← België

Cassatiebeschikking 16164 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/01/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 29 januari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.164 Rolnummer: A. 243718/VII-42732 Zaak: Cassatiebeschikking 16164 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/01/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-01-30 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-17 03:01 Fiche Beschikking nr 16.164 van 29 januari 2025 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.164 van 29 januari 2025 in de zaak A. 243.718/VII-42.732 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Brecht De Schutter kantoor houdend te 2800 Mechelen Brusselsesteenweg 54 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 december 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 316.301 van 12 november 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 24 december 2024 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. 1. De in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist VII-42.732-1/7 zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. Artikel 48/6, § 5, a), van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) luidt: “§ 5. De met het onderzoek belaste instanties beoordelen het verzoek op individuele, objectieve en onpartijdige wijze en houden rekening met de volgende elementen:

  1. a)alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast;” 2. Verzoeker acht artikel 149 van de Grondwet geschonden omdat de door hem opgeworpen schending van artikel 48/6, § 5, a), van de vreemdelingenwet in het bestreden arrest “onbesproken” zou zijn gebleven. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest onder meer: “In het enig middel van zijn verzoekschrift voert verzoeker in wezen aan dat het CGVS niet voldaan heeft aan zijn samenwerkingsplicht, die volgens verzoeker inhoudt dat de bewijslast gedeeld is, door geen enkel onderzoek te voeren naar de situatie van activisten en journalisten in de Koerdische Autonome Regio van Irak (hierna: de KAR) overeenkomstig artikel 48/6, § 5,
  2. a)van de Vreemdelingenwet. Te dezen wijst de Raad erop dat de bewijslast in beginsel bij de verzoeker om internationale bescherming zelf rust. Waar verzoeker wijst op de samenwerkingsplicht in hoofde van het CGVS en in dit verband rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhaalt, gaat hij er klaarblijkelijk aan voorbij dat de samenwerkingsplicht vervat in artikel 4 van de richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking) geen synoniem is voor ‘gedeelde bewijslast’, maar hoogstens een nuancering inhoudt van de bewijslast die in beginsel op de schouders van de verzoeker om internationale bescherming rust. De VII-42.732-2/7 samenwerkingsplicht vervat in de tweede zin van artikel 4, eerste lid van voormelde richtlijn volgt immers pas nadat de bewijslast, zoals omschreven in de eerste zin van voornoemd artikel, in de eerste plaats bij de verzoeker om internationale bescherming is gelegd. De asielinstanties moeten niet bewijzen dat de feiten onwaar zouden zijn en het is evenmin hun taak om zelf de lacunes in de bewijsvoering van de vreemdeling op te vullen. De samenwerkingsplicht die op de schouders van de asielinstanties rust, doet dus geen afbreuk aan de verplichting van de verzoeker om internationale bescherming om de relevante gegevens noodzakelijk voor de beoordeling van de gegrondheid van zijn verzoek om internationale bescherming spontaan en zo spoedig mogelijk te verstrekken. Het is dan ook aan verzoeker om alle nodige elementen voor de beoordeling van zijn verzoek om internationale bescherming aan te reiken en de door hem voorgehouden vrees voor vervolging of het vermeende reële risico op ernstige schade in concreto aannemelijk te maken. Verzoeker dient aldus in concreto aannemelijk te maken dat zijn activiteiten op sociale media hem in het vizier van de Koerdische autoriteiten brengen of zouden kunnen brengen bij terugkeer naar zijn land en regio van herkomst omdat hij wordt beschouwd als opposant. De Raad is na grondige lezing van het administratief dossier in navolging van de adjunct-commissaris van oordeel dat verzoeker daartoe in gebreke blijft, gelet op de in de bestreden beslissing terecht aangehaalde en omstandig toegelichte motieven. De adjunct-commissaris beperkt zich daarbij geenszins tot de loutere vaststelling dat verzoeker niet bewijst dat de beledigingen van anonieme deelnemers aan de live- uitzendingen op TikTok kunnen worden toegeschreven aan de Koerdische autoriteiten. In de bestreden beslissing wordt tevens op goede gronden gemotiveerd waarom geen geloof kan worden gehecht aan verzoekers bewering dat de Asayish al drie of vier keer zijn langsgekomen bij zijn familie om naar verzoeker en zijn activiteiten op sociale media te vragen. Deze motieven luiden als volgt: ‘[…]’ Verzoeker onderneemt in zijn verzoekschrift geen enkele poging om bovenstaande motieven van de bestreden beslissing, die steun vinden in het administratief dossier en deugdelijk en pertinent zijn, te weerleggen of te verklaren. Nochtans zijn de beweerde bezoeken van de Asayish aan zijn familie in Irak, indien geloofwaardig, in casu de enige concrete en ernstige aanwijzing dat verzoeker daadwerkelijk in het vizier zou zijn gekomen van de autoriteiten van zijn land en regio van herkomst omwille van zijn politiek getinte activiteiten en uitlatingen op sociale media, die op zich niet worden betwist. Dat aan dit essentiële element van zijn relaas hoegenaamd geen geloof kan worden gehecht, omwille van de hoger aangehaalde pertinente motieven, die steun vinden in het administratief dossier en die door verzoeker geheel ongemoeid worden gelaten – laat staan dat verzoeker deze motieven weerlegt –, is van aard de geloofwaardigheid van zijn bewering en vrees dat de autoriteiten op de hoogte zijn van zijn activiteiten op sociale media, en dat ze hem omwille van die activiteiten zoeken en bij terugkeer willen vervolgen, fundamenteel te ondermijnen. Wat betreft verzoekers voorgehouden lidmaatschap van de organisatie ‘Grupa Shave’, die bestaat uit sympathisanten van de PKK, merkt de Raad nog op dat verzoeker bij de Dienst Vreemdelingenzaken gevraagd of hij officieel lid is van een organisatie, antwoordde ‘Nee, ik ben activist voor PKK’ en geen enkele melding maakte van de groep […]. Wat er ook van zij, verzoeker toont niet aan dat de autoriteiten in zijn land en regio van herkomst op de hoogte zijn van dit lidmaatschap en verzoekers activiteiten in het kader daarvan, gelet op zijn verklaringen tijdens zijn persoonlijk onderhoud op het CGVS dat de groep privé is omwille van veiligheidsredenen en dat hij deelnam aan de online activiteiten van de groep onder een schuilnaam […]. De Raad kan de adjunct-commissaris bijtreden waar hij in dit verband nog als volgt overweegt in de bestreden beslissing: VII-42.732-3/7 ‘Voorts blijkt dat u pas sinds 2021 lid zou zijn geworden van een Koerdische groepering van activisten en Asayish. Indien het al zou vaststaan dat Asayish bij uw familie langsging, quod non, mag het duidelijk zijn dat de huisbezoeken die zich dan in 2015, 2017 en 2019 zouden hebben voorgedaan, hiermee geenszins verband houden.’ De adjunct-commissaris wijst er in de bestreden beslissing tot slot op dat ook verzoekers gedrag het bestaan in zijn hoofde van een daadwerkelijke nood aan internationale bescherming tegenspreekt en motiveert dienaangaande op goede gronden als volgt: ‘Zo verbleef u gedurende 10 jaar illegaal op het Belgische grondgebied. U kwam in die periode ook meermaals in aanraking met de Belgische autoriteiten omwille van uw illegaal verblijf. Dat u gedurende die gehele periode en doorheen die herhaaldelijke contacten nooit enige melding maakte van uw beweerde vrees voor vervolging en nood aan internationale bescherming, is volstrekt onlogisch. Ook nadat u werd opgepakt en overgebracht naar een gesloten centrum maakte uw beweerde vrees niet kenbaar. Pas op het moment dat een procedure u van het Belgische grondgebied te verwijderen en terug te leiden naar Irak werd opgestart, maakte u uw (beweerde) nood kenbaar en diende u uw huidig verzoek in. Uw gedrag in deze wijst er dan ook duidelijk op dat het verkrijgen van internationale bescherming voor u geen prioriteit heeft en het louter verkrijgen van een verblijfsvergunning voor u primeert.’ Verzoeker voert in zijn verzoekschrift geen enkel argument of element aan dat bovenstaande pertinente analyse van zijn gedrag en de negatieve implicaties ervan voor de geloofwaardigheid van zijn voorgehouden vrees voor vervolging in een ander daglicht plaatst. De algemene informatie uit diverse bronnen waarnaar verzoeker verwijst in zijn verzoekschrift en die volgens hem duidelijk maakt ‘dat er wel degelijk een ernstig probleem is op vervolging van activisten zoals verzoeker in geval van terugkeer’ is niet van aard de lacunes in zijn bewijsvoering op te vullen. In de ‘UNHCR International Protection Considerations with Regard to People Fleeing the Republic of Iraq’ van januari 2024, waaruit verzoeker citeert in zijn verzoekschrift, kan worden gelezen dat UNHCR van mening is dat ‘depending on the particular circumstances of the case, individuals opposing or perceived to be opposing the KRG authorities, the dominant ruling parties or others with political influence in the KR-I are likely in need of international refugee protection (…)’ (p. 119). In de mate dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de autoriteiten in zijn land van herkomst op de hoogte zijn van voormelde activiteiten op sociale media en/of zijn lidmaatschap van een PKK-gezinde organisatie en ook verzoekers gedrag het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in zijn hoofde tegenspreekt, kan niet blijken dat hij, gelet op de specifieke omstandigheden van zijn zaak, nood heeft aan internationale bescherming als (vermeende) opposant van de autoriteiten in de KAR. Derhalve is in casu een onderzoek naar de situatie en behandeling van personen met dit profiel, onder meer op basis van de door verzoeker aangehaalde rapporten van UNHCR, EUAA en Freedom House, niet aan de orde. Het loutere feit dat verzoekers verklaringen over zijn activisme op sociale media niet in strijd zijn met algemene en specifieke informatie die gekend en relevant is voor zijn verzoek, volstaat niet om hem het voordeel van de twijfel te verlenen overeenkomstig artikel 48/6, § 4 van de Vreemdelingenwet, nu verzoeker niet in concreto aannemelijk maakt dat de autoriteiten in zijn land van herkomst op de hoogte zijn van dit activisme en hem om die reden willen vervolgen. Gelet op het voorgaande kunnen verzoekers verklaringen met betrekking tot zijn activisme op sociale media en de herhaalde bezoeken van de Asayish aan zijn familie in Irak, die hiermee verband zouden houden, in casu niet worden weerhouden als nieuwe elementen die de kans op internationale bescherming in zijn hoofde VII-42.732-4/7 aanzienlijk vergroten in de zin van artikel 57/6/2, § 1, eerste lid van de Vreemdelingenwet. De documenten die verzoeker tijdens de administratieve procedure heeft neergelegd ter staving van zijn huidig volgend verzoek kunnen deze beoordeling niet wijzigen […]. Het arrestatiebevel bevestigt een eerder arrestatiebevel dat tegen verzoeker zou zijn uitgevaardigd wegens zijn samenwerking met de PKK. Dit document en verzoekers vrees in dit verband maakten reeds het voorwerp uit van een eerdere (definitieve) beoordeling in het kader van zijn eerste verzoek, waarbij besloten werd dat aan verzoekers bewering door de autoriteiten van zijn land en regio van herkomst te worden gezocht omwille van zijn vermeende samenwerking met de PKK geen enkel geloof kan worden gehecht. Het gegeven dat verzoeker in het kader van zijn huidige vierde verzoek deze vrees louter herhaalt en ter staving hiervan opnieuw een arrestatiebevel neerlegt, waarin louter verwezen wordt naar het eerder neergelegde arrestatiebevel, is op zich niet van die aard de eerder vastgestelde ongeloofwaardigheid op te heffen. Bovendien blijkt uit objectieve informatie aanwezig in het administratief dossier dat allerhande Iraakse documenten frequent worden vervalst of gemakkelijk door omkoping kunnen worden verkregen, waardoor de bewijswaarde van dergelijke documenten zeer beperkt is […]. De brief opgesteld door (oorspronkelijke) dorpsgenoten van verzoeker bevat louter persoonlijke verklaringen die niet kunnen worden geverifieerd en die geen enkele objectieve bewijswaarde hebben. Wat betreft de neergelegde screenshots van verzoekers profielen op sociale media, dient te worden herhaald dat in casu niet wordt betwist dat verzoeker actief is op sociale media en daarbij boodschappen tegen de Turkse en Koerdische autoriteiten post. Uit deze stukken kan evenwel niet blijken dat de autoriteiten in zijn land en regio van herkomst op de hoogte zijn van deze activiteiten en hem omwille daarvan viseren.” Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest ingaat op de inhoud en de betekenis van artikel 48/6, § 5, a), van de vreemdelingenwet en antwoordt op verzoekers kritiek tegen de beslissing van de verwerende partij, wat de concrete omstandigheden van de zaak betreft en wat het al dan niet verder in aanmerking nemen van de informatie over de algemene situatie in het land van herkomst betreft. Verzoeker toont in die mate geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. 3. Verzoeker acht artikel 48/6, § 5, a), van de vreemdelingenwet geschonden omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “zelf ook geen rekening [houdt] met de relevante feiten uit het herkomstland”. Uit het bestreden arrest, zoals hoger geciteerd, blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op grond van een aantal concrete vaststellingen verzoekers VII-42.732-5/7 relaas als zou hij door zijn activiteiten op sociale media worden geviseerd door de Koerdische autoriteiten, ongeloofwaardig acht. Deze beoordeling behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de feitenrechter. Net omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het niet geloofwaardig acht dat verzoeker door zijn activiteiten op sociale media in het vizier van de autoriteiten is gekomen, kon hij zonder schending van artikel 48/6, § 5, a), van de vreemdelingenwet oordelen dat de algemene informatie over de situatie van personen die wel aan dat profiel beantwoorden, verder niet aan de orde is. 4. Verzoeker voert nog een schending van artikel 57/6/2 van de vreemdelingenwet, doch niet anders dan met de voormelde, ongegrond bevonden kritiek. 5. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negenentwintig januari tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter VII-42.732-6/7 Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.732-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.164 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.