id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 07 februari 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.170 Rolnummer: A. 243838/VII-42747 Zaak: Cassatiebeschikking 16170 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/02/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-02-11 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-17 03:01 Fiche Beschikking nr 16.170 van 7 februari 2025 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 16.170 van 7 februari 2025 in de zaak A. 243.838/VII-42.747 In zake :
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ahmed Sakhi Mir-Baz kantoor houdend te 2050 Antwerpen Tijl Uilenspiegellaan 17 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 27 december 2024, strekt tot de cassatie van arrest nr. 317.683 van 29 november 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 17 januari 2025 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De in artikel 149 van de Grondwet en in artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) vervatte jurisdictionele VII-42.747-1/4 motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
- De verzoekende partijen richten zich tegen de beoordeling in het bestreden arrest “dat verzoekers hun voorgehouden Afghaanse nationaliteit en verblijf als illegale vluchtelingen van Sikh-origine in India niet aannemelijk hebben gemaakt”. Hierbij voeren de verzoekende partijen aan dat in het bestreden arrest niet wordt geantwoord op de vraag die zij ter zitting hebben gesteld, namelijk waarom zij tienduizenden euro’s aan de mensensmokkelaar zouden betalen en met een vals Indisch paspoort zouden reizen, als zij zelf over de Indische nationaliteit zouden beschikken. Dergelijke vraag vormt geen afzonderlijk middel waarop de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou moeten antwoorden. De verzoekende partijen gaan bovendien voorbij aan de uitgebreide en concrete motivering die de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest tot zijn besluit doet komen. Uit die omstandige motivering met een eigen beoordeling van de concrete omstandigheden van de zaak blijkt duidelijk dat en waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich niet op hetzelfde standpunt stelt als in een andere zaak, waarnaar de verzoekende partijen hebben verwezen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen concludeert dienaangaande: “Het bij verzoekers’ aanvullende nota gevoegde ‘bewijs van de erkenning van een andere familie met gelijkaardige situatie’ heeft geen betrekking op verzoekers’ persoonlijke, individuele situatie. Uit de dienaangaande bijgevoegde stukken kan overigens nergens blijken dat de betrokkenen van deze beslissing zich in een gelijkaardige situatie als verzoekers zouden hebben bevonden. Waar verzoekers in hun VII-42.747-2/4 aanvullende nota verwijzen naar rechtspraak van de Raad, dient erop gewezen dat de precedentenwerking niet wordt aanvaard in het Belgische recht.” De verzoekende partijen tonen wat dat betreft geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht.
- In de mate dat de verzoekende partijen aanvoeren dat het arrest van de Raad voor Vreemdelingenzaken in de zaak waarnaar zij verwijzen “wel betrekking heeft op hun persoonlijke en individuele situatie”, geven zij hun eigen standpunt weer, waarbij zij evenwel voorbijgaan aan de eigen motieven van het bestreden arrest. Bovendien stellen zij aldus in wezen een nieuwe beoordeling ten gronde voor, terwijl de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling treedt van de zaak zelf. De verzoekende partijen kunnen derhalve met die kritiek geen schending aantonen van de overige door hen ingeroepen bepalingen.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 800 euro, elk voor een vierde. VII-42.747-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeven februari tweeduizend vijfentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.747-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.170 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.