← België

Arrest 265315 - Sluitingen van vestigingen - 30/12/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 december 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.315 Rolnummer: A. 246808/XII-9985 Zaak: Arrest 265315 - Sluitingen van vestigingen - 30/12/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-12-30 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-18 01:53 Fiche Arrest nr 265.315 van 30 december 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Sluitingen van vestigingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.315 no lien 286882 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 265.315 van 30 december 2025 in de zaak A. 246.808/XII-9985 In zake: de BV R&A GROUP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jawad Houmani kantoor houdend te 1000 Brussel Waterloolaan 36 bus 2 tegen: de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonas De Wit kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 22 december 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van de waarnemend burgemeester van de stad Antwerpen van 4 december 2025 waarbij “de publiek toegankelijke inrichting met commerciële naam ‘De Wasknijper’, gelegen Jan De Voslei 32 te 2020 Antwerpen, wordt gesloten krachtens artikel 9bis van de Drugswet voor de duur van vier maanden (van 12 december 2025 te 00.00 uur tot en met 11 april 2026 te 24.00 uur)”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 22 december 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld. XII-9985-1/7 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 december
  3. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jawad Houmani, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Jory Brabants-D’Hooghe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Nino Vermeire, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 24 oktober 2024, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoekende partij exploiteert een wassalon aan de Jan De Voslei 32 te Antwerpen. 3.
  6. Met een administratieve akte van 18 november 2025 wordt de burgemeester van de stad Antwerpen door de politie in kennis gesteld van druggerelateerde feiten en overlast in en rondom de inrichting. Met een brief van dezelfde datum wordt aan de verzoekende partij meegedeeld dat de burgemeester het voornemen heeft om de inrichting XII-9985-2/7 tijdelijk te sluiten op grond van artikel 9bis van de wet van 24 februari 1921 ‘betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen’, de artikelen 133, 133ter en 135 van de nieuwe gemeentewet en artikel 63 van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’. 3.
  7. Op 2 december 2025 heeft een mondeling verhoor plaats. 3.
  8. Vervolgens beslist de waarnemend burgemeester van de stad Antwerpen op 4 december 2025 om het wassalon te sluiten voor een periode van vier maanden met ingang van 12 december 2025 tot en met 11 april
  9. Dit is de bestreden beslissing IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  10. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. XII-9985-3/7 V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen
  11. De verwerende partij merkt in haar nota op dat de bestreden beslissing op 5 december 2025 aan de verzoekende partij ter kennis werd gebracht en zij vanaf dat ogenblik de “reële en directe” gevolgen van de bestreden beslissing kon inschatten. Nochtans heeft de verzoekende partij tot 22 december 2025 gewacht om voorliggende vordering in te stellen. Volgens de verwerende partij toont dergelijke handelwijze aan dat de verzoekende partij “absoluut niet diligent” heeft gehandeld. Beoordeling
  12. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat de verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete feitelijke gegevens aantoont dat de te bevelen schorsing van de tenuitvoerlegging onherroepelijk te laat zal komen én dat zij als eisende ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.315 XII-9985-4/7 partij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aldus mede afgemeten aan de haast die een verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. De noodzaak om na de kennisname van de griefhoudende beslissing met passende voortvarendheid de vordering bij de Raad van State in te leiden, is immers inherent aan het zeer uitzonderlijk en zeer ongewone karakter van de uiterst dringende procedure. Diligent optreden is vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid.
  13. In haar verzoekschrift stelt de verzoekende partij dat de bestreden beslissing “op 4 december 2025 per e-mail en aangetekend schrijven ter kennis [werd] gebracht van [haar] raadsman”. Uit die verklaring valt af te leiden dat de verzoekende partij vanaf 4 december 2025 wist, of alleszins moest weten, dat zij bij overheidsbevel gedwongen wordt om haar inrichting met ingang van 12 december 2025 te sluiten voor een periode van vier maanden. Pas op 22 december 2025 heeft de verzoekende partij bij de Raad van State een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend. Het tijdsverloop tussen de datum waarop de verzoekende partij kennis had van het bevel tot sluiting en de datum waarop de vordering werd ingesteld, houdt de negatie in van de aangevoerde uiterst dringende noodzakelijkheid, te meer omdat de verzoekende partij geen omstandigheden aanvoert die het getalm bij het instellen van de vordering zou kunnen rechtvaardigen. Bijgevolg overtuigt de verzoekende partij niet waar zij aan haar vordering een bijzondere urgentie toeschrijft, meer bepaald doordat zij door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing het risico loopt “in financiële problemen of zelfs faillissement te geraken”. XII-9985-5/7 Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partij niet met de vereiste spoed is opgetreden en dat haar niet-verantwoorde afwachtende houding de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering ontkracht. VI. Conclusie
  14. Er is niet voldaan aan ten minste één van de bij artikel 17, §§ 1 en 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING
  15. De Raad van State verwerpt de vordering.
  16. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XII-9985-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig december tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Peter Sourbron XII-9985-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.315 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.