id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.306 Rolnummer: A. 246291/VII-43069 Zaak: Arrest 265306 - Niet begeleide minderjarigen - 24/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-01-09 Raadplegingen: 205 - laatst gezien 2026-06-18 06:17 Fiche Arrest nr 265.306 van 24 december 2025 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 265.306 van 24 december 2025 in de zaak A. 246.291/VII-43.069 In zake: N.H. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonathan Dieni kantoor houdend te 4430 Ans Rue Pasteur 37 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Onze-Lieve-Vrouwstraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 3 november 2025 een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 3 september 2025 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
- De beschikking van 4 november 2025 stelt de procedurekalender vast. VII-43.069-1/12 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft op 1 december 2025 een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 december 2025, om 14 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ignace Oger, die loco advocaat Jonathan Dieni verschijnt voor verzoeker, en advocaat Filip Stouthuysen, die loco advocaat Ine De Cneudt verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker komt België binnen en hij wordt op 18 augustus 2025 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Hij heeft verklaard van Eritrese nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 1 februari
- De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoekers voorgehouden leeftijd. In het Universitair Ziekenhuis Pellenberg te Leuven ondergaat verzoeker op 21 augustus 2025 een medisch onderzoek om na te gaan of VII-43.069-2/12 hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “op datum van 21-08-2025 een leeftijd heeft van zeker ouder dan 18 jaar, waarbij 23,0 jaar een minimum leeftijd is. Waarschijnlijk ligt deze nog hoger.” Op 3 september 2025 beslist de dienst Voogdij verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat hij geen voogd zal krijgen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. V. Ernst van de middelen Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), van “het beginsel volgens hetwelk de administratie verplicht is te beslissen met inachtneming van alle elementen van het dossier”, van de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM), van artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van de artikelen 22, 22bis en 159 van de Grondwet en van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK). VII-43.069-3/12
- Verzoeker voert aan dat de dienst Voogdij hem met de bestreden beslissing beschouwt als ouder dan 18 jaar, uitsluitend op basis van het resultaat van het drievoudig medisch leeftijdsonderzoek, dat reeds jarenlang sterk wordt bekritiseerd door de Orde der artsen. Met verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 6 maart 2025 in de zaak 47836/21, F.B. tegen België, (hierna: arrest F.B. tegen België) laat verzoeker gelden dat het besluitvormingsproces dat leidde tot de bestreden beslissing, niet was omringd met voldoende waarborgen in het licht van artikel 8 van het EVRM. Het EHRM overweegt in het voormelde arrest enerzijds dat de betrokkene behoorlijk moet worden geïnformeerd over zijn rechten in het kader van de uitvoering van het drievoudig medisch leeftijdsonderzoek en moet worden ingelicht over de noodzaak van zijn instemming met het medisch leeftijdsonderzoek, en anderzijds dat medische leeftijdsonderzoeken omwille van hun ingrijpend karakter slechts in laatste instantie uitgevoerd horen te worden, wanneer andere middelen om de twijfel over de leeftijd van de betrokkene weg te nemen, geen uitsluitsel hebben geboden. Verzoeker stelt dat te dezen aan geen van beide voorwaarden is voldaan.
- Verzoeker erkent dat het administratief dossier te dezen een document “[a]ccord pour la réalisation d’un test médical d’évaluation de l’âge” bevat, doch hij ontkent zijn vrije en geïnformeerde toestemming te hebben gegeven voor het medisch onderzoek. Dit document moet volgens verzoeker worden beoordeeld in het licht van de zeer specifieke context waarin het akkoord werd verkregen, met name als een jonge, alleenstaande asielzoeker die volledig afhankelijk is van een administratieve overheid voor zijn huisvesting en bescherming, die zonder aangepaste begeleiding van een wettelijke vertegenwoordiger, een voorlopige voogd of een tolk, zonder duidelijke uitleg over zijn rechten en zonder bedenktijd op dezelfde dag als die waarop de twijfel over zijn leeftijd werd geuit, instemt met een medisch onderzoek dat wordt voorgesteld door die overheid. Gelet op verzoekers uiterst kwetsbare situatie kon hij gemakkelijk onder druk worden gezet met het oog op het verkrijgen van zijn VII-43.069-4/12 akkoord door ondertekening van een document waarvan hij de juridische draagwijdte en de concrete gevolgen niet begrijpt. De verwerende partij levert niet het bewijs dat verzoekers toestemming geldig werd bekomen, zonder dwang, impliciete druk of de belofte van enig voordeel. Voormeld document betreft bijgevolg geen geldig bewijs van daadwerkelijke toestemming conform de vereisten van artikel 8 van het EVRM, artikel 3 van het IVRK en artikel 25, vijfde lid van richtlijn 2013/32/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)’ (hierna: richtlijn 2013/32). Verzoeker werd nooit geïnformeerd over de mogelijkheid een medisch leeftijdsonderzoek te weigeren en over de gevolgen van een eventuele weigering. Het administratief dossier bevat overigens geen concreet bewijs dat verzoeker de brochure mocht ontvangen die in een voor hem begrijpbare taal informatie bevat over de aard, de draagwijdte en de gevolgen van het medisch onderzoek of dat verzoeker de inhoud ervan kon begrijpen. Ten slotte betwist verzoeker dat hij voor de uitvoering van het medisch onderzoek op de hoogte werd gebracht van de geuite twijfel over zijn leeftijd. De fiche “mineur étranger non accompagné” uit het administratief dossier werd niet ondertekend door verzoeker en vermeldt willekeurig “oui” achter de voorgedrukte vragen, waaronder de vraag of verzoeker werd geïnformeerd over de geuite twijfel. Uit deze fiche blijkt trouwens ook dat verzoeker geen Frans begrijpt. Daarnaast benadrukt verzoeker dat het feit dat hij het document inzake zijn toestemming met het medisch onderzoek heeft ondertekend op dezelfde dag waarop de twijfel over zijn leeftijd werd geuit, doet vermoeden dat de dienst Voogdij geen enkele andere, minder ingrijpende maatregel ernstig heeft overwogen om de twijfel over zijn leeftijd te kunnen wegnemen. Het medisch onderzoek is te dezen niet als laatste redmiddel, maar als eerste maatregel aangewend voor de leeftijdsbepaling. Nochtans had de dienst Voogdij ervoor kunnen kiezen om minder ingrijpende methoden te gebruiken, zoals een sociaal onderzoek binnen het opvangcentrum, een grondig gesprek of het uitvoeren van psycho-affectieve tests, zoals voorzien in artikel 3, tweede lid van het koninklijk VII-43.069-5/12 besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: koninklijk besluit van 22 december 2003). Het administratief dossier bevat evenwel geen enkel spoor van een poging tot alternatieve leeftijdsevaluatie. Voorts voert verzoeker nog aan dat de waarborgen die zijn vervat in artikel 25, vijfde lid van richtlijn 2013/32 dienden te worden gerespecteerd. Hij verwijst naar het arrest van het EHRM van 21 juli 2022 in de zaak 5797/17, Darboe en Camara tegen Italië, (hierna: arrest Darboe en Camara tegen Italië) en naar een nota van de Europese Raad voor Vluchtelingen en Staatlozen om het belang van het kind en de aanwezigheid van voldoende procedurele waarborgen bij leeftijdsbepaling te benadrukken.
- Ten slotte verwijst verzoeker naar artikel 159 van de Grondwet en stelt hij dat de bestreden beslissing, die in strijd is met hogere rechtsnormen, buiten toepassing dient te worden gelaten. Beoordeling
- Waar verzoeker in het opschrift van het middel een schending aanvoert van artikel 3 van het EVRM, lijkt hij in het middel niet uiteen te zetten op welke wijze deze bepaling zou zijn geschonden.
- In de mate dat verzoeker verwijst naar richtlijn 2013/32, dient te worden opgemerkt dat deze in haar artikel 1 uitdrukkelijk “de vaststelling van gemeenschappelijke procedures voor de toekenning of intrekking van internationale bescherming” beoogt. De voogdijwet vormt niet de omzetting van deze richtlijn. De voogdijwet dateert van vóór de richtlijn en maakt geen onderscheid naargelang de betrokkenen “de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling hebben gevraagd” dan wel “niet voldoen aan de voorwaarden inzake toegang tot en verblijf op het grondgebied vastgesteld in de wetten betreffende de VII-43.069-6/12 toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen”. Het in de voogdijwet voorziene leeftijdsonderzoek heeft enkel tot doel in geval van twijfel na te gaan of de betrokkenen al dan niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt en hen dus al dan niet een voogd moet worden toegekend. Het gaat niet om een beoordeling in het licht van een verzoek om internationale bescherming.
- Verzoeker acht de bestreden beslissing in strijd met een hogere norm doch hij voert niet aan dat ze zou zijn gesteund op een individuele of reglementaire akte die op haar beurt behept is met een onwettigheid. Bijgevolg kan hij zich op het eerste gezicht niet beroepen op artikel 159 van de Grondwet.
- In het arrest F.B. tegen België heeft het EHRM het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot een beslissing van de dienst Voogdij in die zaak om de betrokkene te beschouwen als ouder dan 18 jaar en hem geen voogd toe te wijzen, getoetst aan artikel 8 van het EVRM. Het Hof overweegt in die zaak in de eerste plaats dat de betrokkene behoorlijk moet worden geïnformeerd over zijn rechten in het kader van de uitvoering van het drievoudig medisch leeftijdsonderzoek, hetgeen des te belangrijker is indien de betrokkene, die nog wordt geacht een niet-begeleide minderjarige te zijn en een verzoeker om internationale bescherming is, niet wordt vergezeld door een vertegenwoordiger of een raadsman. De betrokkene moet worden ingelicht over de noodzaak van zijn instemming met het medisch leeftijdsonderzoek. Het EHRM oordeelt in de tweede plaats dat medische leeftijdsonderzoeken omwille van hun ingrijpend karakter slechts in laatste instantie uitgevoerd horen te worden, wanneer andere middelen om de twijfel over de leeftijd van de betrokkene weg te nemen geen uitsluitsel hebben geboden. Volgens het EHRM zou een voorafgaand onderhoud met een daartoe speciaal opgeleide ambtenaar van de dienst Voogdij deze laatste in voorkomend geval kunnen toelaten enerzijds na te gaan of de twijfel over de leeftijd van de minderjarige kan worden opgeheven door minder ingrijpende middelen dan een leeftijdsonderzoek, en anderzijds zich ervan te vergewissen dat VII-43.069-7/12 de betrokkene alle nodige informatie heeft ontvangen om zijn rechten op afdoende wijze te kunnen laten gelden.
- Te dezen heeft verzoeker op het eerste gezicht de nodige informatie gekregen over het medisch leeftijdsonderzoek en werd hem expliciet gevraagd of hij instemde met dat onderzoek, met de verduidelijking dat hij het recht had te weigeren en dat de dienst Voogdij in geval van weigering een beslissing zou nemen op basis van de elementen in het dossier. Naast de “fiche mineur étranger non accompagné” van 18 augustus 2025, waaruit slechts blijkt dat verzoeker werd geïnformeerd over de geuite twijfel, dat hij een document heeft ontvangen dat hem informeert over het verloop van de leeftijdstest en dat hij zich niet heeft verzet tegen de uitvoering van het medisch onderzoek, bevat het administratief dossier namelijk een document van dezelfde datum “[a]ccord pour la réalisation d’un test médical d’évaluation de l’âge”, opgesteld door de dienst Voogdij en ondertekend door verzoeker, waarin de voormelde elementen aan bod komen. Blijkens dit document verklaart verzoeker onder meer dat hij is geïnformeerd over de twijfel over zijn leeftijd, dat hij schriftelijke en mondelinge informatie mocht ontvangen over de inhoud van het medisch onderzoek door middel van de informatiebrochure van de dienst Voogdij, een verklarende video en door tussenkomst van een tolk die zijn taal sprak. Anders dan hoe hij het ziet, lijkt verzoeker op het eerste gezicht op vrije en geïnformeerde wijze te hebben ingestemd met het medisch onderzoek. Dat verzoeker zijn toestemming voor het medisch onderzoek heeft gegeven op de dag waarop hij om internationale bescherming verzocht en waarop de twijfel over zijn leeftijd werd geuit, doet prima facie geen afbreuk aan de voorgaande vaststelling. Waar verzoeker stelt dat hij gemakkelijk onder druk gezet of gedwongen kan zijn om voormeld document te ondertekenen, lijkt hij dit geenszins aannemelijk te maken doch lijkt het om een loutere bewering te gaan. Hetzelfde lijkt te gelden voor verzoekers bewering dat hij zich in een bijzonder kwetsbare positie bevond, die verder niet wordt gefundeerd. VII-43.069-8/12
- Op 18 augustus 2025, drie dagen voor de uitvoering van het medisch onderzoek, werden aan verzoeker enkele vragen gesteld tijdens een gesprek met de dienst Voogdij. Zo werd hem gevraagd of hij over identiteitsdocumenten beschikte. Verzoeker geeft aan niet over enig document te beschikken. Uit de “fiche mineur étranger non accompagné” blijkt bovendien dat hij aan de dienst Vreemdelingenzaken heeft verklaard in zijn land van herkomst nooit over documenten beschikt te hebben, omdat hij minderjarig was. Daarnaast verklaarde hij tijdens zijn gesprek met de dienst Voogdij dat hij zijn geboortedatum kent vanop zijn doopcertificaat en dat hij denkt in Italië te hebben verklaard geboren te zijn in 2008 in plaats van
- De ambtenaar van de dienst Voogdij stelt vast dat de twijfel over verzoekers leeftijd niet kan worden weggenomen en acht een medisch onderzoek noodzakelijk, gelet op de afwezigheid van identiteitsdocumenten, verzoekers verklaringen in Italië en zijn fysieke uiterlijk. Anders dan hoe verzoeker het ziet, lijkt de dienst Voogdij op het eerste gezicht aldus te hebben onderzocht of de twijfel omtrent zijn leeftijd kon worden weggenomen met minder ingrijpende middelen dan een medisch onderzoek. Aangezien verzoeker geen identiteitsdocumenten kon overleggen en bovendien heeft verklaard nooit in het bezit te zijn geweest van enig identiteitsdocument, achtte de dienst Voogdij een medisch onderzoek te dezen noodzakelijk. Dit blijkt eveneens uit de bestreden beslissing.
- Op het eerste gezicht is ook voldaan aan de tweede in het arrest F.B. tegen België gestelde voorwaarde. Dat de dienst Voogdij onderzocht of de twijfel over verzoekers leeftijd kon worden weggenomen met minder ingrijpende middelen dan een medisch onderzoek op de dag waarop deze twijfel werd geuit, lijkt hieraan niet in de weg te staan en toont prima facie niet aan dat “geen enkele minder ingrijpende maatregel ernstig werd overwogen, in strijd met de Europese normen inzake de bescherming van niet-begeleide minderjarigen”. Verzoeker maakt op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de bestreden beslissing tot stand is gekomen met miskenning van artikel 8 van het EVRM en artikel 22 van de Grondwet. VII-43.069-9/12
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de beslissing wordt vermeld. Het is niet vereist dat wordt aangegeven welke medische onderzoeken werden uitgevoerd. Evenmin is het vereist dat het verslag van het medisch onderzoek aan verzoeker werd meegedeeld alvorens de bestreden beslissing werd genomen. Te dezen vermeldt de bestreden beslissing dat en waarom de dienst Vreemdelingenzaken twijfel heeft geuit over verzoekers voorgehouden leeftijd, dat verzoekers fysieke verschijning niet overeenkomt met die van een minderjarige, dat verzoeker geen documenten kon voorleggen om zijn leeftijd te bewijzen, dat er geen elementen waren die de twijfel over zijn leeftijd konden wegnemen, dat verzoeker schriftelijk akkoord ging met het medisch onderzoek, en geeft ze de conclusie van het leeftijdsonderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Bovendien maakt het verslag van het medisch onderzoek deel uit van het administratief dossier en vermeldt de bestreden beslissing uitdrukkelijk de mogelijkheid om dat verslag te raadplegen. Verzoeker voert niet aan en toont a fortiori niet aan dat hij er geen kennis van kon nemen. VII-43.069-10/12
- In de mate dat verzoeker artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 geschonden acht, voorziet deze bepaling weliswaar de mogelijkheid van psycho-affectieve tests, doch er is geenszins sprake van een verplichting bij het uitvoeren van een medisch onderzoek. Noch deze laatste bepaling, noch het zorgvuldigheidsbeginsel lijkt derhalve te zijn geschonden door het niet uitvoeren van psycho-affectieve tests nu de uitslag van het uitgevoerd medisch onderzoek duidelijk is en door verzoeker niet wordt ontkracht. Gezien het medisch onderzoek bovendien door artikel 7 van de voogdijwet is ingesteld als ultiem bewijsmiddel bij twijfel over de opgegeven leeftijd, was de dienst Voogdij er evenmin toe gehouden andere vormen van onderzoek te voeren. Uit het voorgaande blijkt overigens dat verzoeker wel degelijk een persoonlijk onderhoud heeft gehad met een ambtenaar van de dienst Voogdij.
- Uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Vermits verzoeker de onwettigheid van deze vaststelling niet aantoont, lijkt hij zich niet te kunnen beroepen op het hoger belang van het kind, zoals vervat in artikel 3 van het IVRK, op artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of op artikel 22bis van de Grondwet. In de mate dat verzoeker zich steunt op het arrest Darboe en Camara tegen Italië, dient nog te worden opgemerkt dat de omstandigheden van die zaak van een andere orde lijken te zijn dan in de thans voorliggende zaak.
- Het enige middel is op het eerste gezicht, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Conclusie
- Het ontbreekt het enige middel aan de vereiste ernst. Bij gebreke aan minstens één ernstig middel waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord, VII-43.069-11/12 wordt niet voldaan aan één van de voorwaarden die gesteld worden in artikel 17, §1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opdat de vordering tot schorsing kan worden toegewezen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vierentwintig december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-43.069-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.306 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div