partij dat de vaststelling dat onderwijsinternaten een afzonderlijk onderwijsniveau zijn in de zin van artikel V.47, § 2, eerste lid, 2°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, impliceert dat de directeur binnen dat onderwijsniveau op dit ogenblik reeds aanspraak kan maken op een minimale loonspanning van 31%, die moet evolueren naar 35%. Voor de leden van de verzoekende partij is dit niet het geval. Wat het bestaan van een legitieme doelstelling voor de onderscheiden behandeling betreft, herhaalt de verzoekende partij dat de verantwoording met betrekking tot het mogelijk maken van vervangingen vanaf één dag voor alle personeelsleden niet meer is dan een algemene verwijzing naar budgettaire mogelijkheden. Zelfs al zouden de vervangingen vanaf één dag voor alle personeelsleden in de praktijk wel werkbaar zijn – wat de verzoekende partij ontkent – doet dit volgens haar geen afbreuk aan het gegeven dat het verschil in behandeling niet kan worden verantwoord aan de hand van budgettaire redenen. Voorts ontkent de verzoekende partij dat een tweede doelstelling erin zou bestaan om bij de vaststelling van de salarisschalen rekening te houden met de karakteristieken van de verschillende onderwijsniveaus. Dienaangaande argumenteert zij dat het onderwijsniveau het onderscheidingscriterium uitmaakt waarop het verschil in behandeling steunt en dat het gelijkheidsbeginsel inhoudsloos zou zijn wanneer het onderscheidingscriterium op zichzelf de legitieme doelstelling vormt voor een verschil in behandeling. Volgens de verzoekende partij is de situatie omgekeerd. Ingevolge het decreet onderwijsinternaten zijn de onderwijsinternaten een volwaardig onderwijsniveau, waarbij de leidinggevende bovendien meer verantwoordelijkheden draagt. Vandaar ook de opwaardering van het ambt van beheerder naar directeur. IX-10.368-18/37 Sindsdien valt het onderwijsinternaat als een afzonderlijk onderwijsniveau te beschouwen, behalve voor wat de salarisschaal van de directeur betreft. Voorts onderstreept de verzoekende partij dat vanuit de bekommernis om de begroting het verschil in behandeling niet te verantwoorden valt. Hetzelfde geldt, aldus de verzoekende partij, voor wat betreft de doelstelling om de salarisschalen af te stemmen op de kenmerken van de verschillende onderwijsniveaus. Zij herhaalt dat het gelijkheidsbeginsel inhoudsloos is, indien het onderscheidingscriterium zelf de doelstelling voor het verschil in behandeling vormt. Dit zou, zo stelt de verzoekende partij, erop neerkomen dat directeurs binnen onderwijsinternaten – wat een afzonderlijk onderwijsniveau vormt – niet vergelijkbaar zijn met directeurs van andere onderwijsniveaus, terwijl de vergelijkbaarheid van beide categorieën niet ter discussie staat. Volgens de verzoekende partij is het één zaak om een verschil in behandeling te steunen op bepaalde karakteristieken binnen het onderwijsniveau als criterium van onderscheid. Het onderscheidingscriterium maakt een gedifferentieerde regeling immers mogelijk. Een andere kwestie is het evenwel om vervolgens dit verschil in behandeling alleen op basis van dat criterium te verantwoorden. Het verschil in behandeling moet ten aanzien van de nagestreefde doelstelling redelijk en verantwoord zijn. Als het criterium van onderscheid samenvalt met de nagestreefde doelstelling zal dit altijd het geval zijn. De verantwoording in functie van de specifieke kenmerken van het onderwijsniveau is derhalve nietszeggend. Wat de evenredigheid tussen het aangewende middel en het doel betreft, argumenteert de verzoekende partij dat uit de conceptnota van 13 november 2020 blijkt dat een billijke verloning voor de directeur van een onderwijsinternaat vereist dat de loonspanning ten opzichte van een directeur van het basisonderwijs daalt van 1,21 aan het begin naar 1,10 aan het einde van de loopbaan. Daarnaast is ook de minimale loonspanning tussen een directeur en de ondergeschikte personeelsleden van belang, waarbij CAO nr. XII voor elk onderwijsniveau voorziet dat dit 31% moet zijn, om te evolueren naar 35%. Volgens de verzoekende partij is het misschien niet onredelijk om de salarisschaal af te stemmen in functie van de onderscheiden kenmerken van de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.305 IX-10.368-19/37 onderwijsniveaus, maar de manier waarop dit met het bestreden besluit is gebeurd is dit wel. Er wordt aan haar leden immers helemaal geen loonsverhoging toegekend terwijl het ambt van beheerder is opgewaardeerd tot directeur en dit gepaard ging met een uitbreiding van het takenpakket. Voorts benadrukt de verzoekende partij dat de omstandigheid dat internaatdirecteuren op dezelfde wijze worden ingeschaald als beheerders die geen directeur worden na 1 september 2023 – beiden worden bezoldigd volgens salarisschaal 165 – een ongelijke behandeling uitmaakt ten opzichte van directeurs van andere onderwijsniveaus, die gelet op de minimale loonspanning voorzien in CAO nr. XII aanspraak kunnen maken op hogere vergoedingen ten opzichte van de ondergeschikte personeelsleden. Volgens de verzoekende partij heeft de Vlaamse Regering bij de totstandkoming van het bestreden besluit ten onrechte geen rekening gehouden met de overgangsbepaling bedoeld in artikel 74 van het decreet onderwijsinternaten. De opwaardering van het ambt van beheerder impliceert een loonsverhoging, maar de Vlaamse Regering heeft die niet toegekend. Zij voorziet dan ook niet in een minimale loonspanning tussen directeurs van onderwijsinternaten en hun ondergeschikte personeelsleden, terwijl dat voor directeurs van andere onderwijsniveaus wel het geval is. De verzoekende partij ontkent dat zij onvoldoende aannemelijk zou hebben gemaakt dat directeurs van andere onderwijsniveaus doorgaans een hoger salaris ontvangen in vergelijking met de aan hen ondergeschikte personeelsleden. In het verzoekschrift heeft zij immers erop gewezen dat de loonspanning op dit ogenblik 31% bedraagt en moet evolueren naar 35%. Dit blijkt onder meer uit de opmerkingen die de sociale partners hebben geformuleerd naar aanleiding van het voorontwerp van het bestreden besluit. Beoordeling a. ontvankelijkheid van het middel i. wat de schending van CAO nr. XII betreft IX-10.368-20/37
  23. In de mate dat de verzoekende partij de schending aanvoert van CAO nr. XII kan worden vastgesteld dat dit protocol, daargelaten welke de rechtsgrondslag ervan is, in essentie een akkoord betreft tussen de Vlaamse Regering en de ondertekenende representatieve vakorganisaties. De Vlaamse Regering, zo leert het protocol, “verbindt zich tot een correcte en volledige uitvoering van deze cao” terwijl de betrokken vakorganisaties “zich [engageren] om loyaal het akkoord te respecteren in zijn geheel en de sociale vrede te bewaren over de afspraken in deze cao”. De betrokken CAO moet bijgevolg worden beschouwd als een akkoord of een verbintenis tussen de Vlaamse Regering en de vakorganisaties die deze hebben ondertekend. Het vormt geen wetskrachtige norm. In zoverre de verzoekende partij in het middel een schending aanvoert van CAO nr. XII, beroept zij zich in essentie op een miskenning van burgerrechtelijke verhoudingen die daarin vervat zouden liggen. Zij meent dat haar leden recht hebben op een bezoldiging waarbij de in CAO nr. XII voorziene loonspanning van 35% wordt gerespecteerd. De beslechting van een dergelijke betwisting behoort op grond van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet toe aan de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde en valt derhalve buiten de rechtsmacht van de Raad van State.
  24. In zoverre de verzoekende partij haar wettigheidskritieken ontleent aan een rechtstreekse schending van CAO nr. XII, is het middel niet ontvankelijk. ii. de schending van “de algemene beginselen van behoorlijke wetgeving en behoorlijke regelgeving”, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel
  25. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat het tweede middelonderdeel beperkt blijft tot een uiteenzetting omtrent het gelijkheidsbeginsel en dat “[b]ij gebrek aan verdere verduidelijking over welke andere algemene beginselen van behoorlijke wetgeving en regelgeving zouden zijn ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.305 IX-10.368-21/37 miskend, […] het beroep dat is gebaseerd op de schending van die algemene beginselen onontvankelijk [is]”. In haar laatste memorie doet zij gelden dat de verwijzing naar het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel in de memorie van wederantwoord laattijdig is.
  26. In het verzoekschrift heeft de verzoekende partij de schending aangevoerd van “de algemene beginselen van behoorlijke wetgeving en behoorlijke regelgeving, meer bepaald het gelijkheidsbeginsel, zoals ook gewaarborgd wordt in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet”. In de memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat de schending van het gelijkheidsbeginsel ook een schending inhoudt van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. Aldus maakt zij de schending van de laatst vermelde beginselen volkomen afhankelijk van de wél in het verzoekschrift aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel en geeft zij aan die beginselen geen invulling die van het gelijkheidsbeginsel wordt afgezonderd. Daargelaten of zij de schending van deze beginselen nog (bijkomend) in de memorie van wederantwoord kon aanvoeren, kan, zoals hierna zal blijken, de verzoekende partij niet van de schending van het gelijkheidsbeginsel overtuigen, zodat ook de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel niet is aangetoond. b. gegrondheid van het eerste middelonderdeel
  27. Voor zover de verzoekende partij argumenteert dat het decreet onderwijsinternaten geen rechtsgrond biedt om voor directeurs salarisschaal 165 te behouden en dat de Vlaamse Regering dat decreet niet correct heeft uitgevoerd, gaat zij eraan voorbij dat het bestreden besluit niet alleen rechtsgrond vindt in het decreet onderwijsinternaten, maar eveneens in artikel V.47, § 2, eerste lid, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs. IX-10.368-22/37 Artikel V.47, § 2, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs luidt als volgt: “De Vlaamse Regering bepaalt voor elk ambt de salarisschaal. Hierbij kan ze rekening houden met: 1° de aard van het ambt; 2° het onderwijsniveau; 3° de onderwijsvorm; 4° de graad; 5° het hoger beroepsonderwijs van kwalificatieniveau 5; 6° de cyclus of de opleidingsvorm waar het ambt wordt uitgeoefend; 7° de bekwaamheidsbewijzen die er toegang toe verlenen; 8° het te onderwijzen vak, de specialiteit, de opleiding of de module; 9° het aantal leerlingen in de school in het basisonderwijs waar het ambt van directeur wordt uitgeoefend; 10° het volgen van een opleiding. Ze deelt de salarisschalen in en bepaalt hoe ze worden aangegeven.” Deze bepaling en de daarin vervatte delegatie verleent de Vlaamse Regering een discretionaire bevoegdheid om de salarisschalen voor elk ambt van het onderwijspersoneel vast te leggen. Die bevoegdheid is evenwel beperkt. Bij het bepalen van de salarisschaal, mag de Vlaamse Regering slechts rekening houden met de elementen die in het voormelde artikel V.47, § 2, eerste lid, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs zijn opgenomen. Die criteria moeten immers worden geacht de beginselen te zijn die de decreetgever heeft vastgelegd en waarmee de Vlaamse Regering rekening moet houden bij het vaststellen van een salarisschaal. Artikel V.47, § 2, eerste lid, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs moet, in het licht van het legaliteitsbeginsel van artikel 24, § 5, van de Grondwet, dan ook strikt worden geïnterpreteerd en mede vanuit dit perspectief moet worden aangenomen dat niet uitdrukkelijk door de decreetgever opgenomen elementen beleidskeuzes van de regering zijn die wettelijke grondslag ontberen. Ook al kunnen vele factoren een onderwijsambt karakteriseren, dan nog vermogen toch enkel de expliciet opgesomde elementen aanleiding te geven tot een geëigende salarisschaal. De regering zou de haar toegekende delegatie te ruim interpreteren, zo zij toch andere elementen zou betrekken bij het bepalen van de salarisschalen. IX-10.368-23/37 Een bijkomende beperking voor de Vlaamse Regering bij het vaststellen van de salarisschalen voor elk ambt van het onderwijspersoneel, ligt – althans wat de toenmalige beheerders van de huidige onderwijsinternaten betreft – vervat in de artikelen 74 en 93 van het decreet onderwijsinternaten. Artikel 74 van het decreet onderwijsinternaten voorziet in de invoeging van artikel 103vicies in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs. Deze bepaling luidt: “§
  28. De vastbenoemde en tot de proeftijd toegelaten beheerders die op 31 augustus 2023 titularis zijn van een betrekking en die op 1 september 2023 niet als directeur in een onderwijsinternaat worden aangesteld, worden, voor het volume van de opdracht waarvan ze op 31 augustus 2023 titularis zijn, aangesteld in het ambt van internaatsmedewerker in de personeelscategorie van het ondersteunend personeel binnen de omkadering, vermeld in artikel 25 tot en met 28 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten. Ze behouden de salarisschaal die ze hebben op 31 augustus 2023, tenzij ze door het besluit van de Vlaamse Regering dat de salarisschalen regelt, recht hebben op een gunstiger salaris. §
  29. Een personeelslid dat op 31 augustus 2023 tot de proeftijd is toegelaten in het ambt van beheerder, wordt, na twaalf maanden effectieve prestaties vanaf zijn toelating tot de proeftijd in het ambt van beheerder, vastbenoemd in het ambt van directeur, als hij op 1 september 2023 het ambt van directeur heeft toegewezen gekregen.” Overeenkomstig artikel 93 van het decreet onderwijsinternaten wordt een analoge bepaling artikel 84tricies bis ingevoegd in het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs. Die bepaling luidt: “De vastbenoemde beheerders die op 31 augustus 2023 titularis zijn van een betrekking en die op 1 september 2023 niet als directeur in een onderwijsinternaat worden aangesteld, worden, voor het volume van de opdracht waarvan ze op 31 augustus 2023 titularis zijn, aangesteld in het ambt van internaatsmedewerker in de personeelscategorie van het ondersteunend personeel binnen de omkadering, vermeld in artikel 25 tot en met 28 van het decreet van 16 juni 2023 over de onderwijsinternaten. Ze behouden de salarisschaal die ze hebben op 31 augustus 2023, tenzij ze door het besluit van de Vlaamse Regering dat de salarisschalen regelt, recht hebben op een gunstiger salaris.” IX-10.368-24/37 Deze regeling komt erop neer dat de op 31 augustus 2023 vast benoemde beheerders die op 1 september 2023 niet als directeur van een onderwijsinternaat worden aangesteld, in het ambt van internaatmedewerker worden aangesteld, waarbij zij de salarisschaal behouden die zij hebben op 31 augustus 2023, tenzij de Vlaamse Regering voor hen een gunstigere salarisschaal zou vaststellen. De Vlaamse Regering is overeenkomstig die bepalingen ertoe gehouden om de vroegere beheerders die op 1 september 2023 niet in het ambt van directeur zijn aangesteld, maar worden aangesteld in het ambt van internaatmedewerker, minstens de toenmalige salarisschaal te laten behouden. Die overgangsmaatregelen houden tegelijkertijd niet alleen een beperking maar eveneens een bevestiging in van de discretionaire bevoegdheid van de Vlaamse Regering om de salarisschalen voor de ambten binnen de onderwijsinternaten vast te leggen. De artikelen 74 en 93 van het decreet onderwijsinternaten laten de delegatie aan en de discretionaire bevoegdheid van de Vlaamse Regering ongemoeid voor zover deze in het bestreden besluit een gunstigere salarisschaal zou vaststellen voor het ambt van internaatmedewerker. Het voorgaande impliceert dat de Vlaamse Regering wel nog steeds beschikt over een discretionaire bevoegdheid bij het vaststellen van een salarisschaal voor het ambt van directeur in een onderwijsinternaat, zij het onder het voorbehoud van artikel V.47, § 2, eerste lid, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs en eventuele hogere rechtsnormen zoals het gelijkheidsbeginsel waarvan de verzoekende partij in het tweede middelonderdeel de schending heeft aangevoerd.
  30. De door de verzoekende partij aangevoerde doelstelling van het decreet onderwijsinternaten, waarbij een opwaardering van het ambt van beheerder tot het ambt van directeur in een onderwijsinternaat is vooropgesteld met “meer taken en verantwoordelijkheden”, doet niet anders besluiten. Daarmee maakt de verzoekende partij geenszins aannemelijk dat de decreetgever de hiervóór ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.305 IX-10.368-25/37 vermelde delegatie aan de Vlaamse Regering zou hebben bijgesteld in de zin dat een gunstigere salarisschaal móést worden bepaald en dat bijgevolg een behoud van de salarisschaal niet mogelijk was.
  31. Van de door de verzoekende partij aangehaalde “conceptnota” ontgaat de Raad van State de juridische waarde en bijgevolg ziet de Raad ook niet in hoe hierin een verplichting van de decreetgever aan de Vlaamse Regering is te lezen om een gunstigere salarisschaal dan salarisschaal 165 aan de directeurs van onderwijsinternaten toe te kennen.
  32. Het eerste middelonderdeel is ongegrond. c. gegrondheid van het tweede middelonderdeel
  33. Het gelijkheidsbeginsel, zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, houdt in dat een ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen of een gelijke behandeling van niet-vergelijkbare gevallen verboden is, tenzij daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet- discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Het valt aan de verzoekende partij toe om met concrete gegevens aan te tonen dat zij ten aanzien van in rechte en in feite gelijke gevallen ongelijk wordt behandeld of dat zij ten aanzien van in rechte en in feite ongelijke gevallen IX-10.368-26/37 gelijk wordt behandeld, zonder dat daarvoor een objectieve verantwoording bestaat. In de eerste plaats moet de verzoekende partij aantonen dat zij anders en nadeliger wordt behandeld dan een ander persoon of een andere groep van personen – de benadelingstoets – terwijl zij zich nochtans in een vergelijkbare situatie bevindt – de vergelijkbaarheidstoets. Vervolgens valt het haar toe om de rechter ervan te overtuigen dat de door het bestuur te geven verantwoording voor de ongelijke behandeling niet deugdelijk is omdat geen legitiem doel wordt nagestreefd, omdat de ongelijke behandeling geen adequaat middel betreft, niet op objectieve en pertinente criteria berust of onevenredig zware gevolgen heeft. 21.
  34. Op grond van de uiteenzetting van het middelonderdeel in het verzoekschrift, neemt de Raad van State aan dat de verzoekende partij de directeurs van de internaten wil doen vergelijken met “directeurs van scholen”. 21.
  35. Zo in het algemeen omschreven, is de categorie van “directeurs van scholen” reeds bijzonder divers. Het kan gaan om directeurs in het (gewoon) basisonderwijs, het buitengewoon basisonderwijs, het (gewoon) secundair onderwijs, het buitengewoon secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs of het deeltijds kunstonderwijs. Nochtans worden de directeurs van deze verschillende onderwijsniveaus of onderwijsinstellingen niet verloond op grond van dezelfde salarisschaal. Een en ander is onder meer afhankelijk van het (vereiste) bekwaamheidsbewijs, de aard van de onderwijsinstelling, waarbij, bijvoorbeeld, meespeelt of een bepaalde graad al dan niet wordt aangeboden, of de directeur wel of niet een lesopdracht heeft, enzovoort. Dat alles maakt de vergelijkbaarheid allerminst evident. 21.
  36. De verzoekende partij spitst zich vervolgens toe op salarisschaal 879 die geldt voor de directeurs in het (gewoon) basisonderwijs. IX-10.368-27/37 21.
  37. Krachtens artikel 14, eerste lid, 1°, van het bestreden besluit worden de houders van het ambt van directeur van een onderwijsinternaat met het vereiste bekwaamheidsbewijs bezoldigd volgens salarisschaal
  38. Ten tijde van de inwerkingtreding van het bestreden besluit bedroeg het (niet geïndexeerd) minimum bruto jaarsalaris voor voltijdse tewerkstelling 21.520,60 euro. Het maximum bruto jaarsalaris voor voltijdse tewerkstelling binnen deze salarisschaal bedroeg op het ogenblik van het bestreden besluit 36.600,79 euro. Directeurs van een school in het (gewoon) basisonderwijs die over het vereiste bekwaamheidsbewijs beschikken, worden bezoldigd volgens salarisschaal
  39. Ten tijde van het bestreden besluit bedroeg het minimum bruto jaarsalaris voor voltijdse tewerkstelling binnen deze salarisschaal 26.131,74 euro. Het maximum bruto jaarsalaris voor voltijdse tewerkstelling binnen deze salarisschaal bedroeg op het ogenblik van het bestreden besluit 41.124,59 euro. Deze gegevens tonen alleszins een verschil in behandeling aan tussen de twee voormelde categorieën wat hun salaris betreft, waarbij de categorie van de directeurs van een onderwijsinternaat een minder gunstige salarisschaal geniet. 21.
  40. Of de verzoekende partij afdoende aantoont dat de beide categorieën van directeurs vergelijkbaar zijn – er moet op worden gewezen dat zij geen enkele argumentatie ter zake ontwikkelt – mag onbesproken blijven, gelet op wat volgt omtrent de door de verwerende partij gegeven verantwoording. 22.
  41. Waarom voor de directeurs van de onderwijsinternaten salarisschaal 165 blijft behouden – dit is een andere vraag dan de vraag naar het verschil in behandeling ten opzichte van de directeurs in het basisonderwijs – is in de nota aan de Vlaamse Regering ter gelegenheid van de definitieve goedkeuring van het bestreden besluit, als volgt verantwoord: “Het behouden van de salarisschaal 165 voor de directeurs vloeit voort uit de afspraken die met de sociale partners zijn gemaakt bij cao XII om het cao-budget voor de internaten prioritair in te zetten voor het mogelijk ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.305 IX-10.368-28/37 maken van vervangingen vanaf 1 dag voor alle personeelsleden en niet voor een loonsverhoging van de beheerders. Daarnaast wijzigt de inhoud van de functie van beheerder naar directeur als dusdanig niet. In andere onderwijsniveaus spreken we ook van ‘directeur’ om de leidinggevende van een onderwijsinstelling in een bevorderingsambt aan te duiden. De term ‘beheerder’ was verouderd. Daarnaast is de norm gebaseerd op een personeelsequipe van 5 internaatsmedewerkers van het niveau ‘ten minste bachelor’. In de andere onderwijsniveaus zijn de personeelsequipes veelal groter. De onderwijsregelgeving is nu eenmaal zo opgebouwd dat de leidinggevende steeds in het ambt van ‘directeur’ aangesteld wordt maar dat naargelang het onderwijsniveau (en soms zelfs binnen het onderwijsniveau) de salarisschalen voor personeelsleden die in het ambt van directeur aangesteld worden, verschillen. Ieder onderwijsniveau heeft zijn eigen specifieke kenmerken.” 22.
  42. De verzoekende partij onderkent daarin drie motieven, die volgens haar “ontoereikend” zijn om het verschil in behandeling te rechtvaardigen. 22.
  43. In wat de verzoekende partij als een “derde motief” aanmerkt, wordt als onderscheidingscriterium het onderwijsniveau gehanteerd waarbinnen het personeelslid werkzaam is. Er wordt betoogd dat de salarisschalen van de houders van het ambt van directeur verschillen naargelang het onderwijsniveau, waarbij elk onderwijsniveau zijn eigen specifieke kenmerken heeft. 22.
  44. Naar luid van artikel V.47, § 2, eerste lid, 2°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs, is het onderwijsniveau één van de elementen waarmee de Vlaamse Regering rekening vermag te houden bij het bepalen van een salarisschaal voor de ambten – naast, bijvoorbeeld, de aard van het ambt, de onderwijsvorm, de graad of de bekwaamheidsbewijzen die er toegang toe verlenen. Volledigheidshalve kan worden opgemerkt dat de onderwijsinternaten sinds de hertekening van de regelgeving daaromtrent, kwalificeren als een afzonderlijk onderwijsniveau. Hoewel de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs zelf het begrip ‘onderwijsniveau’ niet omschrijft, laat de memorie van toelichting bij het intussen opgeheven artikel IX.2 van het decreet van 13 juli 2001 ‘betreffende het onderwijs – XIII – Mozaïek’ verstaan wat volgt: IX-10.368-29/37 “Wegens de verscheidenheid van de opdrachten in het onderwijs en de eisen gesteld voor de toegang tot de ambten, is een groot aantal salarisschalen vereist om een billijke bezoldiging mogelijk te maken. Verder is er wegens de constante evolutie in het onderwijs ook nood aan soepelheid voor het vaststellen van de salarisschalen. De Vlaamse regering zal de salarisschaal voor elk ambt bepalen. Hierbij kan zij rekening houden met een aantal elementen die mee de hoegrootheid bepalen van het salaris waarop een personeelslid recht heeft: – het bezit van een bekwaamheidsbewijs (basisdiploma, pedagogische bekwaamheid en/of nuttige ervaring); – de aard van het ambt (directeur, leraar, verpleegkundige, opvoeder, administratief medewerker…); – het onderwijsniveau (basisonderwijs, secundair onderwijs, tertiair onderwijs…); – de onderwijsvorm (algemeen, technisch, beroepssecundair…); – de graad (eerste, tweede, derde …); – de vakken (algemene, technische, kunstvakken…); – de opleidingsvormen in het buitengewoon onderwijs.” De opgesomde voorbeelden bij het criterium ‘onderwijsniveau’ (basisonderwijs, secundair onderwijs, tertiair onderwijs, …) geven aan dat deze opsomming niet limitatief is. Tegelijkertijd wordt doorheen de memorie van toelichting bij het decreet onderwijsinternaten geduid dat de onderwijsinternaten te begrijpen zijn als een individueel onderwijsniveau. Zo is, bijvoorbeeld, aldaar over het bevorderingsambt van directeur van een onderwijsinternaat onder meer te lezen: “Het bevorderingsambt van beheerder houdt op met bestaan en het bevorderingsambt van directeur wordt in de plaats ingevoerd in de onderwijsinternaten, zoals dit ook […] het geval is in de andere onderwijsniveaus. De beheerder wordt immers opgewaardeerd tot directeur. Hierdoor dient ook de ‘directeur van een onderwijsinternaat’ opgenomen te worden in punt 24°.” Wat voorafgaat, laat toe om de onderwijsinternaten te kwalificeren als een afzonderlijk onderwijsniveau. 22.
  45. Daargelaten dat niet valt in te zien waarom budgettaire overwegingen niet ook een legitieme doelstelling kunnen uitmaken, dient ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.305 IX-10.368-30/37 vastgesteld dat ook de overweging dat “[i]eder onderwijsniveau […] zijn eigen specifieke kenmerken [heeft]”, een dergelijke doelstelling vormt. Immers, daarmee wijst de Vlaamse Regering erop te willen nastreven dat de salarisschalen rekening houden met de karakteristieken van de verschillende onderwijsniveaus. Anders dan de verzoekende partij in haar laatste memorie betoogt, is de doelstelling om rekening te houden met de eigen specifieke kenmerken van elk onderwijsniveau niet gelijk te stellen met het onderscheidingscriterium inzake het onderwijsniveau zelf.
  46. Om de sub 22.
  47. uiteengezette redenen is het voormelde onderscheidingscriterium een objectief criterium. 24.
  48. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat in het licht van de voormelde legitieme doelstelling – de salarisschaal afstemmen op de kenmerken van de onderscheiden onderwijsniveaus – het verschil in behandeling geen dienstige en pertinente maatregel is. 24.
  49. Voor zover zij betoogt dat het voormelde motief doet uitschijnen dat de directeurs van onderwijsinternaten niet vergelijkbaar zijn met de directeurs van scholen, moet worden opgemerkt dat aan het ambt van directeur over alle onderwijsinstellingen heen niet één salarisschaal is toegekend. Zoals gezien, kan de Vlaamse Regering bij het bepalen van de salarisschaal voor een ambt onder meer – en naast andere elementen – rekening houden met het onderwijsniveau. 24.
  50. De argumentatie die de verzoekende partij wijdt aan de motieven in de nota aan de Vlaamse Regering over de personeelsequipe, is evenmin dienstig. Los van de vraag of de specifieke kenmerken van onderwijsinternaten eensdeels en andere onderwijsniveaus anderdeels, in de nota aan de Vlaamse Regering voldoende worden verantwoord door te verwijzen naar de grootte van de personeelsequipes, kan redelijkerwijze niet worden ontkend dat die onderwijsniveaus al dan niet uit hun aard wel degelijk eigen specifieke kenmerken hebben. IX-10.368-31/37 Zo erkent de verzoekende partij zelf in het verzoekschrift dat de grootte van de personeelsequipe een aspect is dat de onderwijsniveaus van elkaar onderscheidt – zij wijst erop dat het “slechts één aspect” betreft. Zelf geeft de verzoekende partij als voorbeeld van onderscheidende kenmerken dat de beschikbaarheid van personeelsleden verschilt tussen de verschillende onderwijsniveaus. De verzoekende partij overtuigt niet ervan dat de verantwoording van het verschil in behandeling in het licht van de specifieke kenmerken van een onderwijsniveau “nietszeggend” zou zijn. Integendeel, de Vlaamse decreetgever acht het – door de opname van het criterium van het onderwijsniveau in artikel V.47, § 2, eerste lid, 2°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs – klaarblijkelijk wel relevant om de mogelijkheid te bieden om salarisschalen op dit criterium af te stemmen. De verantwoording in de nota aan de Vlaamse Regering mag dan wel bondig zijn, ze is voldoende draagkrachtig om het verschil in behandeling bij de vaststelling van de salarisschaal te verantwoorden.
  51. De verzoekende partij maakt voorts niet aannemelijk dat het bestreden besluit onevenredige gevolgen inhoudt ten aanzien van de directeurs van onderwijsinternaten. Daarbij geldt de vaststelling dat de Vlaamse Regering mag worden geacht te beschikken over een ruime beoordelingsvrijheid bij het vaststellen van een individuele salarisschaal. Het verschil tussen salarisschaal 165 voor directeurs van onderwijsinternaten en salarisschaal 879 voor directeurs van onderwijsinstellingen in het basisonderwijs, bedraagt 18% aan het begin van de loopbaan en 12% aan het einde van een loopbaan met 36 jaar anciënniteit. De Raad van State wil grif aannemen dat dit verschil niet verwaarloosbaar is. Waarom een dergelijk verschil onevenredig of onredelijk zou zijn, maakt de verzoekende partij dan weer niet inzichtelijk. IX-10.368-32/37 Bovendien moet worden opgemerkt dat salarisschaal 879 is voorbehouden voor de houder van een bekwaamheidsbewijs bestaande uit een basisdiploma van ten minste bachelorniveau en een bewijs van pedagogische bekwaamheid. Salarisschaal 165 staat daarentegen open voor de houder van een bekwaamheidsbewijs bestaande uit alléén een basisdiploma van ten minste bachelorniveau. Er kan dus niet zonder meer worden uitgesloten dat de betrokken salarisschaal voor directeurs van scholen in het basisonderwijs mee is bepaald op grond van het bekwaamheidsbewijs waarover het personeelslid moet beschikken – een element waarmee de Vlaamse Regering naar luid van artikel V.47, § 2, eerste lid, 7°, van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs eveneens vermag rekening te houden.
  52. De verzoekende partij argumenteert nog dat de motivering om de salarisschaal voor de directeurs van onderwijsinternaten af te stemmen op de specifieke kenmerken van de onderscheiden onderwijsniveaus, tegenstrijdig is met de motivering inzake de budgettaire redenen. De Raad van State ziet die tegenstrijdigheid niet, maar leest daarin veeleer een complementariteit van de beide motieven. Immers, het door de verzoekende partij als derde aangemerkte motief verantwoordt wel een verschil in behandeling van de directeurs van de verschillende onderwijsniveaus, maar daaruit volgt niet noodzakelijkerwijze dat aan de directeurs van onderwijsinternaten alleen salarisschaal 165 kan worden toegekend. Door daaraan het door de verzoekende partij als eerste aangemerkte motief toe te voegen, verklaart de Vlaamse Regering haar beleidsmatige keuze om precies díé salarisschaal toe te kennen. Daarmee komt de Vlaamse Regering tegemoet aan de eis van de afdeling Wetgeving van de Raad van State om het verschil in behandeling op een “meer substantiële wijze” dan “met een algemene verwijzing naar de budgettaire mogelijkheden” te verantwoorden. Deze verantwoording in de nota aan de Vlaamse Regering kan worden geacht een draagkrachtige, zelfstandige verantwoording te zijn voor het verschil in behandeling tussen directeurs voor onderwijsinternaten eensdeels en directeurs van scholen in het basisonderwijs anderdeels. IX-10.368-33/37 Om die reden behoeft de wettigheidskritiek van de verzoekende partij in verband met het door haar als tweede onderkende motief voor het verschil in behandeling, geen nader onderzoek. 27.
  53. De verzoekende partij voert, tot slot, nog aan dat het bestreden besluit een ongelijke behandeling inhoudt ten aanzien van directeurs in andere onderwijsniveaus omdat het niet voorziet in een hoger salaris voor directeurs van onderwijsinternaten ten opzichte van personeelsleden die geen directeur zijn. Met die kritiek refereert de verzoekende partij aan de situatie waarbij de beheerders die op 1 september 2023 geen directeur zijn geworden, alsnog worden vergoed volgens salarisschaal
  54. 27.
  55. Zoals gezien, worden overeenkomstig artikel 74 van het decreet onderwijsinternaten, dat een artikel 103vicies toevoegt aan het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs, de vast benoemde en tot de proeftijd toegelaten beheerders die op 1 september 2023 niet als directeur in een onderwijsinternaat worden aangesteld, aangesteld in het ambt van internaatmedewerker met behoud van de salarisschaal die ze hebben op 31 augustus 2023 tenzij de Vlaamse Regering zou voorzien in een gunstigere salarisschaal. Hiervóór is reeds erop gewezen dat artikel 93 van het decreet onderwijsinternaten een soortgelijke bepaling in het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs invoegt. Personeelsleden die houder waren van het ambt van beheerder hadden op 31 augustus 2023 recht op salarisschaal
  56. Het behoud van salarisschaal 165 voor de beheerder die op 1 september 2023 geen directeur van een onderwijsinternaat wordt, vloeit niet voort uit het bestreden besluit maar uit de voormelde door het decreet onderwijsinternaten ingevoegde bepalingen van de respectieve rechtspositiedecreten. IX-10.368-34/37 Wel wijst de verzoekende partij terecht erop dat het bestreden besluit aan directeurs van onderwijsinternaten eveneens salarisschaal 165 toekent. 27.
  57. In zoverre de verzoekende partij in het verzoekschrift aanvoert dat de ongelijke behandeling ten aanzien van directeurs van andere onderwijsinstellingen gelegen is in het feit dat dergelijke directeurs doorgaans een salarisschaal hebben die leidt tot een hoger salaris dan dat van de personeelsleden die niet worden aangesteld in het ambt van directeur, maakt de verzoekende partij haar wettigheidskritiek niet voldoende concreet. De verzoekende partij laat na om specifieke salarisschalen aan te halen om de stelling te onderbouwen dat personeelsleden in andere onderwijsinstellingen die worden aangesteld in het ambt van directeur een hoger salaris genieten in vergelijking met personeelsleden die – naar aanleiding van een gelijkaardige wijziging van de regelgeving – niet worden aangesteld in dat ambt. Bij gebrek aan dergelijke gegevens, verschaft de verzoekende partij niet de mogelijkheid om een onderzoek naar een vermeende schending van het gelijkheidsbeginsel te voeren. De enkele verwijzing naar de conclusies van het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State volstaat niet om dat gebrek te verhelpen. Dat klemt des te meer, nu de verzoekende partij zelf aangeeft dat aan directeurs “doorgaans” een salarisschaal wordt toegekend die tot een hoger salaris leidt dan dat van de andere personeelsleden binnen hetzelfde onderwijsniveau. Dat veronderstelt dat er ook andere situaties bestaan, waarvan de verzoekende partij om redenen haar eigen verkiest ze niet aan de Raad van State kenbaar te maken. Het uitgangspunt van de verzoekende partij dat personeelsleden aangesteld in een ambt van directeur een hoger salaris kunnen laten gelden in vergelijking met personeelsleden die niet zijn aangesteld in dat ambt, kan bijgevolg niet zonder meer worden bijgevallen. IX-10.368-35/37 27.
  58. In haar memorie van wederantwoord en laatste memorie verwijst de verzoekende partij eveneens naar de “minimale loonspanning” die zou moeten gelden ten opzichte van de ondergeschikte personeelsleden. Aldus ontleent zij haar wettigheidskritiek rechtstreeks aan de inhoud van CAO nr. XII. Dat is, om de hiervóór uiteengezette redenen, niet mogelijk.
  59. Het tweede middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. d. slotsom
  60. Het middel wordt verworpen.
  61. Die conclusie leidt ertoe dat de betwisting tussen partijen over de vraag of de strekking van het enige middel de nietigverklaring van het gehele bestreden besluit dan wel slechts enkele bepalingen ervan verantwoordt, geen nader onderzoek behoeft. BESLISSING
  62. De Raad van State verwerpt het beroep.
  63. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-10.368-36/37 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vierentwintig december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.368-37/37 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.305 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.