← België

Cassatiebeschikking 16148 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/01/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 07 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.148 Rolnummer: A. 243552/VII-42713 Zaak: Cassatiebeschikking 16148 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/01/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-01-09 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-17 03:23 Fiche Beschikking nr 16.148 van 7 januari 2025 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.148 van 7 januari 2025 in de zaak A. 243.552/VII-42.713 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pierre Robert kantoor houdend te 1000 Brussel Saint-Quentinstraat 3/3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 22 november 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 315.053 van 18 oktober 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 3 december 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste onderdeel van het enige middel
  2. Met betrekking tot de situatie van de Ahmadi-gemeenschap in Pakistan overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: VII-42.713-1/7 “Zoals terecht gesteld in de bestreden beslissing volstaat het louter behoren tot de Ahmadi-gemeenschap niet om een nood aan internationale bescherming aannemelijk te maken, doch dient de verzoekende partij haar vrees voor vervolging in concreto aan te tonen. In navolging van de commissaris-generaal, stelt de Raad immers vast dat, hoewel Ahmadi’s in Pakistan zich in een precaire situatie kunnen bevinden en te maken kunnen krijgen met discriminatoire maatregelen, bedreigingen en geweld, uit de beschikbare informatie geen systematische vervolging van Ahmadi’s in Pakistan blijkt. In de bestreden beslissing wordt desbetreffend immers dienstig op het volgende gewezen: ‘Uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen (CGVS) beschikt (en waarvan een kopie werd toegevoegd aan het administratief dossier) blijkt dat Ahmadi in Pakistan te maken kunnen krijgen met discriminatoire maatregelen, bedreigingen en geweld. Zo bevat de Pakistaanse ‘Penal Code’ meerdere artikelen die er specifiek op zijn gericht om het geloof van de Ahmadiyya-gemeenschap als blasfemie te beschouwen en strafrechtelijk te vervolgen. In deze context ontstond een klimaat van religieuze intolerantie en straffeloosheid ten aanzien van de Ahmadiyya-gemeenschap, dat de leden van deze gemeenschap blootstelt aan mishandeling, geweld en intimidatie vanwege sommige medeburgers, alsook vanwege de Pakistaanse overheid. Dit klimaat van religieuze intolerantie en straffeloosheid wordt door de Pakistaanse autoriteiten gedoogd en in sommige gevallen zelfs aangemoedigd, zoals bijvoorbeeld het tolereren en vergoelijken van anti-Ahmadipropaganda vanwege onder meer extremistische, religieuze groeperingen. Ook in het dagelijkse leven worden de Ahmadi geconfronteerd met haat, (valse) beschuldigingen van blasfemie, bedreigingen, economische belemmeringen en andere discriminatoire bejegeningen vanwege hun medeburgers. De meerderheid van geweldsplegingen en/of aanklachten van blasfemie tegen de gemeenschap is afkomstig van medeburgers, omwonenden, van lokale geestelijken, al dan niet opgezweept door haatspeech, en geïndoctrineerd door onevenwichtige curricula in het onderwijs en straffeloze uitingen van haat in de media, ook door politieke leiders. Het aantal aanklachten tegen Ahmadi’s onder de blasfemiewetgeving is gedaald sinds 2018 maar vanaf 2021 is een stijging te bemerken. In 2021 en 2022 werden respectievelijk 110 en 107 Ahmadi’s aangeklaagd. Verder dient erop gewezen te worden dat uit de beschikbare informatie blijkt dat lokale personen die een positie bekleden en een zeker aanzien genieten in de Ahmadiyya-gemeenschap het meeste risico lopen om het slachtoffer te worden van een doelgerichte aanval of moord. Dient evenwel te worden opgemerkt dat het aantal Ahmadi in Pakistan geschat wordt tussen 400 000 tot 600 000 en 2 miljoen tot 5 miljoen, terwijl het aantal doelgerichte moorden in de jaren 2014-2020 varieert tussen twee en elf moorden per jaar. In de jaren 2021-2022 en de eerste helft van 2023 ging het om respectievelijk 3, 3 en 1 moorden per jaar. Hoewel rekening moet worden gehouden met mogelijke onderrapportering van geweldsdelicten tegen Ahmadi’s, en hoewel het CGVS zich bewust is van de precaire situatie waarin Ahmadi in Pakistan zich kunnen bevinden, dient in het licht van de beschikbare landeninformatie besloten te worden dat het loutere feit Ahmadi te zijn in Pakistan als dusdanig niet volstaat om te besluiten tot de erkenning van de status van vluchteling of te de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus. Dit wordt bevestigd door de UNHCR in de ‘Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Members of Religious Minorities from Pakistan’ van januari 2017 (beschikbaar op https://www.refworld.org/docid/5857ed0e4.html of https://ww.refworld.org.). Hierin stelt de UNHCR dat Ahmadi ‘are likely to be in need of international refugee protection on account of religion, ethnicity, (imputed) political opinion, and/or other relevant grounds, depending on the individual circumstances of the case’. Uit de COI Focus Pakistan. De Ahmadiyya-gemeenschap van 10 oktober 2023 (waarvan een VII-42.713-2/7 kopie werd toegevoegd aan het administratief dossier) blijkt dat UNHCR sinds januari 2020 geen nieuwe richtlijnen heeft gepubliceerd met betrekking tot religieuze minderheden in Pakistan. Uit het geheel van bovenstaande vaststellingen volgt dat een verwijzing naar een risicoprofiel, met name het behoren tot de Ahmadi-gemeenschap, niet volstaat om aan te tonen dat u in uw land van herkomst werkelijk wordt bedreigd en vervolgd. Een individuele beoordeling van uw vraag naar internationale bescherming, waarbij u uw vrees voor vervolging in concreto dient aan te tonen, blijft dan ook noodzakelijk.’ Het betoog van verzoekende partij onder verwijzing van algemene informatie, dat er in Pakistan daden van vervolging jegens de Ahmadi-gemeenschap plaatsvinden, dat er sprake is van een wettelijke strafbaarstelling, dat de Pakistaanse autoriteiten bovendien deze strafwetgeving toepassen en dat medeburgers zich door dezelfde wettelijke bepalingen gesterkt zien om leden van de Ahmadi-gemeenschap aan te vallen, i.e. elementen die op zich niet betwist worden, is geenszins afdoende om in concreto afbreuk te doen aan bovenstaande vaststelling dat uit het geheel van de beschikbare informatie niet blijkt dat de situatie in Pakistan van die aard is dat er aldaar sprake zou zijn van een systematische vervolging van de Ahmadi- gemeenschap. Verzoekende partij kan dan ook niet volstaan met een loutere verwijzing naar de algemene situatie voor Ahmadi’s in Pakistan om een vrees voor vervolging in haar hoofde aan te tonen, doch dient dergelijke vrees in concreto aannemelijk te maken, alwaar zij echter, gelet op wat volgt, in gebreke blijft.” Uit de voorgaande overwegingen blijkt dat en waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat het niet volstaat om te behoren tot de Ahmadi-gemeenschap in Pakistan om een nood aan internationale bescherming aannemelijk te maken. Verzoekster is wat dat betreft een andere mening toegedaan doch zij toont daarmee niet aan dat de bovenstaande motieven in strijd zijn met artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet).
  3. Volgens verzoekster is “geen nauwgezet, rigoureus onderzoek uitgevoerd naar het risico dat verzoekster zou lopen om blootgesteld [te] worden aan de daden van vervolging jegens ahmadi’s – daden van vervolging die de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als zodanig erkent”, waardoor zij artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geschonden acht. Omdat zij daardoor “geen daadwerkelijk rechtsmiddel” heeft gehad, acht verzoekster ook artikel 13 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geschonden. Verzoekster verwijst weliswaar naar rechtspraak betreffende de voormelde bepalingen van het EVRM, doch zij toont daarmee niet aan dat de supra VII-42.713-3/7 geciteerde overwegingen betreffende de algemene situatie voor Ahmadi’s in Pakistan in strijd zijn met de voorwaarde van een grondig en nauwgezet onderzoek, zoals vereist door artikel 3 van het EVRM. Verzoekster gaat immers voorbij aan de op meerdere rapporten gesteunde analyse van die algemene situatie in het bestreden arrest. Tweede onderdeel van het enige middel
  4. Verzoekster voert aan dat zij “voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen [heeft] geargumenteerd dat ze wegens haar actieve, openlijke rol van lerares door de Pakistaanse autoriteiten gepercipieerd kan worden als iemand die bekeringsdrang of proselitisme vertoont” en dat “[h]et bestreden arrest […] echter geen rekening [houdt] met de wijze waarop verzoekster vanwege haar functies gepercipieerd kan worden door de autoriteiten van haar land van herkomst”. Zij acht daardoor opnieuw de artikelen 3 en 13 van het EVRM en de artikelen 4 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie geschonden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest: “Waar verzoekster nog aanhaalt dat zij een steeds een actieve en openlijke rol heeft gespeeld binnen de gemeenschap en als secretaris taleem die lesgeeft aan meisjes van de Ahmadiyya gemeenschap, in het bijzonder het onderwijs in de Koran, ze minstens gepercipieerd kan worden door de Pakistaanse autoriteiten als iemand die blijk geeft van proselitisme of bekeringsdrang, gaat zij voorbij aan de specifieke vaststellingen desbetreffend in de bestreden beslissing die voor de duidelijkheid hier worden hernomen: ‘Tenslotte dient opgemerkt te worden dat het actief lid zijn van de Ahmadiyya-gemeenschap niet volstaat om aan te tonen dat u in uw land van herkomst werkelijk zal worden bedreigd en vervolgd. Uit de COI Focus Pakistan. De Ahmadiyya-gemeenschap van 10 oktober 2023 blijkt immers dat het relatieve belang van verschillende functies en de zichtbaarheid van deze functies sterk verschilt binnen de gemeenschap. In casu dient te worden vastgesteld dat uw activiteiten in het verleden of het heden voor de Ahmadi-gemeenschap uw terugkeer naar Pakistan niet in de weg staan. Wat uw vroegere activiteiten in Pakistan betreft, dient opgemerkt te worden dat de hoogste functie die u uitgeoefend hebt secretaris van de lajna was, meer bepaald de laatste zes jaar voor uw vertrek naar België […]. Minstens tijdens uw reis naar Duitsland in 2020 oefende u al deze functie uit, desondanks deed u geen verzoek om internationale bescherming in Duitsland, keerde u vrijwillig terug naar Pakistan en zette u uw functie verder. Ook in maart 2023 was u aanvankelijk nog van plan vanuit België terug te keren naar Pakistan. U heeft bijgevolg niet aannemelijk gemaakt dat u Pakistan verlaten heeft omwille van het feit dat u niet in alle vrijheid en zonder enige belemmering uw geloof heeft kunnen belijden. Wat betreft uw activiteiten in België kan vastgesteld worden dat u in 2023 in Luik aangesteld bent als lokale secretaris taleem (opleiding), waarbij u online les geeft, ishaat (verdelen van boeken) en sanato dastakari (aanleren van een vak aan vrouwen). Uit uw verklaringen blijkt dat u in VII-42.713-4/7 Pakistan ook secretaris taleem bent geweest en dat u de laatste zes jaar voor uw vertrek voorzitter was van de lajna, wat een hogere functie is dan de functies die u momenteel in België bekleedt […]. Gezien u er niet in slaagde aan te tonen dat u in Pakistan vervolgd werd toen u een hogere functie uitoefende (zie supra), is er geen indicatie dat u omwille van uw lagere functies in België een risico op vervolging zou lopen bij terugkeer. U toont bovendien niet aan dat uw activiteiten in België gekend zijn in Pakistan. U toont daarnaast ook niet aan dat u bij terugkeer naar Pakistan dezelfde functies zou (kunnen) uitoefenen. Uit de informatie in het administratief dossier blijkt immers niet dat functies uitgeoefend in de Ahmadi-gemeenschap in het buitenland, bij terugkeer naar Pakistan kunnen worden opgenomen. U slaagt er dan ook niet in aannemelijk te maken dat u omwille van voormelde activiteiten een gegronde vrees tot vervolging loopt bij terugkeer naar uw land van herkomst.’ Hieruit blijkt afdoende dat verzoekster er niet in slaagde aan te tonen dat zij in Pakistan vervolgd werd toen zij een hogere functie uitoefende, waardoor er geen indicatie is dat zij omwille van haar lagere functies in België een risico op vervolging zou lopen bij terugkeer. Daarenboven brengt verzoekster geen enkel concreet element bij waarbij zij aannemelijk kan maken dat haar activiteiten in België gekend zijn in Pakistan.” Uit de voorgaande overwegingen blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk verzoeksters in Pakistan en in België uitgevoerde activiteiten heeft onderzocht en in zijn beoordeling heeft betrokken. Verzoekster gaat voorbij aan die motieven en zij toont dan ook geen schending aan van de in dit middelonderdeel ingeroepen bepalingen van het EVRM of het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Derde onderdeel van het enige middel
  5. Verzoekster verwijst naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie waaruit zij afleidt dat de enkele strafbaarstelling van homoseksuele handelingen geen daad van vervolging vormt doch dat daartoe ook de daadwerkelijke toepassing van een gevangenisstraf is vereist. Volgens verzoekster heeft zij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uiteengezet dat dezelfde redenering in haar geval mutatis mutandis toepassing moet vinden doch laat het bestreden arrest deze argumentatie onbesproken zodat niet duidelijk is dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen rekening heeft gehouden met de door het Hof van Justitie van de Europese Unie gegeven interpretatie.
  6. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin VII-42.713-5/7 van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voormelde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
  7. De verwijzing door een verzoeker naar rechtspraak van een rechtbank of een hof vormt slechts de argumentatie betreffende de kritiek dat een bepaling of een beginsel zou zijn geschonden, maar vormt geen afzonderlijk middel of middelonderdeel dat als dusdanig zou moeten worden beantwoord. Al wordt in het bestreden arrest niet uitdrukkelijk ingegaan op de door verzoekster aangehaalde interpretatie, hieruit volgt niet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 48/3 van de vreemdelingenwet in het bestreden arrest foutief zou hebben geïnterpreteerd. Verzoekster geeft ook niet nader aan waar en hoe in het bestreden arrest een foutieve interpretatie van die bepaling, gelezen in het licht van de artikelen 9 en 10 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking)’ zou zijn gemaakt. Conclusie
  8. Het enige middel is in zijn drie onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. VII-42.713-6/7 BESLUIT:
  9. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
  10. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeven januari tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.713-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.148 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.